Gemeenteblad van Maastricht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Maastricht | Gemeenteblad 2024, 434115 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Maastricht | Gemeenteblad 2024, 434115 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Subsidieregeling doelgroeparrangementen jeugd en onderwijs Zuid-Limburg 2025
Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Maastricht; overwegende dat het Bestuurlijk Overleg van de 16 gemeenten in de Jeugdhulpregio Zuid-Limburg besloten heeft om de Doelgroepenarrangementen in 2025 te continueren ten behoeve van leerlingen met een zorg-ondersteuningsbehoefte in het speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en speciaal voortgezet onderwijs en specifiek mytyl- en tyltylscholen (hierna aangeduid als ‘gespecialiseerd’ onderwijs) door het verstrekken van subsidies voor activiteiten die daaraan bijdragen; gelet op de Algemene subsidieverordening 2020 Maastricht; besluit vast te stellen de Subsidieregeling Doelgroeparrangementen Jeugd en Onderwijs Zuid-Limburg 2025.
In deze regeling wordt verstaan onder:
Basisondersteuning onderwijs: tot de basisondersteuning onderwijs behoren alle onderwijs-ondersteuningsvormen die iedere school in huis heeft. Dit zijn alle binnen het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs overeengekomen preventieve en lichte curatieve interventies die eenduidig gelden voor alle scholen binnen het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs. Iedere school beschrijft haar mogelijkheden in het schoolondersteuningsprofiel (SOP). In het samenwerkingsverband passend onderwijs stemmen scholen die (gevalideerde) ondersteuningsprofielen af met het doel om op samenwerkingsverbandniveau tot een dekkend netwerk in ondersteuningsaanbod te komen. Streven is jeugdigen met een ondersteuningsbehoefte zoveel mogelijk binnen de basisondersteuning van een school op te vangen;
Begroting: een sluitende en gespecificeerde begroting. Voor de uitgaven dient te worden uitgegaan van de feitelijke kosten gebaseerd op de benodigde expertise die nodig is voor de uitvoering van het beoogde doelgroepenarrangement. Bij de uitgaven dient ook de wijze waarop cofinanciering vanuit het schoolbestuur en/of samenwerkingsverband wordt vormgegeven te worden vermeld;
Doelgroepenarrangement (onderwijs-jeugdhulp): de Doelgroepenarrangementen Jeugd-Onderwijs richten zich op scholen voor speciaal basis onderwijs, speciaal onderwijs en speciaal voortgezet onderwijs en specifiek mytyl- en tyltylscholen, hierna aangeduid als ‘gespecialiseerd onderwijs,’ die gevestigd zijn in één van de 16 Zuid-Limburgse gemeenten: Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Beekdaelen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg a/d Geul en Voerendaal. Voor de gemeenten Heerlen, Landgraaf en Voerendaal wordt de ambulante jeugdhulp los van de regionale inkoop, via lumpsum bekostiging geregeld door JENS. JENS is daarmee de aanbieder voor de inzet van zorgondersteuning op scholen met DGA die gehuisvest zijn in de gemeenten Heerlen, Landgraaf en Voerendaal. Doelgroepenarrangementen betreft een arrangement dat zich richt op een groep van jeugdigen met een onderwijs-ondersteuningsbehoefte en een zorg-ondersteuningsbehoefte en diens omgeving, waarin het gespecialiseerd onderwijs niet alleen kan voorzien. De afstemming tussen school en thuis is een wezenlijk kenmerk van het doelgroepenarrangement onderwijs-jeugdhulp. De jeugdige en de ouder(s)/verzorger(s) zijn daarin partner. Daar waar arrangementen in een collectieve vorm op school worden geleverd, kan er geen individueel arrangement meer worden ingezet voor dezelfde leerling(en) met hetzelfde doel tenzij er sprake is van exceptionele specifieke zorgbehoeften, welke besproken dient te worden in het Knooppuntoverleg;
Extra ondersteuning onderwijs: Wanneer de basisondersteuning ontoereikend is, is toeleiding naar extra ondersteuning in een gespecialiseerde onderwijsvoorziening aan de orde. Het samenwerkingsverband passend onderwijs bepaalt het onderscheid tussen basisondersteuning (niveau 1-4) en extra ondersteuning (niveau 5). Binnen dit geheel ontvangt het samenwerkingsverband een budgetfinanciering voor lichte en zware ondersteuning. Het ondersteuningsaanbod varieert van licht en curatief en tijdelijk tot intensief, langdurig of structureel;
Gespecialiseerd onderwijs: alleen voor scholen voor speciaal (basis)onderwijs (sbo/so), voortgezet speciaal onderwijs (vso)en specifiek mytyl- en tyltylscholen, kan een subsidieaanvraag in het kader van deze subsidieregeling worden ingediend. Deze scholen worden vertegenwoordigd door het schoolbestuur waar de desbetreffende school onder valt;
Jeugdhulpregio Zuid-Limburg: sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet. De 16 gemeenten in Zuid-Limburg werken daarvoor sinds 2015 samen middels een centrumregeling op het gebied van Jeugdhulp. De samenwerking is gericht op het bieden van jeugdhulp en -ondersteuning aan kinderen, jongeren en hun gezinnen. De regio coördineert de uitvoering van jeugdhulpvoorzieningen, inclusief preventieve, curatieve, en specialistische hulp, en werkt samen met diverse partners zoals scholen, zorginstellingen en andere gemeentelijke organisaties;
Knooppuntoverleg: het knooppunt overleg is het verbindingsinstrument tussen kinderopvang, onderwijs en netwerkpartners. Het is bedoeld om integraal beeld te verkrijgen van de leerling en zijn leefomgeving, het vaststellen van de ondersteuningsbehoeften en hierop gebaseerde afspraken over (gelijktijdige en afgestemde) interventies van onderwijs, gemeente en/of zorg gericht op thuis en school. Het gemeentelijke jeugdteam sluit bij elk knooppunt aan die door de school wordt georganiseerd vanuit de visie van de doelgroepenarrangementen. De afstemming tussen school en thuis is daarnaast een wezenlijk doel van het knooppuntoverleg;
Regionale Werkgroep DGA speelt een actieve rol in het ondersteunen en uitwerken van de doorontwikkelthema’s en ziet erop toe dat deze vertaald worden in de praktijk via de Subregionale Projectgroep. Tevens houden zij de landelijke ontwikkelingen in de gaten en trekken daar lering uit. De Regionale Werkgroep DGA bestaat uit de volgende leden:
Samenwerkingsverband Passend Onderwijs: schoolbesturen hebben vanaf 1 augustus 2014 de zorgplicht, de middelen en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de wet Passend Onderwijs. Om dit te realiseren werken de schoolbesturen primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) binnen Zuid-Limburg samen in een Samenwerkingsverband Passend Onderwijs;
Schoolondersteuningsprofiel (SOP): het SOP is een beschrijving van de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen die ondersteuning behoeven. Het schoolondersteuningsprofiel geeft een beeld van de wijze waarop scholen de ondersteuning hebben vormgegeven. Basisscholen beschrijven de basisondersteuning; gespecialiseerd onderwijs beschrijft de extra ondersteuning;
Subregionale Projectgroep DGA: in iedere subregio is sprake van een subregionale projectgroep DGA. Deze bespreekt structureel de ontwikkelingen DGA binnen de subregio. In dit overleg kan men elkaar bevragen, wordt bekeken welke aanpakken effectief blijken en wordt de monitoring besproken. Tevens komen de thema’s in de doorontwikkeling aan bod. De projectleiders van het Ambulant Ontwikkelcontract zijn de voorzitter van deze projectgroep en stemmen signalen en ontwikkelingen uit elke subregio onderling af en met de verantwoordelijke van de Programmagroep en Regionale Werkgroep DGA. De Subregionale Projectgroep DGA bestaat uit de volgende leden:
Toetsingscommissie doelgroepenarrangementen onderwijs-jeugdhulp: alle ingediende aanvragen worden getoetst door de regionale Toetsingscommissie aan de hand van de Subsidieregeling en het daarbij horende Beoordelingskader Doelgroepenarrangementen Jeugd & Onderwijs 2025 (bijlage 2 van de regeling). Zij geven eventuele aandachtspunten en signalen mee aan de Subregionale Projectgroep ter verdere bespreking en doorontwikkeling in de subregio.
De Toetsingscommissie DGA bestaat uit de volgende leden:
Vertegenwoordiging namens de gemeenten vallende onder de subregio Maastricht-Heuvelland; 3
Woonplaatsbeginsel: het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet bepaalt welke gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdhulp van een kind. De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente waar het kind officieel woont, ook wel de woonplaatsgemeente genoemd. Dit beginsel helpt bepalen welke gemeente de kosten voor de jeugdhulp moet dragen en zorgt ervoor dat er duidelijkheid is over de verantwoordelijkheden;
Het bepaalde in deze subsidieregeling is enkel van toepassing op de verstrekking van subsidies door burgemeester en wethouders voor de in artikel 3 bedoelde activiteiten.
Subsidie kan uitsluitend, per leerling, worden verstrekt voor interventies, door het inzetten van zorgondersteuning. Deze zorgondersteuning betreft (collectieve) begeleiding of persoonlijke verzorging die het gespecialiseerd onderwijs overstijgen, inclusief de pedagogische opdracht en aanpak van de school.
De inzet van de zorgondersteuning dient bij te dragen aan de volgende maatschappelijk effecten en beoogde resultaten:
Samenhang ondersteuning: Voor elke leerling worden de doelen van school en thuis gezamenlijk met ouders besproken en in het Ontwikkelingsperspectiefplan van school vastgelegd. Dit plan wordt op school afgestemd, structureel geëvalueerd en geïntegreerd met het gezinsplan (1gezin1plan) en eventueel overige jeugdhulp- en/of zorgaanbieders die bij de leerling en ouders zijn betrokken.
Versterkte samenwerking: Afspraken over permanente zorg- en ondersteuningsaanbod op school zorgen voor interprofessionele samenwerking van onderwijsprofessionals, jeugdhulpprofessionals en professionals van maatschappelijk werk- en welzijnsorganisaties. Samen dragen ze de verantwoordelijkheid voor voortgang in de zorg- en onderwijs-ondersteuningsbehoeften van de leerlingen. Indien naast de inzet van DGA een andere vorm van jeugdhulp noodzakelijk wordt geacht voor een leerling, zoals behandeling (individueel of groep), is het streven vindplaats=werkplaats. Oftewel behandeling dient zoveel als mogelijk in samenwerking en nauwe afstemming met ouders en de huidige school (en DGA medewerker) worden geboden, zodat voorkomen wordt dat leerlingen uitstromen naar andere voorzieningen zoals dagbehandelingsgroepen onderwijs-zorg.
Verminderde administratieve Lasten: Collectieve financiering vermindert discussies over financiering en budgetten op lokaal niveau en vermindert de administratieve lasten voor zowel ouders, scholen en gemeenten. Daar waar arrangementen in een collectieve vorm op school worden geleverd (DGA), kan er geen individueel arrangement meer worden ingezet voor dezelfde leerling(en) met hetzelfde doel tenzij er sprake is van exceptionele specifieke zorgbehoeften, welke besproken dient te worden in het Knooppuntoverleg.
Artikel 5. Kosten die voor subsidie in aanmerking komen
Subsidie wordt, conform art. 116 lid 1 van de Wet op expertisecentra, alleen verstrekt per leerling die op 1 februari 2024 door een samenwerkingsverband toelaatbaar zijn verklaard tot het gespecialiseerd onderwijs en volgens het woonplaatsbeginsel woonachtig zijn in één van de 16 Zuid-Limburgse gemeenten.
Artikel 6. Kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen
Niet voor subsidie in aanmerking komen:
In afwijking van de genoemde termijnen in artikel 7 van de ASV dient een subsidieaanvraag op grond van deze subsidieregeling door gemeente Maastricht te zijn ontvangen vóór 8 november 2024, teneinde het aangevraagde Doelgroepenarrangement te kunnen starten per 1 januari 2025.
Een aanvraag om een subsidie bevat de volgende gegevens:
Een financiële onderbouwing van de leerling lijst, de verdeling van de middelen over de in te zetten jeugdhulp en de kostenelementen van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB 1 juli 2024) reële prijzen Jeugdwet vanwege de doorontwikkeling naar zo optimaal mogelijke reële DGA tarieven voor 2026 en verder, in tabelvorm waarbij het format is opgenomen in het aanvraagformulier subsidieregeling DGA 2025.
Een begroting van een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van de andere aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteit, onder vermelding van de stand van zaken daarvan. Die is toegevoegd als bijlage aan het aanvraagformulier subsidieregeling DGA 2025;
Artikel 9. Wijze van verdeling
De DGA Toetsingscommissie analyseert de ingediende aanvraag op basis van de richtlijnen uit het Beoordelingskader Doelgroepenarrangementen Jeugd en Onderwijs 2025, zie bijlage 1 van deze regeling. Nadat de toetsingscommissie haar analyse heeft afgerond, stelt zij een advies op. Dit advies gaat over of de aanvraag moet worden goedgekeurd, afgewezen, of aangepast. De Toetsingscommissie brengt dit advies uit aan de Stuurgroep Jeugdhulpregio Zuid-Limburg.
Onverminderd artikel 9, derde lid, aanhef en onder f, van de ASV, kan subsidieverlening worden geweigerd als:
Op grond van artikel 8 lid 3 van de ASV beslissen het college van burgemeester en wethouders van gemeente Maastricht binnen 8 weken na ontvangst van de complete subsidieaanvraag.
Artikel 13. Hoogte van de subsidie
De verdeelsleutel richting de deelnemende gemeenten wordt berekend aan de hand van de leerlingenaantallen op de teldatum 1-2-2024, die onderwijs volgen op één van de scholen met DGA waarbij de betreffende gemeente volgens het woonplaatsbeginsel Jeugdwet (financieel) verantwoordelijk is voor het bieden van jeugdhulp.
De toepasselijke wetgeving en aanwezige voorzieningen om de onderwijs- en zorgondersteuning van leerlingen te bevorderen worden als eerste aangesproken om in de ondersteuningsbehoefte te voorzien. Zo zijn Wlz en ZVW voorliggend op de Wmo en Jeugdwet en daarmee voorliggend op de inzet van DGA subsidie.
De subsidieontvanger en de deelnemende gemeenten c.q. JENS dienen tijdig met elkaar in overleg te treden waarbij de volgende uitgangspunten van toepassing zijn:
In de knooppunten wordt op basis van gelijkwaardig partnerschap het inhoudelijke gesprek gevoerd met de jeugdige en zijn ouders. Het doel is om de betrokken partijen rondom een gezin/leerling samen te brengen. De besteding van de DGA middelen voor deze leerling zullen ter sprake komen. Het uitgangspunt is dat er geen sprake is van extra zorginzet (beschikking individueel arrangement) voor leerlingen binnen een DGA in de schoolse context tenzij er sprake is van exceptionele specifieke zorgbehoeften. Het initiatief voor het beleggen van een knooppunt is een gedeelde verantwoordelijkheid van zowel de gemeenten c.q. JENS als het onderwijs.
Aldus besloten door het College van Burgemeester en Wethouders van Maastricht d.d. 8 oktober 2024
De Secretaris,
G.J.C. Kusters
De Burgemeester,
W.A.G. Hillenaar
BIJLAGE 1: Beoordelingskader Subsidieregeling Doelgroepenarrangementen Jeugd en Onderwijs 2025
De Doelgroepenarrangementen Jeugd-Onderwijs richten zich op scholen voor speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs, speciaal voortgezet onderwijs en specifiek mytyl- en tyltylscholen, hierna aangeduid als ‘gespecialiseerd onderwijs’, die gevestigd zijn in één van de 16 Zuid-Limburgse gemeenten: Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Beekdaelen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg a/d Geul en Voerendaal. Voor de gemeenten Heerlen, Landgraaf en Voerendaal wordt de jeugdhulp los van de regionale inkoop via lumpsum bekostiging geregeld door JENS die daarmee de aanbieder is voor DGA in de scholen met DGA gehuisvest in Heerlen, Landgraaf en Voerendaal.
Dit beoordelingskader geldt voor subsidieaanvragen voor het kalenderjaar 2025. Het beoordelingskader betreft bijlage 2 van de Subsidieregeling Doelgroepenarrangementen Jeugd & Onderwijs 2025 waar bepalingen over de aanvraagprocedure, beoordeling en verantwoording zijn opgenomen.
Op 15 mei 2024 hebben de bestuurders van de 16 Zuid-Limburgse gemeenten besloten om Doelgroepenarrangementen in 2025 te continueren met in acht nemend de aanbevelingen vanuit het eerder door BMC uitgevoerde onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van DGA. Eén van de besluiten is het gezamenlijk met onderwijs ontwikkelen van een kader om de verantwoordelijkheidsverdeling Passend Onderwijs en Jeugdwet waar mogelijk te duiden en tot heldere afspraken te komen welke ondersteuning al dan niet passend is binnen de DGA. Gezien de tussenliggende zomerperiode is het belangrijk te benadrukken dat er meer tijd nodig is om samen met het onderwijs de genoemde richtlijnen te bespreken. Vooral de richtlijnen, onderverdeeld in deelonderwerpen gebaseerd op één van de landelijke proeftuinen, vereisen nadere uitwerking en bespreking. Dit is cruciaal om zowel het onderwijs als de gemeenten een gevoel van gedeeld eigenaarschap te geven. Ook in de doorontwikkeling voor 2026 en verder zal het beoordelingskader indien nodig worden aangepast.
Met de Doelgroepenarrangementen wordt jeugdhulp op school georganiseerd, waar onderwijsprofessionals samenwerken met jeugdhulpaanbieders en maatschappelijk werk & welzijnsorganisaties om leerlingen met een zorg-ondersteuningsbehoefte te begeleiden. Door de afspraken voor de ondersteuning collectief te organiseren verminderen we de administratieve lasten voor ouders. Daar waar arrangementen in een collectieve vorm op school worden geleverd zoals Doelgroepenarrangementen is het uitgangspunt dat er geen individueel arrangement wordt ingezet voor dezelfde leerling voor begeleiding op school, tenzij er sprake is van exceptionele specifieke zorgbehoeften.
In de afgelopen jaren zijn er in het kader van de subsidieregeling Doelgroepenarrangementen (DGA) verbindingen gelegd tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden, schoolbesturen, gespecialiseerd onderwijs en zorgaanbieders. Dit heeft ervoor gezorgd dat men zich steeds meer bewust is geworden van het belang van het versterken en vereenvoudigen van de financiering van zorg tijdens onderwijstijd en te komen tot reële financiering.
De ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) werken momenteel samen om te komen tot een betere financiering van zorg in onderwijstijd voor kinderen met complexe problematiek op scholen in het gespecialiseerd onderwijs. De departementen willen een structurele oplossing bieden voor de problemen die ouders, scholen en zorgaanbieders daarmee ondervinden. Die problemen bestaan al veel langer en spelen voor een groot deel op de scheidslijn tussen het collectief ingerichte onderwijs en het op individuele leest geschoeide zorgstelsel. Collectieve financiering wordt gezien als kans om de financiering van zorg en ondersteuning in het speciaal onderwijs te vereenvoudigen en te verbeteren.
In de basis gaat het daarbij om het bundelen van middelen vanuit de Jeugdwet, Wlz, Zvw en Wmo in een ‘centrale pot met geld’, zodat niet langer voor elk kind een aparte beschikking of indicatie nodig is, maar er ruimte komt voor (de aanstelling van) een beperkt aantal vaste zorgverleners die op een gespecialiseerde onderwijsschool flexibel kunnen inspelen op wat nodig is. Door de zorgmiddelen collectief voor de hele school ter beschikking te stellen, kan zorg beter, vraaggerichter en efficiënter worden ingezet.
DSP-groep en Oberon hebben in de periode 2020-2022 in opdracht van beide ministeries kwantitatief en kwalitatief onderzoek gedaan om hiervoor input en onderbouwing aan te dragen.4 Dit onderzoek is uitgevoerd in navolging op het in 2019 eerder uitgevoerde onderzoek door Berenschot in opdracht van VWS en OCW om inzicht te krijgen in de verantwoordelijkheidsverdeling en het grijze gebied ten aanzien van het aanbod en de financiering van zorg in onderwijstijd. 5
Dit grijze gebied; wanneer moet een activiteit vanuit zorg en wanneer vanuit onderwijs gefinancierd worden, is moeilijk te beslechten en een terugkerende discussie. De ministeries VWS en OCW wensen deze landelijk terugkerende discussie over het grijze gebied te beslechten en daar is een wetswijziging (gericht op het invoeren van collectieve financiering) voor nodig. Het zal naar verwachting 2 à 3 jaar duren voor de nieuwe wetgeving in werking treedt. Tot die tijd wachten we niet af. Ondanks de uitdagingen hebben de inspanningen rondom de Doelgroepenarrangementen Zuid-Limburg immers binnen de bestaande wetgeving laten zien dat een vorm van collectieve financiering mogelijk is, zij het met aanzienlijke inzet en energie vanuit alle betrokken partijen. Professionals, beleidsmakers en bestuurders hebben behoefte aan een duurzame en structurele oplossing die de huidige vrijblijvendheid overstijgt, aan een helder toekomstperspectief dat zowel richting geeft als speelruimte biedt.
Op basis van de proeftuinen binnen het onderzoek van de DSP-groep en Oberon, en onze huidige kennis en inzichten, presenteren we in dit beoordelingskader richtlijnen die gehanteerd worden bij het beoordelen van de aanvragen. Waar de criteria voor een subsidieaanvraag tot nu toe open en met ruimte voor specifieke invulling waren, scherpen we deze nu aan. Wij zijn van mening dat dit nog steeds voldoende mogelijkheden biedt aan scholen om, op basis van hun expertise en schoolkenmerken, een goede invulling te geven aan de DGA. Nogmaals zoals gezegd, het Beoordelingskader verdiend nadere uitwerking en blijft onderdeel van het leerproces en de doorontwikkeling en draagt bij aan de verdere ontwikkeling van de verbinding tussen zorg en onderwijs met alle betrokken partijen.
De subsidieregeling heeft als doel om de samenwerking tussen gespecialiseerd onderwijs en jeugdhulpaanbieders te versterken door het bevorderen van een integrale werkwijze. Hierbij wordt gestreefd naar een nauwe afstemming en samenwerking tussen gespecialiseerd onderwijs en jeugdhulp, met als hoofddoel het verbeteren van de zorg- en ondersteuningsstructuur voor leerlingen zodat zij passend onderwijs en het liefst thuis-nabij onderwijs kunnen volgen. Het is noodzakelijk dat de onderwijs-ondersteuningsbehoeften en zorg-ondersteuningsbehoeften in samenhang en afgestemd met ouders (tijdelijk) vormgegeven wordt. Zo wordt het ontwikkelingsperspectief inclusief de schoolloopbaan van de jeugdige bevorderd via een integrale aanpak op school, in de vrije tijd en/of thuis.
Meerwaarde en beoogde resultaten
Onderstaand wordt in algemene zin de kaders van het Doelgroepenarrangement beschreven:
Daar waar arrangementen in een collectieve vorm op school worden geleverd zoals Doelgroepenarrangementen is het uitgangspunt dat er geen individueel arrangement wordt ingezet voor dezelfde leerling voor begeleiding op school, tenzij er sprake is van exceptionele specifieke zorgbehoeften. Met andere woorden, van onderwijs wordt verwacht dat zij met het toegewezen bedrag per leerling specifiek voor hun school de benodigde begeleiding en ondersteuning kunnen bieden in 2025, want binnen de collectiviteit kan immers veel maatwerk geboden worden. Indien er sprake is van exceptionele specifieke zorgbehoeften wordt dit besproken tijdens een Knooppuntoverleg. Het risico bestaat dat bij het uitblijven van een separaat arrangement de school de leerling niet kan plaatsen, wat kan leiden tot volledige afhankelijkheid van jeugdhulp of plaatsing bij een andere schoolsoort met mogelijke extra kosten voor gemeenten. Het gezamenlijke gesprek over een doelmatige inzet van zorg- en onderwijs is daarmee van belang. Het is belangrijk dat tijdens het knooppuntoverleg gezamenlijk onderbouwd wordt of een aanvullend arrangement nodig is en dat duidelijk wordt afgesproken wie waarvoor verantwoordelijk is, voor welke periode het arrangement geldt en wanneer de evaluatie en afbouw plaatsvindt.
In de doorontwikkeling van doelgroepenarrangementen is het cruciaal dat onderwijs en gemeenten gezamenlijk dieper analyseren in welke situaties een aanvullend arrangement noodzakelijk blijkt te zijn. Het is belangrijk te benadrukken dat het hierbij niet om grote aantallen gaat en dat deze arrangementen vaak van tijdelijke aard zijn, bijvoorbeeld in de aanloop naar een Wlz-aanvraag. We moeten lessen trekken uit de omstandigheden waarin een dergelijk arrangement vereist is en begrijpen welke factoren hierbij een rol spelen. Indien we vanuit monitoring zien dat er sprake is van een groei van aanvullende individuele arrangementen wordt het gesprek nadrukkelijk hierover gevoerd.
Als de professionals in het knooppuntoverleg niet tot overeenstemming komen, past de toegangsmedewerker van de betreffende gemeente/JENS de gebruikelijke opschaling toe, door de situatie te bespreken met een gedragswetenschapper, leidinggevende of beleidsmedewerker. Het onderwijs volgt eveneens de interne afstemmingsroute, waarbij overleg met de directeur SWV PO of VO aan de orde kan zijn.
Indien onverhoopt geen overeenstemming wordt bereikt, wordt vanuit de toegang naar een hoger beslissingsniveau geëscaleerd, zoals beschreven in het document Escalatiemanagement Sociaal Domein. Dit betekent dat het ContractRegieTeam (CRT) Ambulante Jeugdhulp (segment 3 + 4) wordt benaderd. Het CRT bespreekt de kwestie in het eerstvolgende CRT overleg en waar nodig schakelen zij met de Regionale Werkgroep DGA waarnaar een terugkoppeling plaatsvindt naar de toegang Jeugd van de desbetreffende gemeente. Bij HLV-JENS dient geschakeld te worden met de operationeel manager van JENS of de beleidsmedewerker HLV.
DGA betreft (collectieve) begeleiding en het tarief is daarop gebaseerd. Het betreft begeleiding die het onderwijs en de inzet van het voorliggend veld overstijgen, inclusief de pedagogische opdracht en aanpak van de school. Naast begeleiding gaat het over persoonlijke verzorging vanuit de Jeugdwet die nodig is om deelname aan onderwijs mogelijk te maken en die de schoolse verantwoordelijkheden overstijgt. In het ontwikkelingsprofiel (per leeftijdscategorie) van jeugdigen is het normaal dat er behoefte is aan zorg en ondersteuning, aangezien dit hoort bij hun leeftijd en ontwikkeling. Jeugdhulp/DGA komt pas in beeld wanneer de zorgbehoefte verder gaat dan wat je redelijkerwijs verwacht bij de ontwikkelingsfase van de leerling. DGA betreft specifieke jeugdhulp en omvat dus niet alle zorgvormen, zoals behandeling vanuit de Jeugdwet of vormen van ondersteuning die onder andere wetgevingen vallen, zoals: verpleging, de inzet van paramedische diensten zoals logopedie, ergotherapie en fysiotherapie.
Indien behandeling (individueel of groep) nodig wordt geacht is het streven vindplaats=werkplaats. Oftewel behandeling dient zoveel als mogelijk in samenwerking en nauwe afstemming met ouders en de huidige school (en DGA medewerker) worden geboden, zodat voorkomen wordt dat leerlingen uitstromen naar andere voorzieningen zoals dagbehandelingsgroepen onderwijs-zorg.
Indien er sprake is van een separaat arrangement buiten onderwijstijd bijv. voor (gezins)behandeling, ambulante (groeps)begeleiding na school, logeren etc. dient er afstemming te zijn tussen de ouders, DGA medewerker, de gemeente en de betrokken jeugdhulpaanbieder. Alleen zo kan wat op school is ingezet thuis inslijpen en andersom. Met een effectieve inzet van DGA verwachten we bij de doorontwikkeling een mogelijke afname van jeugdhulparrangementen buiten onderwijstijd te zien. Het beleggen van een knooppuntoverleg is in deze situaties aangewezen.
De samenwerking tussen school en thuis is een cruciaal onderdeel van het doelgroepenarrangement. Ouders/verzorgers en de jeugdige zijn hierin gelijkwaardige partners. Er wordt gekeken hoe de aanpak op school kan worden doorvertaald naar de thuissituatie en omgekeerd. Het is redelijk om te verwachten dat ouders, binnen hun eigen mogelijkheden, inspanningen verrichten om ook thuis actief bij te dragen aan het versterken en onderhouden van wat op school wordt geleerd en toegepast, zodat de resultaten optimaal behouden blijven. De individuele doelen van de leerling vanuit het onderwijs worden beschreven in het Ontwikkelingsperspectiefplan. Behalve in het gezinsplan (1gezin1plan) worden de doelen vanuit de jeugdhulp ook beschreven in het Ontwikkelingsperspectiefplan.
De begeleiding vanuit de zorg en daarmee de deskundigheid van de medewerkers vanuit de zorg is van een onderscheidende en complementaire, dus andere aard dan de inzet vanuit het onderwijs en de onderwijsprofessionals. In een complementair team dragen onderwijs- en jeugdhulpprofessionals gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de leerlingen. Er bestaat een risico dat wanneer jeugdhulpprofessionals steeds meer deel gaan uitmaken van het onderwijsteam, de verbinding met de moederorganisatie verzwakt, wat de kwaliteit van de jeugdhulpexpertise kan aantasten. Daarom is het bij collectieve financiering en inzet essentieel om de kwaliteit van de jeugdhulp te waarborgen en te zorgen voor een duurzame professionalisering van jeugdhulpprofessionals. Dit gebeurt middels een gedegen evaluatie en monitoring.
De geoffreerde kosten van de zorgaanbieder dienen realistisch en billijk te zijn. De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) reële prijzen Jeugdwet is vanaf 1 juli 2024 van kracht. Deze is ook van toepassing op de subsidies in de Wmo en jeugdhulpsector voor zover zij wordt verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp aan jeugdigen en/of hun ouders en met de subsidie wordt beoogd de te subsidiëren diensten volledig te bekostigen (artikel 2.3 vierde lid Uitvoeringsbesluit Jeugdwet). De AMvB verplicht gemeenten om een aantal kostprijselementen toe te passen en te wegen. Als we in de doorontwikkeling voor 2026 en verder in samenwerking met onderwijs komen tot heldere kaders, effectieve aanpakken, meer inzicht in financieringsstromen van de verschillende wetgevingen, kunnen we beter inschatten of de huidige vaste bedragen per leerling per schoolsoort, het vastgestelde budgetplafond en de tarieven die jeugdhulpaanbieders hanteren naar de scholen reëel en passend zijn. Vanwege de toe te passen kostprijselementen is het dan ook van belang om inzicht te krijgen in de mix van disciplines per schoolsoort die ingezet worden op basis van de DGA gelden. Dit wordt uitgevraagd in het Aanvraagformulier 2025 en in de doorontwikkeling gezamenlijk geanalyseerd.
In de aanvraag voor de subsidie 2025 geven scholen aan met welke samenwerkingspartners zij afspraken maken om, op basis van de DGA-subsidie, zorgondersteuning tijdens onderwijstijd te bieden. In de subsidieregeling voor 2025 wordt, in tegenstelling tot de huidige DGA-subsidieregeling, formeel vastgelegd dat naast één of enkele voor segment 3 en 4 gecontracteerde jeugdhulpaanbieders ook door gemeenten gesubsidieerde of gecontracteerde organisaties voor maatschappelijk werk & welzijnswerk kunnen worden ingezet. Hoewel dit in sommige subregio's al gebeurt, wordt het nu officieel opgenomen in de regeling. Dit is in lijn met de transformatiegedachte en de opdracht per subregio in het ambulant ontwikkelcontract. De inzet vanuit maatschappelijk werk & welzijnsorganisaties is alleen mogelijk als de inzet die geleverd wordt het reeds door de gemeenten gesubsidieerd/gecontracteerd aanbod overstijgt. In de doorontwikkeling dienen we zicht te krijgen op de specifieke rol en meerwaarde van maatschappelijk werk & welzijnsorganisaties in DGA, bijvoorbeeld de inzet van schoolmaatschappelijk werk.
DGA is gericht op de begeleiding van de leerlingen. Dat de vaardigheden van leerkrachten wordt vergroot is een secundair effect, maar geen primaire inzet. Zo is bijvoorbeeld een training voor personeel of het implementeren van de Meldcode geen opdracht aan een DGA medewerker en hiervoor kunnen geen DGA middelen ingezet worden.
De voorliggende wetgeving en aanwezige voorzieningen om de onderwijs- en zorgondersteuning van leerlingen te bevorderen worden als eerste aangesproken om in de ondersteuningsbehoefte te voorzien. Zo zijn Wlz en ZVW voorliggend op Jeugdwet en Wmo. Indien leerlingen aan de voorwaarden voldoen vraagt school bij DUO de EMB-regeling aan.
Scholen en gemeenten zijn momenteel afhankelijk van de medewerking en openheid van ouders om te weten of er een Wlz-indicatie is aangevraagd en toegekend. Herhaaldelijk het gesprek hierover aangaan en een jaarlijkse proactieve toets hierin vanuit school richting ouders is daarmee van belang.
Denk ook aan inzet van maatschappelijke dienstverlening of MEE die een divers ondersteuningsaanbod hebben waaraan deelname van een jeugdige een verschil kan betekenen voor het functioneren in school. Voor gespecialiseerd onderwijs, die leerlingen onderwijs bieden uit meerdere gemeenten, is het lastig overzicht te houden op dit vrij toegankelijke aanbod per gemeente. In de doorontwikkeling dient dit besproken en verhelderd te worden via de subregionale projectgroep.
Voor niet bestede middelen geldt een terugbetalingsverplichting. Dit zal in de beschikking vermeld staan.
Richtlijnen ondergebracht in zes deelonderwerpen
Onderstaande richtlijnen zijn aanvullend op de algemene kaders en worden gehanteerd bij de aanvragen. Zowel de algemene als onderstaande richtlijnen worden verwerkt in een Handreiking Doelgroepenarrangementen Jeugd & Onderwijs 2025 die de toegangen Jeugd van de Zuid-Limburgse gemeenten èn onderwijsprofessionals helpt in het zorgvuldig afwegen van de inzet van DGA en tevens ondersteunend zijn tijdens het Knooppuntoverleg. In deze zes deelonderwerpen is een verantwoordelijkheidsverdeling weergegeven. Deze heft het grijze gebied niet volledig op, maar geeft enigszins richting en sluit aan op de landelijke ontwikkelingen en de voornemens van een wetswijziging.
Als de school zorgen heeft over de (extra) ondersteuningsbehoeften van een leerling en ouders deze zorgen niet delen en/of de problemen niet (h)erkennen, kan er geen jeugdhulp worden ingezet, omdat deze door ouders (gezaghebbende van de leerling) aangevraagd dient te worden. Dit geldt ook voor jeugdhulp die enkel en alleen ingezet wordt op school. De zorgen en eventuele risico’s die dit met zich meebrengt kunnen besproken worden in het Knooppuntoverleg. Het werken met de Meldcode huiselijk geweld & kindermishandeling is hierbij verplicht voor professionals.
Een leerling die door zijn problematiek non-stop vecht- of vluchtgedrag vertoont. Tijdens minder gestructureerde onderwijsvormen zoals bijvoorbeeld pauzes en gymlessen is het niet mogelijk voor de leerkracht alleen toezicht te houden op deze leerling. Het is dan noodzakelijk dat er ter voorkoming van schade voor deze en andere leerlingen er tijdens deze minder gestructureerde onderwijsvormen iemand is die toezicht op alleen deze leerling zal houden en hem kan corrigeren als dat nodig is. Aangezien er binnen het onderwijs geen structureel 1 op 1 onderwijs bestaat zullen deze kosten onder de Jeugdwet (en daarmee DGA) vallen.
In de aanvragen DGA is met name zindelijkheid een terugkerend thema waar uiteenlopende aanpakken worden ingezet op basis van de DGA middelen. In de doorontwikkeling en monitoring is het goed om gezamenlijk meer zicht te krijgen op de noodzaak en effectiviteit van de aanpak. Daarnaast is het van belang ouders actief te betrekken, zodat het toegepaste in school vertaald wordt naar thuis en vice versa. Tevens is het onderzoeken van de mogelijkheden binnen de ZVW van belang.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-434115.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.