Gemeenteblad van Schouwen-Duiveland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Schouwen-Duiveland | Gemeenteblad 2024, 395215 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Schouwen-Duiveland | Gemeenteblad 2024, 395215 | ander besluit van algemene strekking |
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2024
Burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland;
gezien het voorstel van de afdeling Werken, Wonen en Leven (WWL) van 9 april 2024, met zaaknummer 1013952;
gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Verordening maatschappelijke ondersteuning Gemeente Schouwen-Duiveland 2024 en artikel 4:81 Awb
vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Schouwen-Duiveland 2024.
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) is bedoeld voor mensen die ondersteuning nodig hebben bij het zelfstandig thuis wonen, het ontmoeten van anderen en voor de ondersteuning van mantelzorgers.
Indien een inwoner van de gemeente Schouwen-Duiveland niet of onvoldoende in staat is om op eigen kracht, middels algemene voorzieningen met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit hun sociale netwerk te functioneren kan de gemeente ondersteuning bieden gericht op zelfredzaamheid en participatie. In de praktijk betekent dit dat het college bij een vraag van een inwoner onderzoekt wat er, afhankelijk van de individuele omstandigheden, minimaal noodzakelijk is aan ondersteuning vanuit de gemeente.
De beleidsregels geven nadere uitleg en verduidelijking op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Schouwen-Duiveland 2024. In de beleidsregels staat op voorzieningenniveau toegelicht waarop het college de afweging voor ondersteuning door een maatwerkvoorziening baseert, het zogenaamde afwegingskader. Het college maakt altijd een individuele afweging. In bijzondere gevallen kan daarmee ten gunste van de inwoner worden afgeweken van de bepalingen in de verordening en de toepassing van deze beleidsregels.
Samen met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Schouwen-Duiveland 2024 vormen de beleidsregels het juridisch uitvoeringskader. Daarnaast zijn beleidsregels ook een middel om eenduidig te werken in de uitvoering binnen het Loket samenleving en zorg (LSZ).
Hoofdstuk 1 Begripsbepaling en doelgroep
Alle begrippen die in deze beleidsregels bij de verordening worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Schouwen-Duiveland 2024 of de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Begrippen die al in de Wmo 2015, verordening maatschappelijke ondersteuning 2024 of Awb zijn toegelicht worden hier niet opnieuw uitgelegd.
gebruikelijke hulp: Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten, die “normaal” wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en die niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben. Het is de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders, inwonende kinderen of andere volwassen huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid samen een huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar.
algemeen gebruikelijke voorzieningen: voorzieningen of producten en diensten bedoeld die voor iedereen gebruikelijk (normaal) zijn om zelf (in) te kopen. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden niet vanuit de Wmo verstrekt. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die voldoet aan de volgende criteria:
algemene voorziening: Het gaat om in beginsel vrij toegankelijke diensten, activiteiten of zaken, gericht op zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang. Vrij toegankelijk wil zeggen: zonder dat eerst een diepgaand onderzoek wordt verricht naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. De diensten, activiteiten of zaken kunnen toegankelijk zijn voor specifieke groepen of voor alle ingezetenen van onze gemeente. Er is geen beschikking nodig. Voorbeelden van een algemene voorziening zijn het Odensehuis en het geclusterd leveren van hulp bij het huishouden door Eilandzorg op een aantal gecentreerde locaties binnen de gemeente (de Wieken, Mitt Hem en Jannewekken).
Artikel 2. Doelgroep van de verordening
Onder de doelgroep van de verordening worden verstaan:
Als iemand twee adressen heeft, bijvoorbeeld een woning en een vakantieadres, of een woning en een revalidatiecentrum, dan is van belang waar de persoon staat ingeschreven en of hij de intentie heeft terug te keren naar dit adres. Door een tijdelijk verblijf in een instelling of een tijdelijk verblijf op een vakantieadres verliest iemand derhalve niet direct zijn woonplaats/ingezetenschap.
Als bij de persoon iemand staat ingeschreven die daar feitelijk niet woont, komt dat voor rekening en risico van de aanvrager. Als er in het BRP medebewoners staan ingeschreven die als huisgenoot kunnen worden aangemerkt, wordt hiermee rekening gehouden in het onderzoek. Het is aan de persoon om er zorg voor te dragen dat personen die feitelijk niet bij hem wonen, worden uitgeschreven.
Om een goede overgang van jeugdzorg naar een voorziening in de Wmo of Participatiewet in het volwassenen domein te realiseren, wordt van aanbieders van jeugdzorg verwacht dat zij contact opnemen met de gemeentelijke toegang wanneer hun zorgvragers 16,5 jaar oud worden en het de verwachting is dat zij na hun 18e nog steeds ondersteuning nodig hebben.
Hoofdstuk 2 Aanbod van algemene- en maatwerkvoorzieningen
Artikel 3. Algemene voorzieningen (verordening artikel 3)
Er zijn in ieder geval algemene voorzieningen beschikbaar op het gebied van:
De welzijnsorganisatie Stichting Maatschappelijk Werk Oosterschelderegio (SMWO) biedt ondersteuning bij veel initiatieven op het gebied van welzijn, sport, maatschappelijk werk en cliëntondersteuning.
Een voorbeeld van de vele initiatieven is het postcafé. Er zijn veel mensen die moeite hebben met het lezen van officiële brieven. Een Postcafé is een plek waar je samen met vrijwillige medewerkers de post kan doornemen. Medewerkers leggen je dan in gewone taal uit wat er precies in de brief staat. Brieven bijvoorbeeld van de Gemeente, Zeeuwland, de Verzekering, de Belastingdienst. Het Postcafé is er voor alle inwoners van Schouwen-Duiveland. De zorg is gratis en de medewerkers gaan natuurlijk heel vertrouwelijk met je brieven om. In het Postcafé kan je ook andere mensen ontmoeten. Misschien hebben zij wel dezelfde moeite met lezen als jij. Contact met elkaar is belangrijk, maar ook gezellig. De koffie staat daarom klaar voor je in het Postcafé.
ad 2. Onafhankelijke cliëntondersteuning
Cliëntondersteuning is onafhankelijke kosteloze ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning. De cliëntondersteuning draagt bij aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie. En het draagt bij aan het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van:
Cliëntondersteuners bieden informatie, advies en kortdurende cliëntondersteuning aan ieder die dat nodig heeft en de ondersteuning kan onder andere bestaan uit:
ad. 3. Versterking van de vrijwillige inzet en informele netwerken
Thuis in je Dorpshuis: waar je gezellig dorpsgenoten kunt ontmoeten, een kopje koffie kan drinken, waar je een spelletje kunt spelen. Maar ook een plek waar je informatie kunt krijgen, een plek waar je je verhaal kwijt kunt, waar mensen van organisaties aanwezig zijn die je de weg kunnen wijzen als je een vraag hebt.
Hulpkringen: Een Zorgkring is bedoeld voor kortdurende (kleine) klusjes. De hulpkring bestaat uit inwoners van het dorp die zich vrijwillig inzetten voor hun dorpsgenoten. De hulp die gegeven wordt is in principe gratis, of tegen vergoeding van gemaakte kosten als daarvan sprake is.
Odensehuis: een laagdrempelige ontmoetingsplek voor iedereen die zelf of in zijn of haar omgeving met beginnende dementie of geheugenklachten te maken heeft.
Mensen kunnen binnen lopen om ervaringen uit te wisselen, samen dingen te ondernemen of te ontspannen.
ad. 4. Mantelzorgondersteuning
Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een zorg verlenend beroep wordt gegeven aan een zorgbehoevende door een of meerdere leden binnen het netwerk, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie.
De SMWO kan ondersteuning bieden bij vragen van mantelzorgers zowel op individueel niveau als op groepsniveau.
Welzijn op recept is bestemd voor mensen die met psychosociale klachten bij de huisarts of een andere zorgverlener komen. Voor deze klachten wordt vaak géén baat ervaren bij medische of psychologische behandelingen zoals medicijn gebruik of therapeutische hulp. De huisarts kan een doorverwijzing geven, waarna een welzijnscoach van SMWO contact opneemt met de inwoner, waarbij onderzocht wordt of de inwoner gebaar kan zijn met een welzijnsarrangement.
ad. 6. Opbouwwerk en jeugdwerk
Door middel van de Wijkcirkel in Poortambacht ontwikkelen de deelnemers een informeel netwerk. Zo kunnen ze elkaar helpen in de praktijk van het dagelijks leven en samen erop uit gaan.
ad. 7. Algemeen maatschappelijk werk
Het maatschappelijk werk van SMWO biedt ondersteuning bij diverse problemen op alle levensgebieden. Iedereen kan een beroep doen op het maatschappelijk werk. De zorg is gratis en een verwijsbrief is niet nodig.
Personen alarmering is zeven dagen en 24 uur per dag bereikbaar voor alarmberichten en ondersteuning. Personenalarmering kan aangevraagd worden via thuiszorgorganisaties.
Bureau Slachtofferzorg is er voor slachtoffers, familieleden en kennissen van betrokkenen, nabestaanden, getuigen en veroorzakers. De laatste categorie geldt alleen als er geen sprake is van een misdrijf zoals alcoholmisbruik of roekeloos rijgedrag. Bureau Slachtofferzorg Nederland werkt met vrijwilligers.
De Vrouwenopvang biedt veiligheid, opvang en begeleiding aan gezinssystemen bij het voorkomen en/of stoppen van geweld in afhankelijkheidsrelaties. De opvang richt zich primair op vrouwen en kinderen in situaties van geweld en van daaruit op het gehele systeem rondom deze vrouwen en kinderen.
Vormen van opvang en begeleiding reiken van een 7x24 uur telefonische zorgdienst tot residentiële opvang op een veilig opvangadres.
ad. 11. Maatschappelijke opvang
Maatschappelijke Opvang heeft als kerntaak het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis.
Zorgvragers van de maatschappelijke opvang hebben veel met elkaar gemeen. Ze kampen vaak met meerdere, elkaar beïnvloedende problemen. Zo is er vaak sprake van een combinatie van dak- en thuisloosheid, geweldsproblematiek, schulden, opvoedings-, psychiatrische-, somatische- en/of verslavingsproblemen en/of werkloosheid of het ontbreken van een zinvolle dagbesteding. Dit maakt de zorgvraag complex en veelomvattend.
De zorgvragers hebben hierdoor ook vaak te maken met instanties en zorgverleners uit verschillende maatschappelijke sectoren, waaronder de jeugdzorg, de geestelijke gezondheidszorg, de verslavingszorg, de somatische zorg en de justitiële zorg. Verder is er vaak eveneens betrokkenheid van instanties die met hun inkomen, huisvesting, maatschappelijke ondersteuning en dagbesteding te maken hebben.
In de wet heeft de centrumgemeente Vlissingen een centrale rol op het gebied van maatschappelijke opvang en vrouwenopvang voor zorgvragers die zich hiervoor in Zeeland melden.
Ad. 12 Levensloop bestendig wonen
De gemeente Schouwen-Duiveland heeft een verordening “Lening Duurzaam en Langer Thuis gemeente Schouwen-Duiveland 2022” die is bedoeld voor particuliere woningeigenaren, jonger dan 76 jaar, die op eigen kracht zijn/haar woning levensloopbestendig wenst te maken. Deze woningeigenaar kan tegen een laag rentetarief geld lenen,
Artikel 4. Maatwerkvoorzieningen (verordening artikel 4)
Maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget
Een pgb is een geldbedrag om een voorziening in de vorm van een dienst, een zorgmiddel, een woningaanpassing of andere maatwerkvoorziening aan te schaffen of in te kopen. Op het pgb wordt ook een eigen bijdrage in rekening gebracht. Evenals zorg in natura wordt ook met een pgb uitgegaan van het te bereiken resultaat en maatwerk.
Financiële tegemoetkomingen (artikel 22 verordening)
verhuiskosten, herinrichtingskosten en bezoekbaar maken van een woning kunnen in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Het bezoekbaar maken van een woning kan ook via zorg in natura worden verstrekt. De aannemer past de woning aan en het college betaalt rechtstreeks de factuur aan de leverancier;
autoaanpassingen of autokostenvergoeding/taxikostenvergoeding worden in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt. De kosten komen alleen in aanmerking voor vergoeding indien de aanpassing c.q. reparatie van de aanpassing, gelet op de nog te verwachten levensduur van de auto c.q. rolstoelvoorziening, verantwoord is. Autoaanpassingen kunnen ook in de vorm van zorg in natura worden verstrekt. De leverancier past de auto aan en het college betaalt rechtstreeks de factuur aan de leverancier;
Voor vervoer naar de dagbesteding geldt de normale bijdrage voor het collectief vervoer. Zodra de bijdrage voor de ritten naar de dagbesteding het bedrag van € 70 per maand overschrijdt, dan kan de resterende ritbijdrage van die maand voor de dagbesteding komen te vervallen. Zie hiervoor artikel 20 van de verordening.
Artikel 5. Melding algemeen (verordening artikel 5)
De zorgvrager ontvangt een bevestiging van de melding, waarin aangegeven wordt dat de zorgvrager de mogelijkheid heeft om vóór het onderzoek, uiterlijk binnen zeven dagen na melding, een persoonlijk (ondersteunings)plan (zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 wet) te overhandigen waarin gemotiveerd aangegeven is welke ondersteuning volgens de zorgvrager nodig is.
Na de melding kan de zorgvrager verzocht worden medewerking te verlenen aan een vraagverheldering om informatie te verstrekken die relevant is voor de behandeling van de melding. Indien uit de uitkomst van de vraagverheldering blijkt dat de zorgvrager met de gegeven informatie en advies het ondervonden probleem zelf kan oplossen, stopt de procedure van de melder
Spoedprocedure, nadere invulling van artikel 5 lid 4 van de Verordening
Indien de urgentie voor aanvang ondersteuning zo groot is dat niet gewacht
kan worden totdat de procedure bij het college is afgerond maakt de zorgaanbieder gebruik van de spoedprocedure. Deze spoedprocedure is opgenomen als bijlage 4 in de Deelovereenkomst maatwerkvoorziening 2015:
Wanneer blijkt dat de spoedprocedure is ingezet, terwijl dit niet noodzakelijk is zal dat consequenties hebben voor de zorgaanbieder. Dat zal een eerste keer in de vorm van een waarschuwing zijn.
Een tweede keer zal de ingezette ondersteuning in de periode van melding tot en met het afgeven van een beschikking niet vergoed worden.
Wanneer een zorgaanbieder vaker een verkeerde beoordeling maakt voor de inzet van de spoedprocedure, kan de zorgaanbieder worden uitgesloten van de mogelijkheid om nog langer gebruik te maken van de spoedprocedure. Dat wordt aan de zorgaanbieder schriftelijk medegedeeld.
Bij inzet van de spoedprocedure voor inzet van huishoudelijke ondersteuning is er sprake van een situatie, waar naast zorg bij huishoudelijke taken er ook zorg nodig is bij het regelen en organiseren en het ondersteunen van de zorgvrager bij de regievoering. Of er is een situatie met niet uitstelbare taken (zoals de verzorging van kinderen en/of de bereiding van maaltijden).
De zorgaanbieder kan bij het beoordelen van een spoedsituatie onder meer worden gevraagd in hoeverre de volgende zaken voldoende zijn onderzocht en in beeld gebracht: Hierbij is onder meer het volgende van belang:
De termijn (binnen hoeveel tijd is er zorg nodig) geldt steeds vanaf het moment van de melding. Dit betekent dat de zorgvraag van een zorgvrager na verloop van tijd urgenter wordt.
In de volgende situaties is binnen 48 uur zorg nodig:
In de volgende situaties is binnen één week zorg nodig:
wanneer dit proces leidt tot een opdracht tot het verstrekken van een of meerdere bouwstenen binnen de Maatwerkvoorziening Maatschappelijke Ondersteuning volgens de Deelovereenkomst SWVO en zorgaanbieders, kan de zorgaanbieder gaan declareren. Wordt er geen maatschappelijke ondersteuning verleend, dan wordt enkel de geleverde zorg gedeclareerd;
declareren kan met terugwerkende kracht, waarbij de datum in de beschikking voor start zorg gelijk is aan de datum waarop de zorgaanbieder melding heeft gemaakt van de inzet spoedprocedure bij het loket Samenleving en zorg. Het college toetst achteraf of het inzetten van de spoedprocedure terecht was.
Bij alle vormen van spoed dient een melding bij het loket samenleving en zorg gedaan te worden en van een schriftelijk akkoord te worden beantwoord.
Artikel 6. Melding specifiek (verordening artikel 6)
De gemeente heeft regionaal in samenwerkingsverband met een gecontracteerde hulpmiddelenleverancier afspraken gemaakt om samen met de zorgvrager te bepalen welk hulpmiddel leidt tot een oplossing voor het ondervonden probleem. De werkwijze is beschreven in het Handboek Wmo Hulpmiddelen Oosterschelderegio en is vastgesteld door het bestuur van SWVO. Hierin is o.a. opgenomen dat de hulpmiddelenleverancier zelfstandig een hulpmiddel kan indiceren. Hier is voor gekozen om zo regelarm mogelijk te werken. De zorgvrager kan direct met een hulpmiddelvraag naar de hulpmiddelenleverancier.
De gemeente is verantwoordelijke voor de beschikking.
Loket samenleving en zorg wordt alleen bij het proces betrokken als een verantwoorde voortgang zonder afstemming niet mogelijk is:
Bij meervoudige problematiek en/of nieuwe Wmo klant.
Twijfel aan volledigheid / juistheid opdracht;
Twijfel aan juistheid indicatie;
Klant is niet rijvaardig / rijveilig bevonden;
Klant is ontevreden met de selectie / het geleverde hulpmiddel: registreren als signaal en onvrede zelfstandig oplossen. Eventueel ‘2nd opinion’ door tweede adviseur. Als de klant ontevreden blijft en we er samen echt niet uitkomen: verslag opstellen en digitaal naar de klantmanager versturen.
Artikel 7. Onderzoek (verordening artikel 6)
als er aanspraak is op een maatwerkvoorziening, wordt de zorgvrager geïnformeerd over de mogelijkheid van zorg in natura of een persoonsgebonden budget (pgb). Daarbij zal de zorgvrager worden gewezen op de voorwaarden om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen, alsmede de rechten en plichten die hieraan zijn verbonden.
Het onderzoek leidt tot een resultaat. Het resultaat kan bestaan uit een combinatie van inzet door eigen mogelijkheden, de inzet door het eigen netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of zaken die verstrekt kunnen worden op basis van andere voorliggende wettelijke regelingen en/of een maatwerkvoorziening.
Artikel 8. Eigen mogelijkheden/Eigen kracht (artikel 8 verordening)
Eigen kracht is een begrip dat komt uit de Wmo 2015. Het uitgangspunt van deze wet is namelijk dat de inwoner eerst kijkt in hoeverre hij zelf, of samen met zijn directe omgeving als dat mogelijk is, een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van zijn situatie. Het is volgens de regering heel normaal dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Daarbij heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat inwoners met hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken en daardoor niet, of zo min mogelijk, aangewezen raken op maatschappelijke ondersteuning. Tijdens het onderzoek wordt in het gesprek met de zorgvrager samen gezocht naar geschikte oplossingsmogelijkheden, waardoor mensen hun eigen kracht kunnen benutten en vergroten. Als er geen geschikte oplossing mogelijk is en er kan geen gebruik worden gemaakt van gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning vanuit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen.
Positieve gezondheid is opgenomen in het coalitieakkoord van de gemeente Schouwen-Duiveland en ook een instrument die inwoners ook zelf kunnen inzetten om eigen mogelijkheden te verkennen en te onderzoeken waar mogelijke knelpunten en oplossingen zitten. Positieve Gezondheid is een manier om breder naar gezondheid te kijken. Kun je je bijvoorbeeld voldoende redden? Voel je je gelukkig of misschien juist eenzaam? En is er misschien medische zorg nodig of steun uit je omgeving? Het gaat erom dat jij je gezond en energiek voelt, op de manier die bij jou past. Het invullen van de vragenlijst Positieve Gezondheid helpt je kiezen en bespreken wat voor jou belangrijk is. Er is een vragenlijst voor volwassenen, voor kinderen en voor jongeren. Daarnaast is er een eenvoudige versie. Deze zijn te vinden op https://mijnpositievegezondheid.nl/.
Artikel 9. Verslag (verordening artikel 9)
De zorgvrager en zijn of haar vertegenwoordiger krijgen de mogelijkheid om per ommegaande op het verslag te reageren door middel van het aanleveren van correcties en/of aanvullingen. Onjuistheden en feiten worden aangepast, opmerkingen en meningen komen niet in de plaats, maar worden aan het verslag toegevoegd, dit ter beoordeling aan het college.
Artikel 11. Aanvraag (verordening artikel 11)
als de zorgvrager voor de afhandeling van zijn aanvraag nog gegevens moet overleggen, dan wordt hem dat schriftelijk gevraagd, met vermelding van de termijn waarbinnen hij die gegevens moet overleggen. De afhandelingstermijn wordt opgeschort zolang de zorgvrager de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd. Als de gegevens niet binnen de termijn zijn verstrekt, kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld als deze gegevens wezenlijk zijn voor de afhandeling van de aanvraag;
Als er naar de mening van het college een dusdanig lange termijn zit tussen afronding onderzoek en indiening aanvraag, dat er twijfels zijn of het onderzoeksverslag nog actueel genoeg is, wordt dit met de zorgvrager besproken. Daarbij wordt ook de reden gevraagd waarom de zorgvrager zo lang heeft gewacht met het indienen van zijn aanvraag en hoe hij de situatie in de tussentijd heeft opgelost.
Als een zorgvrager een aanvraag indient terwijl er geen sprake is geweest van een melding èn er is ook geen sprake is van een spoedeisende situatie dan wordt de aanvraag aangemerkt als een melding. De zorgvrager wordt ervan op de hoogte gesteld dat de aanvraag te vroeg is ingediend en aangemerkt is als melding. Dit betekent dat er eerst een onderzoek wordt gestart. Indien de persoon geen onderzoek wil dan neemt het college de aanvraag in behandeling en wel door een besluit te nemen op basis van de beschikbare informatie. Dit zal in veel gevallen een afwijzing zijn.
Artikel 12. De beschikking (verordening artikel 10)
De hoogte van het tarief van de maatwerkvoorziening kan opgenomen worden in de beschikking ter bevordering van het kostenbewustzijn van de zorgvrager.
Artikel 13. Heronderzoek en evaluatie (verordening artikel 13)
Er wordt door het college doelgericht beschikt. Dit houdt in dat bij het toekennen van een maatwerkvoorziening doelen worden gesteld. Om een juiste ondersteuning te kunnen blijven verrichten gedurende de periode van de indicatie, wordt in samenspraak met de aanbieder en zorgvrager een evaluatie ingepland. Tijdens deze evaluatie wordt de dienstverlenende ondersteuning gemonitord.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
Artikel 14. Algemeen uitgangspunt voor een maatwerkvoorziening (verordening artikel 14)
Op basis van een vraagverheldering beoordeelt het college in hoeverre de zorgvrager zelf inspanningen heeft verricht om zijn probleem op te lossen.
Artikel 15. Uitgangspunten voor huishoudelijke ondersteuning
Het beleid ten aanzien van de maatwerkvoorziening ‘huishoudelijke ondersteuning’ moet zijn gebaseerd op objectieve criteria, steunend op deugdelijk en onafhankelijk onderzoek. In deze wordt gebruikt gemaakt van een onderzoek verricht door het bureau HHM, een onafhankelijke derde partij, die geen belang heeft bij de uitkomst van het onderzoek ter vaststelling van maatstaven voor resultaten. Het gaat hierbij om het onderzoek “HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning”, aangepast in september 2022. Dit onderzoek is als bijlage bij deze beleidsregels gevoegd.
Hierbij wordt in dit normenkader uitgegaan van de volgende basisuitgangspunten (de nadere uitwerking is opgenomen in artikel 17 en 18):
Resultaat: Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.
Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.
Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft: De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop.
De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet: Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van de huishoudelijke ondersteuning.
De mogelijkheid om voor bijzondere situaties af te wijken van het normenkader:
Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding.
Als zij minder ondersteuning nodig hebben, dan wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk.
Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo-maatwerkvoorziening inzet.
Artikel 16. Gebruikelijke hulp in relatie tot huishoudelijke ondersteuning
Het college hoeft geen voorziening hoeft te verstrekken voor problemen die met gebruikelijke hulp opgelost kunnen worden (artikel 2.3.5 lid 3 en lid 4 Wmo 2015). Ook staat er in de Wmo 2015 wat gebruikelijke hulp is: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015).
Indien tot de leefeenheid, waarvan de zorgvrager deel van uitmaakt, een of meer huisgenoten zonder beperkingen behoren, komt men niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden. Wij spreken dan van 'gebruikelijke hulp'. Onder huisgenoot wordt verstaan 'een persoon die- ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze- één huishouden vormt/samen een gemeenschappelijke woning bewoont met de persoon die beperkingen ondervindt.
Op het moment dat één of meer personen van de leefeenheid om wat voor reden ook niet meer in staat is/zijn de afgesproken taken te vervullen, dan worden de overige leden van de leefeenheid geacht deze taken over te nemen. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:
Gezondheidsproblemen van of overbelasting bij de inwonende huisgeno(o)te(n) kunnen ertoe leiden dat redelijkerwijs geconcludeerd moet worden dat de betreffende taken niet door hem/haar uitgevoerd kunnen worden. Het college onderzoekt daarom altijd of een leefeenheid door de chronische uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Hierbij houdt het college rekening met de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp. Wanneer overbelasting dreigt, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van een sport en deelnemen aan vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan;
Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner of ouder ten gevolge van het plotselinge overlijden van de andere ouder of partner dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen;
Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Ieder volwassen mens wordt immers geacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met zijn huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeid gerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de huisgeno(o)te(n) de uitvoering van de huishoudelijke taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is. Een uitzondering kan gelden voor personen die vanwege arbeid langdurig van huis zijn (meer dan 7 etmalen), waardoor zij de uitstelbare taken te lang niet kunnen verrichten; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland;
Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' (“nog nooit gedaan of nooit geleerd”) leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. In voorkomende gevallen kan er een indicatie worden gesteld voor een periode van zes weken voor het aanleren van de huishoudelijke taken en/of het leren organiseren van het huishouden. Als op grond van een hoge leeftijd (als richtlijn wordt tenminste ouder dan 75 jaar gehanteerd) van de gebruikelijke hulpverlener aannemelijk is dat hij/zij dit niet meer in voldoende mate kan leren, kan hierop een uitzondering worden gemaakt;
Vrijwillige ondersteuning door derden niet behorend tot de leefeenheid, gaat voor op ondersteuning van de het college. Tegelijk is deze vorm van vrijwillige zorg niet afdwingbaar en daarmee in de praktijk vaak incidenteel en aanvullend op andere vormen van zorg. Indien noodzakelijk kan de gemeentelijke ondersteuning bestaan uit tijdelijke vervanging van de mantelzorger of vrijwilliger.
Artikel 17. Normering schoon en leefbaar huis en eigen verantwoordelijkheid
Een maatwerkvoorziening wordt toegekend wanneer er geen andere oplossing is voor de ondervonden problemen bij het schoonhouden van de woning. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de zorgvrager om de huishoudelijke (deel) taken waartoe hij in staat is ook uit te voeren en mee te werken aan een efficiënte uitvoering van huishoudelijke taken. Concreet: als de zorgvrager in staat is de was voor te bereiden wordt van hem verwacht dat hij dat ook doet. Ook mag worden verwacht dat met de inrichting van de woning rekening wordt gehouden met een efficiënte uitvoering van schoonmaakwerkzaamheden.
Is de zorgvrager al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakzorg in te huren, dan is alleen het feit dat zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van de beperkingen mogelijkheden wegvallen, of dat de zelf ingekochte ondersteuning niet meer voldoende is, of de ingehuurde zorg niet meer wil of kan ondersteunen.
Hulp bij het voeren van een huishouden wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de zorgvrager zelf kunnen worden uitgevoerd behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit dan ook betekenen dat een deel van het huishouden door de zorgvrager wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden.
Onderzocht wordt of betrokkene op eigen kracht of met bezorg van zijn netwerk het gewenste resultaat kan bereiken. Er wordt ook gekeken of er algemene- of voorliggende voorzieningen aanwezig zijn die tot het gewenste resultaat kunnen leiden. Pas wanneer gebruikelijke hulp, de eigen mogelijkheden en algemene voorzieningen niet of onvoldoende van toepassing zijn, wordt onderzocht in welke mate het gemeentelijk aanbod in ondersteuning kan voorzien. Als er bijvoorbeeld een was- en strijkservice beschikbaar is waarmee de zorgvrager het gewenste resultaat kan behalen hoeft het college niet te ondersteunen. Datzelfde geldt voor een maaltijdvoorziening of een boodschappenservice. Ook als de zorgvrager voldoende mensen om zich heen heeft die huishoudelijke taken kunnen overnemen, hoeft er minder of niet ondersteund te worden.
Het resultaat van de ondersteuning is dat de zorgvrager beschikt over een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van schone primaire gebruiksruimtes: woonkamer, als slaapkamer in gebruik zijnde kamer(s), schone keuken, toilet en badkamer en een schone gang en of trap. Deze ruimtes hoeven niet iedere week volledig schoon te worden gemaakt. Het betekent wel dat de vertrekken periodiek schoon worden gemaakt zodat het huis schoon is en niet vervuilen kan. Het betekent ook dat er ondersteuning kan plaatsvinden bij het verzorgen van de was wanneer er geen andere oplossingen zijn. Wanneer de zorgvrager in staat wordt geacht de regie te voeren over het huishouden wordt verwacht dat er ook per week keuzes worden gemaakt met betrekking tot de uit te voeren taken.
Ad 1. Schoonmaken van de woning
Bij het schoonmaken van de woning krijgt de zorgvrager ondersteuning die gericht is op het periodiek schoonmaken van de woning. Samen met de zorgaanbieder van keuze stemt de zorgvrager af welke huishoudelijke taken door hemzelf kunnen worden opgepakt (of door het netwerk etc.) en welke activiteiten de zorgaanbieder uit moet voeren. Voor de concrete activiteiten en frequenties verwijzen we naar de activiteitenlijst in de bijlage 9 bij de Deelovereenkomst SWVO en zorgaanbieders. Het type woning en de grootte van de woning is alleen daar van invloed als het gaat om de primaire gebruiksruimtes. In een groot huis met diverse niet in gebruik zijnde kamers wordt niet extra schoongemaakt.
Het hebben van huisdieren is een keuze van de zorgvrager. In deze situaties wordt verwacht dat de zorgvrager zelf voor deze huisdieren kan zorgen. Huisdieren zijn dan ook niet van invloed op de frequentie van de uit te voeren taken.
Activiteiten die niet onder het resultaat van een schoon en leefbaar huis vallen zijn onder meer:
Bij was verzorging gaat het concreet om het wassen, drogen, vouwen en opbergen (of onderdelen hiervan) van kleding en linnengoed. Verwacht mag worden dat de zorgvrager beschikt over een wasmachine. Als die er niet is behoort het tot diens verantwoordelijkheid dat er een wasmachine gerealiseerd wordt. Ook wordt van de zorgvrager verwacht dat de ondersteuning waar mogelijk tot een minimum wordt beperkt bijvoorbeeld door een wasdroger te kunnen gebruiken of kleding aan te schaffen die niet gestreken hoeft te worden. De aanbieder en de zorgvrager bepalen samen hoe binnen de kaders de concrete ondersteuning vorm krijgt.
Ad 3. Maaltijdvoorziening/boodschappen
Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd en het opwarmen van de warme maaltijd. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijden worden bereid en klaargezet en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en klaargezet. In incidentele gevallen kan ook het doen van boodschappen een onderdeel zijn van de maatwerkvoorziening Hulp bij het Huishouden.
Thuis zorgen voor kinderen onder de 6 jaar: het zorgen voor kinderen is een taak van ouders en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door hun beperkingen niet of minder in staat zijn voor hun kinderen te zorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en het organiseren van de verzorging van de kinderen. Uitgangspunt hierbij is dat bij uitval van één van de ouders de taken van de andere ouder overneemt. Het college ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen een oplossing nodig hebben voor kinderen tot en met vijf jaar. Voor kinderen is een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal een algemeen gebruikelijke voorziening. De ondersteuning is van korte duur om zo ouders de mogelijkheid te bieden taken te herschikken en in een oplossing te voorzien. Een maatwerkvoorziening voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. Concrete ondersteuning kan bestaan uit wassen, aankleden, eten geven en luiers verschonen.
Ad 5. Organiseren van het huishouden/regievoering
De ondersteuning in de vorm van regievoering wordt ingezet wanneer de zorgvrager niet tot zelfregie en planning van activiteiten in staat is. Behalve dat de organisatie wordt overgenomen heeft de zorg meer dan bij huishoudelijke zorg een signalerende, aansturende en regie voerende taak. Het ondersteunen bij of overnemen van regie kan nodig zijn als van de zorgvrager niet meer verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijvoorbeeld bij dementie of een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt. Dat laatste kan zich uiten in vervuiling, verwaarlozing of ontreddering; van zichzelf of van huisgenoten.
Artikel 18. Uitgangspunten voor (groeps)begeleiding (verordening artikel 15)
Het beleid ten aanzien van de maatwerkvoorziening “(groeps)begeleiding” moet zijn gebaseerd op objectieve criteria, steunend op deugdelijk en onafhankelijk onderzoek. In deze wordt gebruikt gemaakt van een onderzoek verricht door het bureau HHM, een onafhankelijke derde partij, die geen belang heeft bij de uitkomst van het onderzoek ter vaststelling van maatstaven voor resultaten. Onderzoeksbureau HHM heeft hiertoe een objectief, onafhankelijk normenkader ontwikkeld. Dit normenkader dient als basis voor de indicatiestelling en wordt samen met deze beleidsregels vastgesteld.
De ondersteuningsbehoefte kan zo groot zijn dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel kan als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Zo kan de zorgvrager zijn aangewezen op permanent toezicht wat zware eisen kan stellen aan de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. In dit geval zal ook een onderzoek naar een mogelijke Wlz-indicatie aan de orde zijn. De zorg wordt niet snel als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt, als deze incidenteel is maar wel structureel van karakter. Denk bijvoorbeeld aan zorg bij zelfzorg of participatie. De omvang van de zorg kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, etc.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen gezamenlijk verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Daarbij wordt wel rekening gehouden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de zorgvrager. Er wordt onderscheid gemaakt tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp bieden en wat van kinderen ten opzichte van hun ouders verwacht kan worden. Dit geldt ook voor huisgenoten die geen familierelatie hebben met de zorgvrager. In het individuele geval moet beoordeeld worden wat volgens de algemeen geldende opvattingen als gebruikelijk kan worden aangemerkt.
Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Echtgenoten/partners hebben immers een zorgplicht voor elkaar. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg en/of zorg biedt bij de sociale redzaamheid.
De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte (minder dan 3 maanden). Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over.
Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van de gebruikelijke hulp aan kinderen kan in uitzonderingsgevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet.
Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de zorg of ondersteuning van ouders naar hun kinderen toe. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat anders liggen. Met name de leeftijd van het kind is hier van belang. Voorkomen moet worden dat een kind hierdoor overbelast raakt. Verder is het in het algemeen niet gebruikelijk dat kinderen hun ouder(s) bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Dit is echter weer anders als de kinderen zelf al volwassen zijn.
Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de zorg of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie kan het zijn dat het volgens algemene opvattingen echter niet gebruikelijk is dat de ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg.
Het kan voorkomen dat er al dan niet tijdelijk geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de zorgvrager door niet eerder aanwezige beperkingen zoals niet aangeboren hersenletsel (NAH) of beginnende dementie. Er kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening worden ingezet om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de zorgvrager. De leerbaarheid van de zorgvrager kan hierbij ook een belangrijke rol spelen. Die kan bijvoorbeeld betrekking hebben op het (leren) accepteren van gebruikelijke hulp.
Er is sprake van matige beperkingen in de zelfredzaamheid als het zelfstandig nemen van besluiten niet vanzelfsprekend is, de zorgvrager hulp nodig heeft bij het regelen van dagelijkse bezigheden en bij het aanbrengen van dagelijkse routine en structuur, niet goed begrijpt wat anderen zeggen en zichzelf niet voldoende begrijpelijk kan maken.
Er is sprake van zware beperkingen in de zelfredzaamheid als taken moeten worden overgenomen en het uitvoeren van eenvoudige taken moeilijk gaat. De zorgvrager is niet in staat zelfstandig problemen op te lossen en/of besluit te nemen, heeft moeite met communiceren en/of is afhankelijk is van regie van anderen voor de dagelijkse handelingen.
Artikel 19. Uitgangspunten voor begeleiding regulier (verordening artikel 15)
Bij begeleiding thuis is de ondersteuning gericht op het bevorderen, het behoud van of het compenseren van zelfredzaamheid van de zorgvrager. Bij zelfredzaamheid gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de zorgvrager in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. Het kan gaan om het compenseren of actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de zorgvrager, waardoor hij/zij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het kan dan gaan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag.
Persoonlijke verzorging, die in het verlengde ligt van deze begeleiding (m met de handen op de rug en geen lijfsgebonden zorg), maakt hiervan deel uit. De ondersteuning richt zich op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. In het algemeen geldt hier dat geen sprake is van een somatische aandoening en/of primaire medische problematiek, maar in de regel behoefte aan ondersteuning bij de Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL), in plaats van het overnemen er van. Dit komt met name voor bij mensen met een verstandelijke beperking, zintuiglijke beperking en psychiatrische problematiek.
De begeleiding kan volgens afspraak één of meer keer per week thuis geboden worden. Als de zorgvrager onverwacht zorg nodig heeft, buiten de afgesproken momenten, kan hij contact opnemen met zijn zorgverlener. Als dat mogelijk is, kan het contact digitaal plaatsvinden of worden bepaalde vormen van deze individuele begeleiding groepsgewijs geboden (denk aan een ‘spreekuur’ voor ondersteuning bij de administratie of een training).
De langdurige noodzakelijkheid is in de WVG-jurisprudentie als criterium aanvaard, zij het dat daarvoor geen medische eindtoestand is vereist. Bij de beoordeling van de langdurige noodzakelijkheid kunnen ook de prognose over de medische beperkingen en de behandelmogelijkheden een rol spelen. Concreter kan worden gesteld dat een bezoek aan een ziekenhuis 4 x per jaar wordt gezien als incidenteel en derhalve niet als langdurig.
Artikel 20. Uitgangspunten voor begeleiding specialistisch (verordening artikel 15)
Artikel 21. Uitgangspunten voor dagbesteding regulier (verordening artikel 15)
Voor de toegang tot begeleiding dagbesteding wordt met name beoordeeld of:
Als een zorgvrager met een Wlz-indicatie verzoekt om begeleiding op grond van de Wmo 2015, moet het college een onderzoek uitvoeren overeenkomstig artikel 2.3.2 Wmo 2015. Als uit dat onderzoek blijkt dat noodzakelijke begeleiding resteert die niet door de Wlz wordt gedekt, is het aan het college om te beoordelen of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om in het tekort te voorzien.
Artikel 22. Uitgangspunten voor dagbesteding specialistisch (verordening artikel 15)
In het ondersteuningsplan staan doelen die vooral gericht zijn op voorkomen van, of begeleiding bij verdere verslechtering en/of achteruitgang. Doel kan ook zijn: realiseren van, of borgen van een veilige thuissituatie voor zorgvrager en omgeving. De aanbieder brengt in een ondersteuningsplan de zelfredzaamheid in kaart.
Artikel 24. Uitgangspunten voor Beschermd Wonen (verordening artikel 16)
In het kader van beschermd wonen werkt het college samen met andere Zeeuwse gemeenten en worden gelijke regels gehanteerd. Deze worden apart vastgesteld.
Artikel 25. Uitgangspunten voor woonvoorzieningen en woningaanpassingen (verordening artikel 17)
Geen woonvoorziening wordt toegekend als de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen belangrijke reden aanwezig was. Voorbeelden van belangrijke redenen zijn: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk elders.
Maar ook als één van deze situaties zich voordoet, zal een weging van alle feiten en omstandigheden de doorslag geven of sprake is van een belangrijke reden, zo volgt uit de jurisprudentie. De opsomming is verder niet uitputtend, wat betekent dat ook andere omstandigheden een belangrijke reden kunnen vormen.
Zonder een daartoe verleende toestemming van het college en in die zin verwijtbare verhuizing van een adequate naar een inadequate woning kan dit niet blijvend aan de zorgvrager worden tegengeworpen. Dit zou er immers toe leiden dat de zorgvrager blijvend verstoken blijft van (woon)voorzieningen die nodig zijn om de door hem ondervonden beperkingen te compenseren.
Artikel 26. Uitgangspunten voor vervoer naar de dagbesteding (verordening artikel 19 en 20)
Bij het vervoer naar de dagbesteding geldt – evenals bij dagbesteding- het uitgangspunt dat de locatie van de dagbesteding zoveel mogelijk nabij de woon- of verblijfplaats van de zorgvrager en binnen de gemeentegrenzen wordt gezocht. Het college beoordeelt in bijzondere gevallen een gemotiveerd verzoek om van dit uitgangspunt af te wijken.
Vastgesteld wordt of de zorgvrager zijn vervoer zelf kan organiseren. Als de zorgvrager hiervoor gebruik moet maken van het collectief vervoer (dus niet in staat is gebruik te maken van het openbaar vervoer of andere vervoersmogelijkheden), dan kan een pas voor het collectief vervoer (Regiotaxi) worden toegekend. De zorgvrager reist binnen de spelregels van het collectief vervoerssysteem naar de dagbestedingslocatie. Hij betaalt ook de bijdrage per rit. Indien de zorgvrager kan aantonen dat hij met het maximum kilometerbudget van 2.000 km overschrijdt omdat hij naast zijn sociaal vervoer ook naar de dagbesteding reist, kan hij bij het college een ophoging van het kilometerbudget aanvragen.
Een zorgvrager die een duurdere voorziening wenst dan de voorziening die het goedkoopst adequaat is, betaalt de meerkosten zelf. Voor het vervoer van en naar de dagbesteding kan het principe goedkoopst adequaat tot gevolg hebben dat een zorgvrager die naar een andere dagbestedingslocatie wil dan een geschikte voorziening die het dichtst bij zijn woonplaats is gevestigd, de meerkosten van het vervoer zelf moet betalen.
Artikel 27. Uitgangspunten voor regeling meerkosten vervoer van en naar de dagbesteding (verordening artikel 20)
Wanneer de zorgvrager aan bovenstaande onderdelen voldoet, komt hij in aanmerking voor de regeling meerkosten vervoer van en naar dagbesteding. Hij wordt verplicht gebruik te maken van de de ‘cashless rekening’ Zodra de kosten meer dan €70,- per maand bedragen worden de meerkosten gefactureerd aan de gemeente. Het college stelt het kilometerbudget vast.
Zorgvragers die naar de dagbesteding gaan met openbaar vervoer of eigen vervoer en waarbij sprake is van intensief gebruik van de dagbesteding of een laag inkomen of een combinatie van beide, kunnen de individuele maatwerkvoorziening vergoeding meerkosten ontvangen voor zover de kosten meer bedragen dan € 70,00 per maand.
Hoofdstuk 5. Uitgangspunten voor een persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel 28. pgb-vaardigheid (artikel 24 verordening)
De vaardigheid van de zorgvrager, dan wel een ander die namens hem het pgb gaat beheren, ten aanzien van de vaardigheid om een pgb te beheren, worden op de volgende onderdelen beoordeeld. Alle onderdelen moeten voldoende worden beheerst door degene die het beheer van het pgb op zich neemt:
een overzichtelijke pgb-administratie en besteding van het pgb-budget bijhouden. Het kunnen verantwoorden van het pgb budget, zoals komen de gefactureerde zorguren overeen met de geleverde zorg of het stoppen van het maandloon als de zorg tijdelijk stopt. Deze administratie moet eventueel ook overgelegd kunnen worden als het college, in het kader van verantwoording, daarom vraagt;
Een pgb wordt niet toegekend indien er sprake is van overwegende bezwaren als er een ernstig vermoeden is dat de budgethouder, dan wel degene die het pgb namens hem gaat beheren, problemen zal hebben met het omgaan met een pgb; hiervan kan onder meer in de volgende situaties sprake zijn:
Artikel 29. Kwaliteit pgb zorg (artikel 25 verordening)
er is geen sprake van belangenverstrengeling of schijn van belangenverstrengeling tussen zorgvrager en zorgaanbieder. De zorgaanbieder voert niet zelf het pgb beheer uit. Indien de uitvoering van het pgb beheer bij een vertegenwoordiger of andere derde wordt ondergebracht, is deze op geen enkele manier verbonden met de zorgaanbieder;
de zorgaanbieder werkt optimaal samen zowel binnen het team (intern) als met andere externe actoren en betrekt zoveel mogelijk voorzieningen binnen het voorliggende veld. De samenwerkingsafspraken dan wel contacten met interne en externe actoren zijn terug te vinden in de documentatie van de zorgaanbieder;
Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten
Artikel 32. Bijdrage in de kosten (verordening artikel 29)
Uitgangspunten bij reeds verstrekte voorzieningen:
De eigen bijdrage voor pgb is berekend op basis van de kostprijs inclusief onderhoudskosten en verzekering van de voorziening. Voor het onderhoudsbedrag (inclusief verzekering) per jaar moet 7% van de aanschafprijs worden gerekend. Bij nieuwe vervoersvoorzieningen geldt een garantieperiode van één jaar, zodat in dit jaar geen onderhoudskosten hoeven gerekend te worden. Bij een nieuwe vervoersvoorziening in de vorm van een pgb geldt dan het onderhoudsbedrag per jaar maal zes jaar.
De wijze waarop de eigen bijdrage voor de reeds verstrekte voorzieningen wordt berekend is als volgt: de kostprijs wordt verminderd met het bedrag dat reeds betaald is aan inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Het restant kostprijs wordt gedeeld door het abonnementstarief. Hieruit vloeit het aantal maanden die betaald dienen te worden met abonnementstarief.
Aldus vastgesteld door het college van gemeente Schouwen-Duiveland in zijn vergadering van 9 april 2024
De burgemeester, J. Chr. Van der Hoek MBA
De secretaris, S.J.A. Bronsveld
Bijlage 1 Handreiking Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM
Zie: https://www.hhm.nl/werk/handreiking-normenkader-huishoudelijke-ondersteuning/
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-395215.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.