Verordening van de raad van de gemeente Amsterdam houdende regels over burger-, overheids- en netwerkparticipatie (Participatieverordening gemeente Amsterdam)

De raad van de gemeente Amsterdam,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 mei 2024,

 

gelet op artikel 149 en 150 van de Gemeentewet,

 

gezien de inspraakreacties en de nota van beantwoording, de adviezen van de dagelijks besturen van de bestuurscommissies van stadsdelen en het stadsgebied Weesp.

 

overwegende dat het wenselijk is om met inwoners en andere betrokkenen aan de publieke zaak te werken, waarbij de samenwerking bewust, transparant, voorspelbaar en zorgvuldig geregeld is; overwegende de noodzaak van procedurele rechtvaardigheid in die samenwerking, waarbij niet alleen weloverwogen het inhoudelijke doel van beleid of een project wordt bepaald, maar even bewust en weloverwogen de route daar naartoe wordt bepaald;

overwegende dat voor het ‘wat’ ook het ‘hoe’ van groot belang is en inwoners en betrokkenen daar een belangrijke rol in hebben,

 

besluit de volgende verordening vast te stellen:

 

Hoofstuk 1 – Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

  • -

    bestuursorgaan: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of een bestuurscommissie van de gemeente Amsterdam;

  • -

    burgerparticipatie: het deelnemen van inwoners en belanghebbenden aan de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid of gemeentelijke projecten;

  • -

    buurtrechten: drie verschillende participatierechten voor inwoners in een buurt en lokale maatschappelijke partijen, namelijk het uitdaagrecht, het biedingsrecht en het buurtplanrecht;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;

  • -

    participatie: een proces waarbij individuen, groepen of organisaties betrokken worden bij, invloed uitoefenen op of controle delen over collectieve vraagstukken, beslissingen of diensten die hen aangaan.

Artikel 2 Doel verordening

  • 1.

    De verordening regelt de betrokkenheid van inwoners en andere belanghebbenden bij de ontwikkeling van gemeentelijk beleid of gemeentelijke projecten, van voorbereiding tot en met uitvoering en evaluatie.

  • 2.

    De verordening beoogt aan te zetten tot het vormgeven van een helder, transparant en zorgvuldig participatieproces met expliciete keuzes en afwegingen over doel, vorm en beïnvloedingsruimte van inwoners en andere belanghebbenden.

  • 3.

    Deze verordening regelt de manier waarop de gemeente reageert op of ondersteuning biedt aan initiatieven van inwoners, lokale ondernemers en maatschappelijke organisaties in het kader van buurtrechten.

  • 4.

    Deze verordening regelt de wijze waarop wordt samengewerkt met bewonersorganisaties.

Hoofdstuk 2 - Burgerparticipatie

Artikel 3 Reikwijdte

  • 1.

    Het verantwoordelijk bestuursorgaan stelt bij de start van een proces voor beleid of een project of evaluatie hiervan een participatieplan vast waarin staat of en op welke manier burgerparticipatie wordt toegepast.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid stelt het college het participatieplan vast, als het college een beslissing van de raad voorbereidt op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel b van de Gemeentewet, tenzij de raad aangeeft het participatieplan te willen vaststellen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing in de volgende gevallen:

    • a.

      ten aanzien van ondergeschikte of juridisch-technische herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen of projectplan;

    • b.

      als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • c.

      als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • d.

      inzake de vaststelling van de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

    • e.

      ten aanzien van interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente;

    • f.

      als de uitvoering van een beleidsvoornemen of project dermate spoedeisend is dat participatie niet kan worden afgewacht;

    • g.

      als het belang van participatie niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving;

    • h.

      als andere zwaarwegende belangen het afzien van participatie vergen.

  • 4.

    Dit hoofdstuk is niet van toepassing op onderwerpen waarvoor participatie al is vastgelegd in andere gemeentelijke verordeningen of regelingen vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan.

  • 5.

    Indien een uitzonderingsgrond uit het derde of vierde lid wordt toegepast, wordt dit bij de besluitvorming toegelicht.

Artikel 4 Uitgangspunten participatieplan

Bij het opstellen van een participatieplan worden de volgende uitgangspunten in acht genomen:

  • a.

    de manier waarop het geplande besluit inwoners en belanghebbenden beïnvloedt wordt zichtbaar in de voorbereiding en uitvoering van het participatieproces;

  • b.

    impact van het beleidsvoornemen of project op een specifieke groep wordt vertaald in een gerichte aanpak hen te betrekken;

  • c.

    de gemeente spant zich in om groepen waarvan bekend is dat zij ondervertegenwoordigd zijn, in participatieprocessen te betrekken;

  • d.

    de beschikbare beleidsruimte is indicatief voor de mate van invloed van inwoners en andere belanghebbenden;

  • e.

    participatie vindt plaats zo vroeg mogelijk in het proces.

Artikel 5 Inhoud participatieplan

  • 1.

    In een participatieplan wordt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, in ieder geval opgenomen:

    • a.

      een expliciete en onderbouwde keuze voor een helder en haalbaar doel van de participatie, waarbij:

      • i.

        een keuze wordt gemaakt tussen zeggenschap, eigenaarschap, kwaliteit van aanpak en beleid, belangen in beeld of bewustwording, of een combinatie daarvan en;

      • ii.

        wordt toegelicht wat de ingeschatte wensen of belangen van inwoners en andere belanghebbenden zijn met betrekking tot het participatieproces en de inhoud;

    • b.

      een toelichting op welke inwoners en belanghebbenden de participatie zich richt;

    • c.

      een toelichting over de inspanningsverplichting voor het betrekken van ondervertegenwoordigde groepen;

    • d.

      de mate van invloed van deelnemers, waarbij een keuze wordt gemaakt tussen meebepalen, samenwerken (co creatie), adviseren, reageren, informeren en luisteren, of een combinatie hiervan;

    • e.

      met welke kaders er, in ieder geval juridisch, financieel en beleidsmatig, in het participatietraject rekening moet worden gehouden;

    • f.

      de wijze waarop en tijdvak waarin inwoners en belanghebbenden hun inbreng kunnen leveren;

    • g.

      wanneer en hoe de opbrengsten van de participatie worden teruggekoppeld en wanneer deze opbrengsten worden afgewogen en meegenomen in besluiten;

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing indien uit het participatieplan blijkt dat geen participatietraject wordt georganiseerd.

  • 3.

    Het vastgestelde participatieplan wordt gepubliceerd op de website van de gemeente.

Artikel 6 Inspraakprocedure met toepassing van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht

  • 1.

    Indien, op grond van artikel 5, eerste lid, onder c, in een participatieplan wordt gekozen voor ‘reageren’, kan inspraak worden georganiseerd.

  • 2.

    Inspraak wordt georganiseerd volgens de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3.

    Voor inspraak wordt niet gekozen als de belangen van betrokkenen al voldoende in beeld worden gebracht door middel van andere vormen van participatie die in het participatieplan zijn opgenomen.

  • 4.

    Voor inspraak wordt wel gekozen als op voorhand niet duidelijk is of de belangen van betrokkenen voldoende in beeld gebracht kunnen worden, of sprake is van een op voorhand onbepaalde doelgroep.

Artikel 7 Afronding burgerparticipatie

  • 1.

    Ter afronding van een participatieproces stelt het verantwoordelijk bestuursorgaan een verslag vast.

  • 2.

    Het verslag bevat in ieder geval:

    • a.

      een overzicht van de gevolgde participatieprocedure;

    • b.

      een weergave op hoofdlijnen van de inbreng die tijdens het participatieproces naar voren is gebracht;

    • c.

      een reactie van het bestuursorgaan op de inbreng bedoeld in onderdeel b, waarbij gemotiveerd wordt aangegeven welke punten al dan niet worden overgenomen;

    • d.

      een reflectie of de doelen van het participatieplan zijn bereikt en wat hier wel en niet aan heeft bijgedragen;

    • e.

      een overzicht van de afspraken die op basis van het participatieproces zijn gemaakt, als de mate van invloed meebepalen of samenwerken is.

  • 3.

    Het verslag wordt gepubliceerd op de website van de gemeente.

  • 4.

    Het verslag wordt gepubliceerd voordat het officiële besluit aan de raad wordt aangeboden.

Artikel 8 Zorgplicht participatieproces

Het verantwoordelijk bestuursorgaan draagt bij een participatieproces zorg voor:

  • a.

    een toelichting in begrijpelijke taal op de plannen voor beleid of een project en de wijze waarop de deelnemers daarbij betrokken worden;

  • b.

    verslaglegging over wat er met de door deelnemers gedeelde inbreng en inzichten is gebeurd en tot welk besluit dit heeft geleid;

  • c.

    inzicht in de voor het participatieproces relevante documenten. Uitzondering hierop zijn de documenten waarop een weigeringsgrond op grond van de Wet open overheid van toepassing is;

  • d.

    begrijpelijke, toegankelijke en betrouwbare communicatie door de gemeente;

  • e.

    transparantie over de vaststaande kaders, respectievelijk de ruimte voor participatie;

  • f.

    een benaderbare gemeente die een tijdige reactie geeft op vragen of opmerkingen;

  • g.

    bestuurlijke betrokkenheid wanneer het participatietraject dreigt vast te lopen.

Hoofdstuk 3 - Overheidsparticipatie (buurtrechten)

Artikel 9 Doel buurtrechten

Het doel van buurtrechten is:

  • a.

    het stimuleren van initiatieven van inwoners en lokale maatschappelijke partijen;

  • b.

    samenwerking tussen de gemeente en inwoners of lokale maatschappelijke partijen;

  • c.

    het bieden van adequate begeleiding en budget;

  • d.

    ruimte bieden in beleidskaders om initiatieven te realiseren;

  • e.

    eigenaarschap en verantwoordelijkheid voor opgaven in de stad overdragen aan bewoners.

Artikel 1o Onderwerp van buurtrechten

  • 1.

    Alle autonome taken van de gemeente Amsterdam kunnen onderwerp zijn van een buurtrecht, met uitzondering van taken die naar het oordeel van het bevoegde bestuursorgaan zijn voorbehouden aan de overheid en taken zoals benoemd in artikel 14.

  • 2.

    Het bestuursorgaan wijst inwoners en lokale maatschappelijke partijen actief op het van toepassing zijn van het buurtrecht.

Artikel 11 Varianten buurtrecht

Een initiatief voor een buurtrecht is mogelijk in de volgende varianten:

  • a.

    Het indienen van een plan om bestaande taken van de gemeente zelf uit te voeren of te coproduceren, wanneer de indieners menen beter aan te kunnen sluiten bij wat er speelt in de buurt of stad (uitdaagrecht);

  • b.

    Het doen van een bod voor de huur of koop van een pand in eigendom van de gemeente voor de realisatie van een maatschappelijke functie (biedingsrecht);

  • c.

    Het indienen van een plan voor de inrichting van de openbare ruimte (buurtplanrecht).

Artikel 12 Procedure en voorwaarden buurtrechten

  • 1.

    Initiatiefnemers dienen een verzoek in dat voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      beschrijft om welke taak of opgave het gaat en welke resultaten beoogd worden;

    • b.

      bevat een begroting van de verwachte kosten; de kosten voor de uitvoering zijn bij voorkeur lager, maar in ieder geval niet hoger dan de huidige kosten;

    • c.

      geeft aan welke rechtsvorm de initiatiefnemers hebben;

    • d.

      geeft de maatschappelijke meerwaarde aan en maakt inzichtelijk op welke opgaven het plan inspeelt;

    • e.

      omschrijft met welke partijen wordt samengewerkt en wie betrokken zijn of gaan worden;

    • f.

      maakt duidelijk welke kennis en capaciteit de initiatiefnemers in huis hebben om het initiatief te realiseren;

    • g.

      maakt aannemelijk dat de initiatiefnemer de prestatie kan leveren en continuïteit kan garanderen.

  • 2.

    Het initiatief voldoet daarnaast aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De initiatiefnemer is geworteld in en wordt gedragen door de buurt;

    • b.

      De initiatiefnemer is een rechtspersoon;

    • c.

      Het initiatief is inclusief en toegankelijk;

    • d.

      Het buurtrecht wordt uitgevoerd zonder winstoogmerk.

  • 3.

    Voor het uitdaagrecht zoals omschreven in artikel 11, onder a, geldt de aanvullende voorwaarde dat de kosten van het plan niet hoger zijn dan de kosten die hiervoor op de gemeentelijke begroting staan.

  • 4.

    Voor het biedingsrecht zoals omschreven in artikel 11, onder b, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

    • a.

      Bieding kan alleen als een pand in eigendom van de gemeente is;

    • b.

      Voor huur van een pand geldt de kostprijsdekkende huur en bij koop is de prijs marktconform.

  • 5.

    Voor het buurtplanrecht zoals omschreven in artikel 11, onder c, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

    • a.

      Plannen voor de inrichting van de openbare ruimte kunnen alleen ingediend worden als er regulier onderhoud of herprofilering in de planning staat;

    • b.

      De kosten van het plan zijn niet hoger dan de kosten die hiervoor op de gemeentelijke begroting staan;

    • c.

      Voor projecten in de openbare ruimte kunnen plannen worden ingediend als ze niet kunnen worden bekostigd met bestaande subsidieregelingen, buurtbudgetten, gebiedsmiddelen of middelen uit programma’s, of als het initiatief externe financiering weet te genereren.

  • 6.

    Het bestuursorgaan beslist binnen 26 weken op het verzoek. Bij complexe verzoeken die bijvoorbeeld ook personele consequenties binnen de gemeente kunnen hebben, beslist het bestuursorgaan uiterlijk binnen 52 weken.

Artikel 13 Uitzonderingen van overname door een buurtrecht

Overname van de uitvoering door een buurtrecht is in ieder geval niet mogelijk in de volgende gevallen:

  • a.

    als het een lopend uitvoeringstraject of ondergeschikte herzieningen daarvan betreft;

  • b.

    als de uitvoering van een beleidsvoornemen of project dermate spoedeisend is dat het benutten van het buurtrecht niet kan worden afgewacht;

  • c.

    als het belang van het buurtrecht niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving;

  • d.

    als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

  • e.

    inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

  • f.

    als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt;

  • g.

    als het buurtrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten.

Artikel 14 Het inwilligen en intrekken van een buurtrecht

  • 1.

    Als het verzoek wordt ingewilligd, voorziet het bestuursorgaan de initiatiefnemers van gepaste ondersteuning.

  • 2.

    Het bestuursorgaan maakt met de initiatiefnemers afspraken over het proces, het resultaat, het budget, de financieringswijze en de looptijd. De initiatiefnemer is gehouden de taak gedurende een afgesproken periode uit te voeren.

  • 3.

    Het bestuursorgaan maakt het besluit ten aanzien van een gehonoreerd verzoek binnen veertien dagen openbaar.

  • 4.

    Gedurende de looptijd van het buurtrecht onderhoudt de gemeente contact over de uitvoering van het buurtrecht. Als blijkt dat de initiatiefnemers de afspraken over de uitvoering onvoldoende nakomen, worden afspraken gemaakt over de termijn waarop de afspraken wel volledig worden nagekomen. Mocht binnen de gestelde termijn niet voldoende verbetering plaatsvinden, dan kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten het buurtrecht in te trekken.

Artikel 15 Het weigeren van een buurtrecht

Bij weigering van een buurtrecht geeft het bestuursorgaan de indiener de reden van weigering, waarbij in ieder geval wordt toegelicht:

  • a.

    hoe binnen de wettelijke mogelijkheden actief gezocht is naar de mogelijkheden om inwilliging mogelijk te maken;

  • b.

    hoe het initiatief is onderzocht vanuit de maatschappelijke waarde van het initiatief, niet alleen vanuit de bestaande beleidskaders.

Hoofdstuk 4 - Netwerkparticipatie (buurtplatformen)

Artikel 16 Buurtplatformen

  • 1.

    Een buurtplatform is een netwerk van samenwerkende actieve bewoners of organisaties in een buurt, dat:

    • a.

      is ontstaan vanuit initiatief van bewoners zelf;

    • b.

      een wooncomplex overstijgt en fungeert als netwerkorganisatie in een buurt;

    • c.

      zich richt op het samen verbeteren van de buurt door activiteiten te organiseren en problemen te agenderen;

    • d.

      is aangesloten bij een netwerk van buurtplatformen in Amsterdam;

    • e.

      geen ideologische of politieke doelstelling heeft;

    • f.

      geen winstoogmerk heeft;

  • 2.

    Het college erkent op aanvraag een buurtplatform indien is voldaan aan de voorwaarden in het eerste lid, tenzij zwaarwegende redenen zich hiertegen verzetten, voor een periode van maximaal vier jaar.

  • 3.

    Het college maakt schriftelijke afspraken met een erkend buurtplatform over samenwerking gericht op activiteiten in de buurt waar het buurtplatform actief is.

  • 4.

    De afspraken bevatten minimaal:

    • a.

      een contactpersoon of contactpersonen vanuit de gemeente en het platform;

    • b.

      de frequentie van overleg tussen de contactpersonen;

    • c.

      belangrijkste aandachtspunten van het buurtplatform en waarop gemeente en platform samenwerken;

    • d.

      vorm van de samenwerking;

    • e.

      communicatie en transparantie;

    • f.

      ondersteuning en middelen;

    • g.

      stappen die gezet worden bij verschil van inzicht of conflict.

  • 5.

    Het college kan de erkenning als buurplatform en de samenwerkingsafspraken schorsen indien het buurtplatform:

    • a.

      niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen;

    • b.

      de afspraken niet of niet volledig nakomt, of;

    • c.

      naar het oordeel van het college om een andere reden niet functioneert.

  • 6.

    In geval van een schorsing als bedoeld in het vijfde lid worden afspraken gemaakt over de termijn waarbinnen de reden van schorsing wordt hersteld. Mocht binnen de gestelde termijn niet voldoende verbetering plaatsvinden, dan kan het college besluiten de erkenning in te trekken en de samenwerkingsafspraken op te zeggen.

Hoofdstuk 5 - Slotbepalingen

Artikel 17 Evaluatie en monitoring

  • 1.

    De uitvoering van deze verordening wordt in het eerste, tweede en derde jaar na de inwerkingtreding geëvalueerd. Het college zendt hiertoe aan de raad een verslag.

  • 2.

    Dit verslag beschrijft de wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd, de rolinvulling door raad en college, doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

  • 3.

    Ten behoeve van de evaluatie wordt jaarlijks een monitor opgesteld met inbreng van de gemeentelijke organisatie en bewoners.

  • 4.

    Het verslag wordt aangeboden aan de raad.

Artikel 18 Overgangsrecht

  • 1.

    Artikel 3 van deze verordening is niet van toepassing op een proces voor beleid of een project waarvan de startdatum voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt en dat al zo ver gevorderd is dat het maken van een participatieplan niet in redelijkheid kan worden gevraagd.

  • 2.

    Als het project bestaat uit deelfasen, is artikel 3 in elk geval van toepassing vanaf de start van een nieuwe deelfase.

Artikel 19 Intrekking Algemene inspraakverordening

De Algemene inspraakverordening (Gemeenteblad 2016, 38212) wordt ingetrokken.

Artikel 20 Wijziging Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022

In artikel 19, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 vervalt ‘of inspraak in de zin van de Algemene Inspraakverordening’.

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 15 september 2024.

Artikel 22 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Amsterdam.

 

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 27 juni 2024.

De voorzitter

Femke Halsema

De raadsgriffier

Jolien Houtman

Toelichting  

Deze toelichting (algemeen deel) is bedoeld om de Participatieverordening, de artikelen en rechtsgevolgen beter te begrijpen. De toelichting bestaat uit twee delen: een algemeen deel met de aanleiding voor en de bedoeling van de verordening, en een deel waarin de artikelen van de verordening, die uitleg behoeven, worden toegelicht.

 

Algemeen deel

 

In deze participatieverordening is in regels vastgelegd hoe de gemeente burgers betrekt bij het maken van plannen en beleid, en hoe de gemeente met buurtplatformen en met initiatiefnemers die gebruik willen maken van buurtrechten, samenwerkt aan de ontwikkeling van de stad.

Dat doen we vanuit de overtuiging dat we de veelal complexe vraagstukken die spelen in de stad, alleen samen met bewoners, ondernemers, (belangen)organisaties en maatschappelijke instellingen kunnen aanpakken.

In 2021 heeft de gemeenteraad het Beleidskader Participatie vastgesteld. In de participatieverordening wordt dit beleid nu geformaliseerd. We stellen nu kwalitatieve eisen aan participatie waarop de gemeente aanspreekbaar is. Het gaat om burgerparticipatie, overheidsparticipatie en netwerkparticipatie.

 

Regels voor burgerparticipatie

Als het initiatief voor nieuw beleid, een nieuw project of een plan van de gemeente uitgaat, organiseert de gemeente burgerparticipatie. We doen dat om belanghebbenden de mogelijkheid te geven om hun ideeën te delen en de plannen beter te maken. Met de regels in de Amsterdamse participatieverordening maken we het mogelijk om met elkaar vraagstukken, beleidsvoornemens en plannen en de daarbij spelende belangen en dilemma's te bespreken. Dit zorgt voor nieuwe perspectieven, en het helpt om tot creatieve en praktische oplossingen te komen.

Een goed participatietraject leidt niet per se tot een uitkomst waar iedereen tevreden mee is. Tegenstellingen blijven altijd bestaan. Juist daarom is een zorgvuldig proces zo belangrijk; een proces waarin tegemoet wordt gekomen aan de gerechtvaardigde behoefte van betrokkenen om gehoord te worden en om te weten wat ze mogen verwachten bij participatie. Onderdeel daarvan is dat vanaf de start van een participatietraject duidelijk is wat het doel van de participatie is, welke vraag er aan betrokkenen wordt gesteld, welke invloed ze hebben, en wat er met hun inbreng gebeurt.

 

De participatieverordening leidt niet tot méér participatie, maar participatie die zorgvuldig, transparant en navolgbaar is. Met deze verordening maken we de beweging van toetsen en controleren achteraf, naar een expliciete en bewuste afweging voorafgaand aan het proces. Dit zien we als een belangrijke stap naar meer mede-eigenaarschap van bewoners, in wijken en buurten en in de hele stad.

 

Regels voor overheidsparticipatie en netwerkparticipatie

De manier waarop Amsterdammers bij de stad betrokken raken, is aan het veranderen. Steeds vaker komen bewoners en ondernemers zelf met initiatieven. De gemeente kan daarbij helpen in de vorm van financiële steun, of bijvoorbeeld door kennis in te brengen of verbinding te leggen met maatschappelijke partners. Dat noemen we overheidsparticipatie.

In de buurten in Amsterdam en Weesp zijn er diverse groepen bewoners en ondernemers actief, soms groeperen zij zich rondom een specifiek onderwerp, soms op buurtniveau, zoals de buurtplatformen. Het actief samenwerken met deze netwerken is vaak onderdeel van het takenpakket van de gebiedsmakelaar, al zijn zij natuurlijk niet de enige samenwerkingspartners voor bewonersgroepen. Er wordt bijvoorbeeld ook door omgevingsmanagers en projectmanagers vaak samengewerkt met georganiseerde groepen bewoners. We zoeken samen naar een meer structurele samenwerking met deze bewonersgroepen. Dat noemen we netwerkparticipatie. Ook bij overheidsparticipatie en netwerkparticipatie moet duidelijk zijn hoe het proces gaat en welke verantwoordelijkheid de gemeente en de initiatiefnemers of bewonersgroepen hebben. Dus ook dat leggen we vast in deze verordening.

 

Inspanningen voor inclusieve participatie

Het is belangrijk dat we ons best doen om bij participatie Amsterdammers met verschillende achtergronden te bereiken. Zodat alle verschillende perspectieven en ideeën uit de samenleving worden gehoord en besluiten daarmee beter worden. Het is ook belangrijk omdat we vinden dat iedereen in Amsterdam ertoe doet en zich gekend moet voelen. Als gemeente hebben we hierin nog te leren: van het toepassen van andere werkvormen tot aan een intensievere samenwerking met informele organisaties in de buurten.

 

Leren van de praktijk

Participatie gaat niet altijd goed. Soms is een participatietraject voor één of meer partijen een teleurstelling, ondanks alle inspanningen. We weten van evaluaties en uit ervaring in het verleden, dat bewoners vinden dat de gemeente niet altijd transparant genoeg is bij het nemen van besluiten. Of dat het onduidelijk is voor bewoners welke rol en invloed ze hebben tijdens de participatie. Het zal ook na de invoering van de verordening niet overal vanzelf goed gaan. Daarom is het ook van belang om de werking van de verordening in de praktijk goed bij te houden en de verordening periodiek te evalueren. Dat vraagt een open houding van alle Amsterdammers: inwoners, ondernemers, bestuurders en ambtenaren. Zo kunnen we leren van de praktijk en de verordening aanpassen als dat nodig blijkt te zijn.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 Definities

Het hoofdstuk burgerparticipatie gaat over participatie van inwoners en belanghebbenden bij gemeentelijk beleid of gemeentelijke projecten. In de verordening gebruiken we het begrip belanghebbenden. Dat kunnen bijvoorbeeld inwoners, ondernemers, belangenorganisaties, bewonersorganisaties, buurtplatformen of maatschappelijke instellingen zijn. Kortom eenieder die zich betrokken voelt of waarop een besluit – of de uitvoering daarvan – impact heeft.

Onder beleid wordt niet alleen verstaan het vaststellen of wijzigen van beleidsregels, maar ook het ontwikkelen van een visie, vormgeven van een programma of het vaststellen of wijzigen van algemeen verbindende voorschriften en andere besluiten van algemene strekking. Nieuw ten opzichte van de Algemene Inspraakverordening is dat ook projecten expliciet onder de participatieverordening vallen. Projecten hebben een concretere strekking dan beleid. Denk hierbij vooral aan ruimtelijke projecten, bijvoorbeeld de herinrichting van een plein. Het gaat niet om projecten binnen de gemeentelijke organisatie zonder directe impact op bewoners, zoals verbeteringen van bedrijfsvoering. Besluiten of maatregelen die zich tot één of meer aanwijsbare personen richten, al dan niet op aanvraag, vallen ook niet onder deze verordening. Voorbeelden hiervan zijn vergunningen of ontheffingen. Bij dit soort besluiten en maatregelen zijn al andere manieren waarop belanghebbenden worden betrokken, zoals de mogelijkheid om een reactie te geven. Het moet dus gaan om een voornemen voor een meer algemeen belang. Bijvoorbeeld het opstellen van een nieuwe taxiverordening, een plan hoe omgegaan wordt met handhaving bij horecaklachten of een project om verkeersoverlast tegen te gaan.

 

Artikel 3 Reikwijdte

In dit artikel staat wanneer burgerparticipatie mogelijk is en wanneer niet. Het uitgangspunt is dat altijd wanneer de gemeente beleid of projecten ontwikkelt er een participatieplan wordt gemaakt. Bij elk nieuw bestuurlijk besluit wordt bezien of het participatieplan moet worden geactualiseerd of dat bij duidelijk te onderscheiden fasen misschien een nieuw participatieplan nodig is. In het participatieplan staat hoe de participatie eruitziet. Op deze manier wordt altijd een weloverwogen keuze gemaakt over de manier waarop de stad wordt betrokken. In de artikelen 4 en 5 worden de inhoud van het participatieplan en de keuzes die daarbij komen kijken verder uitgewerkt.

 

In het eerste lid staat dat het verantwoordelijk bestuursorgaan het participatieplan vaststelt. Dat kan zijn de gemeenteraad, het college of het dagelijks bestuur. In de praktijk kan ervoor gekozen worden om deze bevoegdheid aan iemand anders te geven, bijvoorbeeld aan de wethouder, wanneer dat passend is. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat de participatie niet onnodig wordt vertraagd. De mandaten en verantwoordelijkheden van de dagelijks besturen bij participatie zijn beschreven in taak 18 van de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022. De nu voorliggende participatieverordening sluit aan bij de verordening op de stadsdelen voor wat betreft het onderwerp participatie.

 

De betrokkenheid van het bestuur is om te voorkomen dat participatie een substituut wordt voor de representatieve democratie. Bij besluiten met een fundamentele tegenstelling in belangen, waarbij het dienen van het belang van de ene groep bijvoorbeeld ten koste gaat van het belang van een andere groep, dient het besluit niet door middel van participatietrajecten gedepolitiseerd te worden. Voor zulke onderwerpen geldt dat de representatieve democratie hiervoor de verantwoordelijkheid neemt, hierover heldere uitspraken doet en daarop ook via de reguliere wegen aanspreekbaar is.

 

Bij onderwerpen waarover de gemeenteraad een besluit neemt wordt het participatieplan in beginsel door het college vastgesteld, omdat het college de besluitvorming voorbereid op grond van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan wel aangeven dat de raad zelf het participatieplan wil vaststellen.

 

In het derde lid van artikel 3 staan een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen voorkomen dat er een participatieplan geschreven wordt in situaties die daarvoor niet geschikt zijn. Er wordt terughoudend omgegaan met de uitzonderingsgronden. Als toch een beroep wordt gedaan op de uitzonderingsgronden gelden natuurlijk nog steeds de wettelijke publicatieverplichtingen. De gemeente zorgt ervoor dat alsnog inwoners die direct met de besluiten te maken hebben worden geïnformeerd. Bij het toepassen van de uitzonderingsgrond voor de begroting, tarieven en belastingen is breed informeren van inwoners vaak noodzakelijk.

 

Als een beroep wordt gedaan op een uitzonderingsgrond, en er dus wordt afgezien van participatie, dan moet dat altijd worden toegelicht bij het besluit, namelijk in de participatieparagraaf van de bestuurlijke voordracht. Zo wordt zicht gehouden op het aantal keren dat het voorkomt en kan worden bekeken of het een bewuste afweging is geweest. Als een uitzonderingsgrond is toegepast, dan vervallen de proces- en kwaliteitseisen die in hoofdstuk 2 staan beschreven. Er hoeft dan dus bijvoorbeeld ook geen eindverslag met een reflectie te worden gepubliceerd. Voorbeelden van spoedeisende gevallen zijn veiligheid, openbare orde of locaties voor huisvesting van kwetsbare doelgroepen.

 

In het vierde lid van artikel 3 staat dat de verordening niet van toepassing is als al een structurele vorm van participatie bestaat in een gemeentelijke regeling. Als de participatie al goed geregeld is, hoeft niet ook nog eens een participatieplan gemaakt te worden. Denk bijvoorbeeld aan structurele adviesraden of platforms in het sociaal domein. Zij vertegenwoordigen een vaste doelgroep, bijvoorbeeld Amsterdammers die gebruik maken van Wmo-voorzieningen of Amsterdammers die gebruik maken van de Participatiewet, en hebben doorgaans al afspraken gemaakt met het bevoegd bestuur. Wel kan gebruik worden gemaakt van verdere ervaringskennis en –deskundigheid. In de participatieparagraaf bij de college- en raadsvoordracht wordt beschreven of en hoe de participatie wordt vormgegeven.

 

Onder besluitvorming zoals genoemd in het vijfde lid van artikel 3 vallen alle beslissingen van het bestuur, inclusief startnotities, principebesluiten, etc.

 

Artikel 4 Uitgangspunten participatieplan

In een participatieplan wordt rekening gehouden met een aantal uitgangspunten voor participatie. Deze zijn gebaseerd op uiteenlopende evaluaties en onderzoeken naar de ervaringen met participatie in de praktijk.

 

In onderdeel a staat dat hoe meer impact er is op bewoners, hoe meer inspanningen in beginsel moeten worden geleverd in het participatietraject.

 

De intensiteit van participatie is dus gekoppeld aan de mate van impact en niet aan het niveau van participatie. Als er ingrijpende veranderingen zijn waar weinig aan te doen valt, moet de gemeente zich juist inspannen om bewoners te informeren en te betrekken waar dat wél mogelijk is.

 

Ter illustratie: bij groot onderhoud aan wegen en straten kan dat een grote impact hebben op bewoners en ondernemers. Bijvoorbeeld omdat de toegang tot hun huis of onderneming langere tijd moeilijker wordt. Tegelijk hebben ze weinig tot geen mogelijkheid om hier invloed op uit te oefenen. Straten moeten nou eenmaal onderhouden en vervangen worden. Juist in zo’n situatie moet de gemeente zich inspannen om de betrokkenen goed te informeren en in gesprek gaan over de mogelijkheden die er wèl zijn om de gevolgen voor betrokkenen te verbeteren. Bijvoorbeeld door de fasering van de werkzaamheden aan te passen, waardoor de verkeershinder in de wijk minder lang duurt of beter gespreid wordt. De standaard informatiebrief volstaat dan niet altijd.

 

Onderdeel b is een uitwerking van het algemene uitgangspunt dat de gemeente zich inspant om alle belanghebbenden met diverse perspectieven actief te betrekken bij participatie. Als er impact is voor een specifieke groep, dan verplicht onderdeel b de gemeente om die groep te betrekken.

 

Onderdeel c verplicht de gemeente inspanningen te leveren om groepen bij participatietrajecten te betrekken die ze tot dusver moeilijk kon bereiken. Daarbij wordt gedacht aan praktisch opgeleiden, anderstaligen, jongeren, immigranten, expats en studenten. Bij beide onderdelen kan het nodig zijn om specifieke instrumenten of een manier van communicatie te gebruiken, die aansluit bij deze groep. Denk aan meertalige communicatie, visuele communicatie of aan tijdstippen en locaties van eventuele gesprekken die aansluiten bij deze doelgroepen. Het is goed te zoeken naar andere werkvormen waarbij het zwaartepunt niet altijd ligt bij luisteren en praten. Ook kan samenwerking met zelforganisaties en bewoners- en jongerenorganisaties worden gezocht om zo bepaalde doelgroepen te bereiken.

 

In onderdeel d staat dat hoe meer beleidsruimte er is, hoe meer invloed en dus meer zeggenschap de betrokkenen kunnen hebben. Omgekeerd werkt dat ook zo: bij weinig beleidsruimte is eerder sprake van een lage mate van invloed. Er zijn dus opgaven waarbij betrokkenen niet kunnen meedenken over de inhoud (bijvoorbeeld groot onderhoud van de straat zoals hiervoor beschreven), maar waar wel over de uitvoering: hoe wordt de straat afgesloten zodat bewoners daar zo min mogelijk last van hebben? De beschikbare beleidsruimte wordt onder meer bepaald door wet- en regelgeving en eerder vastgesteld beleid.

 

Onderdeel e stimuleert het tijdig betrekken van de doelgroep en/of omgeving. Participatie op een moment dat het er nog toe doet. Er moet iets te kiezen of in te brengen zijn dat tot aanpassingen kan leiden. Dan is een proces het meest waardevol voor potentiële deelnemers. Dit betekent niet dat participatie altijd in de allereerste fase van een proces plaats dient te vinden. Soms is participatie passend bij de verkenningsfase, waarin de haalbaarheid van het project wordt onderzocht en de projectopdracht wordt geformuleerd. Soms is participatie juist later passend, wanneer duidelijker is wat de plannen precies zijn, om daarover bewoners te bevragen. Als bijvoorbeeld over een onderwerp nog zoveel onduidelijk is dat we niet kunnen aangeven aan bewoners waar zij aan toe zijn. Of het project is vooraf al aan bepaalde kaders gebonden waardoor de uitgangspunten van het project eigenlijk al vaststaan, kan het soms juist beter zijn participatie in te zetten verder of aan het eind van een proces meer toetsend van karakter.

 

Artikel 5 Inhoud participatieplan

In dit artikel staat wat er in elk geval in een participatieplan moet staan. Dat zijn:

  • het doel van de participatie;

  • op wie de participatie zich richt;

  • de inspanningsverplichting voor het betrekken van ondervertegenwoordigde groepen;

  • de invloed van de deelnemers;

  • de kaders waarmee rekening moet worden gehouden;

  • de manier waarop inbreng geleverd kan worden en

  • de terugkoppeling

Natuurlijk kunnen er ook andere zaken in het participatieplan worden opgenomen. De vorm van het participatieplan is vrij. Er kan een participatieplan worden opgenomen als beslispunt in een voordracht of er kan een losstaand document van gemaakt worden, zo lang de bovengenoemde onderdelen er maar in staan. In sommige gevallen schrijft bestaande wetgeving voor dat inspraak moet worden georganiseerd, zoals in de Omgevingswet. In dat geval wordt dat ook in het participatieplan opgenomen en wordt het effect beschreven dat het voorschrift heeft op de inrichting van het participatietraject. De verordening biedt ruimte om naast de wettelijk voorgeschreven activiteiten ook andere passende activiteiten te ondernemen.

 

Onderdeel a schrijft voor dat er een bewuste keuze wordt gemaakt over het doel van participatie en dat die keuze wordt onderbouwd in het participatieplan. Dat doel kan per fase van het participatietraject verschillen en een participatietraject kan ook verschillende doelen dienen. In het eerste subonderdeel van onderdeel a staan de doelen waaruit kan worden gekozen:

  • Zeggenschap: het bevorderen van het democratisch proces; betrokkenen kunnen meebeslissen over hun eigen leefwereld.

  • Eigenaarschap: het stimuleren van eigenaarschap en actief burgerschap.

  • Kwaliteit van aanpak en beleid: betrokkenen brengen kennis, expertise en ervaring (collectieve wijsheid) in, waar het project of beleid inhoudelijk en kwalitatief beter van wordt.

  • Belangen in beeld: betrokkenen en overheid ontdekken en onderzoeken welke perspectieven, belangen en behoeften er zijn voor een opgave zodat er begrip ontstaat voor elkaars standpunten en de gemaakt keuzes meer draagvlak hebben.

  • Bewustwording: helderheid scheppen, kennis opdoen en onduidelijkheden wegnemen.

Niet alleen moet de gemeente een doel bepalen, maar de verordening vereist ook dat de gemeente een inschatting maakt van de wensen en belangen van de betrokkenen (op geaggregeerd niveau). Dit dwingt de gemeente om zich te verplaatsen in de betrokkenen. Wat hebben zij voor ogen met de participatie? Hebben zij andere participatiedoelen dan de gemeente? Hierbij kan worden gedacht aan een groep bewoners die graag hun kennis over de buurt willen inbrengen om de aanpak van overlast van een groep jongeren te verbeteren (doel: ‘kwaliteit van aanpak en beleid’). Terwijl de gemeente met het doel ‘belangen in beeld’ de groep bewoners wil bevragen.

 

Onderdeel d verplicht de gemeente om in het participatieplan de mate van invloed van de betrokkenen te bepalen. Dit kan per projectfase en per belanghebbende verschillen. Er zijn verschillende niveaus in de mate van invloed: informeren en luisteren; reageren; adviseren; samenwerken (co-creatie) en meebepalen. De mate van invloed heeft ook gevolgen voor de inrichting van het proces. Betrokkenen worden actief geïnformeerd over het (voorgenomen) besluit en de informatie is voor iedereen begrijpelijk, toegankelijk en betrouwbaar. Informeren is voor de gemeente nooit éénrichtingsverkeer. Er kunnen altijd, en dus ook naar aanleiding van gemeentelijke informatie, signalen binnenkomen. Informeren gaat hand in hand met luisteren.

 

Luisteren betekent dat de gemeente benaderbaar is voor vragen, suggesties en ideeën. Onder luisteren verstaan we ook dat de gemeente minimaal op signalen reageert en aangeeft wat daar binnen een project wel of niet mee kan gebeuren en waarom. Bij reageren kan gedacht worden aan een informatiebijeenkomst, het voorleggen van een aantal scenario's, het inzetten van digitale middelen. De terugkoppeling is dan algemeen van aard en op hoofdlijnen. Bij adviseren krijgt het proces een andere vorm, waarbij bijvoorbeeld in een klankbordgroep samen de agenda wordt bepaald en na iedere bijeenkomst wordt teruggekoppeld.

 

Bij onderhouds- en vervangingswerkzaamheden in de openbare ruimte is de participatie in principe gericht op informeren en luisteren. Dat komt omdat de werkzaamheden gericht zijn op instandhouding, herstel of vernieuwing van de bestaande situatie, hoogstens met een kleine wijziging binnen de huidige inrichting. Als er toch meerdere wijzigingen worden meegenomen bij onderhoudswerk, die samen maken dat het straatbeeld verandert en er een behoorlijke impact is op de omgeving, is een actievere vorm van participatie mogelijk. Bijvoorbeeld door het voorleggen van varianten waarop de omgeving en/of belangenorganisaties kunnen reageren. Het uitgangspunt blijft dat de werkzaamheden als geheel zijn gericht op onderhoud en vervanging en niet op een algehele herinrichting van de openbare ruimte. De participatie is dan ook beperkt tot de veranderingen. Het bepalen voor welke onderhoudsprojecten dit speelt gebeurt via de jaarlijkse programmering van werkzaamheden door het dagelijks bestuur van het stadsdeel.

 

In onderdeel e staat dat het participatieplan de kaders moet bevatten die vooraf zijn meegegeven door het bestuur of die al vaststaan. Dat zijn in ieder geval de juridische, financiële en beleidsmatige kaders. Er is bijvoorbeeld een maximaal budget voor een project of er is al een beleidsdoel vastgesteld, zoals ‘meer groen’. Maar het kunnen ook de bestuurlijke ambities zijn die invloed hebben op het participatietraject. Denk bijvoorbeeld aan de bestuurlijke wens tot co-creatie. Een gevolg van die wens kan zijn dat andere kaders, die normaliter gelden, juist niet meer van toepassing zijn. Bijvoorbeeld dat er omwille van co-creatie afgeweken mag worden van de standaard voor inrichting van de openbare ruimte. Ook dat zou dan in het participatieplan moeten worden opgenomen.

 

Artikel 6 Inspraakprocedure met toepassing van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht

In de Awb is een inspraakprocedure opgenomen. Ook dat is een vorm van participatie. Een inspraakprocedure is niet altijd een verplichting. Er kan ook voor andere vormen van participatie worden gekozen om reacties te peilen eerder in een proces. Inspraak gaat over een concept besluit en vindt dus plaats aan het eind van een participatieproces. Als onvoldoende zicht is op de belangen van betrokkenen, is een inspraakprocedure verplicht. In sommige gevallen schrijft bestaande wetgeving voor dat besluiten moeten worden voorbereid met Afdeling 3.4. Uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb. Hier is bijvoorbeeld sprake van bij het wijzigen van het Omgevingsplan in de Omgevingswet. In deze gevallen rust al een wettelijke plicht voor terinzagelegging met zienswijzen. Maar ook dan geldt: er kan daarnaast eerder in het traject een andere vorm van participatie toegepast worden.

 

Artikel 7 Afronding burgerparticipatie

Het verantwoordelijke bestuursorgaan rondt het participatietraject af met een eindverslag. Daarover gaat dit artikel.

 

In het eindverslag staat beschreven hoe het participatieproces feitelijk is verlopen. Er staat bijvoorbeeld in welke bijeenkomsten zijn georganiseerd of wanneer stukken ter inzage zijn gelegd. Ook wordt hier beschreven of de mensen zijn bereikt waarvan in het participatieplan is beschreven dat deze tot de doelgroep behoren of moeilijk te bereiken zijn. In het verslag moeten de resultaten worden beschreven van de inspanningen die in dit kader zijn verricht. Het eindverslag moet een samenvattend overzicht bevatten van de inbreng. Het is niet verplicht iedere individuele reactie van een antwoord te voorzien.

Het moet in het eindverslag voor de inwoners en organisaties die hebben geparticipeerd en andere geïnteresseerden herkenbaar zijn wat er tijdens de participatie is ingebracht. En het moet helder zijn wat het bestuursorgaan met die inbreng heeft gedaan. Het is niet noodzakelijk om per individuele reactie een terugkoppeling te geven.

 

Tenslotte moet het eindverslag ingaan op de doelen van het participatieplan. In hoeverre zijn ze bereikt en wat heeft hier wel of niet aan bijgedragen? Een dergelijke reflectie geeft het meeste inzicht als ook de deelnemers aan het participatietraject eraan bijdragen. Het is daarom raadzaam om het traject samen met deelnemers te evalueren, van de praktijk te leren en de inzichten te gebruiken voor de reflectie in het eindverslag. Als de resultaten van het participatieproces bekend worden gemaakt, is het participatietraject afgerond.

 

Het eindverslag wordt in elk geval gepubliceerd op Open Amsterdam en ontsloten via de website amsterdam.nl. Daarnaast kan aan de deelnemers een exemplaar van het eindverslag worden gestuurd. Als er veel participanten zijn is een algemene bekendmaking voldoende. Het is belangrijk om aan het begin van het participatietraject al duidelijkheid te geven over de bekendmaking van het eindverslag.

 

Artikel 8 Zorgplicht participatieproces

In dit artikel staat wat nodig is voor een participatieproces. In onderdeel c wordt aangegeven dat ook documenten die helpen om goed te kunnen deelnemen aan een participatieproces voor deelnemers beschikbaar moeten zijn, bijvoorbeeld via de website amsterdam.nl of via een dossier op Open Amsterdam.

 

Onderdeel g gaat in op de bestuurlijke betrokkenheid. De verantwoordelijk bestuurder heeft een belangrijke rol in het waarborgen van de kwaliteit van een participatietraject, onder andere door de spanningen die spelen op tafel te krijgen en te voorkomen dat een ambtenaar politieke afwegingen moet verwoorden wanneer spanning ontstaat tussen de omgeving en de politieke wens.

 

Artikel 9 Doel van buurtrechten

In dit artikel staat wat het doel van buurtrechten is: ruimte voor initiatieven van bewoners en daarbij een betere samenwerking tussen de gemeente en bewoners. Zo vergroten we het eigenaarschap van Amsterdammers. Dat leidt tot een grotere betrokkenheid en meer activiteit van Amsterdammers en beter gebruik van de kennis en kunde van Amsterdammers door de gemeente.

 

In dit artikel staat ook wie er in aanmerking komen voor een buurtrecht: inwoners en lokale maatschappelijke organisaties. Binnen de werkwijze buurtrechten hebben de raad, het college en de stadsdeelbesturen een belangrijke rol. Als er een aanvraag voor een buurtrecht wordt ingediend vindt er een integrale beoordeling plaats door inhoudelijk betrokken ambtenaren en het stadsdeel. Zij bereiden een advies voor dat wordt voorgelegd aan de inhoudelijk betrokken stadsdeelbestuurders en de vakinhoudelijke wethouders. Het bestuursorgaan, meestal het college, geeft het uiteindelijke akkoord of de ingediende aanvraag van een buurtrecht al dan niet wordt aangegaan. Dit geeft het initiatief bestuurlijk draagvlak en de inhoudelijk betrokken ambtenaren ruimte in de samenwerking met de initiatiefnemers om te zoeken naar creatieve oplossingen en ruimte in beleid.

 

Artikel 10 Onderwerp van buurtrechten

De gemeente heeft autonome taken en medebewindstaken. Buurtrechten kunnen alleen toegepast worden bij taken waar de gemeente zelf over gaat (autonome taken). Medebewindstaken zijn wettelijke taken die de gemeenten van de Rijksoverheid moeten uitvoeren. Die zijn daardoor minder geschikt om over te dragen aan bewoners. Niet alle autonome taken van de gemeente kunnen onderwerp zijn van buurtrechten. Er zijn een aantal uitzonderingen, die zijn vastgelegd in artikel 13.

 

Het bestuursorgaan wijst inwoners en lokale maatschappelijke organisaties erop wanneer het buurtrecht van toepassing is. Dus als een initiatief baat heeft bij een buurtrecht, dan wordt daar door de gemeente actief op gewezen.

 

Artikel 11 Varianten van buurtrechten

In dit artikel wordt toegelicht welke vormen van buurtrechten er zijn.

  • Het uitdaagrecht heeft betrekking op de uitvoering van publieke taken waar de gemeente verantwoordelijk voor is. Bij deze vorm van buurtrecht zal er een relatie tussen de gemeente en het initiatief blijven bestaan. Daarbij worden afspraken gemaakt over samenwerking, verdeling van taken en verantwoordelijkheid. Bij het uitdaagrecht worden niet alleen de taken, maar ook het bijbehorende budget op de begroting overgedragen aan het initiatief. De gemeente behandelt de initiatiefnemers als een volwaardige en gelijkwaardige partner. Zij voeren immers een publieke taak uit.

  • Het biedingsrecht geeft bewoners het recht om te bieden op een vrijgekomen gemeentelijk pand met een maatschappelijke bestemming. Het pand moet dan wel voor een maatschappelijke functie worden gebruikt. Het kan om huur of koop gaan. Voorbeelden van initiatieven zijn een buurtkamer of een opleidingscentrum met leer-werktrajecten.

  • Met het buurtplanrecht kunnen bewoners een plan indienen voor de inrichting van de openbare ruimte, bijvoorbeeld een park, plein of straat. Bewoners hebben dan concrete wensen en ideeën over de inrichting en voorzieningen, zoals meer groen of parkeerplekken, speelruimte voor kinderen, bredere stoepen, meer lichtpunten, andere zichtlijnen of het gebruik van bepaalde duurzame materialen. Als het verzoek wordt ingewilligd, dan mogen bewoners samen met de gemeente de ruimte ontwerpen of zij komen zelf met een ontwerp.

Artikel 12 Procedure en voorwaarden voor buurtrechten

Het verzoek voor een buurtrecht moet aan een aantal eisen voldoen, voordat het in behandeling wordt genomen. In dit artikel wordt omschreven wat die eisen zijn.

 

Eén van de belangrijke voorwaarden is dat het initiatief een maatschappelijke meerwaarde heeft en inspeelt op maatschappelijke opgaven. De organisatie die in aanmerking wil komen voor maatschappelijke ruimte moet een beleidsdoel dienen. Die doelen staan in de beleidsplannen van de gemeente of in de gebiedsagenda’s van de stadsdelen. Voor elk gebied zal aan de hand van de beleidsdoelen en gebiedsopgaven een goede afweging worden gemaakt, zodat de voorzieningen die nodig en urgent zijn een plek krijgen in de buurt.

 

Het vierde lid beschrijft welke voorwaarden gelden bij het biedingsrecht. Als het daarbij gaat om koop kan ook erfpacht in rekening worden gebracht.

 

In het zesde lid is de beslistermijn vermeld. In deze periode zal ook beoordeeld moeten worden wat, bij inwilliging van het buurtrecht, de juiste vormgeving van het buurtrecht zal zijn. Als dit een overheidsopdracht is, dan zal tijdens de beoordeling van de aanvraag ook rekening gehouden moeten worden met de inkoopregels en bijbehorende werkwijze van de gemeente voor het te nemen besluit op de aanvraag.

 

Artikel 13 Uitzonderingen van overname door een buurtrecht

In dit artikel wordt in lid 1 omschreven wanneer er binnen de autonome taken van de gemeente geen buurtrecht mogelijk is.

 

  • Bij al lopende uitvoeringstrajecten of ondergeschikte herzieningen daarvan. Bijvoorbeeld wanneer een grote herinrichting van een park al is begonnen en de ingediende aanvraag voor het buurtrecht betreft een right to plan op (een deel van) de inrichting van het park.

  • Bij spoedeisende uitvoering. Het komt voor dat een situatie in de stad vraagt om snel handelen. Als de uitvoering van een beleidsvoornemen zo spoedeisend is dat het benutten van het buurtrecht niet kan worden afgewacht, dan gaat de snelheid boven het buurtrecht. De gemeente moet dan wel duidelijk onderbouwen waarom het zoveel spoed heeft en hoe dit is afgewogen tegen het belang van het buurtrecht.

  • Als het belang van het buurtrecht niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. De gemeente moet kwetsbare Amsterdammers beschermen. Dus als het gebruik van een buurtrecht impact heeft op een kwetsbare doelgroep is, dan moet de gemeente een zorgvuldige afweging maken. Zo is een buurtrecht voor individuele specialistische (jeugd)zorg niet mogelijk.

  • Als er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft. Als de gemeente betrekkelijk weinig autonomie heeft, komt het buurtrecht niet in aanmerking.

  • Voor alle taken die betrekking hebben op de begroting, (het vaststellen van) tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen zoals genoemd in hoofdstuk XV van de Gemeentewet. Deze financiële taken van de gemeente kunnen niet worden overgenomen.

Artikel 14 Het inwilligen van een buurtrecht

Als het verzoek om toepassing van een buurtrecht wordt ingewilligd, dan zorgt het bestuursorgaan voor gepaste ondersteuning. De gemeente stelt bijvoorbeeld capaciteit beschikbaar om de samenwerking vorm te geven. Andere voorbeelden van ondersteuning zijn:

  • Eén aanspreekpunt: Het Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief (BIMI) zorgt ervoor dat er een accounthouder aan het initiatief wordt gekoppeld. Deze accounthouder zorgt voor coördinatie in de gemeentelijke organisatie, betrekt collega’s van wie inbreng nodig is en agendeert complexe vraagstukken op de juiste plek.

  • (Inzicht in) budget of kosten van een pand. Bij het uitdaagrecht en het buurtplanrecht stelt de gemeente de voorwaarde dat de kosten van het initiatief niet hoger uitkomen dan wat er voor de desbetreffende taak of taken op de begroting staat. Zijn er afspraken gemaakt over de overdracht van taken dan wordt het bijbehorende budget overgeheveld naar de initiatiefnemers. We geven zo goed mogelijk inzicht in dit budget. Voor de huur van een pand geldt de kostprijsdekkende huur en bij koop is de prijs marktconform. In het geval van koop wordt ook erfpacht in rekening gebracht.

  • Opdrachtovereenkomst: als het uitvoeren van de taak of opgave in de vorm van een overheidsopdracht hoort, dan wordt er een opdrachtovereenkomst vastgesteld op basis van een Amsterdams model. Daarin worden afspraken gemaakt over bijvoorbeeld dienstverlening, betaling en communicatie. In beginsel gelden dan ook de Amsterdamse Inkoopvoorwaarden en de Beleidsregel Integriteit en Overeenkomsten.

  • Samenwerkingsovereenkomst. Als we het initiatief waarvoor een aanvraag voor een buurtrecht is ingediend kansrijk vinden, dan wordt er een samenwerkingsovereenkomst opgesteld. Hierin staan afspraken over wederzijdse prestaties, aansprakelijkheid, beschikbaar budget, verantwoording, looptijd en kwaliteitseisen.

Het is voor de gemeente en de inwoners van Amsterdam belangrijk dat de taken die zijn overgenomen goed worden uitgevoerd. Als tijdens de toepassing van het buurtrecht blijkt dat de afspraken over de uitvoering onvoldoende of niet meer worden nagekomen, dan krijgt een initiatief de ruimte om te werken aan verbetering. Lukt het binnen de afgesproken termijn niet om de afspraken wel volledig na te komen, dan kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten het buurtrecht in te trekken.

 

Artikel 15 Het weigeren van een buurtrecht

Er kunnen goede redenen zijn om een verzoek voor een buurtrecht niet in te willigen. De gemeente laat in dat geval zien dat het verzoek is getoetst aan de maatschappelijk waarde en legt een weigering goed uit aan de initiatiefnemer.

 

  • De maatschappelijke waarde van een initiatief is de waarde die het brede publiek toekent aan de bijdrage die het initiatief oplevert. Het initiatief wordt dus niet alleen getoetst aan bestaande beleidsdoelen, maar ook aan bijvoorbeeld economische waarde, sociale waarde, ecologische waarde. Bij het bepalen van de maatschappelijke waarde weegt ook mee of een initiatief aantoonbaar bijdraagt aan een (actuele) opgave in de stad, of er bij betrokkenen in de buurt of wijk draagvlak is voor het buurtrecht én of het initiatief met, door en voor Amsterdammers wordt uitgevoerd.

Door deze bredere weging kan tijdens de procedure duidelijk worden dat voor de realisatie van een initiatief gedeeltelijk, tijdelijk of permanent beleid aangepast moet worden of gewijzigd beleid nodig is. Dit vraagt wel instemming van het college en/of de gemeenteraad.

 

Artikel 16 Buurtplatformen

Amsterdam kent een traditie van sterke bewonersorganisaties, ontstaan in de buurt zelf en met als doel om de buurt beter te maken. In veel buurten zijn deze (koepel)organisaties verbonden met elkaar in een netwerk, actief in de zogenaamde doe-democratie: samen organiseren ze concrete acties en activiteiten en zetten zij zich in om hun buurt te verbeteren. Deze netwerken noemen wij buurtplatformen. Ook ondernemers kunnen onderdeel uitmaken van een buurtplatform.

Een buurtplatform geeft de gemeenschap in een buurt een stem (die kan ook meervoudig zijn) en een structuur om samen activiteiten te ondernemen. In elke buurt zijn er initiatieven van bewoners. Het buurtplatform zorgt voor verbinding daartussen, ondersteunt die, moedigt aan, initieert en helpt mee met de uitvoering. Door bijvoorbeeld communicatie in de buurt te verzorgen zoals een buurtkrant of een website, of door regelmatig bewonersbijeenkomsten te organiseren. Het buurtplatform organiseert het contact en de samenwerking tussen de buurt en verschillende wijkpartners die actief zijn in de buurt, waaronder de gemeente, maatschappelijke dienstverleners en woningcorporaties. Het buurtplatform biedt een centraal punt in de buurt om de informatie die vanuit die organisaties komt te ordenen en bij te houden en waar nodig te organiseren dat de buurt daarop kan reageren. Het buurtplatform ‘vertegenwoordigt’ daarbij niet de hele buurt maar geeft een podium voor verschillende signalen uit de buurt, waaronder ook signalen die minder gehoord worden. Elk buurtplatform heeft hun eigen manier van werken en organiseren, maar zijn altijd transparant hierover richting de buurt en de gemeente en staan open voor alle buurtbewoners en -organisaties die mee willen doen.

De buurtplatformen in Amsterdam zijn verenigd in de coalitie van buurtplatformen. Dit netwerk heeft als doel het uitwisselen van kennis en informatie, onderling en met de gemeente en het versterken van het werken met buurtplatformen. Ook geldt deze coalitie als kweekvijver voor nieuwe platformen.

Buurtplatformen werken inclusief en in het belang van de buurt. Zij spannen zich in om andere relevante bewoners, ondernemers en buurtorganisaties te betrekken Dit doen zij vanuit een intrinsieke motivatie om een bijdrage te leveren aan hun buurt. Zij hebben geen winstoogmerk en werken niet vanuit een bepaalde ideologische of politieke doelstelling.

 

Een buurtplatform kan een aanvraag doen bij het college om als zodanig erkend te worden. Wanneer het platform voldoet aan de criteria zoals die zijn beschreven in artikel 16, eerste lid die hierboven nader zijn toegelicht, ontvangt het platform deze erkenning, tenzij het college zwaarwegende redenen heeft om het platform niet te erkennen. Het college zal dit in voorkomende gevallen schriftelijk toelichten. De erkenning vindt plaats voor een periode van maximaal 4 jaar en kan daarna opnieuw worden aangevraagd.

 

Erkende buurtplatformen zijn zeker niet de enige bewonersnetwerken waar de gemeente mee samenwerkt, maar wel de netwerken waarmee de gemeente in ieder geval samenwerkingsafspraken vastlegt. De afspraken hebben als doel om prettig en effectief met elkaar samen te kunnen werken, zodat de kennis en het netwerk van het buurtplatform kan worden ingezet voor beter passend beleid en uitvoering in de buurt. Met deze afspraken erkent de gemeente de buurtplatformen als vaste waarde in de buurt en geeft hun het recht om zich het buurtplatform te noemen en de koepelfunctie in te vullen vanuit de buurt.

 

De samenwerkingsafspraken kunnen verschillen per buurt; geen buurt is hetzelfde, bewoners kunnen verschillend georganiseerd zijn en elke buurt heeft andere uitdagingen. Om tot effectieve samenwerking te kunnen komen, moeten de samenwerkingsafspraken minimaal afspraken bevatten over:

 

  • 1.

    Wie is het aanspreekpunt is voor het buurtplatform binnen de gemeente? Bij voorkeur is dat een ambtenaar die bekend is bij het buurtplatform, een coördinerende rol heeft in de wijk en ambassadeur van het buurtplatform kan zijn in de gemeentelijke organisatie. In veel buurten zal dit de gebiedsmakelaar zijn, maar soms is het ook bijvoorbeeld een omgevingsmanager of projectmanager. De contactpersoon kan het buurtplatform ook helpen zich te versterken en te verbreden. Dat er een aanspreekpunt is, betekent niet dat het platform niet met andere ambtenaren contact heeft. In de praktijk zal het platform voor verschillende onderwerpen verschillende contactpersonen hebben.

  • 2.

    Hoe vaak het buurtplatform overlegt met de contactpersoon, of en in welke vorm het buurtplatform contact onderhoudt met het dagelijks bestuur van het stadsdeel.

  • 3.

    Welke onderwerpen belangrijk zijn om aandacht voor te hebben en met elkaar te bespreken. Dit verschilt per buurt en buurtplatform.

  • 4.

    Welke vorm de samenwerking heeft, dit kan verschillen per onderwerp in de buurt. Een buurtplatform kan bijvoorbeeld in co-creatie meehelpen om een oplossing te vinden voor een probleem in de buurt, actief deelnemer zijn in een activiteit van de gemeente of als klankbord dienen voor een project in de buurt.

  • 5.

    Hoe de gemeente en het platform richting de buurt communiceren over de samenwerking en de resultaten daarvan. Goede afspraken hierover hebben als doel om te voorkomen dat de gemeente en het buurtplatform elkaar verrassen in berichten naar de buurt, bijvoorbeeld wanneer zij het niet eens zijn met elkaar.

  • 6.

    Ondersteuning van het buurtplatform door middel van geld of hulp en kennis. Elk buurtplatform heeft een budget nodig om te kunnen bestaan. Bijvoorbeeld om ruimtes te huren in het buurthuis voor vergaderingen, communicatiemiddelen te maken en te drukken, activiteiten te organiseren om te ontmoeten en te verbinden en voor administratie en verslaglegging. Allereerst hebben buurtplatformen eigen middelen, vanuit buurtgemeenschappen zelf. Dit geeft de beste onafhankelijke positie. Maar soms is daarnaast nog iets extra’s nodig. Dit kan ook ondersteuning in andere vormen zijn en zich bijvoorbeeld richten op de ontwikkeling van kennis en vaardigheden, of bijvoorbeeld hulp bij administratieve verplichtingen.

  • 7.

    Hoe we met elkaar omgaan als het buurtplatform en de gemeente het niet eens zijn met elkaar; Bij wie het geschil dan wordt neergelegd; en wie er dan zorgt voor een oplossing; En wanneer de samenwerking ontbonden wordt wanneer platform en gemeente er niet uitkomen;

Een succesvolle samenwerking hangt altijd af van de inzet van zowel gemeente als platform om samen aan goede en passende samenwerkingsafspraken te werken. De gemeente zal zich hiervoor inzetten, en verwacht dit ook van de platformen. In het uiterste geval kan de gemeente de erkenning intrekken. Het platform krijgt altijd eerst de kans om verbeteringen door te voeren.

 

Artikel 17 Evaluatie en monitoring

Er wordt steeds meer geleerd over participatie. Daarom is het ook van belang om de werking van deze verordening in de praktijk goed bij te houden en de verordening periodiek te evalueren. Zo kan er geleerd worden van de praktijk en kan de verordening worden aangepast als dat nodig blijkt te zijn.

 

Artikel 18 Overgangsrecht

In artikel 3 van de verordening staat dat een participatieplan moet worden vastgesteld bij de start van nieuw beleid of een project. Het overgangsrecht in dit artikel regelt dat het niet altijd verplicht is om alsnog een participatieplan te maken wanneer een proces al begonnen is als deze verordening in werking treedt. Dit is om te voorkomen dat het maken van een participatieplan een puur administratieve handeling is, die voor het project in kwestie weinig zin meer heeft omdat het project al in volle gang is. Deze uitzondering geldt alleen als het project al zo ver is, dat het maken van een participatieplan echt geen zin meer heeft of disproportioneel veel tijd kost of het project vertraagt. Als het beleid of project uit meerdere deelfasen bestaat, dan geldt artikel 3 wel als na de inwerkingtreding van de verordening een nieuwe fase begint.

 

Artikel 19 Intrekking Algemene inspraakverordening

De Algemene inspraakverordening gaat op in deze verordening. Deze participatieverordening verbreedt de mogelijkheden om betrokkenen bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid te betrekken. Een aantal elementen uit de inspraakverordening is opgenomen in artikel 6.

 

Artikel 20 Wijziging Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022

Omdat de Algemene Inspraakverordening komt te vervallen, wordt de verwijzing naar deze verordening in de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied Amsterdam 2022 geschrapt. Er verandert niets aan de regel dat het dagelijks bestuur de stadsdeelcommissie om advies vraagt bij de uitoefening van een bevoegdheid waarbij afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast.

Naar boven