Gemeenteblad van Vught
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Vught | Gemeenteblad 2024, 298332 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Vught | Gemeenteblad 2024, 298332 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Vught 2024
De raad van de gemeente Vught;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 05 maart 2024;
gelet op de artikelen 2.1.3 tot en met 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein 25 januari 2024;
gelet op de constructieve samenwerking in de regio Meierij;
overwegende dat inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
dat van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;
dat inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang;
dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de wijze waarop en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt en zo ja, op welke manier het college beoordeelt welke inhoud deze maatwerkvoorziening moet hebben;
besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Vught 2024.
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Kleinschalig wooninitiatief: Een woonsituatie op basis van een particulier initiatief waarbij minimaal drie en maximaal zesentwintig bewoners een persoonsgebonden budget als bedoeld in de wet ontvangen voor ondersteuning en hiervoor door bundeling van persoonsgebonden budgetten gezamenlijk de ondersteuning inkopen, én waarbij de bewoners verblijven op één woonadres als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet basisregistratie personen, of op verschillende woonadressen binnen een straal van honderd meter, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is die geschikt is voor het ontplooien van gezamenlijke activiteiten.
Mantelzorg: Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
Onderzoeksverslag: Met dit verslag wordt de onderzoeksfase afgesloten. In het onderzoeksverslag worden de uitkomsten van het onderzoek naar de ondersteuningsvraag en de daarbij horende gemaakte afspraken (o.a. monitoring) vastgelegd. De inwoner of de vertegenwoordiger dient het onderzoeksverslag te ondertekenen.
HOOFDSTUK 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag
De melding kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of per e-mail worden gedaan door of namens de inwoner bij Wegwijs+.
De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet schriftelijk (per post of digitaal) of via een ondertekend onderzoeksverslag plaatsvinden.
Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.
HOOFDSTUK 3 Te bereiken resultaten
Artikel 3.1 De te bereiken resultaten
De door het college te verstrekken maatwerkvoorzieningen op het gebied van de zelfredzaamheid en maatschappelijk participatie stellen de inwoner in staat:
Om een huishouden te voeren, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, neemt het college bij de toekenning van een maatwerkvoorziening over hulp bij het huishouden in ieder geval een besluit over de noodzaak van het verrichten, dan wel het bieden van ondersteuning bij de onderstaande taken alsmede de hierbij horende frequentie en tijd, te weten:
HOOFDSTUK 4 Beoordeling van de aanspraak
Artikel 4.1 Uitgangspunt beoordeling maatwerkvoorziening
Bij het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, neemt het college het onderzoeksverslag, indien aanwezig, als uitgangspunt.
Artikel 4.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening
Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:
als een aangevraagde voorziening eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen;
Artikel 4.3 Criteria in verband met wonen
Artikel 4.7 Criteria voor vrouwenopvang
Onverminderd de wet en wat elders in deze verordening is bepaald, kan een inwoner in aanmerking komen voor de vrouwenopvang als die:
slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, geweld in een afhankelijkheidsrelatie, eergerelateerd geweld, dan wel slachtoffer is van mensenhandel, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien er sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is; en
HOOFDSTUK 5 Persoonsgebonden budget
Artikel 5.2 Onderscheid formele en informele hulp
Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen:
Personen die werken bij een professionele instelling die ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 8.5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken.
Personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van het voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 8.5 Handelsregisterwet 2007), en beschikken over relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de betreffende taken.
wordt berekend op basis van een tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;
Het bedrag van het PGB voor individuele begeleiding bedraagt maximaal:
Het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren indien de inwoner informele hulp inschakelt.
HOOFDSTUK 6 Bijdrage in de kosten
Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening
De inwoner is een bijdrage verschuldigd in de vorm van een abonnementstarief als bedoeld in art. 2.1.4a van de Wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voor een maatwerkvoorziening, niet zijnde intramuraal beschermd wonen of opvang. De totale omvang van de eigen bijdrages voor maatschappelijke ondersteuning, met uitzondering van maatschappelijke opvang en intramuraal beschermd wonen, is gelijk aan de totale kostprijs tot aan ten hoogste het op dat moment geldende abonnementstarief.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner.
In afwijking van het eerste lid wordt er een instapprijs en ritprijs gevraagd voor het collectief vraagafhankelijk vervoer. De meest actuele tarieven van het collectief vraagafhankelijk vervoer zijn terug te vinden op http://www.regiotaxi-shertogenbosch.nl/wat-kost-het.
Een eigen bijdrage in de kosten wordt niet opgelegd als de verstrekte voorziening (hulpmiddel of aanpassing) bestaat uit een gemeenschappelijke voorziening. Onder een gemeenschappelijke voorziening wordt verstaan een (woon)voorziening in/aan een gemeenschappelijke ruimte die niet alleen wordt gebruikt door de persoon tot wie de toekenningsbeschikking zich richt. Het bepaalde in dit lid is niet van toepassing op begeleiding groep, vormen van beschermd wonen of maatschappelijke opvang.
In afwijking van het eerste lid wordt de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, niet zijnde beschermd wonen of opvang, op nihil gesteld voor inwoners met een bijdrageplichtig inkomen dat lager is dan 110 % van het sociaal minimum. Vanaf 1 januari 2025 wordt de bijdrage op nihil gesteld voor inwoners met een bijdrageplichtig inkomen dat lager is dan 130 % van het sociaal minimum.
HOOFDSTUK 7 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering
Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende aanspraak op een maatvoorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien uit onderzoek blijkt dat:
HOOFDSTUK 8 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik
Het college informeert de inwoner over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de voorziening.
Artikel 8.2 Onderzoek rechtmatigheid
Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening indien er een vermoeden bestaat van fraude, misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van de verstrekte of nog te verstrekken voorziening. Het college heeft hiervoor een toezichthouder met bevoegdheden aangesteld.
HOOFDSTUK 9 Kwaliteit en inspraak
Artikel 9.2 Prijs-kwaliteitverhouding bij levering voorziening door derden
Artikel 9.5 Betrekken van inwoners bij het beleid
Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval de adviesraad Sociaal Domein Vught, vroegtijdig bij de beleidsvorming, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie van de wet. Dit is bij verordening geregeld in de verordening adviesraad Sociaal Domein. Dit draagt bij aan de totstandkoming en verbetering van het beleid.
Artikel 11.1 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Het college kan de in het kader van deze verordening en de op deze verordening berustende Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Vught geldende bedragen verhogen of verlagen.
Het door het gemeente gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt het beleid vervolgens aangepast.
Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van hoofdstuk 5 en 6 van de Verordening Sociaal Domein 2020 gemeente Haaren voor de duur van de toekenningsbeschikking of totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt op een wettelijke grond wordt gewijzigd of ingetrokken.
Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke Ondersteuning 2015. Via een verordening vult de gemeenteraad, op basis van het door haar aangepaste beleid, haar kaderstellende rol verder in. In dit beleid is de ondersteuning gericht op de persoon en diens plek in de samenleving, in plaats van uitsluitend gericht op diens aandoening, beperking of indicatie. Hierbij wordt verder gekeken dan naar de zorgvraag van een inwoner, maar meegekeken naar de gehele situatie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een aanvraag voor een hulpmiddel, waarbij een overbelaste mantelzorger of eenzame inwoner achter schuilt. We willen dat zo veel mogelijk inwoners van de gemeente hun leven zelfstandig kunnen leiden, maar waar nodig met ondersteuning. Waar mogelijk wordt laagdrempelige hulp of een eerstelijnsvoorziening ingezet, waar nodig wordt verwezen naar specialistische ondersteuning.
HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen
Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen van de begrippen die niet in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of de Algemene wet bestuursrecht staan omschreven.
Onder a Algemeen gebruikelijke voorziening
Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, zodat de voorziening ook op grote schaal door personen zonder een beperking wordt gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan een vergelijkbare voorziening. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de beperkingen onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt moet worden.
Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn: een fiets met trapondersteuning, airconditioning, inductie- en keramische kookplaten, douche, thermostatische kranen, verhoogd toilet of toiletbrilverhoger, toilet op begane grond en op slaapverdieping, wasdroger, een-hendel mengkraan.
Wel moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de inwoner algemeen gebruikelijk is.
Waar iemand woonachtig is, wordt in eerste instantie bepaald door waar iemand staat ingeschreven in de basisregistratie personen. De zinsnede “dan wel zal staan ingeschreven” verwijst naar situaties waarin sprake is van een aanstaande verhuizing naar een andere woning die nog aangepast moet worden voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. De inwoner dient een feitelijk woonadres, dat afwijkt van het adres in de basisregistratie personen, aan te tonen.
De gemeente is, voor wat betreft maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie, verantwoordelijk voor de ingezetenen. Dit geldt overigens niet voor intramuraal beschermd wonen en opvang, waarbij de inwoner zich tot iedere gemeente kan wenden. De wet definieert het begrip ‘ ingezetene’ niet.
Vandaar dat de definitie in de Verordening is opgenomen. Uitgangspunt is dat sprake is van een ingezetene indien de persoon in de gemeente Vught staat ingeschreven in de basisregistratie personen. Mocht sprake zijn van een briefadres in de gemeente Vught dan is de gemeente alleen verantwoordelijk indien deze persoon ook zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente Vught heeft.
Deze definitie maakt helder dat een maatwerkvoorziening in drie vormen kan worden verstrekt:
Het onderzoeksverslag is het resultaat van het onderzoek dat het college uitvoert naar de hulpvraag van de inwoner. Het plan beschrijft de bijdragen die zowel het college, de hulpvrager als het sociale netwerk gaan leveren om gezamenlijk een oplossing te bieden voor de hulpvraag.
Onder q Voorliggende voorziening
Dit is een voorziening op grond van andere wetgeving, die voorgaat op de wet. Te denken valt hierbij aan onder meer voorzieningen waarop de inwoner aanspraak kan maken op basis van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.
HOOFDSTUK 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag
Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden gedaan. De melding kan door of namens de inwoner worden gedaan. In principe kan iedereen namens de inwoner een signaal afgeven dat de inwoner behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning. Echter de melding in de zin van artikel 2.3.2 van de wet (en daarover gaat artikel 2.1) kan alleen worden gedaan door of namens (middels een gemachtigde) de inwoner. Voor die formele eis is bewust gekozen. Het college moet namelijk binnen zes weken na een melding een uitgebreid onderzoek hebben uitgevoerd.
Deze bepaling regelt dat een aanvraag schriftelijk of digitaal kan worden ingediend. De inwoner heeft twee mogelijkheden: het schriftelijk indienen van een aanvraag of het ondertekenen van het onderzoeksplan.
Artikel 2.3 Nadere regels over procedure
In dit artikel is aangegeven dat het college nadere regels kan opstellen voor de wijze waarop wordt beoordeeld of de inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.
Artikel 2.4 Medewerkingsverplichting inwoner, huisgenoten en/of vertegenwoordigers
Dit is een uitwerking van artikel 2.3.8 van de wet. Echter voor het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening kan het, bijvoorbeeld in het kader van gebruikelijke hulp, van belang zijn om ook de huisgenoten te kunnen spreken. Daarom is er voor gekozen om ook huisgenoten te kunnen oproepen om hen te bevragen dan wel te onderzoeken. In het tweede lid is expliciet opgenomen dat de inwoner en diens huisgenoten medewerking moeten verlenen.
HOOFDSTUK 3 Te bereiken resultaten
Hierin wordt vastgesteld de uitwerking van de rechtsplicht van het college tot bevordering van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie op het gebied van het voeren van het huishouden en de hierbij behorende maatwerkvoorzieningen.
In lid 2 staan specifiek de resultaten benoemd die door of namens het college bereikt moeten worden wanneer het college besluit tot toekenning van maatwerkvoorzieningen in verband met de belemmeringen die een belanghebbende ondervindt bij het voeren van een huishouden.
Deze resultaten zijn dat een belanghebbende dan moet kunnen beschikken over:
II Definities ivm artikel 3.1 lid 1 en lid 7
Om te komen tot de in het eerste lid van artikel 3.1 bedoelde resultaten, is in lid 7 bepaald dat onder de taken in ieder geval dient te worden gerekend de volgende activiteiten, te weten:
1. Maatstaf Schoon en leefbaar – bijbehorende taken
In artikel 3.1 lid 1 staat dat na toekenning van een maatwerkvoorziening in verband met het voeren van een huishouden, de inwoner moet kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis. Hieronder wordt verstaan dat het huis zodanig ‘schoon’ dient te worden gehouden dat het niet vervuilt en dat zo een basisniveau van schoon (visueel stof- en vlekvrij) wordt bereikt.
Het gaat hierbij om wat moet worden gedaan om het resultaat van schoon en leefbaar te kunnen bereiken. Anders gezegd, dat wil zeggen dat de woning van de inwoner schoon is volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Dit kan heel praktisch betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van iedere inwoner afzonderlijk.
Het begrip “leefbaar” staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De aanwezigheid van dieren of een druk interieur van het huis zijn bijvoorbeeld geen reden voor uitbreiding van de hulp.
2. Schoon en leefbaar huis in samenhang met de primaire leefruimten
In het kader van de Wmo 2015 dient rekening te worden gehouden met de volgende definitie van een woning, welke schoongemaakt dient te worden: de inwoner dient gebruik te kunnen maken van een aantal elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, slaapkamer of een als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte(s), keuken, sanitaire ruimtes (maximaal 1 badkamer en maximaal twee toiletten) en aangrenzende hal/trap/overloop.
Het gaat aldus over de primaire leefruimten in het huis die de inwoner daadwerkelijk frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Daarnaast betreft het de “binnenkant” van het huis. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier dus niet onder.
3. Het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding
In artikel 3.1 lid 1 onder c wordt als te behalen resultaat in verband met de ondersteuning bij het voeren van een huishouden, tevens benoemd het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dit houdt in dat de inwoner, indien nodig, ondersteuning ontvangt zodat deze over schone en draagbare kleding kan beschikken. Onder het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding wordt ook het wassen van het bed- en linnengoed verstaan. Concrete taken bij deze maatwerk ondersteuning zijn het sorteren, wassen en drogen van het wasgoed. Ook omvat dit strijken en het wasgoed opvouwen en opbergen.
Draagbare kleding houdt in dat de bovenkleding niet gekreukeld is. Daarbij is het een eigen verantwoordelijkheid van een inwoner om zo min mogelijk strijkgoed te hebben door bij voorbeeld de aanschaf van strijkarme kleding. Andere was dan bovenkleding wordt niet gestreken.
4. Het kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften
In zeer uitzonderlijke gevallen wordt ondersteuning geboden bij het doen van boodschappen.
Met dit te behalen resultaat is bedoeld dat een inwoner ondersteuning kan krijgen bij taken, zoals het klaarmaken van de broodmaaltijd (smeren, indien mogelijk klaarzetten in trommeltje in de koelkast) en het zetten van koffie of thee en/of het klaarmaken van de warme maaltijd (opwarmen in de magnetron of het koken van de warme maaltijd).
Eventueel ondersteuning bij het opruimen en afwassen van de gebruikte (keuken)hulpmiddelen, valt hier ook onder.
Regie wordt als onderdeel van een maatwerkvoorziening toegekend als er ondersteuning nodig is bij het voeren van een gestructureerd huishouden. Concrete taken van de zorgaanbieder bij deze maatwerkondersteuning zijn het samen-op-werken van inwoner en huishoudelijke hulp tijdens de uitvoer van de schoonmaakwerkzaamheden, het aansturen van inwoner door de huishoudelijke hulp tot uitvoer van huishoudelijke werkzaamheden, het geven van instructies door de huishoudelijke hulp aan inwoner / volwassen huisgenoten (gebruikelijke hulp) met betrekking tot gebruik (technische) hulpmiddelen.
7. Frequentie en tijd huishoudelijke taken
Er moeten duidelijke afspraken worden gemaakt tussen zorgaanbieder en inwoner over de frequentie waarmee de taken worden uitgevoerd. Dit gesprek vindt plaats aan de hand van een door de gemeente aan de zorgaanbieder verstrekt format voor een ondersteuningsplan. De afspraken die een inwoner maakt over de frequentie van de schoonmaak moeten zó zijn dat de onder 2 genoemde primaire leefruimten op een algemeen aanvaardbaar basisniveau schoon en leefbaar blijven.
Dit kan ook heel praktisch betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van de inwoner. Het is aan de inwoner om samen met de zorgaanbieder keuzes te maken en prioriteiten te stellen.
Uitbreiding van huishoudelijke ondersteuning is mogelijk als de inwoner op grond van (ernstige) beperkingen zelf geen mogelijkheden heeft om enige huishoudelijke werkzaamheden te verrichten of medische beperkingen heeft waaruit een hoger niveau van hygiëne noodzakelijk is.
Bij deze zaken geldt dat wordt verwacht dat een inwoner zelf al het mogelijke in het werk heeft gesteld ter beperking van vervuiling. Zo wordt van mensen met allergieën of COPD/astma verwacht dat zij in een gesaneerd huis wonen. Pas dan is het hogere niveau van hygiëne te bereiken.
8. De taken die horen bij de ondersteuning bij het voeren van een huishouden
In het format van het ondersteuningsplan staan alle mogelijke taken opgesomd. De zorgaanbieder en de inwoner maken in een ondersteuningsplan specifieke afspraken over de uit te voeren taken en frequentie. Het college controleert of het plan voldoet aan de regels en of de inwoner hiermee voldoende gecompenseerd wordt.
9. artikel 3.1 lid 8 Gebruikelijke hulp
Bij het onderzoek naar de aanvraag voor huishoudelijke hulp wordt in het kader van de Wmo niet alleen de situatie van inwoner zelf bekeken. De gehele leefeenheid (inwonende personen) is verantwoordelijk voor het resultaat schoon en leefbaar huis en het hebben van schone en draagbare kleding. De inzet van de leefeenheid is voorliggend op een maatwerkvoorziening vanuit de gemeente en moet altijd eerst onderzocht te worden.
Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden.
Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten.
Bijdrage van kinderen aan het huishouden:
In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken:
Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-21 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn:
Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.
Vanaf 21 jaar wordt iemand geacht een volledig huishouden te kunnen voeren.
10. Nadere regels op grond van artikel 3.1 lid 9
Om snel in te kunnen springen op een behoefte aan extra kaders of regels is in lid 9 aan het college de regelgevende bevoegdheid toegekend om nadere regels te stellen.
HOOFDSTUK 4 Beoordeling van de aanspraak
Artikel 4.1 Uitgangspunt beoordeling maatwerkvoorziening
Op grond van artikel 2.3.2 lid 8 van de wet is het college verplicht de inwoner een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek te verstrekken. Bij het beoordelen van de aanspraak voor een maatwerkvoorziening welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt het college dat onderzoeksverslag, indien aanwezig, als uitgangspunt. Een dergelijk onderzoeksverslag kan achterwege blijven indien de situatie duidelijk is en ook welke maatwerkvoorziening aan de orde is. Dat kan zich bijvoorbeeld doen bij de verlenging van een toekenning. Het college kan verder afzien van het verstrekken van de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek indien de inwoner aangeeft geen prijs te stellen op het onderzoeksverslag. Dat kan zich onder andere voordoen als de onderzoeksprocedure ertoe heeft geleid dat de inwoner wegen heeft gevonden om zelf of met hulp van anderen te participeren.
Artikel 4.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening
De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend, ook wel adequaat of compenserend genoemd, als de meest goedkope voorziening te zijn. Allereerst moet dus sprake zijn van een passende voorziening. Indien meerdere voorzieningen passend zijn, wordt volstaan met het verstrekken van de goedkoopste van de passende voorzieningen.
Uit artikel 1.2.1 van de wet volgt dat de inwoner aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening ten behoeve van de zelfredzaamheid of participatie in de gemeente waar hij ingezetene is voor zover het…….De wet bevat geen definitie van “ingezetene”. In de verordening is daaraan invulling gegeven door in artikel 1.1 een definitie op te nemen.
De wet bevat geen bepaling die regelt dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. De bepaling regelt, vergelijkbaar aan artikel 15 van de Participatiewet, dat kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet via de wet worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de Zorgverzekeringswet.
Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de maatwerkvoorziening in de situatie van de inwoner algemeen gebruikelijk is. Voor het begrip algemeen gebruikelijk wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.
In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsplicht van de inwoner opgenomen. En in artikel 2.4 van deze verordening is voor de inwoner, diens huisgenoten en/of vertegenwoordiger een specifieke medewerkingsplicht neergelegd. Verleent de inwoner, de huisgenoot of vertegenwoordiger geen medewerking dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld.
Artikel 4.3 Criteria in verband met wonen
Dit artikel bevat een aantal weigeringsgronden die verband houden met wonen (het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning).
Artikel 4.4 Criteria in verband met vervoer
Het tweede lid regelt het primaat van het collectief vervoer. Bij de beoordeling of dit primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval.
Artikel 4.5 Criteria beschermd wonen
Er zijn twee pakketten Intramuraal Beschermd Wonen waar 24/7 begeleiding aanwezig is, twee pakketten Kleinschalig Thuis met 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid binnen 2 uur en begeleiding op vaste momenten en twee pakketten Zelfstandig Thuis met 24/7 bereikbaarheid en beschikbaarheid binnen 4 uur en begeleiding op vaste momenten. Bij de Intramurale pakketten woont de inwoner op de locatie van de aanbieder. Bij Kleinschalig Thuis en Zelfstandig Thuis huurt of heeft de inwoner zelf een woonruimte. Binnen de pakketten neemt de gemiddelde intensiteit van de begeleiding steeds verder af. Dit past binnen het principe dat een inwoner toewerkt naar herstel en steeds meer zelfstandig kan participeren in de maatschappij. De verschillende vormen gaan gepaard met verschillende tarieven.
HOOFDSTUK 5 Persoonsgebonden budget
Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 van de wet bevatten een aantal (deels facultatieve) criteria om in aanmerking te komen voor een PGB. In aanvulling daarop bevat dit artikel een aantal weigeringsgronden voor een PGB. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de inwoner om een motivatieplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen voor een PGB. Voor het overige zijn de weigeringsgronden afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ.
Artikel 5.2 Onderscheid formele en informele hulp
In lid 5 is bepaald dat budgethouders geen informele hulp kunnen inkopen voor groepsbegeleiding, kortdurend verblijf, de verschillende pakketten van beschermd wonen en dagbesteding bij beschermd wonen. Gelet op de ondersteuningsbehoefte en de benodigde kwaliteit kan hiervoor alleen hulp worden ingekocht van een professionele aanbieder of zzp’er zoals benoemd in lid 1 (formele hulp). Een kind, ouder of andere bloedverwant kan als zzp’er werken of in loondienst zijn van een professionele organisatie. Als die wordt ingekocht door de budgethouder dan ontvangt hij/zij het informele tarief omdat er sprake is (in dit voorbeeld) van bloedverwantschap van eerste graad.
Om voor het tarief voor een reguliere aanbieder in aanmerking te komen dient de budgethouder aan te tonen dat de aanbieder aan twee van de drie criteria van artikel 2.3.6 lid 2 van de wet voldoet.
Dit artikel regelt de hoogte van een PGB en de daarbij te hanteren berekeningssystematiek als de budgethouder kiest voor inschakeling van iemand uit het formele (professionele) circuit of en informele (niet professionele) netwerk.
De basis van het PGB is dat de inwoner zelf verantwoordelijk is om de zorg te regelen en afspraken te maken over de aard en organisatie van de ondersteuning. Daarnaast is de administratie en facturatie elders belegd (bij de Sociale Verzekeringsbank). Daarmee vervalt een deel van de organisatiekosten (overhead) die de organisatie bij de hulp in natura wel heeft. De personele overhead en de administratieve lasten zijn lager bij de aanbieder die met het PGB wordt ingekocht. Het continuïteitsrisico ligt bij de budgethouder, deze is zelf verantwoordelijk voor de hulp die hij/zij nodig heeft. Dat maakt dat er een korting wordt toegepast voor de PGB tarieven in relatie tot de tarieven voor hulp in natura.
Hierbij wordt het tarief vastgesteld:
HOOFDSTUK 6 Bijdrage in de kosten
Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening
Dit artikel regelt dat een inwoner bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening een bijdrage is verschuldigd. Onder de Wmo 2015 is ook een bijdrage voor een woningaanpassing ten behoeve van kinderen jonger dan 18 jaar verschuldigd. De kaders voor de hoogte van de bijdrage zijn vastgelegd in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, waarbij er drie verschillende systematieken zijn voor:
Bij alle voorzieningen wordt voor de hoogte van de bijdrage de landelijke regeling (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gevolgd, waarbij wordt uitgegaan van het maximale abonnementstarief.
Aanvullend op het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treft de gemeente Vught minimabeleid met het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Dat wil zeggen dat inwoners met een verzamelinkomen tot 110% van het sociaal minimum, wel een eigen bijdrage (fictief) opgelegd krijgen door het Centraal Administratie Kantoor doch deze in opdracht van de gemeente niet wordt geïnd. Vanaf 1 januari 2025 gaat het om inwoners met een verzamelinkomen van 130 %.
In dit artikel is de wijze van berekening van de hoogte van de kostprijs weergegeven. De kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de gemeente aan de leverancier/aanbieder betaalt, inclusief kosten als onderhoud, reparatie en verzekering. Bij een PGB is de kostprijs gelijk aan het bedrag van het PGB. Het college stelt nadere regels over een (eventuele) lagere kostprijs.
HOOFDSTUK 7 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering
De wettelijke bepaling over met name terugvordering zijn summier en artikel 2.3.10 maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Bij beëindiging is sprake indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo voorzieningen over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht. Het college moet, voordat het besluit tot intrekking van een voorziening, een afweging maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van belanghebbende om te participeren zwaar dient te wegen.
In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen indien de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, kan het college op grond van de wet overgaan tot terugvordering. De gemeente heeft er daarom voor gekozen om de terugvorderingsgronden uit te breiden. Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden in de verordening voor wat betreft de invordering. Bij de terugvorderingsgronden in de verordening moet de invordering langs civielrechtelijke weg geschieden. Dit betekent onder meer dat in elk afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk zal de onverschuldigdheid van de betaling ontstaan door het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit. Bij de in de wet opgenomen terugvorderingsgrond heeft het college de mogelijkheid het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake van een executoriale titel, waarmee direct beslag kan worden gelegd.
HOOFDSTUK 8 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik
In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze het ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen alsmede het misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt bestreden. Belangrijk is om de inwoner bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten en te wijzen op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het college controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en bij het vermoeden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het college kan bij de controle onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.
HOOFDSTUK 9 Kwaliteit en inspraak
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van inwoneren en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.
Artikel 9.2 Prijs-kwaliteitverhouding bij levering door derden
Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4 van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6 lid 1 van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
Artikel 9.3 Regeling voor klachtenafhandeling
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet. Het college moet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het college dat nodig vindt, over een klachtenregeling beschikt. In dat geval ziet het college ook toe op de naleving ervan.
Artikel 9.4 Regeling voor medezeggenschap
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet. Het college moet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het college dat nodig vindt, over een regeling voor medezeggenschap beschikt. In dat geval ziet het college ook toe op de naleving ervan.
Artikel 11.1 Hardheidsclausule
Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks de uitkomst van die zeer persoonlijke afweging toch nog leidt tot een onbillijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-298332.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.