Gemeenteblad van Castricum
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Castricum | Gemeenteblad 2024, 432048 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Castricum | Gemeenteblad 2024, 432048 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening op het recht van onderzoek gemeenteraad Castricum 2024
Artikel 6. Ambtelijke bijstand
De griffier draagt op verzoek van de onderzoekscommissie zorg voor voldoende ambtelijke ondersteuning van de onderzoekscommissie. De gemeentesecretaris en/of de algemeen directeur van de Werkorganisatie BUCH zal op een daartoe strekkend verzoek van de griffier namens de onderzoekscommissie voor maximaal de duur van het onderzoek, één of meer medewerkers ter beschikking stellen.
De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en deskundigen ten minste twee weken voor de zitting op. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, kan de voorzitter om gewichtige redenen besluiten de termijn van oproep van getuigen en deskundigen te verkorten tot tien dagen.
Artikel 9. Geluid- en beeldregistraties
Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.
Artikel 12. Afronding onderzoek
Na afronding van het onderzoek door de onderzoekscommissie worden haar bevindingen voorgelegd aan de raad.
Aldus besloten door de raad van de gemeente Castricum in de openbare raadsvergadering van 3 oktober 2024.
mevrouw J.I. Jeunink MA
plaatsvervangend griffier
de heer B.A. Tap
burgemeester
Toelichting verordening recht van onderzoek gemeenteraad Castricum 2024
Het recht van onderzoek van de raad is uitvoerig geregeld in de artikelen 155a tot en met 155h van de Gemeentewet. Deze verordening, die in nauwe samenhang met de artikelen uit de Gemeentewet dient te worden gelezen, bevat nadere regels met betrekking tot het recht van onderzoek.
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 2. Besluit tot onderzoek & instellen onderzoekscommissie
Uit artikel 155a Gemeentewet volgt dat de raad, op voorstel van één of meer van zijn leden, een onderzoek kan instellen naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. Het raadsbesluit tot het instellen van de onderzoek dient een omschrijving van het onderwerp van het onderzoek te omvatten en een toelichting. Tijdens het onderzoek kan de omschrijving nog gewijzigd worden door de raad.
In het vierde lid van artikel 155a wordt een aantal artikelen uit de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing verklaart op de onderzoekscommissie. Dit gaat in de eerste plaats om artikel 22 van de Gemeentewet die ziet op de immuniteit. Leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of worden verplicht om te getuigen over hetgeen zij hebben gezegd in een vergadering van de raad of schriftelijk aan de raad hebben overgelegd.
Voorts worden ook artikel 23, vierde en vijfde lid, en de artikelen 87 en 89 van de Gemeentewet van toepassing verklaart. Dit zijn de artikelen die zien op vergaderen in beslotenheid en het opleggen van geheimhouding.
Het laatste artikel wat van toepassing wordt verklaard is artikel 82, derde lid, van de Gemeentewet. Dit artikel bepaalt dat de raad bij de samenstelling van de onderzoekscommissie dient te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van in de raad vertegenwoordigde groeperingen.
Aanvullend op de wettelijke bepalingen regelt artikel 2 in het tweede lid de mogelijkheid om eerst een vooronderzoek te doen. Het raadsonderzoek is op alle fronten een zwaar instrument – ‘zwaar’ als het gaat om de arbeidsintensiteit, de kosten, de consequenties voor de betrokkenen en de mogelijke politieke gevolgen. Daarbij zal een raadsonderzoek niet in alle gevallen tot een verheldering van feiten kunnen leiden, bijvoorbeeld in het geval er derden zijn betrokken. Deze zijn niet verplicht om mee te werken aan een raadsonderzoek. Om die reden is het aan te bevelen dat de raad eerst een tijdelijke werkgroep van raadsleden instelt (een zogenaamde voorbereidingscommissie) die onderzoekt of een raadsonderzoek in de gegeven situatie zinvol en passend is en om eventuele alternatieve mogelijkheden te verkennen.
In het vooronderzoek kan worden bezien wat nu precies onderzocht moet worden en welke onderzoeksvragen daarbij centraal staan. Een voorbereidingscommissie kan, vooruitlopend op het definitieve onderzoek, de onderzoeksvraag formuleren. Daarbij kan het raadzaam zijn om tijdens het vooronderzoek al enig dossieronderzoek te verrichten. Ook een lijst met argumenten pro en contra een onderzoek zou in een specifieke situatie opgesteld kunnen worden. Verder kan het zinvol zijn om al een ruime selectie van categorieën van betrokkenen en personen (‘hoofdrolspelers’) te maken die voor voorgesprekken, interviews en verhoren in aanmerking kunnen komen. Aan de hand van de resultaten van het vooronderzoek kan de raad besluiten om al dan niet een raadsonderzoek te starten.
Het derde lid van de verordening regelt dat, indien de raad tot een onderzoek besloten heeft, in de eerstvolgende raadsvergadering een onderzoekscommissie wordt ingesteld bestaande uit ten minste drie leden. Omdat de onderzoekscommissie ingevolge artikel 4 van deze verordening besluit met meerderheid van stemmen, verdient het aanbeveling om een oneven aantal leden te benoemen. Op deze wijze kan het staken van stemmen worden voorkomen.
Het vierde lid voorziet in de mogelijkheid om de raad de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de commissie aan te laten wijzen. Indien de raad hier niet voor kiest, kiest de commissie uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
Het vijfde lid voorziet in de benoeming van plaatsvervangende leden. Het aantal plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de onderzoekscommissie. Omdat de uitoefening van bevoegdheden van de onderzoekscommissie wettelijk gekoppeld is aan de aanwezigheid van tenminste drie leden kan benoeming van plaatsvervangende leden bij een omvangrijke commissie achterwege blijven.
Het zesde lid geeft de raad de mogelijkheid om bij het instellen van de onderzoekscommissie nadere regels op te stellen met betrekking tot de rapportage van de onderzoekscommissie aan de raad (bijvoorbeeld met betrekking tot de frequentie en de wijze waarop dit gebeurd). De raad kan dit echter ook aan de onderzoekscommissie zelf laten die op basis van het zevende lid een plan van aanpak opstelt met betrekking tot de praktische invulling van het onderzoek.
Artikel 3. Budget van de onderzoekscommissie
Indien er niet reeds een budget beschikbaar is gesteld voor het raadsonderzoek, dient de gemeenteraad bij het besluit om een raadsonderzoek in te stellen ook het budget voor de onderzoekscommissie vast te stellen. Artikel 155f van de Gemeentewet bepaalt dat het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar opneemt in de conceptbegroting.
De leden van de onderzoekscommissie ontvangen voor hun werkzaamheden een aanvullende toelage zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden 2023.
Artikel 4. Beëindiging van het lidmaatschap van de onderzoekscommissie
In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet staat bepaald dat de bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden geschorst door het aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie slechts mag bestaan uit leden van de raad brengt dat met zich mee dat bij het aantreden van een nieuwe raad de samenstelling van de onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien een individueel lid van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de raad eindigt derhalve tevens zijn lidmaatschap van de onderzoekscommissie.
Voorts eindigt een lidmaatschap uiteraard bij opheffing van de onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De raad kan tevens, indien dit wenselijk wordt geacht, de onderzoekscommissie tussentijds opheffen.
Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de onderzoekscommissie besluit één van haar leden te horen. Artikel 155c, tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt namelijk dat een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, niet tevens lid is van de onderzoekscommissie.
Het bepaalde is uiteraard tevens van toepassing op de plaatsvervangende leden.
Artikel 5. Bevoegdheden van de onderzoekscommissie
Gelet op het bepaalde in artikel 155c, vijfde lid, van de Gemeentewet kan de onderzoekscommissie besluiten dat getuigen uitsluitend worden verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Indien de commissie dit besluit, dan leggen getuigen in de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid zullen zeggen.
Het ligt niet voor de hand de ene getuige wel en de andere niet onder ede te horen. Daarom is in artikel 5, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat de onderzoekscommissie voor het horen van de eerste getuige of deskundige een besluit neemt of alle getuigen en/of deskundigen onder ede worden gehoord of dat niemand onder ede wordt gehoord.
Het onderwerp van het raadsonderzoek is beperkt tot het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. Om die reden is de medewerkingsplicht die volgt uit de artikelen 155b en 155c Gemeentewet toegespitst op de personen die betrokken zijn of zijn geweest bij het gevoerde bestuur. Hieronder vallen (voormalig) raadsleden, (voormalig) commissieleden, (voormalig) collegeleden, (voormalig) rekenkamerleden en (voormalig) ambtenaren die in dienst van de gemeente zijn (geweest). Dit laat onverlet de mogelijkheid om personen buiten deze groep te horen, zij het op vrijwillige basis. Het tweede lid van artikel 5 regelt dit. Deze personen zijn niet verplicht om een verklaring onder ede af te leggen. Indien de onderzoekscommissie bepaald heeft dat alle getuigen en deskundigen onder ede gehoord worden, zijn deze personen hiervan derhalve uitgezonderd.
Het derde lid van artikel 5 regelt de mogelijkheid om (onderdelen van) het raadsonderzoek uit te besteden aan derden. Hierbij kan gedacht worden aan externe onderzoeksbureaus, adviesbureaus of ervaringsdeskundigen. Externe inhuur is een van de opties voor ondersteuning van de onderzoekscommissie, naast ambtelijke ondersteuning en uiteraard ondersteuning vanuit de griffie. Gemiddeld genomen besteedt een lid van de onderzoekscommissie zelfs mét ondersteuning veertien uur per week aan het onderzoek, bovenop het reguliere raadswerk. Soms vraagt een raadsonderzoek om een bepaalde deskundigheid die ambtelijk gezien niet aanwezig is of is het lastig om ambtenaren uit de organisatie het onderzoek te laten ondersteunen gezien de spagaat waarin zij terecht kunnen komen tussen hun loyaliteit voor het college of collega-ambtenaren en het ondersteunen van een onderzoek naar datzelfde college. In dergelijke situaties is het belangrijk dat er de mogelijkheid is voor de onderzoekscommissie om zich te laten ondersteunen door een externe partij. Artikel 155f van de Gemeentewet bepaalt dat het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar opneemt in de conceptbegroting. De kosten voor de eventuele uitbesteding van opdrachten aan derden wordt hierin in voorkomend geval meegenomen.
Naast het horen op vrijwillige basis kan een onderzoekscommissie met een ieder ook informele (informatieve) gesprekken voeren, bijvoorbeeld om vast te stellen of horen ter zitting nuttig is.
De onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155a, vijfde lid, Gemeentewet, de haar bij wet verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen indien tenminste drie van haar leden aanwezig zijn. Met betrekking tot de bevoegdheden die op basis van deze verordening bestaan is gekozen voor hetzelfde regime.
Daarnaast bepaalt het zesde lid dat de onderzoekscommissie beslist met een meerderheid van stemmen. Om deze reden wordt ook aanbevolen een oneven aantal leden te benoemen.
Tot slot wordt in lid 7 het Reglement van orde van de gemeenteraad van Castricum buiten toepassing verklaard omdat hierin zaken en bevoegdheden geregeld worden die bij de onderzoek niet toepasbaar dan wel onwenselijk zijn. Hierbij valt te denken aan zaken zoals de mogelijkheid voor inwoners om in te spreken.
Artikel 6. Ambtelijke bijstand
Artikel 155a, achtste lid, van de Gemeentewet, bepaalt dat de raad, alvorens tot een onderzoek besloten wordt, bij verordening nadere regels stelt met betrekking tot deze onderzoeken. Hierin dienen in ieder geval regels opgenomen te worden over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de onderzoekscommissie. Artikel 6 van deze verordening voorziet in dat kader in de benoeming van een secretaris.
Ambtelijke bijstand kan zowel binnen als buiten de raadsgriffie gezocht worden. De mogelijkheid voor ondersteuning vanuit de raadsgriffie is niet benoemd in de verordening omdat dit reeds volgt uit artikel 107a van de Gemeentewet. Het is voorstelbaar dat, gelet op de omvang van de taak die het begeleiden van een onderzoek behelst, daartoe tijdelijke krachten van buiten worden ingehuurd (mogelijk op basis van artikel 5, derde lid, van de verordening) of dat – via de gemeentesecretaris en / of de algemeen directeur van de Werkorganisatie BUCH - een beroep wordt gedaan op het ambtelijke apparaat.
Artikel 155f van de Gemeentewet bepaalt dat het college de door de raad geraamde kosten voor een onderzoek in een bepaald jaar opneemt in de conceptbegroting. De kosten voor eventuele inhuur van krachten van buiten wordt hierin in voorkomend geval meegenomen.
Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet in de schriftelijke oproeping van getuigen en deskundigen die ter zitting dienen te verschijnen. Deze zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 11 van de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft.
De wet schrijft voor dat getuigen en deskundigen in een openbare zitting van de onderzoekscommissie gehoord worden. Plaats en tijd van de openbare zitting worden door de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht. Artikel 7 van deze verordening regelt aanvullend op hetgeen reeds in de wet is bepaald met welke termijnen wordt gewerkt.
Op basis van artikel 155c, zevende lid, van de Gemeentewet kan de onderzoekscommissie besluiten om, vanwege gewichtige redenen, een verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen.
Artikel 155c, achtste lid, Gemeentewet bepaalt dat een getuige gerechtigd is zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. Wel kan de onderzoekscommissie om gewichtige redenen besluiten een getuige zonder bijstand te verhoren. Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen, behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden. Dit volgt uit het negende lid van ditzelfde artikel.
Uit artikel 155e Gemeentewet volgt dat niemand genoodzaakt kan worden aan de equêtecommissie geheimen te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij werkzaam is of is geweest. Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.
Ook (voormalig) burgemeesters, wethouders, leden van een door het college of de burgemeester ingestelde commissie en ambtenaren die in dienst van de gemeente zijn (geweest) zijn niet verplicht mee te werken aan het aanleveren van bescheiden of om zich als getuige of deskundige te laten horen voor zover het verstrekken van inlichtingen in strijd is met het openbaar belang. De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het college of de burgemeester.
Artikel 8. Toehoorders en de pers
Gelet op het openbare karakter van de zittingen, is een artikel opgenomen dat ziet op ‘toehoorders en pers’, conform de bepalingen in het reglement van de orde van de gemeenteraad van Castricum.
Artikel 9. Geluid- en beeldregistraties
Gelet op het openbare karakter van de zittingen, is een artikel opgenomen dat ziet op ‘geluid- en beeldregistraties, conform de bepalingen in het reglement van de orde van de gemeenteraad van Castricum.
Artikel 10. Verslaglegging zitting
In artikel 10 wordt regelt op welke wijze de verslaglegging tijdens zittingen geschiedt.
Dit artikel van de verordening regelt wanneer de onderzoekscommissie beraadslaagt en bepaalt dat de beraadslagingen van de commissie in principe plaatsvinden achter gesloten deuren. Dit omdat de inhoud van een beraadslaging zich mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het is namelijk zeer wel denkbaar dat er beraadslaagd wordt omtrent ondervragingsmethoden, tactieken en dergelijke, welke in het belang van het onderzoek niet naar buiten mogen worden gebracht. Daarnaast moet er vrij gesproken kunnen worden over personen en hetgeen door hen naar voren is gebracht.
Artikel 12. Afronding onderzoek
Indien de onderzoekscommissie haar werkzaamheden heeft afgerond, legt zij haar bevindingen voor aan de raad. De vorm waarin dit geschiedt wordt hier niet nader bepaald en is aan de raad in het kader van de nadere regels als genoemd in artikel 2, zesde lid, van deze verordening. Hierbij zijn verschillende vormen mogelijk, variërend van een rapport tot een voorstel aan de raad. De vraag luidt hierbij wat de raad onder bevindingen wenst te verstaan. Is dit slechts een feitenrelaas van de onderzoekscommissie waarover de raad zich een oordeel vormt of dient er door de commissie ook zelf een oordeel gevormd te worden alvorens de raad zich erover buigt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-432048.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.