Gemeenteblad van Rijssen-Holten
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Rijssen-Holten | Gemeenteblad 2024, 353796 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Rijssen-Holten | Gemeenteblad 2024, 353796 | beleidsregel |
Integraal Huisvestigingsplan 2024- 2039 Rijssen- Holten
Op 28 september 2023 heeft de gemeenteraad de visie op onderwijshuisvesting vastgesteld. Vervolgens is op basis van de informatie uit het visiedocument, de verordening onderwijshuisvesting 2021 en nieuwe leerlingenprognoses (telling per 1 oktober 2023) dit Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2024-2039 (verder IHP) voorbereid.
Dit IHP is een koersdocument voor benodigde investeringen in de onderwijshuisvesting, zowel op korte termijn (4 jaar) als op lange termijn (16 jaar). Om de kwaliteit van huisvesting te borgen en in te spelen op nieuwe inzichten en ontwikkelingen, is het belangrijk dat gemeente en schoolbesturen werken vanuit een gezamenlijk toekomstperspectief. Het gezamenlijk opgesteld visiedocument biedt ons de weg voor dit perspectief. Een samenvatting van de visie op onderwijshuisvesting treft u verderop aan.
Onderwijshuisvesting in het funderend onderwijs1 is een gedeelde verantwoordelijkheid van de rijksoverheid, gemeenten en schoolbesturen. Op de verantwoordelijkheid van elk van deze actoren wordt hieronder nader ingegaan.
De Rijksoverheid draagt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en toegankelijkheid van het funderend onderwijs in het algemeen. De Rijksoverheid is stelselverantwoordelijk en bekostigt onderwijshuisvesting vanuit het gemeentefonds. Daarnaast zijn er specifieke wettelijke kaders op aanpalende onderwerpen die onder de verantwoordelijkheid vallen van verschillende ministeries. Denk bijvoorbeeld aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) voor het Bouwbesluit en de Omgevingswet, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) voor arbeidsomstandigheden en het ministerie van OCW voor bewegingsonderwijs.
Gemeenten dragen de wettelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting. Dat betekent voornamelijk dat zij verantwoordelijk zijn voor het voorzien in voldoende aanbod van onderwijshuisvestingsvoorzieningen van een redelijk niveau. De gemeente is daarmee verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreiding van schoolgebouwen. Ook zijn zij verantwoordelijk voor medegebruik en verhuur van het gebouw. Daarnaast dragen gemeenten zorg voor voldoende geschikte ruimte voor bewegingsonderwijs. Om deze taken uit te kunnen voeren, ontvangt de gemeentemiddelen vanuit de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Deze middelen zijn niet geoormerkt en dus vrij besteedbaar.
Schoolbesturen dragen de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van onderwijshuisvesting. Dit betreft onder meer behoorlijk gebruik van het gebouw, binnen- en buitenonderhoud, exploitatiekosten, meubilair, publiekrechtelijke heffingen en onderwijsleerpakket. Het schoolbestuur ontvangt hier middelen voor in de lumpsumbekostiging van het ministerie van OCW. Ook deze middelen zijn niet geoormerkt en dus vrij te besteden. Wel geldt dat schoolbesturen in het primair onderwijs gebonden zijn aan een investeringsverbod.2 Dat wil zeggen dat schoolbesturen gebonden zijn aan limitatief opgesomde doelen binnen huisvesting waaraan die middelen besteed mogen worden.
Momenteel is een wetsvoorstel doelmatige aanpak onderwijshuisvesting in consultatie die de verantwoordelijksverdeling binnen het stelsel wil aanpassen. Hier komen mogelijk de volgende aanpassingen uit voort:
Ten tweede wordt renovatie een voorziening in de huisvesting waar de gemeente voor verantwoordelijk is. In het huidige stelsel is vaak onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is voor de renovatie van een schoolgebouw; valt dit onder nieuwbouw of onderhoud? In de nieuwe wet wordt renovatie opgenomen als alternatief voor nieuwbouw, bestaande uit vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door een samenhangend geheel van maatregelen, dat gericht is op het verlengen van de levensduur van het gebouw of het gedeelte daarvan.
Het aantal nieuwkomers dat jaarlijks naar Nederland komt fluctueert. Scholen hebben de verantwoordelijkheid om in te spelen op deze fluctuaties en om alle nieuwkomersleerlingen goed en toegankelijk onderwijs te bieden. In voormalig schoolgebouw de Salto aan de Keizersdijk in Rijssen verzorgt het Palet uit Almelo NT2 sinds enkele jaren lessen aan nieuwkomers (leerlingen 4 - 12 jaar). Na maximaal 2 jaar stromen deze kinderen door naar het basisonderwijs. Ook is er sprake van directe instroom van nieuwkomers in het basisonderwijs. De instroom bij het voortgezet onderwijs komt voornamelijk voort uit de internationale schakelklassen (Almelo en Deventer). De instroom van nieuwkomers vraagt zowel bij het basis- als ook het voortgezet onderwijs om extra personele inzet, het verzorgen van toegankelijk onderwijs en aandacht voor (de inrichting van) onderwijshuisvesting.
Met de schoolbesturen is afgesproken de verwerking van dit wetsvoorstel te volgen en te vernemen wat dit onder andere betekent voor de normvergoeding van de stichtingskosten. Zodat op basis hiervan afspraken gemaakt kunnen worden passend binnen de visie op onderwijshuisvesting. In de beleidsregels bij het IHP verderop in dit IHP is alvast een voorschot genomen op de gemelde wetswijziging. Dit voorschot betreft onder andere renovatiebeleid, maar ook beleid voor thuisnabij onderwijs, zorgruimte en maatregelen binnenklimaat. Ook het gemeentelijk beleid uit vorig IHP is opgenomen in deze beleidsregels bij het IHP en daar waar nodig (ter verduidelijking) tekstueel aangevuld.
4. Visie op onderwijshuisvesting
In de visie op onderwijshuisvesting zijn de gemeente en schoolbesturen samen overeengekomen dat onderwijshuisvesting gericht moet zijn op realisatie van maatschappelijk rendement. Vanuit die gezamenlijk ambitie willen we:
Randvoorwaarden voor maatschappelijk rendement
In de visie op onderwijshuisvesting is opgenomen dat randvoorwaarden bepalend zijn voor het kunnen behalen van maatschappelijk rendement. Tijdens de strategische verkenning van de visie op onderwijshuisvesting is met de schoolbesturen overeengekomen dat invulling van de volgende randvoorwaarden realisatie van maatschappelijk rendement mogelijk (kunnen) maken.
A. Multifunctioneel gebouw / flexibel inzetbare ruimtes
Toegewerkt wordt naar onderwijshuisvesting dat naast het voorzien in passende huisvesting voor scholen ook ingezet kan worden als middel om diverse beleidsmatige ontwikkelingen te stimuleren. Hiermee wordt bedoeld de vorming van brede basisvoorzieningen, eventueel aangevuld met complementaire maatschappelijke en commerciële functies. De betekenis van de voorzieningen voor de buurt en haar bewoners wordt nadrukkelijk betrokken. Het gaat hier om de maatschappelijke betekenis van onderwijsgebouwen.
B. Duurzaam: voldoen aan duurzaamheid en gezond binnenklimaat
Een frisse school is een schoolgebouw met een laag energieverbruik en een gezond binnenklimaat als het gaat om luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. Frisse scholen dragen bij aan een duurzaam gebouw, omdat ze het energieverbruik terugdringen en de CO² uitstoot beperken. Een gezond binnenmilieu draagt ook bij aan het welbevinden van de gebruikers en vermindert gezondheidsklachten.
Toegewerkt wordt naar het kwaliteitsniveau Frisse Scholen Klasse B op alle scholen.
C . Speels, groen en bewegingsonderwijs
We werken toe naar een gevarieerd sportaanbod op school omdat de verbinding tussen onderwijs, sport, bewegen in de wijk bijdraagt aan een betere fysieke - en mentale ontwikkeling van kinderen. Door het verbeteren van de buitenruimte op en rondom scholen wordt bijgedragen aan het welzijn van kinderen. Zo kunnen kinderen aangezet worden tot meer bewegen door het slim ontwerpen en inrichten van de openbare ruimte, wat bijdraagt aan een gezonde levensstijl en preventie van obesitas.
In het onderwijs wordt een belangrijke basis gelegd voor een actief en gezond leven. Om dit vorm te geven zijn verbindingen met sportverenigingen van belang. De afspraak is gemaakt om gezamenlijk na te denken over en het inzetten van alternatieven voor het uitvoeren van het bewegingsonderwijs. Hierbij wordt gedacht aan het (meer) gebruik maken van sportvelden, schoolpleinen, zwembaden en openbare speelplekken/grasvelden. Maar ook de gemeentelijke speel- en beweegvisie voor de kernen Holten en Rijssen kan hierin uitkomst bieden.
Samenwerking draagt bij aan een zo hoog mogelijke onderwijskwaliteit voor alle kinderen in Rijssen-Holten. Met deze samenwerking willen we het gehele onderwijsprofiel binnen de gemeente versterken en verbeteren. Toegewerkt wordt naar samenwerking op inhoud, organisatie en huisvesting (zie voor meer informatie de visie op onderwijshuisvesting).
E . Financiering en financierbaarheid van onderwijshuisvesting
Om (maatschappelijk) renderend onderwijs mogelijk te maken wordt schoolbesturen de ruimte geboden hun gebouwen in te richten voor meer functies dan voorheen. Door in de voorbereiding van het bouwproces aandacht te hebben voor flexibele onderwijsgebouwen kan onderwijshuisvesting nadrukkelijker ingezet worden als multifunctionele accommodaties (zie hiervoor bij A).
Het bieden van een doorgaande ontwikkellijn zorgt ervoor dat (thuisnabij) onderwijs en opvang, zo mogelijk in combinatie met zorg voor de kinderen toegankelijk is. Om zoveel mogelijk passend3 - en of inclusief4 onderwijs mogelijk te maken is het de wens de ruimten voor aanvullende kind-functies (opvang en zorg) te realiseren binnen de onderwijsgebouwen.
5. Beleidsregels bij nieuw IHP
Tijdens de prioriteringsgesprekken met de schoolbesturen is ervaren dat het toepassen van de ambitie zoals vermeld in de vastgestelde visie op onderwijshuisvesting naar een nieuw IHP zonder aanvullende beleidsruimte een uitdaging is. Aanvullend op de verordening onderwijshuisvesting 2021 zijn daarom beleidsregels bij het IHP met elkaar overeengekomen. Deze beleidsregels staan hieronder vermeld.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (voorheen Bouwbesluit 2012) noemt de eisen waaraan bouwwerken moeten voldoen om de benodigde kwaliteit en veiligheid te kunnen garanderen. Nieuwe schoolgebouwen moeten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit. Per 1 januari 2021 zijn de BENG-eisen opgenomen in het Bouwbesluit. Per 1 januari 2024 is het Bouwbesluit 2012 vervangen door het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Nieuwe schoolgebouwen moeten voldoen aan de eisen van dit besluit.
Artikel 4 Normvergoeding stichtingskosten
In de basis dient te worden voldaan aan artikel 2 Bbl van deze beleidsregels. Financiering van de stichtingskosten bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding op basis van het Bbl behoren daarmee voor 100% aan de gemeente. De VNG-normbedragen zijn daarin een richtlijn, waarbij de daadwerkelijke stichtingskosten na aanbesteding bepalend zijn.
Alle extra kosten die worden gemaakt voor kwaliteitsverbeteringen en de onomkeerbare maatregel van Bbl (BENG-eisen) naar ENG van een schoolgebouw, komen voor rekening van het schoolbestuur. In lijn van de ENG ambitie is bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding de afspraak gemaakt dat het schoolbestuur bijdraagt in 10% van de bekostiging, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel. De bijdrage wordt gebruikt voor de exploitatie verbeterende maatregelen boven op de eisen van het Bbl en de VNG-normbedragen. Naast de exploitatie verbeterende maatregelen gaat het dan ook om de onomkeerbare maatregelen om de sprong van BENG naar ENG te kunnen maken. Het schoolbestuur kan voor dit deel een beroep doen op de duurzaamheidslening in artikel 6.
Bij het naar voren halen van voorzieningen (anders dan renovatie zoals vermeld in artikel 7 van deze beleidsregels en niet opgenomen in dit IHP) wordt een hogere eigen bijdrage van het schoolbestuur verwacht. Voor ieder jaar eerder dan de termijn van 60 jaar zal het schoolbestuur zelf 1,67% van de werkelijke kosten voldoen.
De vraag is hoe bij nieuwbouw en uitbreiding van scholen om te gaan met het bouwkrediet (normvergoeding die geldt als een taakstellend maximum) in relatie tot de te realiseren bvo. Bij nieuwbouw of uitbreiding kunnen zich namelijk verschillende situaties voordoen, bijvoorbeeld als een schoolbestuur voor eigen rekening extra ruimte wil realiseren. Aan de hand van een voorbeeld (zie de bijlage) wordt bezien welke situaties zich kunnen voordoen en hoe we daarmee om willen gaan bij de afrekening en de vaststelling van de werkelijke/fictieve bvo van de nieuwe school.
Artikel 6 Duurzaamheidslening schoolgebouwen
Een frisse school is een schoolgebouw met een laag energieverbruik en een gezond binnenklimaat als het gaat om luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid. Frisse scholen dragen bij aan een duurzaam gebouw, omdat ze het energieverbruik terugdringen en de CO² uitstoot beperken. Een gezond binnenmilieu draagt ook bij aan het welbevinden van de gebruikers en vermindert gezondheidsklachten.
Zoals vermeld in de visie op onderwijshuisvesting streven we ernaar om alle scholen te laten voldoen aan het kwaliteitsniveau Frisse Scholen Klasse B.
Voor (nog te treffen) fysieke maatregelen in of aan een schoolgebouw gelegen in de gemeente Rijssen-Holten, die leiden tot vermindering van de CO2-uitstoot, maar ook voor (nog te treffen) binnenklimaat-maatregelen biedt het college schoolbesturen PO en VO op basis van de verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Rijssen-Holten 2010 de mogelijkheid gebruik te maken van de duurzaamheidslening schoolgebouwen.
Voor gebruik van de duurzaamheidslening dient het schoolbestuur een schriftelijk verzoek in te dienen bij het college. Een indieningsdatum is niet van toepassing. Uiteraard mogen de duurzaamheidsmaatregelen, waarop de aanvraag betrekking heeft, nog niet zijn getroffen. Het schoolbestuur dient de aanvraag te motiveren en te voorzien van een deugdelijke financiële onderbouwing (begroting/offertes).
De duur van de lening is minimaal 2 jaar en wordt in principe gekoppeld aan de technische levensduur van de voorziening, maar er wordt ook rekening gehouden met de verwachte levensduur van het gebouw. De daadwerkelijke verstrekking van de lening hangt af van de gunning van de opdracht door het schoolbestuur. De lening wordt in principe in één keer verstrekt. De rente begint te lopen op de valutadatum dat de gemeente het bedrag overmaakt aan het schoolbestuur. Het schoolbestuur blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het nakomen van de financiële verplichtingen, ook als het betreffende schoolgebouw tussentijds buiten gebruik wordt gesteld. In dat geval wordt het restant van de lening direct opeisbaar.
De maximale omvang van de lening wordt bepaald aan de hand van de door het schoolbestuur bij de aanvraag over te leggen begroting/offertes. Op basis van de opdrachtverstrekking door het schoolbestuur kan de omvang van de lening naar beneden worden bijgesteld. De minimumomvang van de lening is € 10.000 per aanvraag.
Als percentage wordt gehanteerd de BNG-rente verhoogd met 0,5%. De BNG-rente op de 1e werkdag van januari geldt voor het gehele kalenderjaar. De datum waarop de lening wordt verstrekt is bepalend voor het van toepassing zijnde kalenderjaar. De rente van dit kalenderjaar geldt voor de hele looptijd van de lening. De hoogte van de rente is afhankelijk van de duur van de lening.
De lening wordt lineair afgelost. De eerste aflossing vindt plaats in december van het jaar volgende op het verstrekken van de lening. Jaarlijks ontvangt het schoolbestuur begin december een factuur (rente en aflossing) van de gemeente over het aflopende kalenderjaar. De factuur moet uiterlijk 31 december worden betaald. Bij overschrijding wordt de wettelijke rente in rekening gebracht. Versnelde aflossing is mogelijk, maar dit moet minimaal 10% van de oorspronkelijke hoofdsom zijn.
Aan het verstrekken van een lening kunnen voorwaarden worden verbonden. Zo zal de lening voor een bepaalde datum (te bepalen door het college) moeten worden opgenomen. En de maatregelen dienen binnen 1 jaar na het verstrekken van de lening te zijn uitgevoerd. De lening moet uiteraard gebruikt worden voor het doel waarvoor ze is aangevraagd.
Onder de huidige wetgeving is ‘renovatie’ geen officiële voorziening in de onderwijshuisvesting (als bedoeld in art. 92 lid 1 Wpo, art. 90 lid 1 Wec en art. 6.2 lid 1 Wvo) omdat – zo was de gedachte – het begrip niet eenduidig is te definiëren. Gemeenten en schoolbesturen worden daarom geacht in goed overleg met elkaar tot een redelijk vergelijk te komen over de verdeling van de kosten en een eventuele keuze tussen renovatie en nieuwbouw. Met dit artikel is nu geprobeerd in aansluiting op de verwachte wetswijziging hier een richting aan te geven. Waarbij het uitgangspunt is dat renovatie een combinatie kan betreffen van instandhoudings-, onderwijskundige-, functionele- en kwaliteit verhogende ingrepen.
Hieronder worden in de leden 2 en 3 van dit artikel wordt de mogelijkheid geboden voor:
Renovatie als levensduurverlening - revitalisatie
De gemiddelde levenscyclus van een gebouw bedraagt 65 jaar (40 + 25), waarbij de gemeente na het 40e levensjaar bijdraagt aan een levensduur verlengende renovatie. Het uitgangspunt is dat renovatie in combinatie met het reguliere onderhoud bijdraagt aan en levensduurverlenging van 25 jaar.
Na het 65e levensjaar wordt vervangende nieuwbouw opgenomen. Renovatie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van schoolbesturen en gemeente.
De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan deze oplossingsrichting voor renovatie:
De gemeente draagt in het 40e levensjaar van een gebouw, in het kader van een renovatie, 30% van de bijdrage van de normvergoeding voor nieuwbouw voor het aanpassen van het gebouw ter verbetering van het binnenklimaat, de energieprestaties en de onderwijskundige functionaliteit. Uitgangspunt voor de gemeentelijke bijdrage is de permanente ruimtebehoefte van een school. Dit kan afwijken van de werkelijke omvang van een gebouw;
Renovatie als gelijkwaardig alternatief voor nieuwbouw – vernieuwbouw
Hierbij is het uitgangspunt dat renovatie een gelijkwaardig alternatief vormt voor (vervangende) nieuwbouw. Bij renovatie wordt, indien de noodzaak aanwezig is, na het 40e levensjaar het bestaande gebouw, met dezelfde eisen als bij (vervangende) nieuwbouw, kwalitatief verbeterd.
De technische levensduur wordt bij deze ingreep met minimaal 40 jaar verlengd. Na de ingreep zijn de gebouwen duurzaam, passend aan het onderwijsconcept en passend aan de functionele wensen en eisen.
De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan deze oplossingsrichting voor renovatie:
Vijf tot drie jaar voordat het gebouw het einde van de economische levensduur (40 jaar) heeft bereikt wordt er een businesscase opgesteld. De businesscase toont aan of en wanneer er een noodzaak tot huisvestingsingrijpen aan de orde is op basis van een conditiemeting van het betreffende gebouw. Ook dient de businesscase aan te tonen of renovatie dan wel vervangende nieuwbouw de best passende oplossing is;
Als de gemeentelijke bijdrage, op basis van de werkelijk benodigde investering, niet toereikend blijkt voor het bekostigen van BENG dragen de schoolbesturen bij. Deze bijdrage valt te bekostigen uit het onderhoudsbudget. De insteek hierbij is dat schoolbesturen met goed onderhouden schoolgebouwen naar verwachting minder of niet hoeven bij te dragen en/of meer met het beschikbare budget kunnen realiseren;
De VNG-normbedragen gelden ook als uitgangspunt bij de berekening van de gemeentelijke vergoeding bij renovatie. Basis voor de vergoeding is de normvergoeding voor nieuwbouw dan wel uitbreiding. Met name bij renovatie van een gedeelte van een gebouw ligt het meer voor de hand uit te gaan van de normvergoeding voor uitbreiding.
Bij een moeilijke(re) financiële positie van de gemeente zal vaker een beroep op dit instrument moeten worden gedaan. Hierbij zal een verschil in identiteit geen belemmering mogen vormen, al zal hiermee prudent worden omgegaan. Wat betreft verwijzing naar leegstand elders zijn er geen “harde” grenzen zoals Reggesingel en spoorlijn. Indien nodig kan van het vorderingsrecht gebruik gemaakt worden.
Artikel 11 Thuisnabij onderwijs binnen bestaande onderwijsgebouwen
Om (maatschappelijk) renderend onderwijs mogelijk te maken wordt schoolbesturen de ruimte geboden hun gebouwen in te richten voor meer functies. Het bieden van een doorgaande ontwikkellijn kan ervoor zorgen dat thuisnabij onderwijs en opvang, zo mogelijk in combinatie met zorg voor de kinderen meer toegankelijk is. Door thuisnabij onderwijs wordt onze jeugd te ontzien, want reizen kost tijd en energie. Het kunnen volgen van onderwijs binnen de eigen gemeente zorgt er ook voor dat kinderen direct na schooltijd met vriendjes kunnen spelen. Dit zeer belangrijk sociaal aspect wordt wel eens vergeten.
Artikel 12 Capaciteitsbenadering schoolgebouwen
Bij aanvragen voor capaciteitsuitbreiding wordt eerst beoordeeld of bij de scholen van desbetreffend schoolbestuur sprake is van (genormeerde) leegstand. Daarvan zal eerst gebruik gemaakt moeten worden. Als het een aanvraag voor tijdelijke uitbreiding betreft zal ook beoordeeld worden of er nog sprake is van leegstand bij andere schoolbesturen.
Bij (vervangende)nieuwbouw, uitbreiding en renovatie wordt boven op de structurele ruimtebehoefte zoals vermeld in artikel 5 lid 2 sub b. van deze beleidsregels bij het PO uitgegaan van een toeslag van maximaal 40 m² bvo, voor de realisering van een spreekkamer voor zorg gerelateerde functies (zoals ambulante begeleiding of schoolarts).
Artikel 14 Maatregelen binnenklimaat
Bij maatregelen binnenklimaat gaat het bijvoorbeeld om maatregelen ter verbetering van de temperatuur, het binnenklimaat en de akoestiek binnen een gebouw. Binnen het onderwijs spreken we dan ook wel van ‘frisse scholen’. Vaak gebeurt een aanpak van het binnenklimaat in combinatie met verduurzaming, zodat de stijgende energielasten van installaties gecompenseerd kan worden. In bepaalde gevallen kan het schoolbestuur een beroep doen op rijkssubsidie variërend van 30% tot 60% van de werkelijke kosten. Voor de kosten van verduurzaming kan een schoolbestuur een beroep doen op de in artikel 6 van deze beleidsregels gemelde duurzaamheidslening schoolgebouwen.
6. Aandachtspunten schoolbesturen bij IHP-prioritering
Vanuit het IHP 2020 - 2035 zijn de stichtingskosten voor drie vervangende nieuwbouwprojecten onderwijshuisvesting al in de gemeentelijke begroting verwerkt. Deze projecten zijn:
Gelijk aan de voorbereiding van vorig IHP is de schoolbesturen binnen onze gemeente verzocht om de gemeente te voorzien van een prioriteringsvoorstel. Hierbij is de afspraak gemaakt bij het tot stand komen van het prioriteringsvoorstel rekening te houden met de volgende onderwerpen.
Het “update IHP” vermeld de opdracht voor een onderzoek naar een derde sporthal (behoefte bewegingsonderwijs, maar ook relatie met de behoefte van sportverenigingen). Wat betekent dit in Rijssen voor de gymlokalen aan de Welleweg en de Kroonweide? Wat betekent dit vervolgens voor sporthal de Reggehal.
Een nadere uitwerking van een groot deel van deze onderwerpen worden hieronder vermeld in de IHP-prioritering schoolbesturen. De toekomstvisie per schoolbestuur zijn vermeld de bijlagen “schoolgebouwen en informatie per schoolbestuur”. De onderwerpen waar nog geen uitwerking in dit IHP is opgenomen zullen zo mogelijk de komende periode nog onderzocht worden.
7. IHP-prioritering schoolbesturen
Begin oktober 2023 is een uitvraag gedaan aan het PVG in Groningen voor het opstellen van nieuwe prognoses leerlingenaantallen scholen van het basis - en voorgezet onderwijs in Rijssen-Holten.
De prognoses zijn van groot belang voor het opstellen van een nieuw integraal (onderwijs) huisvestingsplan (IHP). Eind november 2023 zijn de leerlingenprognoses voor de zestien basisscholen, voor de twee scholen voor speciaal basisonderwijs en voor de vier scholen voor voortgezet onderwijs in de gemeente Rijssen-Holten ontvangen. De prognoseresultaten van alle scholen zijn vertaald in een berekening van de ruimtebehoefte, zowel volgens de oude VNG-methode in groepsruimten (basisonderwijs) als volgens de “nieuwe” systematiek in vierkante meters.
Voor de basisscholen is op basis van herkomstgegevens een analyse van de woonadressen van de leerlingen gemaakt en vastgesteld uit welke wijken de gemeente het merendeel van hun leerlingen afkomstig is. Dit zijn per school één of meer wijken, die zo nauwkeurig mogelijk overeenkomen met de omschreven voedingsgebieden. In de bevolkingsadministratie van de gemeente Rijssen-Holten worden in totaal 33 gemeentedelen onderscheiden. Vervolgens zijn steeds die buurten tezamen genomen die gezamenlijk het leeuwendeel van de leerlingen leveren. In het algemeen bezoeken leerlingen de school van de denominatie waarvoor hun ouders kiezen die zo nabijgelegen mogelijk is.
De woningbouwplannen zijn begin november 2023 bij het PVG aangeleverd, met inbegrip van de afspraken die regionaal zijn gemaakt in het kader van de Woondeal Twente eind 2022.
In 2011 is begonnen met de bouw van de nieuwbouwwijk Het Opbroek aan de oostkant van Rijssen. Dit gebied is toegevoegd aan de voedingsgebieden van de Beatrixschool en van In den Climtuin. In een geleidelijk tempo zijn daar nu zo’n 300 woningen gebouwd, waarin 111 kinderen in de basisschoolleeftijd wonen. In de wijk worden de komende tien jaar nog 800 woningen opgeleverd. Daardoor zal het kinderaantal in de voedingsgebieden van de Beatrixschool en (in mindere mate van) De Climtuin ook op de lange termijn nog groeien.
Voor de leerlingen op de tussenvoorziening De Brug, die formeel zijn ingeschreven op De Brekeld is een prognose gemaakt alsof het een zelfstandige school voor speciaal basisonderwijs betreft.
Medio 2022 is voormalig schoolgebouw De Salto aan de Keizersdijk in Rijssen in gebruik genomen voor onderwijs aan Oekraïense kinderen. Per 2023 zijn daar nog extra kinderen bijgekomen die de Nederlandse Taal op het tweede niveau leren vanuit de hoofdlocatie in Almelo. Per november 2023 volgden in De Salto ongeveer 80 kinderen onderwijs. Voor deze kinderen is geen prognose gemaakt, vanwege de korte historie en de onzekerheden over de toekomstige omvang van de doelgroep.
In de gemeente staat 1 school voor speciaal basisonderwijs, de Elimschool en een tussenvoorziening De Brug. Binnen de gemeente zijn initiatieven in voorbereiding voor het opstarten van lespunten voor speciaal onderwijs. De prognoses die daartoe zijn opgesteld door Pronexus BV zijn door PVG geanalyseerd. In het algemeen kan worden gesteld dat het buitengewoon onzeker is om de toekomstige omvang van een nieuwe onderwijssoort goed in te schatten. Voor zover mogelijk is er echter een realistische inschatting gemaakt van de omvang van de initiatieven.
De Elimschool ontvangt zijn leerlingen vooral van veertien protestantschristelijke basisscholen in Rijssen en Enter. Op de tussenvoorziening Brug zitten leerlingen die van de reformatorische scholen in Rijssen komen. Beide scholen betrekken hun leerlingen overwegend van de deelnemende basisscholen uit beide genoemde kernen. Naast leerlingen uit deze gemeenten worden ook meer incidenteel leerlingen van andere basisscholen toegelaten. Met die leerlingen wordt in de prognose rekening gehouden als opslag.
De gemeente Rijssen-Holten heeft voor het voortgezet onderwijs een gedeeltelijke regionale onderwijsfunctie. De leerlingen in de leerjaren 1 worden berekend op basis van hun relatieve herkomst in de afgelopen jaren uit de toeleverende kernen/woongemeenten. Op basis van de verhoudingen tussen de leerjaren 1 en de totale schoolbevolking in de afgelopen vier jaar wordt vervolgens de omvang van de gehele school berekend voor het voortgezet onderwijs. Voor de vier scholen voor voortgezet onderwijs is een ruimteprofiel aangemaakt. Een ruimteprofiel ontstaat door aan een bepaald aanbod aan onderwijssoorten en afdelingen leerlingenaantallen te koppelen. De combinatie van afdelingen en leerlingen resulteert in benodigde aantallen vierkante meters per jaar en per profiel.
Resultaat prognoses leerlingenaantallen 2023 - 2040 gemeente Rijssen-Holten
In 2021 werd vooral in Rijssen een daling van leerlingaantallen basisonderwijs geprognotiseerd. Daarentegen zou er in Holten sprake zijn van een kleine stijging leerlingenaantallen.
De prognoses van 2023 laten ten opzichte van de prognoses van 2021 voor meerdere basisscholen een stijging van het leerlingenaantallen zien.
In Rijssen blijft de geprognotiseerde stijging van de Beatrixschool ongeveer gelijk en is er bij de Constantijnschool geen sprake van een daling maar juist een stijging. Bij de Johan Frisoschool slaat de daling vanaf 2032 weer om naar een kleine stijging en laat het aantal leerlingen op de Willem Alexanderschool nu een hogere stijging zien dan verwacht in de prognoses van 2021.
Voor Holten laten de huidige prognoses in plaats van een verwachte daling (in de prognoses van 2021) een aanzienlijke stijging leerlingaantallen in het basisonderwijs zien van de Holterenk, blijft Dijkerhoek redelijk gelijk, maar zet de stijging leerlingenaantallen bij de Haarschool Holten verder door dan vermeld in de prognoses van 2021.
Bij het voortgezet onderwijs zien we gelijk aan de vorige prognoses een doorzettende dalende lijn van leerlingenaantallen. De huidige onderwijsruimte voldoet daarmee ruimschoots aan de huisvestingsbehoefte.
Op basis van de ontvangen prognoses 2023 - 2040 kan het volgende worden geconcludeerd:
Een overzicht van de prognoses is als bijlage toegevoegd aan dit IHP.
9. Huisvesting bewegingsonderwijs
In de visie op onderwijshuisvesting hebben we met elkaar afgesproken toe te willen werken naar een gevarieerd sportaanbod op en rondom de school omdat de verbinding tussen onderwijs, sport, bewegen in de wijk bijdraagt aan een betere fysieke - en mentale ontwikkeling van kinderen. Een mogelijkheid hiervoor is het verbeteren van de buitenruimte op en rondom scholen. Maar ook de verbindingen met sportverenigingen zijn hierbij van belang. Het bevorderen van een actief en gezond leven kan onder andere door (meer) gebruik te maken van sportvelden, schoolpleinen, zwembaden en openbare speelplekken/ grasvelden.
De gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting van het onderwijs en daar hoort ook de huisvesting van het bewegingsonderwijs bij. Gymnastiekaccommodaties zijn dus primair onderwijsvoorzieningen. Dit betekent dat ze goed bereikbaar moeten zijn voor de scholen. Een goede spreiding ten opzichte van de scholen is daarbij van wezenlijk belang.
Binnen de gemeente Rijssen-Holten kennen we de hierna vermelde gymnastiekaccommodaties.
Daarnaast hebben in Holten en Rijssen de volgende scholen nog eigen gymlokalen:
Veel scholen binnen onze gemeente geven ten minste twee lesuren per week bewegingsonderwijs. Landelijk onderzoek heeft aangetoond dat er binnen enkele gemeenten sprake is van organisatorische knelpunten waardoor de twee lesurennorm nog niet haalbaar is. Het bewegingsonderwijs moet plaatsvinden op een locatie die geschikt is om de kerndoelen ervan te behalen. Dit betreft bij voorkeur een sporthal, sportzaal of gymnastieklokaal, maar dit is niet wettelijk vereist. Alternatieve locaties voor het bewegingsonderwijs kunnen ook school/speelpleinen, speelzalen, sportvelden, grasvelden en of zwembaden zijn.
Met het bestuursvoorstel over het rapport capaciteitsonderzoek binnensport heeft het college in 2017 ingestemd met het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie naar de mogelijkheden van een derde sporthal in Rijssen (zie verderop) ter vervanging van de gymlokalen aan de Welleweg en de Kroonweide. Op 24 september 2020 heeft de gemeenteraad de sportvisie 2020 vastgesteld. Het uitvoeren van gemelde haalbaarheidsstudie maakt onderdeel van deze sportvisie. De sportvisie 2020 meldt dat de bouw van een derde sporthal de druk vanuit de sport op de Reggehal en de Stroekeld zal verminderen en het sportverenigingen perspectief biedt om verder te groeien. Vanuit het onderwijs maken de basisscholen De Ronde Maat, Constantijnschool, De Brekeldschool en de Willem Alexanderschool voor het bewegingsonderwijs gebruik van de gymzalen Welleweg en Kroonweide. Bij het eventueel situeren van een nieuwe sporthal dient (als er sprake is van het afstoten van 1 of beide gymlokalen Welleweg en of Kroonweide) rekening te worden gehouden met de afstanden tot deze scholen.
In het door Synarchis uitgevoerd capaciteitsonderzoek is geen rekening gehouden met een eventuele realisatie van een basisschool in het Opbroek. Een eventuele realisatie van een basisschool in het Opbroek kan ervoor zorgen dat in dat deel van Rijssen een gymzaal gerealiseerd moet worden of dat daar waar mogelijk gebruik kan worden gemaakt van de sporthal Reggesteyn.
Inrichting en bouwkundige staat gymnastiekaccommodaties
Het capaciteitsonderzoek binnensport van 2017 vermeld dat de meeste gymnastiekaccommodaties in Rijssen-Holten dateren uit de jaren ’70 (zie het overzicht hieronder). Ook vermeld dit onderzoeksrapport dat per gymnastiekaccommodatie meerdere knelpunten zijn geconstateerd. Voor meerdere gymnastiek-accommodaties (Welleweg, Huttenwal, Reggehal, Lageweg en ’t Mossink) wordt in 2017 al geadviseerd op termijn de accommodatie te vervangen voor nieuwbouw.
Voor de sportbeoefening wordt rekening gehouden met een levensduur van 40 jaar voor een sportaccommodatie. Op basis hiervan lopen veel accommodaties aan het eind van hun levensduur of zijn deze al gepasseerd. Voor het bewegingsonderwijs hanteren we een levensduur van 60 jaar. Wat betreft de zaalafmetingen voldoen de meeste gymzalen aan de eisen voor een standaard gymzaal van 252 m². Uitzondering hierop vormt gymzaal de Welleweg die met 200 m² te klein is naar de standaard van een traditionele gymzaal. Sporthal de Stroekeld voldoet aan alle eisen met betrekking tot de zaalafmetingen. De Reggehal en ’t Mossink zijn beide 22 x 42 meter in plaats van de standaard 24 x 44 meter. Dit betekent dat alle sporten wel in de sporthallen uitgeoefend kunnen worden, maar dat er in beide sporthallen onvoldoende uitloopmogelijkheden zijn. Sportzaal de Rietbergstraat heeft een afmeting van 23,3 x 29 meter, hiermee wordt de vereiste 24 meter breedte net niet gehaald.
Vervangende nieuwbouw gymlokaal Huttenwal (Haarzijde)
Voor het bewegingsonderwijs maakt Haarschool Rijssen de Wilhelminaschool, de gymnastiekverenigingen VEK en Dik en Dun, de tafeltennisvereniging Rijssen en Karate Brouwer gebruik van gymlokaal de Huttenwal aan de Haarzijde. Op basis van meerdere geconstateerde knelpunten in en aan het gebouw is geadviseerd de gymzaal te vervangen voor nieuwbouw. Het college heeft op 15 februari 2022 besloten een integrale stedenbouwkundige visie Haarzijde/hoek Huttenwal op te stellen en daaraan de sloop en vervangende nieuwbouw van het gymlokaal de Huttenwal en Haarschool te koppelen. Op 9 maart 2023 heeft het college besloten de vervangende nieuwbouw van de Haarschool Rijssen en gymzaal Huttenwal gezamenlijk voor te bereiden en te laten uitvoeren vanuit een gezamenlijke aanbesteding (RSVR-schoolbestuur en Gemeente Rijssen-Holten). De geplande start sloop gebouwen en vervolgens nieuwbouw staat gepland voor augustus 2024.
Vervangende nieuwbouw sporthal Holten en gymzaal Vrijheidslaan
Op 7 november 2023 heeft het college ingestemd met de vervangende nieuwbouw van Sporthal ’t Mossink en sportzaal de Rietbergstraat in Holten op de nieuwe locatie van de Waerdenborch. Beide accommodaties worden vervangende door één (1) sporthal met vier (4) zaaldelen. Ook is ingestemd met de vervangende nieuwbouw van gymzaal Vrijheidslaan in Holten op de huidige locatie of een nader te bepalen locatie maar op maximaal 1 km loopafstand van de Haarschool Holten en de Regenboog.
De sporthal ’t Mossink, sportzaal Rietbergstraat en gymzaal Vrijheidslaan worden intensief gebruikt door het onderwijs voor bewegingsonderwijs en sportverenigingen (maar ook particulier) voor gym, beweeg en sportbeoefening. Op basis van huidig - en toekomstig gebruik (waaronder de verplichting van minimaal 2 lesuren bewegingsonderwijs en verwachte daling aantallen leerlingen Waerdenborch) kan de conclusie getrokken worden dat bij vervanging van de gemelde binnensportaccommodaties er te minste sprake moet zijn van 5 zaaldelen. Dit is mogelijk door vervangende nieuwbouw van één (1) nieuwe sporthal met 4 zaaldelen (in plaats van de huidige sporthal ’t Mossink met 2 zaaldelen en sportzaal Rietbergstraat met ook 2 zaaldelen) en één (1) nieuwe gymzaal Vrijheidslaan. De bouw van de nieuwe sporthal zal gecombineerd worden met de bouw van de Waerdenborch. De nieuwbouw van gymzaal Vrijheidslaan zal aansluitend aan de orde komen. Mogelijk kan dit samen oplopen met de herontwikkeling van de oude locatie de Waerdenborch.
Voor het gymlokaal van de Elimschool geldt een bijzondere regeling. De gemeente blijft namelijk verantwoordelijk voor aanpassing en onderhoud van dit gymlokaal. Vanaf de doordecentralisatie per januari 2015 is dit echter geen huisvestingsvoorziening meer, maar wordt dit gerekend tot de kosten van materiële instandhouding. De gemeente vergoedt de kosten van materiële instandhouding aan de schoolbesturen die juridisch eigenaar zijn van een gymlokaal. Aandachtspunt in deze betreft de mogelijke toekomstige verplaatsing van de Elimschool en de gevolgen hiervan voor het bewegingsonderwijs. Dit zal aan de orde zijn als er sprake is van verplaatsing van de Elimschool naar locatie Roerdomp (gebouw Julianaschool).
Onderzoek sporthal de Koerbelt
Vanuit de sportvisie 2020 ligt er een opdracht voor onderzoek naar een derde sporthal in Rijssen. Met de komst van een AZC in de gemeente Rijssen-Holten en de verplichting van meer uren bewegingsonderwijs is er behoefte aan extra ruimte voor bewegingsonderwijs in binnensportaccommodaties. Een derde sporthal biedt naast extra ruimte voor bewegingsonderwijs ook extra beweegruimte voor sportverenigingen. Omdat de binnensportaccommodaties in principe gebouwd worden voor het bewegingsonderwijs, dient rekening gehouden te worden met de loopafstand van de leerlingen. Voor het basisonderwijs mag de loopafstand maximaal 1 kilometer zijn.
Door rekening te houden met enkele aandachtspunten kan een nieuwe sporthal op sportpark de Koerbelt mogelijk wel een geschikte optie zijn/worden. De argumenten en aandachtspunten hiervoor staan hieronder vermeld.
Argumenten en aandachtspunten:
Het bevorderen van een actief en gezond leven kan onder andere door (meer) gebruik te maken van sportvelden, schoolpleinen, zwembaden en openbare speelplekken/ grasvelden. Realisatie van een voetpad (zie de bullit hiervoor) voorziet ook in een alternatief voor het bewegingsonderwijs door gebruik van sportvelden en het zwembad op de Koerbelt.
De punten hiervoor vermeld vragen om nader onderzoek om daarmee inzicht te verkrijgen in de financiële gevolgen van de uitvoering van deze punten in combinatie met de realisatie van een nieuwe sporthal.
Bijlagen 1. Schoolgebouwen en informatie per schoolbestuur (Holten)
1.1. Openbaar basisonderwijs Holten en Dijkerhoek ( Varietas )
Openbaar basisonderwijs Holten en Dijkerhoek
Na de opheffing van de Bosschool per 1 augustus 2015 zijn er in Holten en Dijkerhoek nog 3 openbare basisscholen, die alle zijn gehuisvest in nieuwe gebouwen en die beschikken over een capaciteit van in totaal 21 permanente lokalen. Hieronder volgt een toelichting per afzonderlijke school:
Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 668 m²`(fictief 670 m²), bouwjaar 2014, Ruimten: 4 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte |
Permanent gebouw, 2 bouwlagen, bvo 1007 m² (begane grond 594 m², 1e verdieping 413 m2), bouwjaar 2012, Ruimten: 7 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte |
Permanent gebouw, 1 bouwlaag (na verbouwing), bvo 1315 m², bouwjaren 2017 en 2023, Ruimten: 10 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte |
1.2. Protestants-Christelijk basisonderwijs Holten (PCO)
Het PCO Holten beschikt over één basisschool, namelijk De Regenboog.
1.3. Openbaar VO De Waerdenborch Holten
De Waerdenborch verzorgt openbaar onderwijs voor vmbo-b/k/t, havo, vwo/atheneum en gymnasium in Goor en in Holten. Leerlingenkunnen in Goor hun vmbo-tl schoolloopbaan afsluiten. De leerlingen van de vmbo-basis/kader uit Goor maken de overstap naar Holten na leerjaar twee en de havo/vwo -leerlingen na leerjaar drie.
2. Schoolgebouwen en informatie per schoolbestuur (Rijssen)
Door de verplichte opheffing van obs De Salto per 1 augustus 2020, is er geen openbaar onderwijs meer in Rijssen. Het schoolgebouw is per gemelde datum weer eigendom van de gemeente.
Het gebouw (dat beschikt over 8 lokalen en een speellokaal van bouwjaar 1977) wordt voorlopig in stand gehouden als tijdelijke opvanglocatie gedurende de vervangende nieuwbouw van de Haarschool in Rijssen. Ook wordt het gebouw ingezet voor tijdelijke huisvesting voor onderwijs aan Oekraïense kinderen. De kosten van eventuele aanpassingen aan het gebouw is opgenomen in het beschikbaar gestelde krediet voor de vervangende nieuwbouw van de Haarschool.
Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bruto vloeroppervlakte (bvo) 1091 m², bouwjaar 1977, Ruimten: 2 werklokalen, 1 speellokaal, 6 leslokalen en 1 gemeenschapsruimte |
2.1. Protestants-christelijk basisonderwijs Rijssen (PCPO)
Het PCPO heeft 6 basisscholen en 1 speciale basisschool (de Elimschool). De 6 basisscholen (7 locaties) zijn goed gespreid over Rijssen en beschikken over 76 permanente lokalen.
De wens om een school in het Opbroek te bouwen staat hoog op de PCPO lijst. Maar de “gewijzigde” prognoses van de leerlingaantallen van de gemeente Rijssen-Holten wijzen uit dat het PCPO met een gelijkblijvend deelname percentage geen rendabele school overeind kan houden. Daarnaast blijkt uit de 0-meting voor de MJOP’s van de PCPO-gebouwen dat de “gewogen” berekening voor nieuwbouw, (te)veel onderhoudsgeld kost. Ook moet het PCPO een significant bedrag beschikbaar hebben voor onderhoud doordat ze “juridisch” eigenaar zijn de schoolgebouwen. Het PCPO-schoolbestuur wil graag vanuit de gemeentelijke prognoses meewerken aan een oplossing voor het structurele ruimteoverschot door een gebouw terug te geven aan de gemeente. Daarnaast kan PCPO (op dit moment) met de huidige beleidskaders, niet zelfstandig (als bouwheer en juridisch eigenaar) een school in het Opbroek bouwen.
Het PCPO-schoolbestuur denkt met de volgende voorstellen en het teruggeven van het gebouw van de Elimschool aan de gemeente een passende oplossing en een passende koers te hebben.
2028 Nieuwbouw Wilhelminaschool
Dit gebouw is voor het overgrote gedeelte ouder dan 60 jaar. De onderwijskundige vernieuwing is nog niet ingezet en het PCPO ziet een toename van aanmeldingen uit het Opbroek. Daarvoor wordt op dit moment (2024) extra ruimte gehuurd (buiten het gebouw) om onderwijs te kunnen geven.
In het kader van thuisnabij onderwijs en de geografische verdeling is het meer dan wenselijk om aan deze kant van het centrum een basisschoolvoorziening te hebben.
2029 Verplaatsing Elimschool naar locatie Roerdomp Julianaschool.
Teruggave locatie Elimschool aan de gemeente.
De prognoses geven een duidelijk overschot aan vierkante meters voor de PCPO-scholen. Het overschot komt voornamelijk door de krimp in de wijk van de Julianaschool. Daarnaast is de Elimschool verouderd en gedateerd. Bij de verplaatsing moet er in de Roerdomp worden geïnvesteerd t.a.v. duurzaamheid en moeten er dan onderwijskundige aanpassingen worden gedaan. De kinderopvang heeft nu (2024) een ruimte bij de Julianaschool. Deze komt in de verdrukking op de locatie Stroekeld bij deze aanpassing. Hier wil het PCPO-schoolbestuur graag een oplossing voor zoeken.
2035 Nieuwbouw Willem Alexanderschool
Vanuit de gemeentelijke prognoses blijkt dat op deze locatie een tekort aan beschikbare ruimte komt. Een gedeelte van het gebouw is in 2035 meer dan 60 jaar oud. Daarnaast verwachten en ziet het PCPO-groei (in de prognoses) door de nieuwbouwplannen van de gemeente nabij deze school.
Visie en investeringen op overige gebouwen
Duurzaamheids- en levensverlengende investeringen moeten worden gedaan voor de Beatrixschool en de Constantijnschool. Deze twee scholen hebben een redelijk stabiele plek in de prognoses. Daarnaast ziet het PCPO op de Beatrixschool een toename van de aanmeldingen uit het Opbroek. Die worden nu opgevangen met de huur van tijdelijke huisvesting (die zijn geplaatst en tot 2024 zijn bekostigd uit de NPO-middelen).
Financiële kaders en positie PCPO Rijssen
PCPO wil binnen de wet- en regelgeving graag investeren in uitstekende onderwijsgebouwen. Onder andere door de verwachte verplichting in het regeringsbeleid t.a.v. het meerjaren onderhoud van de gebouwen, zijn de gevolgen van de “beleidsregels bij IHP” (o.a. de afspraak van 10% bijdrage van de stichtingskosten bij nieuwbouw vooraf/ het bouwheerschap voor het schoolbestuur) op dit moment niet te overzien. Het PCPO-schoolbestuur pleit ervoor om de punten t.a.v. de eigen bijdrage van 10% van de stichtingskosten uit de beleidsregels bij het IHP en het bouwheerschap in de planvorming van een project mee te nemen als gesprekspunt en niet als vaststaand feit.
Onderzoek en vaststelling van het IHP moet duidelijkheid geven over de (on)mogelijkheden van de financiële keuzes die PCPO moet en kan maken.
12455 |
|||||
Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1575 m², bouwjaren 1992 en 2005, Ruimten: 10 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1992 en 2 lokalen met buitenberging van 2005 |
Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1324 m² (fictief 1245 m²)6, bouwjaren 1973, 2005 en 2015, Ruimten: 6 leslokalen en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1973, 1 lokaal van 2005 en 2 lokalen en een speellokaal van 2015. De school beschikt over 9 permanente lokalen. * Het schoolbestuur heeft zelf 79 m² gefinancierd. |
Permanent gebouw, 1 bouwlaag, bvo 1247 m², bouwjaren 1989 en 2003, Ruimten: 8 lokalen, 1 speellokaal en 1 gemeenschappelijke ruimte van 1989 en 2 lokalen van 2003 |
2.2. Reformatorisch basisonderwijs Rijssen (RSVR)
De RSVR heeft 5 basisscholen met een capaciteit van 7698 m² bvo (59 permanente lokalen, inclusief de 3 lokalen van tussenvoorziening Brekeldschool – De Brug). Het schoolbestuur zorgt door de hantering van schoolgrenzen voor een gelijkmatige spreiding van de leerlingen over de verschillende scholen. De scholen zijn redelijk goed gespreid over Rijssen. Het schoolbestuur ziet op grond van de huidige prognoses geen potentie voor een eigen school in het Opbroek. Leerlingen uit het Opbroek kunnen worden opgevangen op de basisscholen In den Climtuin en de Haarschool. Wel houdt het schoolbestuur er rekening mee dat De Ronde Maat in de toekomst (2032) wordt afgestoten om zo te komen tot 4 robuuste scholen. Het schoolbestuur wacht daarvoor de komende ontwikkeling van het leerlingenaantal af.
-2627 |
|||||
2.3. Katholiek basisonderwijs Rijssen (SKOT)
De Stichting Katholiek Onderwijs Twenterand (SKOT) beschikt over één basisschool in Rijssen, namelijk Klim-Op.
2.4. Bijzonder VO Reggesteyn Rijssen
Het onderwijsaanbod van de Reggesteyn bestaat uit Praktijkonderwijs, Vmbo, Havo, Vwo-atheneum, Vwo-gymnasium en Technasium.
CSG Reggesteyn Rijssen (Catelaar in Rijssen)
De vbo-profielen Economie en Ondernemen (EO), Produceren en Dienstverlening en Producten (DP) zijn opnieuw toegevoegd aan de vestiging.
CSG Reggesteyn Rijssen ( Kampus in Rijssen)
De Kampus is het opleidingscentrum in Rijssen voor verschillende vakopleidingen uit sectoren waar veel vraag is naar talentvolle vakmensen zoals de techniek, zorg en bouw. Het ROC van Twente, Bouwmensen Rijssen, REMO West-Twente en Zorggilde zijn hier gehuisvest. Leerlingen van CSG Reggesteyn die de profielen vbo-profiel Bouwen, Wonen en Interieur (BWI) en Produceren, Installeren en Energie (PIE) en Mobiliteit en Transport (MTR) hebben gekozen, volgen hier veel van hun praktijklessen.
2.5. Bijzonder VO Jacobus Fruytier Rijssen (JFSG)
De vestiging Rijssen zal samen met de andere twee vestigingen van de JFSG opgaan in een nieuwe eenheid onder een gefuseerd bestuur (JFSG en het Van Lodenstein College). De voorgenomen datum van de fusie is 1 januari 2025.
Deze fusie heeft vier kernpunten:
Elke vestiging heeft als uitwerking van deze hoofdpunten een eigen ontwikkelagenda opgesteld. De vestiging in Rijssen kiest op korte termijn voor een nieuw aanbod van cluster 4-onderwijs en bereidt verder de komst van een tweede fase Vwo voor. Het is in het kader van de huidige RPO-afspraken nog niet mogelijk afsluitend onderwijs voor Vwo te verzorgen, wel kunnen de klassen 4 en 5 aangeboden worden in samenwerking met de vestiging Apeldoorn. Het betreft in beide gevallen onderwijs aan leerlingen, die nu dagelijks ruim 50 kilometer enkele reis moeten maken om onderwijs in Apeldoorn te volgen. De stijgende vervoerskosten daarvoor zijn een extra aanjager om onderwijsaanbod te verplaatsen naar Rijssen.
Daarnaast wordt de komende tijd overleg met de RPO-partners in gang gezet om na te denken over een eventueel aanbod voor Vmbo-bb op de langere termijn.
Een groei van het aantal VSO-leerlingen naar ongeveer 22 leerlingen (in overleg met de voorziening in Apeldoorn is het structurele aantal leerlingen dat aangewezen is op gespecialiseerd onderwijs geraamd op dit aantal leerlingen voor de locatie JFSG Rijssen).
Startdatum: 1e groep (ongeveer 11 lln.) schooljaar 2024-2025
Startdatum: 2e groep (ongeveer 11 lln.) schooljaar 2025-2026
Uitbreiding van het onderwijsaanbod met VWO-diplomering door toevoeging van een bovenbouw VWO. De verwachting is dat hiervoor ongeveer 75 leerlingen in beeld komen, die nu aangewezen zijn op reformatorisch onderwijs in Apeldoorn (i.p.v. het in het ambitiedocument genoemde aantal van 45 Vwo-leerlingen).
Uitbreiding van het onderwijsaanbod met beroepsgericht VMBO (leerjaren 3 en 4). Het gaat hier om ongeveer 60 basis-/kaderleerlingen die nu voor de beroepsgerichte opleidingen na leerjaar 2 aangewezen zijn op de locatie Apeldoorn.
Voorgenomen geplande startdatum: 1 augustus
2.6. Bijzonder VO Pius X College Rijssen
Het Pius X College in Rijssen heeft een brede onderbouw (vmbo-TL (mavo), havo, en vwo) bovenbouw VMBO-TL (mavo). De school staat bekend om haar kleinschaligheid, onderwijskwaliteit en goede begeleiding. Het ICT-rijke onderwijsaanbod biedt de leerling onderwijs op maat. Daarnaast biedt de school talenturen aan.
De school is in 2020 verbouwd. Bij binnenkomst in de school kom je in een school die open en transparant oogt. Je komt binnen in het “hart” van de school. Een school die meer is dan een gang met lokalen. De onderwijsvisie vertalen we in 5 oneliners: “het gaat om jou; leren doe je overal; ook hier ben je thuis; school zijn we samen en onderwijs van deze tijd.” Op het Pius X College halen medewerkers en leerlingen het maximale uit zichzelf en elkaar.
Gewogen gemiddelde bouwjaren 1959/1963 is 1961, van de hele school 1972 |
|||
In 2017 heeft renovatie plaatsgevonden, waarmee in een levensduurverlenging van 25 jaar is voorzien |
|||
4. Bijlagen beleidsregels bij nieuw IHP
A. Voorbeelden bij artikel 4 Normvergoeding stichtingskosten
Een schoolbestuur krijgt toestemming voor het bouwen van een nieuwe school met een bvo van 1.400 m².
Daarvoor wordt een bouwkrediet beschikbaar gesteld van € 2.204.500.
Dit bedrag is opgebouwd als volgt:
Het bouwkrediet uitgedrukt in een bedrag per m² is € 1.574,64 (€ 2.204.500 : 1400 m²).
In de praktijk kunnen zich 3 situaties voordoen. Het schoolbestuur realiseert minder, evenveel of meer bvo dan waarvoor medewerking is verleend.
Situatie 1 : het schoolbestuur realiseert minder bvo
Deze situatie mag zich eigenlijk niet voordoen, omdat vooraf de plannen worden getoetst (als vooraf al blijkt dat minder gebouwd wordt, zullen hierover afspraken moeten worden gemaakt). Als echter achteraf blijkt dat een schoolbestuur te weinig bvo heeft gerealiseerd (bijvoorbeeld 1390 m²) dan zijn er de volgende opties:
De werkelijke bvo van de nieuwe school wordt vastgesteld op 1390 m² en de maximale normvergoeding wordt verminderd tot € 2.191.000 (startbedrag plus 1040 x € 1.350). Vergoed worden de werkelijke bouwkosten tot maximaal € 2.191.000. Nadeel van deze optie is dat de school wellicht eerder aanspraak kan maken op uitbreiding.
De bvo wordt fictief vastgesteld op 1400 m² en de maximale normvergoeding wordt niet verminderd. Vergoed worden de werkelijke bouwkosten tot maximaal € 2.204.500. In dit geval ontvangt het schoolbestuur eigenlijk te veel vergoeding voor een te kleine school. Bij een eventuele toekomstige uitbreiding zou het verschil weer kunnen worden rechtgetrokken, maar dat zou dan voor rekening van het schoolbestuur moeten gebeuren (en het is de vraag of dat zal lukken).
De bvo wordt fictief vastgesteld op 1400 m² en de maximale normvergoeding wordt verminderd tot € 2.191.000. Vergoed worden de werkelijke kosten tot maximaal € 2.191.000. De nadelen van de eerste 2 opties worden zo ondervangen. Bij een eventuele toekomstige uitbreiding kan het verschil tussen werkelijke en fictieve bvo worden rechtgetrokken en kan hiervoor alsnog een normvergoeding worden verstrekt.
In het geval een schoolbestuur te weinig bvo realiseert kiezen wij voor toepassing van optie 3.
Situatie 2 : het schoolbestuur realiseert evenveel bvo
Dit is de "ideale" situatie. De werkelijke bvo wordt vastgesteld op 1400 m² en vergoed worden de werkelijke bouwkosten tot maximaal het bedrag van de normvergoeding van € 2.204.500.
Situatie 3 : het schoolbestuur realiseert meer bvo
Deze situatie zal in de praktijk waarschijnlijk het meest voorkomen, zeker als een schoolbestuur met "eigen geld" extra ruimte wil creëren. Stel het schoolbestuur realiseert een gebouw van 1550 m² bvo. Er kunnen zich dan 2 situaties voordoen, namelijk de werkelijke bouwkosten blijven binnen de normvergoeding of de werkelijke kosten (wat meer waarschijnlijk is) overschrijden de normvergoeding.
Werkelijke bouwkosten blijven binnen de normvergoeding
In dit geval zijn er de volgende opties:
De werkelijke bvo wordt vastgesteld op 1550 m² en vergoed worden de werkelijke bouwkosten tot maximaal het bedrag van de normvergoeding van € 2.204.500. In dit geval heeft de gemeente er "gratis" 150 m² bvo bijgekregen, maar het is de vraag of deze extra ruimte vanuit gemeentelijk oogpunt wenselijk/noodzakelijk is. Immers het deel van het krediet dat eigenlijk niet nodig was geweest, had ook elders kunnen worden aangewend. Zeker in een tijd van financiële krapte zal zorgvuldig met de beschikbare middelen moeten worden omgegaan.
Een tussenoplossing is de bvo fictief vast te stellen ergens tussen 1400 en 1550 m² en de maximale normvergoeding evenredig te verminderen. Stel de fictieve bvo wordt vastgesteld op 1500 m². De maximale normvergoeding wordt dan € 2.133.387 (1500/1550 x € 2.204.500). Vergoed wordt dan 1500/1550-deel van de werkelijke bouwkosten tot maximaal € 2.133.387. De meerkosten zijn voor rekening van het schoolbestuur.
Voor welke optie wordt gekozen kan van geval tot geval verschillen. Optie 1 kan betekenen dat een toekomstige uitbreiding niet meer nodig zal zijn. Bij de opties 2 en 3 blijft dat deel van het schoolgebouw dat met eigen geld is gefinancierd (het verschil tussen werkelijke en fictieve bvo) "van het schoolbestuur". Bij een eventueel toekomstig recht op uitbreiding is het een mogelijkheid dat dit deel door de gemeente wordt "afgekocht" (maar hieraan kunnen nog wel haken en ogen zitten vanwege de in acht te nemen begrotingsvoorschriften).
Om meer maatschappelijk rendement met de nieuwbouw van een schoolgebouw te kunnen realiseren (zie visie op onderwijshuisvesting) zou er juist voor gekozen kunnen worden om nadere invulling te geven aan optie 3.
Werkelijke bouwkosten overschrijden de normvergoeding
Van belang is hierin hoeverre de werkelijke kosten de normvergoeding overschrijden. Bepalend is of de werkelijke bouwkosten, uitgedrukt in een bedrag per m², meer of minder bedragen dan de normvergoeding per m2 (€ 1.574,64 zoals we hiervoor zagen). Er zijn dus 2 opties:
In dit geval bedragen de werkelijke kosten per m² meer dan het normbedrag.
Stel de werkelijke bouwkosten komen € 300.000 hoger uit op € 2.504.500. Per m² is dit € 1.615,81 (€ 2.504.500 : 1550). Omdat de werkelijke bouwkosten per m² meer bedragen dan de normvergoeding per m², mag verondersteld worden dat de normvergoeding volledig nodig was om 1400 m² bvo te realiseren en wordt de bvo van de school fictief vastgesteld op 1400 m² en de bouwkosten worden vergoed tot € 2.204.500. De meerkosten van € 300.000 komen voor rekening van het schoolbestuur. Bij een eventueel toekomstig recht op uitbreiding is het een mogelijkheid het verschil tussen werkelijke en fictieve bvo af te kopen (maar hieraan kunnen zoals gezegd haken en ogen zitten).
In dit geval bedragen de werkelijke kosten per m² minder dan het normbedrag.
Stel de werkelijke bouwkosten komen € 100.000 hoger uit op € 2.304.500. Per m² is dit € 1.486,77 (€ 2.304.500 : 1550). Omdat dit lager is dan de normvergoeding per m², wordt bekeken hoeveel m² bvo gerealiseerd had kunnen worden met de normvergoeding op basis van de werkelijke prijs per m². En dat is 1483 m² (€ 2.204.500 : € 1.486,77). Daarom wordt de bvo van de school fictief vastgesteld op 1483 m² en de bouwkosten worden vergoed tot € 2.204.500. De meerkosten van € 100.000 komen voor rekening van het schoolbestuur. Bij een eventueel toekomstig recht op uitbreiding is het een mogelijkheid het verschil tussen werkelijke en fictieve bvo af te kopen (maar hieraan kunnen wel haken en ogen zitten).
Om meer maatschappelijk rendement met de nieuwbouw van een schoolgebouw te kunnen realiseren (zie visie op onderwijshuisvesting) zou er hier juist voor gekozen kunnen worden om de bvo fictief vast te stellen ergens tussen 1400 en 1483 m² en de maximale normvergoeding naar rato daarop aan te passen.
Op deze manier kan op een redelijke wijze worden bepaald welk deel "van de gemeente" is (met gemeenschapsgeld is betaald) en welk deel door het schoolbestuur is betaald. Uiteraard berust de juridische eigendom van het hele gebouw bij het schoolbestuur. Tegen het realiseren van extra ruimte bestaat op zich geen bezwaar, maar het gebeurt wel onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat voor het gehele schoolgebouw (inclusief de voor eigen rekening gecreëerde ruimte) de bepalingen van de onderwijswetgeving onverkort van kracht zijn en blijven. In het uiterste geval kan dit betekenen dat, wanneer het schoolgebouw buiten gebruik wordt gesteld, het gehele gebouw vrij van lasten aan de gemeente komt. Op de gemeente rust dan geen enkele verplichting het schoolbestuur enigerlei vergoeding voor de "eigen" ruimte te betalen.
Bij de afrekening/verantwoording dient de werkelijk gerealiseerde bvo te worden aangetoond door middel van een prestatieverklaring van de architect. De bvo dient te worden berekend volgens de meetinstructie van de onderwijshuisvestingsverordening. Dit betekent dat de bvo moet worden vastgesteld volgens NEN 2580 (meetinstructie) met de volgende aantekeningen:
B. De toepassing financiële voorwaarden bij artikel 9 verhuur onderwijsruimte
Toepassing financiële voorwaarden bij verhuur schoolgebouwen
Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat bij verhuur van schoolruimte aan commerciële partijen de gemeente via een huurvergoeding een deel van de met gemeenschapsgeld betaalde stichtingskosten terugontvangt. Bij verhuur van leegstaande schoolruimten geldt een vergoeding van € 100 per m² en bij volgtijdelijke leegstand van € 50 per m² per jaar. Deze bedragen zijn geïndexeerd. De schoolbesturen werken mee aan dit beleid door als juridisch eigenaar van de schoolgebouwen een huurovereenkomst af te sluiten waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met hun eigen kosten (de exploitatiekosten etc.) maar ook met de stichtingskostenvergoeding voor de gemeente. Het schoolbestuur int de totale huurvergoeding en betaalt het stichtingskostendeel vervolgens door aan de gemeente. Wat betreft het gemeentelijk aandeel treedt het schoolbestuur dus slechts op als doorgeefluik, het heeft er voor- noch nadeel van. Hieronder gaan we nader in op verschillende praktijksituaties bij toepassing van de financiële voorwaarden bij verhuur schoolgebouwen.
In de standaardsituatie is de bouw van de school volledig bekostigd door de gemeente. Dit is bij de meeste scholen het geval. Stel dat een commerciële partij een leegstaand leslokaal van 55 m² netto vloeroppervlakte (nvo) huurt. De huurprijs (stichtingskostenvergoeding) bedraagt dan 55 m² x € 100 is € 5.500 per jaar, te innen door het schoolbestuur, waarvan op basis van lid 7 van dit artikel 90% (is € 4.950,-) doorbetaald wordt aan de gemeente. Bedacht moet worden dat bij het gebruik van een leslokaal het gebruik van nevenruimten (en schoolplein) is inbegrepen. De omvang van een lokaal met nevenruimten is op grond van de onderwijshuisvestingsverordening genormeerd te stellen op 105 of 115 m² bruto vloeroppervlakte (bvo), afhankelijk van of de school niet of wel is aangepast aan onderwijskundige vernieuwingen. Feitelijk komt het huurbedrag dus neer op € 5.500 gedeeld door 105 of 115 m² is € 52,38 dan wel € 47,83 per m² bvo.
In de niet-standaardsituatie is de bouw van een school weliswaar bekostigd door de gemeente, maar het schoolbestuur heeft voor eigen rekening extra ruimte gerealiseerd. Een situatie die steeds meer voor komt. De ruimte die het schoolbestuur voor eigen rekening heeft gebouwd wordt bepaald op basis van de notitie “Nieuwbouw onder de nieuwe onderwijshuisvestingsverordening”. Onder de nieuwe verordening wordt de capaciteit van scholen niet meer uitgedrukt in lokalen maar in m² bvo. In de niet-standaardsituatie maken we onderscheid tussen de werkelijke bvo en de fictieve bvo. De fictieve bvo is het gedeelte van de school dat is gerealiseerd met gemeenschapsgeld. Het verschil tussen werkelijke bvo en fictieve bvo is het deel van de school dat is gefinancierd door het schoolbestuur, de “eigen” ruimte. De berekening van de huur (stichtingskosten-vergoeding) gebeurt in de niet-standaardsituatie in principe op dezelfde manier als in de standaardsituatie. Voor een leegstaand leslokaal van 55 m² bedraagt de huur € 5.500 per jaar, te innen door het schoolbestuur. De vraag is echter wie recht heeft op dit bedrag. Is dat de gemeente, het schoolbestuur of moet het verdeeld worden? Een verdeling die recht doet aan het “ondernemerschap” van de betreffende schoolbesturen wordt bereikt door als uitgangspunt te nemen dat eerst de door het schoolbestuur bekostigde bvo wordt verhuurd (ongeacht welk gebouwdeel daadwerkelijk wordt verhuurd). Hieronder wordt dit verduidelijkt met een aantal voorbeelden.
Een school heeft een werkelijke bvo van 1500 m² en een fictieve bvo van 1300 m². Het verschil van 200 m² is “eigen” ruimte door het schoolbestuur gefinancierd. De school is aangepast aan onderwijskundige vernieuwingen. Verhuurd wordt een leegstaand leslokaal van 55 m² nvo. De huurprijs (stichtingskostenvergoeding) bedraagt 55 m² x € 100 is € 5.500 per jaar. De genormeerde bvo van het leslokaal is 115 m². Aangezien dit minder is dan de door het schoolbestuur gefinancierde bvo van 200 m², mag het schoolbestuur de stichtingskostenvergoeding zelf houden en hoeft er dus niets te worden doorgesluisd naar de gemeente.
Van dezelfde school als in voorbeeld 1 worden nu 2 leegstaande lokalen van 55 m² nvo verhuurd. De huur bedraagt dus 2 x 55 m² is 110 m² x € 100 is € 11.000 per jaar. De genormeerde bvo van de leslokalen is 2 x 115 m² is 230 m² bvo. Dit is meer dan de door het schoolbestuur gefinancierde bvo van 200 m², dus de huur moet verdeeld worden tussen schoolbestuur en gemeente.
Het schoolbestuur heeft recht op de huuropbrengst van 200 m² bvo en de gemeente heeft recht op de huuropbrengst van de resterende 30 m² bvo. De huurverdeling wordt dan als volgt. Het schoolbestuur heeft recht op 200/230 x € 11.000 is € 9.565,22 en de gemeente heeft recht op 30/230 x € 11.000 is € 1.434,78. Lid 7 van dit artikel geeft aan dat het schoolbestuur maar 90% van € 1.434,78 (is € 1.291,30) aan de gemeente hoeft te voldoen.
Van dezelfde school als in voorbeeld 1 en 2 worden weer 2 lokalen van 55 m² nvo verhuurd, waarvan 1 leegstaand en 1 niet-leegstand. De huur bedraagt dus 55 m² x € 100 plus 55 x € 50 is in totaal € 8.250 per jaar. De genormeerde bvo van de 2 lokalen is 230 m², dus het schoolbestuur heeft recht op 200/230 x € 8.250 is € 7.173,91 en betaalt 30/230 x € 8.250 is € 1.076,09 door aan de gemeente. Lid 7 van dit artikel geeft aan dat het schoolbestuur maar 90% van € 1.076,09 (is € 968.48) aan de gemeente hoeft te voldoen.
Dit systeem van huur bepalen op basis van nvo en toedeling aan gemeente en schoolbestuur op basis van bvo kan ook worden toegepast in gevallen waarin een andere ruimte dan een leslokaal wordt verhuurd. We hebben gezien dat de bvo van een leslokaal gemiddeld genomen het dubbele is van de nvo van dat leslokaal. Deze verdubbeling kunnen we ook toepassen bij andere ruimten. Een verdubbeling van de nvo bij ruimten groter dan een leslokaal (bijvoorbeeld een speellokaal) leidt naar onze mening echter tot een onevenredig grote bvo. Daarom stellen wij voor de verdubbeling te beperken tot maximaal 55 m² (als bij een standaard klaslokaal).
Voorbeeld 1. Een schoolbestuur verhuurt een schoolruimte van 18 m² nvo. De huur wordt bepaald op basis van 18 m². Vervolgens wordt de nvo van 18 m² omgezet in bvo en dat wordt dus 36 m² bvo (een verdubbeling).
Voorbeeld 2. Een schoolbestuur verhuurt een speellokaal van 100 m² nvo. De huur wordt bepaald op basis van 100 m². De verdubbeling naar bvo is beperkt tot 55 m². De bvo wordt dus niet 200 m² maar 155 m².
Voor beide voorbeelden geldt vervolgens dat aan de hand van de werkelijke en fictieve bvo van de school kan worden beoordeeld of de gemeente al dan niet recht heeft op (een deel van) de stichtingskostenvergoeding.
In de voorbeelden hierboven zijn we ervan uitgegaan dat de schoolbesturen ook de stichtingskosten-vergoeding in rekening brengen voor de door hen zelf gefinancierde bvo. De schoolbesturen zijn echter volkomen vrij welk huurtarief zij voor hun “eigen” ruimte hanteren. Om concurrentievervalsing tussen commerciële partijen te voorkomen is het gewenst dat de schoolbesturen ook voor hun “eigen” ruimte de afgesproken stichtingskostenvergoeding in rekening brengen bij de gebruiker.
C. Voorbeeld bij artikel 13 Toeslag zorgruimte
Een PO schoolbestuur krijgt toestemming voor vervangende nieuwbouw/uitbreiding/renovatie van de school. Op basis van het gemiddeld aantal leerlingen gedurende 15 jaar is er een structurele ruimtebehoefte van 1260 m² bvo. Rekening houdend met 40 m² extra zorgruimte voor het bieden van passend onderwijs wordt de structurele ruimtebehoefte bijgesteld naar 1300 m² bvo.
5. Prognoses leerlingenaantallen 2023 - 2040 PO en VO Rijssen-Holten
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-353796.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.