Gemeenteblad van Beuningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Beuningen | Gemeenteblad 2024, 356954 | gemeenschappelijke regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Beuningen | Gemeenteblad 2024, 356954 | gemeenschappelijke regeling |
Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het college van de centrumgemeente een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van dit college het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.
Het in het vorige lid bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de centrumgemeente die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
De uittreding uit de regeling geschiedt, tenzij anders bepaald, per 1 januari van het kalenderjaar volgend op het besluit tot uittreding en de bekendmaking daarvan door de colleges van de deelnemende gemeenten. Tussen het besluit tot uittreding en de feitelijke uittreding moeten ten minste 2 jaren gelegen zijn.
Het opheffingsplan, bedoeld in het tweede lid, voorziet in ieder geval in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing en de personele gevolgen hiervan. Het opheffingsplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging voor de centrumgemeente heeft verband houdende met het personeel.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Wijchen.
Toelichting op de Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen
Artikel 1. Algemene bepalingen
De dienstverleningsovereenkomst (DVO) is een belangrijk document in de samenwerking tussen de gemeenten. Deze overeenkomst regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de gemeenschappelijke regeling en bevat daarom bepalingen omtrent kosten, kostenverdeling, rechten, plichten en kwaliteitsdoelstellingen.
Artikel 2. Doel en reikwijdte van de regeling
De regeling ziet primair op de uitvoering van de taken van de gemeenten op het gebied van het heffen en invorderen van gemeentelijke rechten en belastingen en de uitvoering van de WOZ. Voor de uitvoering wordt geen openbaar lichaam, afzonderlijk gemeenschappelijk orgaan of stichting, maar een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie die ondergebracht wordt bij een centrumgemeente. In het perspectief van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is dit een van de lichtste vormen van samenwerking. De gemeentelijke autonomie ter zake beleidsbepaling blijven volledig intact. Voorts is de samenwerking niet gebonden aan een aantal procedurele vereisten die de Wgr aan zwaardere vormen wel voorschrijft.
De Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen is een kaderregeling. De verfijning en uitwerking van onderlinge verplichtingen en rechten en plichten wordt vastgelegd in één of meer dienstverleningsovereenkomsten, die de colleges met elkaar afsluiten.
Artikel 3. Portefeuillehouderoverleg
Vanuit hun bestuurlijke verantwoordelijkheid binnen de gemeenten voor het beleidsveld belastinggebied worden de portefeuillehouders als eersten betrokken bij de voorbereiding van besluiten ter zake het belastinggebied. Het portefeuillehouderoverleg beoogt waar mogelijk afstemming binnen de deelnemend, gemeenten te bevorderen.
Artikel 4. De uitvoeringsorganisatie
De nieuw te vormen uitvoeringsorganisatie is het hart van de samenwerking en functioneert als 'afdeling' voor de deelnemende gemeenten. Om het hoofd van de uitvoeringsorganisatie in staat te stellen zijn uitvoerende taak naar behoren en adequaat vorm te geven, is het noodzakelijk mandaat te verlenen voor tenminste die taken waarvoor het te doen gebruikelijk is mandaat te verlenen. De bevoegdheden van de heffingsambtenaar en de invorderingsambtenaar ingevolge artikel 231, tweede lid onderdeel a en b van de Gemeentewet, betreffen geen bevoegdheden op grond van mandaat, maar zelfstandige bevoegdheden op grond van de wet. De colleges zijn verplicht deze ambtenaren aan te wijzen met een aanwijzingsbesluit. Deze ambtenaren zijn zelfstandige bestuursorganen tegen wiens besluiten bezwaar en beroep openstaat.
Tenslotte is geregeld dat de uitvoeringsorganisatie verantwoording aflegt aan het portefeuillehouderoverleg. Deze verantwoording betreft de inhoudelijke aspecten van het beleidsveld Belastingen. De aansturing van het personeel en aanverwante zaken is een zaak van de centrumgemeente, die daartoe van het hoofd van de uitvoeringsorganisatie een afdelingsplan kan verlangen.
De uitvoeringsorganisatie verzorgt de beleidsvoorbereiding met betrekking tot de producten, waarop deze regeling betrekking heeft. In het algemeen betreft dit het redigeren van en het adviseren over de belastingverordeningen. In mindere mate voorkomend, maar evenwel mogelijk, is het vaststellen van 'overig' belastingbeleid. Het beleidsveld belasting wordt immers als relatief beleidsarm gekenschetst.
De uitvoeringsorganisatie draagt waar mogelijk zorg voor onderlinge afstemming ter voorbereiding van de besluitvorming en draagt zorg voor de administratief juridische verwerking, waaronder toezending aan andere instanties, alsmede publicatie en ter inzagelegging, waartoe de andere gemeenten hun medewerking verlenen.
Artikel 6. Financiële bepaling
De kostenverdeling verbonden aan de dienstverlening door de centrumgemeente wordt uitgewerkt in de dienstverleningsovereenkomst.
De termijnen als genoemd in de volgende leden van het artikel geven de deelnemende gemeente voldoende gelegenheid de financiële consequenties te verwerken in de gemeentebegrotingen en jaarrekeningen.
Het budgetrecht behoort aan de gemeenteraden, die jaarlijks de gemeentebegroting vaststellen. Teneinde de relaties tussen de financiële consequenties van het gemeenschappelijk belastingkantoor met inbegrip van de dienstverleningsovereenkomst(en), de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de portefeuillehouders en de gemeentebegroting te reguleren, zijn de procedurebeginselen in dit artikel vastgelegd.
De kostensoorten zijn in beginsel vast en kunnen in de DVO (of DVO's) vrij nauwkeurig worden benoemd. De kosten zelf zijn bijna altijd variabel, zowel de gemeenschappelijke kosten als de aan eigen gemeentelijk beleid gerelateerde kosten (bv individuele belastingtarieven). In de DVO wordt een algemene bepaling opgenomen over de wijze waarop de kostenverdeling wordt vastgesteld.
De goedkeuring met betrekking tot de kostenverdeling zelf volgt uit de goedgekeurde gemeentebegrotingen. Hiermee wordt het budgetrecht van de gemeenteraad volledig gerespecteerd. In de DVO wordt een bepaling opgenomen op grond waarvan de door de raad vastgestelde begrotingsparagraaf bindend is voor de kostenverdeling tussen de gemeenten. Zo wordt voorkomen, dat - naast de verplichte begrotingen- ieder jaar ook een nieuwe DVO moet worden overeengekomen. De aansprakelijkheid bij financiële claims van derden wordt beheerst door de criteria uit het Burgerlijk Wetboek (BW 6:162 en volgende). Het financiële risico ligt bij die gemeente die de schade toerekenbaar veroorzaakt. Een van het Burgerlijk Wetboek afwijkende regeling wordt niet noodzakelijk geacht.
Als er binnen een Gemeenschappelijke regeling geen Archiefverordening en/of Besluit Informatiebeheer zijn, gelden die van gemeente van vestiging.
Het artikel is aangepast aan de bepalingen van de Archiefwet.
Artikel 8. Duur van de regeling
Dit artikel bepaalt dat de regeling voor onbepaalde tijd is aangegaan.
Gewijzigde omstandigheden kunnen aanleiding geven om de regeling te wijzigen. Daarvoor is met deze bepaling een voorziening getroffen. Iedere deelnemer kan voorstellen voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling doen. De colleges besluiten hierover unaniem (art. 1 lid 5 jo. lid 1 Wgr), na toestemming van hun raden (art. 1 lid 5 jo. lid 4 Wgr).
Dit artikel regelt de procedure voor toetreding van nieuwe partijen, voor zover die partijen daartoe op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen bevoegd zijn. Toetreding kan geschieden bij gelijkluidend besluit van de colleges én het potentieel deelnemende college (art. 1 lid 3 jo. lid 1 Wgr). De colleges moeten daarvoor toestemming van hun raden hebben (art. 1 lid 3 jo. lid 2 Wgr), zoals ook het potentieel toetredende college dat nodig heeft. Toetreding vindt plaats per 1 januari van het kalenderjaar volgens op het besluit tot toetreding.
Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) van 1 juli 2022 is in artikel 9 Wgr expliciet bepaald dat er nu in de regeling (voor zowel bepaalde als onbepaalde tijd) bepalingen moeten worden opgenomen over de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon (GR) en de deelnemende gemeenten.
Per regeling moet daarom worden opgenomen op welke wijze (proces en inhoud) wordt bepaald wat de gevolgen van de uittreding zijn en op welke manier het vermogen van de deelnemers wordt beïnvloed.
Met artikel 11 wordt dit geregeld. In deze artikelen wordt de procedure, de voorwaarden en de gevolgen van uittreding beschreven. Hiermee is het voor deelnemers op voorhand duidelijk hoe de procedure tot uittreding verloopt, hoe de uittreedsom wordt bepaald en dat de uittredende deelnemer deze moet betalen.
Een uittredende deelnemer is verantwoordelijk voor de kosten die met de uittreding gepaard gaan. Daarbij valt te denken aan frictie-, desintegratie- en projectkosten. Om de uittredingssom onafhankelijk te laten vaststellen is gekozen voor het aanwijzen van een onafhankelijke deskundige door het college van de centrumgemeente.
Dit artikel regelt de opheffing. Daartoe zijn gelijkluidende besluiten van minimaal twee derde van de individuele colleges vereist (lid 1), inclusief de benodigde toestemming van de raden. Het bestuur stelt vervolgens een opheffingsplan op (lid 2). Het opheffingsplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het opheffingsplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan (lid 4).
Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) van 1 juli 2022 is in artikel 11a Wgr de verplichting geïntroduceerd dat in de gemeenschappelijke regeling bepalingen omtrent de evaluatie van de regeling moeten worden opgenomen.
Voor de centrumgemeente is gekozen om dat deelnemers een verzoek om evaluatie kunnen doen.
Artikel 14 Bekendmaking en inwerkingtreding
Het oude artikel 9 is geheel gewijzigd en aangepast aan het nieuwe artikel 26 Wgr (inwerkingtreding Wet elektronische publicaties).
Deze regeling wordt begripsvormend en aangehaald als 'Regeling Gemeenschappelijk Belastingkantoor Beuningen'.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-356954.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.