Gemeenteblad van Terneuzen
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Terneuzen | Gemeenteblad 2024, 286686 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Terneuzen | Gemeenteblad 2024, 286686 | ander besluit van algemene strekking |
Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Terneuzen 2024
De Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2024 (verder te noemen: de verordening) is op 14 december 2023 door de gemeenteraad vastgesteld. De datum van inwerkingtreding is 1 januari 2024. Deze verordening vormt de basis voor deze nadere regels.
De verordening is een algemeen verbindend voorschrift en is rechtstreeks bindend voor de burger. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (verder te noemen: Wmo 2015) bepaalt dat de gemeente een aantal zaken in de verordening regelt. De verordening bevat een aantal hoofdregels.
Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een uitwerking zijn van de verordening. Het college heeft op grond van de verordening de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten voor inwoners.
Gemeente Terneuzen heeft de uitvoering van de Wmo 2015 neergelegd bij aan-z. Bij deze uitvoeringsorganisatie zijn de Wmo-consulenten in dienst, die namens het college meldingen en aanvragen afhandelen.
De begrippen in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 en 11.1 van de verordening zijn ook op deze nadere regels van toepassing.
Aanvullend hierop is het volgende bepaald:
FACT team Zeeuwse Gronden en Emergis: het FACT-team is een multidisciplinair team bestaande uit een verpleegkundige, een gz-psycholoog of psychiater en vakspecialisten zoals een maatschappelijk werker, dagbestedingsconsulent, creatief therapeut, ervaringsdeskundige. Samen bepalen zij welk zorgaanbod het in het specifieke geval het meest passend is.
2.1 Melding bij de gemeente (art. 2.1 van de verordening)
b. Het college heeft voor het doen van een melding van een hulpvraag een meldingsformulier vastgesteld. Het meldingsformulier is digitaal in te vullen op de website van de gemeente:
In artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo 2015 bepaalt dat het college de ontvangst van de melding bevestigt. De cliënt krijgt een ontvangstbevestiging per mail of per brief. Er wordt binnen 5 werkdagen na ontvangstdatum van de melding een afspraak met de cliënt gemaakt. De cliënt wordt daarbij over de mogelijkheid van cliëntondersteuning geïnformeerd.
Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. De cliënt bepaalt of en wie hij als cliëntondersteuner wil. Daarbij heeft de cliënt drie mogelijkheden:
de cliënt doet een beroep op de cliëntondersteuning van de buurgemeenten Hulst en Sluis. Gemeente Terneuzen heeft met deze gemeenten de afspraak dat als een cliënt geen beroep wil doen op de professionele cliëntondersteuning van aan-z, hij er altijd voor kan kiezen om een beroep te doen op de gemeenten Hulst of Sluis. De consulenten van deze gemeenten nemen in dat geval de taak van cliëntondersteuning voor hun rekening.
Vanaf de datum van melding bij de gemeente begint de wettelijke onderzoekstermijn van zes weken te lopen. In de ontvangstbevestiging staat naast hetgeen in lid 2 is opgenomen:
informatie over de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen. In dit (persoonlijk) plan legt de cliënt uit hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn hulpvraag. Er is geen vormvereiste voor het opstellen van het plan. In artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de cliënt wijst op de mogelijkheid van het indienen van een plan en stelt hem gedurende 7 dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen;
2.2 Het gesprek (art. 2.2 van de verordening)
2.3 Inhoud van het gesprek (art. 2.2.1 van de verordening)
Als tijdens het gesprek blijkt dat bij de cliënt sprake is van een schuldhulpverleningstraject, worden de Richtlijnen vrijstelling voor de eigen bijdrage Wmo gehanteerd.
2.5 Aanvraag (art. 2.4 van de verordening)
Als de aanvraaggegevens van de cliënt niet compleet zijn, krijgt de cliënt een redelijke hersteltermijn om de gegevens aan te leveren. In het algemeen volstaat een termijn van twee weken als een redelijke termijn om gegevens aan te leveren. Als de gegevens na de hersteltermijn nog niet compleet zijn, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld.
2.6 Beoordelen van de aanvraag (art. 2.4.2 van de verordening)
Uit art 2.3.2 lid 4 onder a tot en met g van de Wmo 2015 in samenhang met art. 2.3.5 lid 3 en 4 van de Wmo 2015 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre:
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als is bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang.
Eigen kracht (art 2.4.1, eerste lid onder b van de verordening)
Eigen kracht verwijst naar de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. Het college verwacht van de cliënt dat hij zich inspant om datgene aan te wenden wat binnen zijn bereik ligt om zelf in zijn behoefte te voorzien. Eigen kracht is ook:
Gebruikelijke hulp (artikel 2.4.1, eerste lid onder b van de verordening)
De consulent beoordeelt of, en zo ja, in hoeverre de cliënt met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Onder gebruikelijke hulp wordt de normale, dagelijkse hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten verstaan. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouden brengt immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich mee. Partners en inwonende gezinsleden staan elkaar bij in de normale dagelijkse zorg, zoals taken in het gezamenlijke huishouden, administratie, schoonmaken, elementaire zorgtaken, bezoek aan familie/instantie/arts etc. De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp aangeduid kan worden. Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van de cliënt en zijn huisgenoten. Iedere situatie is anders en vraagt om maatwerk. Daarbij is het CIZ-protocol richtinggevend (zie Bijlage 1).
Mantelzorg (artikel 2.4.1, eerste lid onder b van de verordening)
In de Wmo 2015 is het begrip ‘mantelzorg’ als volgt beschreven: ‘hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet worden verleend in het kader van een hulpverlenend beroep’.
Mantelzorg is in tegenstelling tot gebruikelijke hulp vrijwillige zorg en kan dus niet worden afgedwongen.
Het is daarom ook altijd belangrijk om vooral af te gaan op wat de mantelzorger zelf aangeeft.
De gemeente kan een vorm van respijtzorg toekennen. Dit kan gebeuren in de vorm van dagbesteding en kortdurend verblijf.
De doelgroep die in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf ter ondersteuning van de mantelzorger bestaat uit cliënten:
Sociaal netwerk (artikel 2.4.1, eerste lid onder b van de verordening)
Met het sociaal netwerk worden personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt, bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan uitwonende kinderen, buren, vrienden, vrijwilligers e.d.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen (artikel 2.4.1, eerste lid onder b van de verordening)
Een zaak of een dienst is algemeen gebruikelijk als voldaan wordt aan de volgende vier voorwaarden:
2.7 Inhoud van het besluit (art. 2.5.1 van de verordening)
In de beschikking worden de volgende verplichtingen voor de cliënt opgenomen:
Ook als een maatwerkvoorziening eenmaal is toegekend geldt een inlichtingenplicht. Die houdt in dat de cliënt op verzoek of meteen uit eigen beweging mededeling moet doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de verstrekking van een voorziening.
Het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot intrekking of herziening van de maatwerkvoorziening. Als de cliënt twijfelt of bepaalde informatie relevant is, neemt hij hierover actief contact op met de gemeente.
In het verlengde van de inlichtingenplicht ligt de medewerkingsplicht. Die houdt in dat de cliënt alle medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Wmo 2015 die de gemeente noodzakelijk vindt. Zo is de cliënt verplicht om gehoor te geven aan een oproep van de gemeente of om zich te onderwerpen aan onderzoek dat door (of namens) het college is ingesteld.
Bij een onderzoek naar de vraag of er sprake is van gebruikelijke hulp geldt de medewerkingsplicht óók voor de huisgenoten van de cliënt.
Als de cliënt niet voldoet aan de medewerkingsplicht dan kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Vooral als de gemeente niet kan vaststellen of iemand (nog langer) recht heeft op een maatwerkvoorziening. Of als de omvang van de voorziening niet kan worden vastgesteld.
Als aan de cliënt een maatwerkvoorziening wordt toegekend, wordt verwacht dat hij naar vermogen meewerkt aan het opstellen van het ondersteuningsplan en het behalen van de daarin beschreven doelen en resultaten.
Het al dan niet opzettelijk niet meewerken aan het behalen van de doelen en resultaten en/of het niet nakomen van gemaakte afspraken, kan leiden tot een tijdelijke opschorting van de ondersteuning of, in het uiterste geval, tot beëindiging daarvan. Uiteraard kan dit niet als uit de aard van iemands beperkingen voortvloeit dat die medewerking niet of in beperkte mate verleend kan worden.
Als een cliënt een beschikking heeft ontvangen en niet binnen drie maanden gebruik maakt van de toegekende maatwerkvoorziening, dan vervalt het recht op aanspraak, tenzij de cliënt de gemeente hierover schriftelijk heeft geïnformeerd en uitstel hiervan heeft gevraagd.
Het verval van recht geldt niet als de cliënt kan aantonen dat er een dringende reden aanwezig is waardoor de cliënt niet binnen de periode van drie maanden gebruik kan maken van de toegekende voorziening. Bij een dringende reden moet er iets uitzonderlijks aan de hand zijn, bijvoorbeeld langdurige ziekenhuisopname of een lange wachtlijst bij de zorgaanbieder die de zorg gaat leveren. Dit laatste geldt dat niet als de cliënt dezelfde zorg kan afnemen bij een andere zorgaanbieder die wel binnen de termijn van drie maanden de zorg kan leveren.
Hoofdstuk 3 Wonen en meedoen in een veilige en gezonde omgeving
3.1 Zo lang mogelijk zelfredzaam zijn (art. 5.1 van de verordening)
3.2 Begeleiding (art. 5.1 en 5.2 van de verordening)
Onder verwijzing naar het bepaalde in artikelen 5.1 en 5.2 van de verordening geldt het volgende:
Begeleiding kan als maatwerkvoorziening worden ingezet bij een cliënt van 18 jaar en ouder met:
groepsbegeleiding (dagbesteding) Externe link: (Externe link: regulier of specialistisch).
Inzet reguliere of specialistische begeleiding
De consulent bepaalt of de toegekende maatwerkvoorziening begeleiding regulier of specialistisch moet zijn. Dit geldt zowel voor individuele als groepsbegeleiding. Voor specialistische begeleiding moet aan alle genoemde kenmerken voldaan worden. De keuze welk product de consulent inzet blijft altijd maatwerk op basis van het gesprek.
Voorwaarden voor inzet gespecialiseerde begeleiding (in groep en individueel).
Er is sprake van een cliënt met een hulpvraag op meerdere gebieden. Het gaat om mensen met fysieke, cognitieve en/ of sociaal-emotionele beperkingen die langdurig gepaard gaan met ernstig regieverlies en verlies van zelfredzaamheid. De cliënt is niet in staat om zonder professionele hulp regie over het eigen leven te voeren. Dit komt tot uitdrukking in het gespreksverslag.
3.2.1 Individuele begeleiding en groepsbegeleiding (art.5.1 en 5.2 van de verordening)
Onder verwijzing naar het bepaalde in artikelen 5.1 en 5.2 van de verordening geldt het volgende:
Individuele begeleiding kan worden ingezet om te ondersteunen bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Dan gaat het om oefenen en inprenten van vaardigheden die helpen bij het bevorderen of in stand houden van de zelfredzaamheid. Ook kan individuele begeleiding verstrekt worden ten behoeve van ondersteuning of aanleren van vaardigheden bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen of ten behoeve van het houden van toezicht op een cliënt.
Om in aanmerking te komen voor individuele begeleiding moet zijn vastgesteld dat de cliënt matige tot zware beperkingen heeft op één of meer van de volgende vier terreinen:
3.2.2 Kortdurend verblijf als respijtzorg (art. 5.1 en 5.2 van de verordening)
Is het nodig dat een mantelzorger tijdelijk ontlast wordt, dan kan kortdurend verblijf worden toegekend op grond van de Wmo 2015. Heeft een cliënt een Wlz-indicatie, dan komt logeeropvang ten laste van de Wlz. Als er een medische noodzaak is voor verblijf, dan kan (eerstelijns) verblijf worden toegekend op grond van de Zvw.
Verschillende vormen van respijtzorg
Er zijn verschillende vormen van respijtzorg, te weten:
Een belangrijke voorwaarde om in aanmerking te komen voor kortdurend verblijf op grond van de Wmo 2015 is dat de cliënt geen beroep kan doen op een vorm van respijtzorg op grond van zijn zorgverzekering.
Kortdurend verblijf als respijtzorg kan worden toegekend bij:
De omvang van kortdurend verblijf bestaat uit maximaal 15 etmalen per jaar. Het is mogelijk om eenmaal per jaar maximaal 10 etmalen aaneengesloten op te nemen. Deze aaneengesloten etmalen worden in mindering gebracht op het totaal jaarlijks aantal etmalen.
3.2.3 Kortdurend verblijf als logeervoorziening GGZ (art. 5.1 en 5.2 van de verordening)
Inwoners van de gemeente Terneuzen met een psychiatrische problematiek kunnen gebruik maken van een tijdelijke logeervoorziening. Het betreft mensen waarbij het in de thuissituatie of op de woonlocatie even niet meer lukt, kunnen hiervan gebruik maken.
Een opname in de logeervoorziening is meestal acuut. Daarom heeft gemeente Terneuzen afspraken over de toegang gemaakt. De FACT-teams van Zeeuwse gronden en Emergis verzorgen de indicering voor de logeervoorziening.
Binnen één werkdag na opname in de logeervoorziening doet de behandelaar van het FACT-team een Wmo-melding. Hij doet dit samen met de cliënt via de website van de gemeente of via de website van aan-z. Ook kunnen ze een beknopt ondersteuningsplan uploaden, ondertekend door de cliënt. Op de Wmo-melding geeft het FACT-team aan dat het om een spoedmelding gaat, en per wanneer de indicatie dient in te gaan. De afspraak is dat de datum van opname tevens de datum ingang beschikking is.
Aan-z geeft vervolgens direct toestemming (aan FACT-team) en geeft binnen 10 werkdagen een beschikking af voor maximaal 20 aaneengesloten dagen. Als verlenging noodzakelijk is moet het FACT-team opnieuw een Wmo-melding doen op de website. Er wordt door aan-z dan een nieuwe beschikking afgeven voor een periode van maximaal 20 aaneengesloten dagen. Verlenging is tweemaal mogelijk met een maximum van 60 dagen per kalenderjaar. Als het FACT team een verlenging noodzakelijk vindt dan doen ze opnieuw een Wmo-melding.
Gezien het doel van deze voorziening is een persoonsgebonden budget (pgb) niet mogelijk.
3.3 Een schoon en leefbare woning (art. 5.3.2 van de verordening)
De maatwerkvoorziening ‘hulp bij het huishouden’ kan in uren en minuten worden toegekend aan de persoon bij wie sprake is van lichamelijke en of psychische beperkingen en die niet met gebruikelijke hulp of met behulp van zijn sociale netwerk zijn huis leefbaar kan houden. Dit kan zich uiten in vervuiling, verwaarlozing of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten/kinderen. Onder ‘huis’ wordt verstaan een zelfstandige leefeenheid. Huishoudelijke taken worden dan overgenomen door een huishoudelijke hulp.
Het doel van huishoudelijke hulp is een schoon en leefbaar huis. Een schoon en leefbaar huis houdt in dat de woning opgeruimd en functioneel moet zijn, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De woning moet schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen.
De cliënt moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek, de keuken, sanitaire ruimtes en gang en trap. Een hobbyruimte, een zolder, een kelder en een berging valt niet onder ruimten, waarvoor een indicatie voor huishoudelijke hulp wordt afgegeven. Ook het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van huishoudelijke hulp.
De normering van de voorziening:
Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, maakt het college gebruik van het HHM-normenkader d.d. juni 2019 (zie bijlage 2). Het normenkader voldoet aan de eisen van de CRvB ten aanzien van deugdelijke en objectieve onderbouwing (zie CRvB 10 december 2018, ECLI: NL: CRVB:2018:3835). De normtijden van het normenkader vormen het uitgangspunt, waarbij uitgegaan wordt van de gemiddelde cliëntsituatie.
Aangezien elke individuele situatie apart onderzocht wordt, kan indien noodzakelijk er van de norm worden afgeweken. Immers niet elke cliënt past in de gemiddelde cliëntsituatie. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd.
Van een gemiddelde cliëntsituatie is sprake in de volgende situatie:
Het normenkader gaat uit van een basismodule en de aanvullende modules. Het normenkader kent van zes modules, te weten:
Iedere module heeft zijn eigen resultaat en een eigen maximum norm. Op basis van de persoonlijke situatie van de cliënt wordt vastgesteld welk deel van de activiteiten de cliënt zelf of met hulp van zijn netwerk kan uitvoeren en welk deel wordt overgenomen door de huishoudelijke hulp. De werkzaamheden die de cliënt zelf of met behulp van zijn netwerk kan verrichten, worden niet overgenomen door de huishoudelijke hulp. De gemeente bekijkt, samen met de cliënt, welke ondersteuning noodzakelijk is in het huishouden. De gemeente informeert hierover de zorgaanbieder.
In het geval van volledige overname wordt uitgegaan van 125 minuten per week. Minder inzet is aan de orde als de cliënt en/of zijn netwerk eigen mogelijkheden heeft om bepaalde activiteiten te verrichten. In dat geval vindt er een korting met 15 minuten per week plaats. Meer inzet kan aan de orde zijn als er één of meer factoren aan de orde zijn. Deze factoren zijn: beperkingen en belemmeringen van de cliënt, samenstelling huishouden, extra kamer ‘in gebruik’, extra kamer ‘niet in gebruik’, extra vervuiling huisdier en overige kenmerken. In Bijlage 2 staan per factor de extra inzet per minuten aangegeven.
Voor de ‘wasverzorging’ wordt uitgegaan van 35 minuten tot 43 minuten per week, afhankelijk of er sprake is van een eenpersoonshuishouden of een tweepersoonshuishouden. Als ook de activiteit ‘strijken van de was’ moet worden overgenomen, staat hiervoor 20 minuten per week. Minder inzet is aan de orde als de cliënt of het netwerk eigen mogelijkheden heeft. In dat geval wordt 17 minuten per week gekort. Meer inzet is mogelijk als de oorzaak ligt in de beperkingen en belemmeringen van de cliënt, zodat het doen van extra was nodig is. In dat geval wordt 16 minuten per week extra geïndiceerd.
Voor het doen van ‘boodschappen’ kan als de cliënt daartoe niet in staat is, 51 minuten per week worden geïndiceerd. Minder inzet is aan de orde als de cliënt of het netwerk eigen mogelijkheden heeft. Is hiervan sprake, dan wordt een korting van 10 minuten per week toegepast.
Als de cliënt zelf geen regie over de hulp bij het huishouden kan uitvoeren, dan kan hiervoor 30 minuten per week worden toegekend. Is ook advies, instructie of voorlichting nodig, dan kan voor de maximale duur van zes weken 90 minuten per week worden geïndiceerd.
Als het ‘klaarzetten en of het bereiden van maaltijden’ noodzakelijk is, kan er extra tijd worden toegekend. In Bijlage 2 staat hiervoor het aantal minuten per week vermeld.
Bij ‘kindzorg’ is altijd sprake van maatwerk. Daarbij wordt gekeken wat een kind/jeugdige op grond van zijn leeftijd zelf wel of niet kan.
Invloedsfactoren voor meer-of minder-inzet
De mogelijkheid om voor bijzondere situaties af te wijken van het normenkader: Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding.
De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder professionele ondersteuningstijd nodig is voor een cliënt, om te komen tot ondersteuning op maat. Dit kan gaan om:
B. kenmerken van het huishouden of;
Mogelijkheden van de cliënt zelf: de fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee.
Beperkingen en belemmeringen van de cliënt, die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is, is leidend, niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken:
Ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers: de hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, zodat minder professionele inzet vanuit de gemeente noodzakelijk is omdat een deel activiteiten door niet-professionals wordt gedaan.
Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke zorg1).
De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimten in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.
Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Dit staat nog los van de verzorging van huisdieren. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (een goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente komen.
Inrichting van de woning: extra inzet kan nodig zijn door bijvoorbeeld extra beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubels in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan met de cliënt besproken worden of het mogelijk is de inrichting van de woning zo aan te passen dat deze minder bewerkelijk is (eigen kracht).
Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet kan nodig zijn door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes.
Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimten kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld te stofzuigen, maar het kan ook stofzuigen gemakkelijker maken omdat je eenvoudig overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.
Voortzetten huishoudelijke hulp na overlijden van cliënt
Wanneer de cliënt overlijdt, kan de huisgenoot die achterblijft huishoudelijke hulp blijven ontvangen gedurende tenminste één volledige kalendermaand, met dien verstande dat deze termijn afloopt op de laatste dag van de volle opvolgende maand. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot de tijd om de ondersteuning op een andere manier te organiseren of de (veranderende) indicatie, na onderzoek van de gemeente, op zijn naam te kunnen laten zetten.
Aanleren huishoudelijke activiteiten
Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of geen ‘huishoudelijke werkzaamheden willen en of kunnen verrichten’ leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor maximaal acht weken ondersteuning voor het aanleren van huishoudelijke taken en of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden.
3.4 Verplaatsen in en om de woning (art. 5.4.1 van de verordening)
Voorwaarden rolstoelvoorziening
Om in aanmerking te komen voor een rolstoelvoorziening gelden de volgende voorwaarden:
Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoelvoorziening dan beoordeelt de consulent de toegang tot de hulpmiddelenleverancier. De hulpmiddelenleverancier overlegt vervolgens met de consulent wat de meest passende voorziening is.
Indien de rolstoelvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt de rolstoel in de vorm van bruikleen of in eigendom verstrekt. Dit is afhankelijk van de voorziening. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura.
Bij de verstrekking van een rolstoelvoorziening in natura, worden voor zover van toepassing, de volgende voorwaarden opgelegd:
Het pgb voor de aanschaf van een rolstoel wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een rolstoel die de cliënt zou hebben ontvangen als de rolstoel in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de cliënt jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De cliënt heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur.
Bij de verstrekking van een pgb voor een rolstoelvoorziening worden, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden opgelegd:
na overlijden van de cliënt, dient het met het pgb aangeschafte hulpmiddel aan de gemeente te worden teruggegeven. De erfgenamen zijn hiervoor verantwoordelijk. Van vervreemding, verpanding of belening kan geen sprake zijn, tenzij de gemeente hiervoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven.
Met aanpassingen wordt bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed.
Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Indien een persoon vanwege zijn beperkingen zonder een sportrolstoel niet kan sporten, dan kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel worden verstrekt.
Gemeente Terneuzen hanteert het beleid dat alleen de aanschaf van een sportrolstoel als financiële tegemoetkoming kan worden toegekend en geen andere sportvoorzieningen, aangezien sportvoorzieningen als bovenwettelijk beleid worden beschouwd.
Om in aanmerking te komen voor een sportrolstoel gelden de volgende voorwaarden:
Inwoners die in een Wlz-instelling verblijven, al dan niet met behandeling, dienen een aanvraag voor een hulpmiddel voor individueel gebruik te doen bij het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor beoordeelt welke voorziening het meest passend is voor de betreffende persoon.
3.5 Woningaanpassing (art. 5.3.1 van de verordening)
Om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving zijn er voorzieningen die dit mogelijk maken, mits voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.4.4 van de verordening.
De gemeente onderscheidt de volgende maatwerkvoorzieningen:
Een woningaanpassing is erop gericht de beperkingen die iemand in het normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip ‘normale gebruik van de woning’ houdt in dat men de normale (elementaire) woonfuncties moet kunnen verrichten, zoals slapen, eten, lichaamsreiniging, het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen binnen de woning, toegang tot de woning en de verzorging van kinderen. In beginsel zijn dit de woonkamer, slaapkamer, keuken, toilet, en de badkamer. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte of therapeutisch baden. Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het veilig stallen en opbergen (droog en afgesloten) van hulpmiddelen, die als maatwerkvoorziening door de gemeente beschikbaar worden gesteld. Dit geldt tevens voor een hulpmiddel dat door inzet van een persoonsgebonden budget is aangeschaft.
Een voorziening wordt geweigerd als een voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het niveau van de sociale woningbouw. Onder sociale woningbouw verstaat het college de meest eenvoudige uitvoering van materialen.
Indien vaststaat dat een aanpassing van de woning noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden wat in de situatie van de cliënt de goedkoopst adequate voorziening is. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de bedoeling van de wetgever dat de persoon zo lang als mogelijk in de eigen leefomgeving moet kunnen blijven wonen. Bij voorkeur is dit de eigen woning.
Bij vooral grote en kostbare woningaanpassingen dient de beoordeling te worden gemaakt wat de goedkoopst en adequate oplossing is. Vaak dient in deze situaties de afweging te worden gemaakt tussen de toekenning van een woningaanpassing of een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen. Gemeente Terneuzen hanteert hierbij het primaat van verhuizen, waarbij in elke situatie afzonderlijk beoordeeld moet worden wat de goedkoopst adequate oplossing is.
Bij een woningaanpassing worden de volgende kosten vergoed:
het architectenhonorarium, inclusief btw, tot ten hoogste 10 procent van de aanneemsom. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld kunnen de kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het betreft dan veelal ingrijpender woningaanpassingen;
Voor het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen gelden nog de volgende voorwaarden:
Stopzetting bouwkundige en woontechnische woningaanpassing
Indien na toekenning van een bouwkundige of woontechnische aanpassing, doch voor de gereedmelding van de bouwkundige of woontechnische aanpassing, de relatie tussen de cliënt en de woning niet meer aanwezig is (in verband met verhuizing, overlijden en dergelijke), kan het besluit worden herzien. De mate van herziening is afhankelijk van het stadium waarin de woningaanpassing verkeert en de al aangegane en niet meer te annuleren verplichtingen.
Indien de woningaanpassing in de vorm van een pgb wordt toegekend, dan gelden de volgende voorwaarden:
Het bedrag waarboven het primaat van de verhuizing wordt gehanteerd bedraagt € 10.000,00. Primaat van verhuizen houdt in dat bij duurdere woningaanpassingen eerst gekeken wordt of iemand kan verhuizen naar een andere woning die al is aangepast of veel goedkoper valt aan te passen. In de gemeente Terneuzen dient bij woningaanpassingen boven € 10.000,00 te worden onderzocht of het primaat van verhuizen kan worden toegepast.
Tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten
Als besloten wordt een eenmalige tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten ter beschikking te stellen wordt deze gekoppeld aan een termijn van 10 jaar. De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor de verhuis- en herinrichtingskosten bedraagt maximaal € 4.000, -.
Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten wordt toegekend door de gemeente waar de cliënt woont, bijv. als een cliënt uit de gemeente Terneuzen verhuist naar een andere Nederlandse gemeente is de gemeente Terneuzen verantwoordelijk voor de financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.
3.6 Beschermd wonen (art. 5.3.3 van de verordening)
Beschermd wonen is wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die 24-uurs toezicht nodig hebben en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De cliënt krijgt begeleiding bij het structuur van hun dagelijks leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en bij het vinden van een passende daginvulling. Beschermd wonen kan een opstapje zijn naar zelfstandig wonen.
Het college verstrekt de voorzieningen beschermd wonen conform het daartoe vastgestelde Afwegingskader Beschermd Wonen en Intensieve begeleiding thuis Zeeland 2021 en de Toegangsregeling beschermd wonen en Intensieve begeleiding Thuis 2022 zoals door het college op 14 december 2021 is vastgesteld.
3.7 Verplaatsen dichtbij huis (art. 5.4.2 van de verordening)
De vervoersvoorzieningen worden geleverd door de leverancier met wie de gemeente een contract heeft gesloten. Het noodzakelijke onderhoud en de reparaties worden betaald door de gemeente. Afhankelijk van de vervoersbehoeften van de cliënt zal een passende maatwerkvoorziening worden vastgesteld.
1. Gemeente Terneuzen kent de volgende vervoersvoorziening als algemene Wmo-voorziening:
Gemeente Terneuzen heeft het regiotaxivervoer (regiotaxi Hulst Sluis Terneuzen) als collectief vraagafhankelijk vervoer georganiseerd. Om van deze algemene Wmo-voorziening in aanmerking te komen, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
Voor het collectief vervoer is een gereduceerde reisbijdrage voor een maximum van 3000 kilometer per kalenderjaar verschuldigd. Als een cliënt later in het jaar gebruik gaat maken van het aanvullend openbaar vervoer dan wel in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer, dan wordt het aantal kilometers berekend voor de resterende dagen van het kalenderjaar (3000/365 x resterende dagen tot en met 31 december).
Een cliënt is een reisbijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 1,39 opstaptarief en € 0,33 euro per kilometer. Het vervoergebied omvat het grondgebied van geheel Zeeuws-Vlaanderen. Binnen heel Zeeuws-Vlaanderen kunt u tegen € 0,33 per kilometer reizen en is er geen beperking gesteld aan de lengte van de rit. Een bestemming buiten Zeeuws-Vlaanderen mag niet meer dan 30 kilometer vanaf het huisadres zijn.
Voor ritten langer dan 30 kilometer met een maximum van 35 kilometer, waarbij de bestemming buiten Zeeuws-Vlaanderen ligt, is de prijs € 1,64 per extra kilometer. Een uitzondering hierop zijn de puntbestemmingen, waarvoor ook het tarief van € 0,33 per kilometer geldt. Puntbestemmingen zijn specifieke bestemmingen buiten de regio Zeeuws-Vlaanderen. Dit zijn: alle ziekenhuizen in de provincie Zeeland, alle ziekenhuizen in Brugge, UZ (Gent), Emergis (Oostmolenweg in Kloetinge), Visio (Goes), Gardeslen (Goes), Az Maria Middelares (Gent) en Stolmed Kliniek (Goes).
Gemeente Terneuzen kent de volgende vervoersvoorzieningen als maatwerkvoorziening:
Ad b. Scootmobielpool (Wmo-voorziening)
Deze voorzieningen kunnen als collectieve voorziening worden ingezet voor cliënten. Voor een dergelijke voorziening, die als voorliggende voorziening op een individuele scootmobiel kan worden ingezet, is een indicatie vereist.
Als een cliënt minder dan 100 meter kan lopen dan kan de cliënt in beginsel in aanmerking komen voor een scootmobiel.
Bij de beoordeling wordt onder andere de volgende punten bekeken:
Het is uit oogpunt van brandveiligheid (brandweervoorschriften) veelal niet toegestaan om scootmobielen en andere hulpmiddelen op de galerij/gangen/hal bij wooncomplexen te stallen.
Mocht het niet mogelijk zijn om een adequate stallingsmogelijkheid te realiseren, dan kan een scootmobiel geweigerd worden. Er moet dan wel onderzocht worden of het participatieprobleem van de cliënt op een andere manier opgelost kan worden.
Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Dit zijn voorzieningen die voorzien in de vervoersbehoefte in de directe omgeving van de eigen woning, voor activiteiten als boodschappen doen, bezoek aan personen uit het sociaal netwerk of een vorm van dagbesteding.
Om in aanmerking te komen voor een driewielfiets of een andere vervoersvoorziening gelden, naast de algemene criteria, de volgende voorwaarden:
Een fiets met lage instap, een fiets met hulpmotor of een elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking. Deze fietsen, worden in de reguliere handel verkocht en kunnen financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau. Daarom worden deze fietsen in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan van een normale fiets.
Als er een noodzaak bestaat voor een van deze voorzieningen, dan stelt de consulent zo nodig op basis van medisch advies of ander deskundig advies, een programma van eisen op.
Indien de vervoersvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt de vervoersvoorziening in de vorm van bruikleen of in eigendom verstrekt. De kosten voor onderhoud en verzekering zijn inbegrepen bij de verstrekking in natura.
Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening in natura worden, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden opgelegd:
Het pgb voor de aanschaf van een vervoersvoorziening wordt vastgesteld op basis van de kostprijs die geldt bij de koop van een vervoersvoorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als de vervoersvoorziening in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met de termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Vanaf het tweede jaar ontvangt de cliënt jaarlijks een vast bedrag voor onderhoud en reparatiekosten. De cliënt heeft recht op dit bedrag gedurende de door de gemeente vastgestelde gebruiksduur.
Bij de verstrekking van een pgb voor een vervoersvoorziening worden, voor zover van toepassing in de individuele situatie, de volgende voorwaarden opgelegd:
de met het pgb aan te schaffen hulpmiddelen dienen het CE2-kwaliteitskeurmerk te hebben;
Hoofdstuk 4 De vorm van de ondersteuning
4.1 Ondersteuning in natura (art. 6.1 van de verordening)
Het pgb en de maatwerkvoorziening in natura zijn gelijkwaardige alternatieven. Uitgangspunt is dat een cliënt een maatwerkvoorziening in natura krijgt. De cliënt kan verzoeken om een pgb. Voldoet de cliënt aan de pgb-voorwaarden, dan moet het college een pgb toekennen (artikel 2.3.6 lid 1 Wmo 2015).
Hergebruik van hulpmiddelen is voor de gemeente het uitgangspunt. Dat betekent dat een cliënt in beginsel in aanmerking komt voor een hulpmiddel in bruikleen. In bepaalde gevallen, te denken valt aan goedkope hulpmiddelen of hulpmiddelen die uit hygiënisch oogpunt niet wenselijk zijn te her verstrekken, kan een hulpmiddel in eigendom een optie zijn.
4.2 Voorwaarden en weigeringsgronden pgb (art. 6.2.1 van de verordening)
De Wmo 2015 kent drie voorwaarden, waaraan voldaan moet worden, wil een cliënt aanspraak kunnen maken op een pgb.
Een pgb wordt verstrekt, indien:
De cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat te achten is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin een pgb geweigerd wordt.
Voorwaarden voor het voeren van het budgetbeheer
De consulent controleert niet alleen of een cliënt aan de pgb-vaardigheidseisen voldoet om met een pgb budget om te kunnen gaan. In bijlage 3 staan de tien voorwaarden genoemd waaraan getoetst kan worden of iemand pgb vaardig is.
Ad 1. Uitwerking van wettelijke voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een pgb te kunnen krijgen
Wanneer bij de aanvraag geen ingevuld en ondertekend pgb-plan aanwezig is, dan wordt de cliënt een hersteltermijn gestuurd (art. 4:5 Awb) met een laatste termijn om het pgb-plan alsnog in te leveren. Daarbij wordt opgenomen dat wanneer het pgb-plan niet tijdig retour wordt ontvangen, een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget niet mogelijk is, maar wel in de vorm van zorg in natura. Dit wordt door de consulent beoordeeld;
In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten pgb uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb stort op rekening van het Servicecentrum pgb van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgetbeheerder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren ondersteuning zijn geleverd. De SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de zorgverlener.
Het is belangrijk dat cliënten vooraf goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden zij daarbij hebben. De budgetbeheerder krijgt informatie bij de melding en tijdens het gesprek. Die informatie is nodig voor het opstellen van een pgb-plan en de budgetbeheerder wordt verwezen naar de SVB voor het opstellen van een zorgverleningsovereenkomst (overeenkomsten met zorgverleners). Daarnaast verzorgt het Servicecentrum pgb van de SVB voorlichting en ondersteuning aan budgetbeheerders.
Pgb voor hulpmiddelen en woningaanpassingen
Wanneer de cliënt kiest voor een pgb krijgt hij na indicatie bij de beschikking een programma van eisen (PvE) waaraan de voorziening moet voldoen. De cliënt kan op basis van dit PvE zelf de voorziening aanschaffen.
Als de cliënt een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voorziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening die de cliënt aanschaft moet wel de beperking op hetzelfde niveau compenseren zoals in het PvE wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen.
De voorziening in de vorm van pgb wordt toegekend voor een periode die afhankelijk is van de gebruikelijke levensduur van de voorziening. De periode waarvoor de voorziening wordt toegekend wordt beschreven in de beschikking.
Ondersteuning aan de cliënt met een pgb kan in de volgende vormen worden geboden:
Pgb budget omzetten in zorg in natura (en andersom)
Als in de praktijk blijkt dat een pgb geen gepaste leveringsvorm is voor de cliënt kan de consulent zorg in natura als alternatief aanbieden. De cliënt kan één keer per jaar wisselen tussen het pgb en een verstrekking in natura (of andersom). Als de cliënt een voorziening in natura (bijv. scootmobiel) omgezet wil zien in een pgb wordt de voorziening ingenomen en wordt een pgb verstrekt.
Pgb voor diensten door een professionele zorgverlener
Wanneer de cliënt met de inzet van een pgb kiest voor de levering van een dienst door een professionele zorgverlener gelden de volgende voorwaarden:
De professionele zorgverlener:
wordt niet onderzocht (lopend onderzoek) door het college van de gemeente Terneuzen of de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Tevens mag er geen sprake zijn van een justitiële maatregel. Indien er sprake is van een lopend onderzoek dient toestemming van de gemeente voor het leveren van zorg te worden overgelegd bij de aanvraag voor het pgb;
Vooraf controleert de gemeente of de professionele zorgverlener daadwerkelijk aan de gestelde eisen voldoet.
Hoofdstuk 5 Afspraken tussen inwoner en gemeente
5.1 Voorkomen van fraude (art. 7.5.2 van de verordening)
Van de cliënt wordt verwacht dat hij mededeling doet van wijzigingen in zijn omstandigheden waarvan redelijkerwijs is in te schatten dat deze gevolgen heeft voor de verstrekte voorziening. Ook wordt verwacht dat de cliënt meewerkt aan onderzoek in geval van (vermoedens) van onrechtmatigheden.
De cliënt heeft de plicht vermoedens van fraude te melden bij de gemeente. Wanneer aan deze oproep geen gehoor wordt gegeven, zal de betreffende medewerker hiervan zelf melding moeten maken, waarna dit aan het college wordt voorgelegd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-286686.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.