Gedragscode voor Burgemeester en wethouders Helmond 2024

Inleiding

In Helmond onderschrijven we het belang van een integere overheid, zijn we bereid verantwoordelijkheid te nemen en kijken we om naar elkaar. Daarmee vinden wij integriteit niet alleen een verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdragers, maar een gezamenlijk belang dat de hele organisatie en het hele bestuur in al zijn geledingen aangaat. Ons democratische systeem en de democratische processen kunnen niet zonder integer functionerende organen en functionarissen. In het borgen van bestuurlijke integriteit zijn bijzondere rollen weggelegd voor de burgemeester als bevorderaar van bestuurlijke integriteit (artikel 170 lid 2 Gemeentewet), de griffier en de secretaris als eerste adviseur van de raad respectievelijk het college van B&W.

 

Niet alleen de vraag wat is toegestaan is relevant, maar ook hoe we vinden dat het hoort. In Helmond streven we naar een bestuur, waar onze inwoners en bedrijven vertrouwen in mogen stellen. Wij onderkennen daarbij dat integriteit van politieke ambtsdragers verwijst naar de rol die wij spelen in de democratische rechtsstaat. Dat betekent dat we verantwoordelijkheid nemen en bereid zijn verantwoording af te leggen. Van politieke ambtsdragers wordt het goede voorbeeld verwacht. Zonder dat zal het vertrouwen in de democratische rechtsstaat worden ondermijnd en het draagvlak voor de naleving van de wetten en regels verdwijnen.

 

Vertrekpunt is de eed of belofte die de politieke ambtsdrager bij de ambtsaanvaarding aflegt. Integriteit is niet alleen een kwestie van zakelijke afspraken, maar ziet ook op de onderlinge omgangsvormen. Een respectvolle omgang met inwoners en organisaties, tussen collegeleden onderling en tussen collegeleden, raadsleden en medewerkers, met behoud van eigen politieke inhoud en stijl, is van groot belang – binnen en buiten het gemeentehuis.

 

Integriteit is een thema dat betekenis krijgt in het handelen. Een integriteitsbeleid dat alleen op papier bestaat is slechts een dode letter. Daarom moet het handelen van politieke ambtsdragers regelmatig onderwerp van gesprek zijn, juist ook onderling, en ook daarbij geeft de gedragscode ondersteuning.

 

Deze gedragscode heeft betrekking op de collegeleden van Helmond. De wettelijke grondslag voor deze gedragscode is te vinden in artikel 41c lid 2 en 69 lid 2 Gemeentewet. Als nadere invulling en concretisering van wettelijke regels is deze gedragscode opgesteld. De gedragscode is een interne regeling. De gedragscode bevat kernbegrippen en afspraken die bedoeld zijn als houvast en toetssteen. Zij vormt een beoordelingskader bij twijfel, vragen en discussies.

 

De gedragscode is niet vrijblijvend. Politieke ambtsdragers kunnen daarop worden aangesproken en zij dienen zich over de naleving ervan te verantwoorden. Om die reden heeft de raad van Helmond ook een handhavingsprotocol opgesteld, hoe te handelen bij twijfel of vermoedens. Als blijkt dat de integriteit is geschonden, kan dat consequenties hebben voor de rechtmatigheid van besluiten (artikel 58 en 28 Gemeentewet) of overeenkomsten (artikel 41c, 69 en 15 Gemeentewet) en voor de positie van de betrokken politieke ambtsdrager.

 

Kernwaarden

In Helmond onderschrijven we het belang van een integere overheid.

  • We zijn op de hoogte van de wettelijke integriteitsnormen.

  • We gaan zorgvuldig om met de bevoegdheden die wij als overheid hebben.

  • We begrijpen dat we een voorbeeldfunctie hebben richting inwoners en bedrijven.

  • We beseffen dat dilemma’s inherent zijn aan het werk en dat we ruimte moeten bieden voor bespreking.

  • We organiseren ten minste jaarlijks een moment om samen te reflecteren op en stil te staan bij integriteitsnormen.

In Helmond zijn we bereid verantwoordelijkheid te nemen.

  • We zijn open en transparant over onze keuzes en afwegingen.

  • We tonen ons bereid verantwoording af te leggen als het om onze integriteit gaat.

  • We respecteren het samenspel tussen de democratische organen.

In Helmond kijken we om naar elkaar.

  • We richten de ogen op de bal, niet op de persoon.

  • We geven elkaar feedback en tonen ons ontvankelijk voor de feedback van anderen.

  • We beseffen dat integriteit geen inzet van politiek spel moet zijn.

  • We proberen elkaar te behoeden voor een misstap, in plaats van achteraf af te rekenen.

1. AFSPRAKEN OVER HET VOORKOMEN VAN BELANGENVERSTRENGELING

WETTELIJK KADER

Artikel 41b en 67 Gemeentewet (nevenfuncties)

Artikel 36b en 68 Gemeentewet (onverenigbare functies)

Artikel 41c, 69 en 15 Gemeentewet (verboden handelingen en overeenkomsten)

Artikel 58 en 28 Gemeentewet (onthouden deelname aan beraadslaging en stemming)

 

KERN

Collegeleden mogen hun invloed en stem niet gebruiken om een persoonlijk belang veilig te stellen van zichzelf, van een ander, of van een organisatie waarbij zij persoonlijk betrokken zijn. Collegeleden moeten altijd het algemeen belang voor ogen houden en actief en uit zichzelf belangenverstrengeling tegengaan.

ARTIKEL 1.1 MELDEN VAN FUNCTIES NAAST HET COLLEGELIDMAATSCHAP

  • 1.

    Collegeleden leveren de secretaris bij aanvang van het collegelidmaatschap de informatie aan over functies die zij bekleden, die op grond van artikel 41b en artikel 67 Gemeentewet openbaar gemaakt moeten worden. Als zij gedurende het collegelidmaatschap nieuwe functies aanvaarden of de omstandigheden met betrekking tot bestaande functies wijzigen, wordt de informatie die hierop betrekking heeft direct aangeleverd bij de secretaris. Ook toekomstige functies worden gemeld, op het moment dat het collegelid er kennis van heeft.

  • 2.

    Een voornemen tot aanvaarding van een betaalde of onbetaalde nevenfunctie maakt het collegelid kenbaar aan de raad.

  • 3.

    Collegeleden vervullen geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun burgemeester- of wethouderschap. De raad bepaalt of de combinatie van functies wenselijk is.

  • 4.

    De informatie betreft in ieder geval:

    • a.

      de omschrijving van de functie;

    • b.

      de organisatie waarvoor de functie wordt verricht;

    • c.

      per wanneer de functie wordt verricht;

    • d.

      of het al dan niet een functie betreft die voortvloeit uit het wethouderschap of burgemeester; en

    • e.

      of de functie bezoldigd of onbezoldigd is;

    • f.

      hoe hoog de bezoldiging is, indien de wet dit verlangt.

  • 5.

    De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via internet beschikbaar.

ARTIKEL 1.2 MELDEN VAN FINANCIËLE BELANGEN

  • 1.

    Collegeleden doen bij aanvang van het collegelidmaatschap bij de secretaris opgave van hun substantiële financiële belangen (zoals >5% aandelen, opties en derivaten) in ondernemingen waarmee de gemeente zakendoet of waarin de gemeente een belang heeft en van hun financiële belangen die relevant zijn voor besluitvorming die in de raad, in het college van B&W, of als burgemeester aan de orde is. Ook een tijdens het collegelidmaatschap ontstaan financieel belang dient opgegeven te worden.

  • 2.

    De informatie betreft in ieder geval:

    • a.

      een omschrijving van het belang (aard en omvang);

    • b.

      indien aan de orde: de organisatie waarin het financiële belang bestaat;

    • c.

      de aanvangsdatum van het financiële belang.

  • 6.

    De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is niet openbaar, maar uitsluitend voor politieke ambtsdragers in te zien. Indien de belangen relevant zijn met het oog op de bestuurlijke besluitvorming kan de betreffende informatie worden gebruikt in de beraadslaging.

ARTIKEL 1.3 AFSPRAKEN BIJ VERBODEN HANDELINGEN EN VERBODEN OVEREENKOMSTEN

  • 1.

    Collegeleden die voornemens zijn een handeling te verrichten of een overeenkomst aan te gaan als bedoeld in artikel 15 lid 1 Gemeentewet, bespreken dit voornemen in het college.

  • 2.

    Als het collegelid het nodig acht ontheffing te vragen als bedoeld in artikel 15 lid 2 Gemeentewet, dan ondersteunt de secretaris bij het aanvragen van de ontheffing.

ARTIKEL 1.4 ONTHOUDEN DEELNAME BERAADSLAGING EN STEMMING

  • 1.

    Collegeleden onthouden zich van deelname aan de beraadslaging en stemming als er sprake is van een situatie die strijd met artikel 58 en artikel 28 Gemeentewet oplevert.

  • 2.

    Als collegeleden ingevolge het eerste lid niet deelnemen aan de beraadslaging en de stemming, melden zij dit voorafgaand aan of bij aanvang van de vergadering bij het vaststellen van de agenda en vermelden zij op welke wijze de besluitvorming hun in het bijzonder aangaat. Collegeleden beïnvloeden de besluitvorming in dat geval ook niet op andere manieren en momenten. In de notulen wordt aangetekend dat het betreffende collegelid niet heeft deelgenomen aan de beraadslaging en stemming.

  • 3.

    Collegeleden die ter vergadering aanwezig zijn en voor wie artikel 58 en artikel 28 Gemeentewet niet van toepassing is, kunnen zich in onderling overleg onthouden van beraadslaging en/of stemming, indien deelname ongewenste effecten zou hebben.

ARTIKEL 1.5 TEGENGAAN VAN EEN DRAAIDEURCONSTRUCTIE

  • 1.

    Voormalig collegeleden mogen gedurende een jaar na het eind van het burgemeester- of wethouderschap niet als externe partij betaalde werkzaamheden verrichten voor of ten behoeve van de gemeente. Uitzondering hierop is het raadslidmaatschap.

  • 2.

    Het college draagt voormalig collegeleden niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

2. AFSPRAKEN OVER DE OMGANG MET GESCHENKEN EN UITNODIGINGEN

WETTELIJK KADER

Artikel 41a en 65 Gemeentewet (eed of belofte)

 

KERN

Collegeleden leggen een eed of belofte af: zij mogen hun invloed en stem niet laten kopen of beïnvloeden door gekregen of in het vooruitzicht gesteld geld, goederen, diensten of uitnodigingen.

ARTIKEL 2.1 OMGANG MET GESCHENKEN, FACILITEITEN EN DIENSTEN

Collegeleden melden de secretaris als zij door of vanwege hun werk als collegelid geschenken ontvangen of faciliteiten of diensten accepteren van derden met een geschatte waarde van € 50 of meer. De secretaris legt hiervoor een openbaar register aan.

ARTIKEL 2.2 UITNODIGINGEN

  • 1.

    Collegeleden melden lunches/diners met derden, excursies, evenementen, recepties en andere uitnodigingen als deze behoren tot de uitoefening van het werk als burgemeester respectievelijk wethouder.

  • 2.

    Bij twijfel over de vraag of uitnodigingen behoren tot het werk als collegelid, overleggen collegeleden in het college.

  • 3.

    Deelname aan werkbezoeken, excursies en evenementen die verband houden met de functie van bestuurder en voor rekening van anderen dan de gemeente komen, melden de collegeleden bij de secretaris binnen één week nadat de excursie, dan wel het evenement heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt ook melding gemaakt wie de kosten voor zijn rekening heeft genomen indien de kosten niet zijn betaald door de gemeente. Melding kan achterwege blijven, indien er sprake is van andere overheidsorganisaties.

ARTIKEL 2.3 (BUITENLANDSE) DIENSTREIZEN

  • 1.

    Collegeleden leggen een uitnodiging tot een (buitenlandse) dienstreis, met uitzondering van een dienstreis naar een Europese instelling, ter goedkeuring voor in het college. Zij geven daarbij informatie over het doel en de duur van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de samenstelling van het gezelschap dat meereist, de kosten voor de gemeente, welke kosten voor rekening van anderen komen en de manier waarop van de reis verslag wordt gedaan.

  • 2.

    Een uitnodiging voor een (buitenlandse) dienstreis wordt alleen geaccepteerd als het bezoek aantoonbaar van belang is voor de gemeente.

  • 3.

    Het college informeert de gemeenteraad zo spoedig mogelijk over het genomen besluit.

  • 4.

    Collegeleden maken openbaar wat het doel, de bestemming en de duur van de (buitenlandse) dienstreis is geweest. Daarbij maken de collegeleden ook openbaar wat de kosten waren voor de gemeente en welke kosten voor rekening van anderen zijn gekomen. De secretaris legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is via internet beschikbaar.

3. AFSPRAKEN OVER DE OMGANG MET GEMEENTELIJKE VOORZIENINGEN

WETTELIJK KADER

Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers

 

KERN

De gemeente werkt met belastinggeld. Collegeleden gaan op een behoedzame manier om met gemeentelijke faciliteiten en financiële middelen die hun ter beschikking staan en gebruiken die alleen waar ze voor zijn bedoeld.

ARTIKEL 3.1 GEMEENSCHAPPELIJKE RUIMTES

Collegeleden houden zich aan de regels voor het gebruik van algemene interne voorzieningen, zoals vergaderruimtes. Collegeleden dragen daarbij zorg voor het schoon achterlaten van deze ruimtes.

ARTIKEL 3.2 ONKOSTENVERGOEDINGEN EN DECLARATIES

Collegeleden houden zich aan de regels die gelden voor onkostenvergoedingen en declaraties. Zij declareren geen zaken die door de onkostenvergoedingen worden gedekt.

ARTIKEL 3.3 GEBRUIK ICT- MIDDELEN

Collegeleden houden zich bij gebruik van de ICT-middelen van de gemeente aan het automatiseringsprotocol. Daarbij is van belang dat:

  • usb-sticks met informatie niet onbeveiligd en onbewaakt worden achtergelaten;

  • wachtwoorden niet worden gedeeld;

  • collegeleden hun iPad niet uitlenen aan anderen, ook niet tijdelijk;

  • werkmails met gevoelige informatie niet naar privémail worden doorgestuurd.

4. AFSPRAKEN OVER DE OMGANG MET INFORMATIE

WETTELIJK KADER

Artikel 54 Gemeentewet (beslotenheid)

Artikel 87, 88, 89 en 292 Gemeentewet (geheimhouding)

Artikel 169 Gemeentewet (informatieplicht)

 

KERN

Collegeleden gaan zorgvuldig en correct om met de informatie waarover zij beschikken. Daar hoort ook bij dat zij niet met opzet een onjuiste voorstelling van zaken geven over gebeurtenissen in en rond de gemeente.

ARTIKEL 4.1 TRANSPARANTIE

Collegeleden zijn artikel 169 Gemeentewet indachtig, open en transparant over de eigen beslissingen en de beweegredenen daarvoor. Collegeleden handelen in overeenstemming met letter en de geest van de wet, in het bijzonder de informatieplicht die volgt uit de Gemeentewet en de Wet open overheid.

ARTIKEL 4.2 GEHEIMHOUDINGSPLICHT

  • 1.

    Geheime informatie wordt door collegeleden veilig gebruikt en bewaard.

  • 2.

    Het gebruik van het predicaat ‘vertrouwelijk’ wordt zoveel mogelijk vermeden, heeft geen formele status en wordt uitsluitend gebruikt bij wijze van informele afspraak.

ARTIKEL 4.3 GEBRUIK INFORMATIE VOOR EIGEN GEWIN

  • 1.

    Collegeleden maken niet voor eigen gewin of voor het gewin van een ander gebruik van (nog) niet-openbare informatie waar zij als collegeleden over beschikken.

  • 2.

    In uitlatingen in/op (sociale) media houden collegeleden de eer en het aanzien van de gemeente, de ambtelijke organisatie en de bestuursorganen hoog.

5. AFSPRAKEN OVER OMGANGSVORMEN

WETTELIJK KADER

Artikel 52 Gemeentewet (reglement van orde)

 

KERN

Collegeleden gaan binnen en buiten het gemeentehuis op respectvolle wijze om met elkaar, raads- en commissieleden, ambtenaren en inwoners. Zij onthouden zich, ook in de privésfeer, van gedragingen die schadelijk zijn of kunnen zijn voor de eer en het aanzien van de gemeente. Met elkaar borgen collegeleden de onderlinge fysieke en sociale veiligheid.

ARTIKEL 5.1 OMGANGSVORMEN ALGEMEEN

  • 1.

    Binnen en buiten het gemeentehuis bejegenen collegeleden elkaar, raads- en commissieleden, de griffier, de gemeentesecretaris en andere ambtenaren op correcte wijze zowel mondeling, schriftelijk als in de (sociale) media. Zij onthouden zich van pestgedrag, seksuele intimidatie, discriminatie, agressie en geweld. Ook ‘op de persoon spelen’, grof taalgebruik en ongefundeerde beschuldigingen van strafbaar gedrag aan het adres van politieke ambtsdragers of hun fracties zijn ongewenste omgangsvormen.

  • 2.

    Vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid bewaken en bevorderen collegeleden actief de sociale veiligheid. Dat doen collegeleden door zelf het goede voorbeeld te geven en elkaar aan te spreken op ongewenst gedrag. Collega-collegeleden kunnen elkaar hierbij ondersteunen.

  • 3.

    Als collegeleden ongewenst gedrag van collega-politieke ambtsdragers ervaren hebben, kunnen zij zich wenden tot de betreffende ambtsdrager of – indien dit redelijkerwijs niet mogelijk of wenselijk is – tot de secretaris of de burgemeester voor advisering en ondersteuning.

ARTIKEL 5.2 OMGANGSVORMEN IN VERGADERING

  • 1.

    Collegeleden houden zich tijdens de college-, raads- en commissievergaderingen aan het toepasselijke Reglement van Orde en de Verordening op de raadscommissies en volgen de aanwijzingen van de voorzitter op.

  • 2.

    Optreden tegen een (mogelijk) grensoverschrijdende bejegening tijdens vergaderingen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de burgemeester en de wethouders.

  • 3.

    Collegeleden kunnen de voorzitter wijzen op een (mogelijk) grensoverschrijdende bejegening met een punt van orde of een persoonlijk feit.

6. OVERIGE AFSPRAKEN

ARTIKEL 6.1 EENDUIDIGE INTERPRETATIE

De gemeenteraad en het college bevorderen de eenduidige interpretatie van deze gedragscode. Bij leemtes en onduidelijkheden in de gedragscode voorziet de raad daarin op voorstel van de voorzitter.

ARTIKEL 6.2 TOEZICHT OP NALEVING

  • 1.

    Het college ziet erop toe dat burgemeester en wethouders de gedragscode naleven en legt zo nodig verantwoording af aan de raad.

  • 2.

    Bij vermoedens van een integriteitsschending of van ervaren ongewenst gedrag, geldt het handhavingsprotocol van de gemeente Helmond.

7. TOT SLOT

ARTIKEL 7.1 INTREKKING

De huidige gedragscode zoals vastgesteld in 2018 wordt ingetrokken.

ARTIKEL 7.2 INWERKINGTREDING

Deze gedragscode treedt in werking met ingang van de dag na datum van bekendmaking.

ARTIKEL 7.3 CITEERTITEL

Deze regeling wordt aangehaald als “gedragscode voor burgemeester en wethouders Gemeente Helmond 2024.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 januari 2024

De Griffier

De Voorzitter

AFSPRAKEN OVER HANDHAVING VAN INTEGRITEIT

Gemeente Helmond

 

Inleiding

Dit handhavingsprotocol bevat afspraken tussen politieke ambtsdragers in Helmond over de onderlinge handhaving van integriteit, met aandacht voor de rolverdeling en de te volgen procedure bij vermeende integriteitsschendingen. Deze afspraken beogen houvast en een toetssteen te bieden voor een zorgvuldig ingericht proces. Zij geven daarmee blijk van onze kernwaarden: we onderschrijven het belang een integere overheid, we zijn bereid verantwoordelijkheid te nemen en we kijken om naar elkaar.

 

In de handhaving van integriteitsnormen is een drietal beginselen leidend. Het beginsel van onpartijdige handhaving geeft blijk van het besef dat integriteit te kostbaar is om inzet te laten zijn van partijpolitiek. Uit het beginsel van ‘onpartijdige handhaving’ volgt dat politiek ambtsdragers van alle partijen vanuit het belang van een integere overheid de discipline zouden moeten opbrengen om bij de beoordeling van integriteitkwesties boven de partijen te gaan staan.

 

In Nederland wordt de politiek kritisch gevolgd door de media. Dat is een groot goed. Bij vermeende integriteitschendingen van politici kunnen al snel negatieve beelden een rol spelen, voordat de feiten vast staan. Het gevolg is dat er sprake is van willekeur, dat individuele politici die onder verdenking komen te staan grote schade oplopen en dat de geloofwaardigheid van de politiek wordt aangetast. Het is daarom zaak dat alle betrokkenen bij een integriteitskwestie de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten en de kwestie niet in een te vroeg stadium in de publiciteit brengen. Daaruit volgt ook dat in alle stadia van de afhandeling van een kwestie de groep die erbij betrokken wordt zo klein mogelijk moet zijn. Als er uiteindelijk werkelijk van een integriteitsschending sprake blijkt te zijn en er een oordeel is gevormd over de ernst daarvan en over een passende sanctie, mag en moet de kwestie natuurlijk wel naar buiten worden gebracht. We nemen onze verantwoordelijkheid.

 

In Helmond kijken we om naar elkaar. Iedereen die te goeder trouw een vermoeden meldt of mogelijk een schending heeft begaan heeft er recht op dat er uiterste zorgvuldigheid wordt betracht in alle fasen van de handhaving. Wij moedigen politiek ambtsdragers aan om eigen dilemma’s en twijfels bespreekbaar te maken en andere politiek ambtsdragers waar mogelijk eerst zelf aan te spreken als het hun handelen betreft.

 

1. Algemene bepalingen

 

ARTIKEL 1.1 LEIDENDE BEGINSELEN

  • 1.

    Politieke ambtsdragers worden aangemoedigd om integriteitsdilemma's en twijfels over hun eigen handelen te bespreken met de burgemeester en/of de griffier, zodat samen het handelingsperspectief kan worden bepaald en het handelen transparant en controleerbaar is.

  • 2.

    Politieke ambtsdragers worden aangemoedigd om integriteitsdilemma's en twijfels over het handelen van een ander te bespreken met de betreffende persoon zelf. Is dit redelijkerwijs geen optie of bestaat er verschil van inzicht, dan kunnen de betrokken politieke ambtsdragers advies inwinnen bij de burgemeester en/of de griffier. Is sprake van een vermoeden van een integriteitsschending dan kunnen de politieke ambtsdragers melding doen bij de burgemeester.

  • 3.

    Bij vermoedens van vermeend niet- integer handelen zijn drie beginselen leidend:

    • a.

      Onpartijdige handhaving: handhaving van integriteitsnormen geschiedt op een objectieve, navolgbare wijze, om recht te doen aan personen en om bij te dragen aan het collectieve belang van de gemeente Helmond als geheel. Vermeden wordt dat de omgang met twijfels of vermoedens van vermeend niet-integer handelen wordt gekleurd door partijpolitieke belangen of andere vormen van vooringenomenheid.

    • b.

      Zorgvuldigheid tegenover melder en betrokken politiek ambtsdrager: de melder die te goeder trouw een melding doet en de politiek ambtsdrager tegen wie de melding is gericht, verdienen een zorgvuldige behandeling. Vermeden wordt dat de melder die te goeder trouw meldt benadeling ondervindt en dat de politiek ambtsdrager tegen wie de melding is gericht onnodig beschadigd raakt buiten eigen toedoen.

    • c.

      Terughoudendheid met publiciteit: vermeend niet-integer handelen kan leiden tot media-aandacht. Vermeden wordt dat onnodige beschadiging optreedt van personen die bij de omgang met twijfels of vermoedens betrokken zijn.

ARTIKEL 1.2 COMMUNICATIE

  • 1.

    Indien communicatie intern of extern gewenst is, draagt de burgemeester hier zorg voor. Overige betrokken personen onthouden zich van openbaar commentaar gedurende de uitvoering van (voor)onderzoek en verwijzen zo nodig naar de burgemeester.

  • 2.

    Voor de interne en externe communicatie worden de verschillende belangen, voornamelijk het belang van het onderzoek, het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de in het onderzoek betrokken personen en het belang van transparant bestuur, nauwkeurig afgewogen.

ARTIKEL 1.3 AANGIFTE BIJ VERMOEDENS VAN EEN STRAFBAAR FEIT

Als er in enige fase van de behandeling van de melding een vermoeden is van een misdrijf kan de burgemeester, na raadpleging van het fractievoorzittersoverleg, aangifte doen bij de politie. Raadpleging van het fractievoorzittersoverleg hoeft niet plaats te vinden als de raad na behandeling van een onderzoeksrapport besluit dat aangifte wordt gedaan. Vanaf dat moment wordt alle informatie voorgelegd aan de politie, eventueel na overleg met de officier van justitie.

 

2. Processtappen rondom meldingen

 

ARTIKEL 2.1 INDIENEN VAN EEN MELDING

  • 1.

    Een politiek ambtsdrager kan bij een vermoeden van integriteitsschending door een politiek ambtsdrager een schriftelijke melding doen bij de burgemeester.

  • 2.

    Ieder ander voor wie niet reeds bij andere regeling is voorzien, kan bij een vermoeden van integriteitsschending door een politiek ambtsdrager een schriftelijke melding doen bij de coördinator integriteit. De coördinator integriteit informeert de burgemeester.

  • 3.

    De melding dient aan de volgende vereisten te voldoen;

    • a.

      de melding bevat een dagtekening;

    • b.

      de melding bevat een onderbouwde omschrijving van de vermoedelijke integriteitsschending;

    • c.

      de melding vermeldt de naam en contactgegevens van de melder en de naam van de politieke ambtsdrager tegen wie de melding zich richt.

  • 4.

    Vanaf het moment dat de melding is gedaan tot en met het doorlopen van de benodigde stappen uit dit protocol, wordt door de coördinator integriteit (of diens vervanger) ambtelijke ondersteuning geboden aan de burgemeester.

  • 5.

    De identiteit van de melder wordt niet bekend gemaakt bij degene die de melding betreft of anderen anders dan de personen die de eerste screening uitvoeren, zonder daaraan vooraf schriftelijk akkoord te hebben gevraagd aan en verkregen van de melder.

  • 6.

    De melder ontvangt binnen vijf werkdagen na zijn melding een formele, schriftelijke ontvangstbevestiging waarin de melder ook wordt gevraagd niet de publiciteit te zoeken met betrekking tot de melding om de persoonlijk levenssfeer van de betrokken politiek ambtsdrager te beschermen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 7.

    Meldingen over de burgemeester worden via de griffier schriftelijk gedaan bij de klankbordgroep burgemeester. De klankbordgroep burgemeester vraagt de plaatsvervangend raadsvoorzitter de rol van de burgemeester, zoals beschreven in dit protocol, over te nemen als de melding de burgemeester zelf betreft.

  • 8.

    De burgemeester kan vanuit zijn wettelijke taak als bevorderaar van bestuurlijke integriteit ook door eigen waarneming of door berichtgeving van buitenaf kennis nemen van een vermeende integriteitsschending. In die gevallen kan de burgemeester op eigen initiatief een schriftelijke vastlegging opstellen, gebaseerd op zijn waarneming of op de berichtgeving van buitenaf. In de vastlegging beschrijft de burgemeester wat de aanleiding is om een eerste screening uit te voeren. De uitvoering van de eerste screening vindt plaats conform de in dit protocol opgenomen stappen.

ARTIKEL 2.2 ONTVANKELIJKHEIDSTOETS

  • 1.

    De burgemeester beoordeelt of de melding voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 2.1 lid 2 en beoordeelt daarnaast of de melding a) voldoende concreet is, b) binnen vier jaar na de vermeende feiten is ingediend en c) of de vermeende integriteitsschending een voldoende ernstig karakter heeft. Is dit het geval, dan besluit de burgemeester een vooronderzoek (eerste screening) in te stellen.

  • 2.

    Wordt niet voldaan aan de eisen in het vorige lid, dan besluit de burgemeester de behandeling van de melding niet verder voort te zetten. Van deze beslissing worden de melder en de politiek ambtsdrager over wie de melding is gedaan schriftelijk en gemotiveerd in kennis gesteld.

3. Uitvoering van een eerste screening

 

ARTIKEL 3.1 DOEL EN UITVOERING

  • 1.

    Indien een melding ontvankelijk is als bedoeld in artikel 2.2 verricht de burgemeester zo spoedig mogelijk een eerste screening. Het vooronderzoek (screening) is bedoeld als een eerste beoordeling van de vraag of het geuite vermoeden van integriteitsschending feitelijke grondslag lijkt te hebben.

  • 2.

    Alvorens de bij de melding betrokken personen te informeren, gaat de burgemeester na of (digitale) gegevens dienen te worden veiliggesteld.

  • 3.

    Tijdens de eerste screening worden de melder en de politiek ambtsdrager tegen wie de melding gericht is, gehoord. Bij de uitnodiging aan de politiek ambtsdrager verstrekt de burgemeester in ieder geval een adequate omschrijving van de aard van de melding. Van de gesprekken in de eerste screening wordt vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en navolgbaarheid een verslag gemaakt. Dit verslag wordt voor een akkoord voorgelegd aan de gesproken personen. De gespreksverslagen worden opgenomen in het onderzoeksdossier.

  • 4.

    Onderdeel van de eerste screening kan zijn dat er advies ingewonnen wordt bij de provincie over de geanonimiseerde en waar mogelijk veralgemeniseerde casus.

ARTIKEL 3.2 UITKOMST VAN EEN EERSTE SCREENING

  • 1.

    Als de burgemeester na de eerste screening concludeert dat geen feitenonderzoek nodig is, stelt de burgemeester een screeningsverslag op. Feitenonderzoek blijft achterwege als uit de eerste screening blijkt dat het geuite vermoeden van een integriteitsschending onvoldoende feitelijke grondslag lijkt te hebben of als met de eerste screening alle relevante feiten al in beeld zijn gebracht.

  • 2.

    Als de burgemeester na de eerste screening concludeert dat een feitenonderzoek nodig is, stelt de burgemeester een screeningsverslag op, dat de burgemeester gezamenlijk met een concept onderzoeksopdracht voorlegt aan het fractievoorzittersoverleg.

  • 3.

    In de eerstvolgende vergadering van het fractievoorzittersoverleg worden het screeningsverslag en de concept onderzoeksopdracht onder oplegging van geheimhouding voorgelegd en besproken. De melder, met uitzondering van de situatie waarin de burgemeester zelf melder is, en de betrokken politiek ambtsdrager maken geen deel uit van deze vergadering en worden zo nodig vervangen.

  • 4.

    Het fractievoorzittersoverleg treedt op als klankbord voor de burgemeester ten aanzien van de opportuniteit van nader onderzoek en de onderzoeksopdracht. Het fractievoorzittersoverleg en de burgemeester beslissen over de concept onderzoeksopdracht en in het geval dat alle relevante feiten met de eerste screening al in beeld zijn gebracht, over het informeren van de raad. Indien de burgemeester verdeeldheid constateert, beslist de burgemeester.

  • 5.

    De betrokken politiek ambtsdrager wordt over het doen van de eerste screening en van de uitkomst daarvan zo spoedig mogelijk geïnformeerd. Het screeningsverslag wordt alleen verstrekt aan de politiek ambtsdrager als de burgemeester van oordeel is dat er geen feitenonderzoek nodig is.

  • 6.

    De melder en de betrokken politiek ambtsdrager worden geïnformeerd door de burgemeester als door de burgemeester en/of het fractievoorzittersoverleg wordt besloten geen feitenonderzoek in te stellen. In dat geval wordt ook het screeningsverslag overgelegd aan de melder en aan de betrokken politiek ambtsdrager. Het screeningsverslag wordt in beginsel niet ter kennisname aangeboden aan de raad, tenzij de burgemeester dit nodig acht.

4. Uitvoering van het feitenonderzoek

 

ARTIKEL 4.1 KENNISGEVING AAN POLITIEKE AMBTSDRAGER EN MELDER

  • 1.

    Als de burgemeester tot het oordeel komt dat een feitenonderzoek nodig is dan wordt de betrokken politiek ambtsdrager hierover door de burgemeester geïnformeerd, nadat het fractievoorzittersoverleg heeft vergaderd over de concept onderzoeksopdracht. Het verstrekken van het screeningsverslag aan de betrokken politiek ambtsdrager blijft achterwege omdat het onderzoek nog verder gaat.

  • 2.

    In de kennisgeving is in ieder geval opgenomen:

    • a.

      een omschrijving van het vermeende handelen of nalaten dat aanleiding is tot het instellen van het onderzoek;

    • b.

      de melding dat de betrokken politiek ambtsdrager en getuigen kunnen worden gehoord;

    • c.

      de melding dat de betrokken politiek ambtsdrager zich kan laten bijstaan voor emotionele of juridische ondersteuning, niet zijnde een persoon die eigenstandig betrokken is in het onderzoek;

    • d.

      de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsschending, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden;

    • e.

      een verwijzing naar deze verordening.

    • f.

      een verwijzing naar de vigerende gedragscode.

  • 3.

    De melder wordt door de burgemeester geïnformeerd op een door de burgemeester te bepalen, passende wijze. Het verstrekken van het screeningsverslag blijft achterwege omdat het onderzoek nog verder gaat.

ARTIKEL 4.2 ONDERZOEKSOPDRACHT

  • 1.

    De burgemeester geeft opdracht tot een feitenonderzoek aan daartoe gekwalificeerde onafhankelijke, externe onderzoekers.

  • 2.

    De burgemeester komt een schriftelijke onderzoeksopdracht met de onderzoekers overeen. In de opdracht staan in ieder geval de aanleiding, de onderzoeksopdracht (doelstelling en onderzoeksvragen) en de verwachte duur en kosten van het onderzoek. De opdracht biedt tevens inzicht in de te kiezen onderzoeksmethodiek, met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, en de wijze waarop hoor en wederhoor worden vormgegeven.

ARTIKEL 4.3 ONDERZOEKSRAPPORTAGE

  • 1.

    Van het feitenonderzoek wordt een rapportage opgesteld die door de onderzoekers aan de burgemeester wordt aangeboden.

  • 2.

    De rapportage bevat in elk geval: een weergave van de melding, de onderzoeksopdracht, een beschrijving van de uitgevoerde onderzoekshandelingen, het toepasselijke normatieve kader, de bevindingen, en – indien onderdeel van de opdracht – een toetsing van de bevindingen aan het normatieve kader en een conclusie waarin de vraag of sprake is van een integriteitsschending wordt beantwoord.

  • 3.

    De burgemeester toetst of de conclusie van de rapportage redelijkerwijs kan worden gedragen door de bevindingen van het onderzoek en of de rapportage voldoende begrijpelijk is.

  • 4.

    De burgemeester zendt de onderzoeksrapportage ter consultatie aan het fractievoorzittersoverleg. De rapportage wordt gelijktijdig door de burgemeester aan de betrokken ambtsdrager aangeboden.

  • 5.

    De burgemeester voegt aan de onderzoeksrapportage een brief toe waarin het proces dat heeft plaatsgevonden na ontvangst van de melding wordt toegelicht.

  • 6.

    De burgemeester biedt, na consultatie van het fractievoorzittersoverleg, de onderzoeksrapportage aan de raad aan.

  • 7.

    De burgemeester beslist of geheimhouding wordt opgelegd, waarbij afgewogen wordt of het belang van openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de in het onderzoek betrokken personen.

  • 8.

    De gemeenteraad bespreekt de onderzoeksrapportage in de eerstvolgende raadsvergadering.

  • 9.

    De burgemeester informeert de melder op een door de burgemeester te bepalen, passende wijze over de uitkomsten van het onderzoek, rekening houdend met het bepaalde in lid 7.

  • 10.

    Wanneer de betrokken politiek ambtsdrager wethouder is, informeert de burgemeester ook het college over de onderzoeksrapportage.

5. Afronding

 

ARTIKEL 5.1 CONSEQUENTIES

  • 1.

    De betrokken politiek ambtsdrager en de gemeenteraad kunnen besluiten om gevolgen te verbinden aan de uitkomsten van het onderzoek, die in verhouding staan tot de ernst van de feiten en relevante omstandigheden.

  • 2.

    Voor zover niet bij wet is voorzien in gevolgen, kunnen de betrokken politiek ambtsdrager en/of de gemeenteraad overgaan tot:

    • a.

      aanspreken;

    • b.

      publiek excuus;

    • c.

      afkeuring door partijen;

    • d.

      motie van treurnis;

    • e.

      motie van afkeuring;

    • f.

      motie van wantrouwen;

    • g.

      schorsing en ontslag, voor zover de betrokken politiek ambtsdrager lid is van het college van B&W.

ARTIKEL 5.2 REFLECTIE

Na afronding van het onderzoek en de politieke behandeling van de uitkomsten, agendeert de gemeenteraad een besloten bijeenkomst waarin wordt gereflecteerd en geëvalueerd op deze regeling, de daarin opgenomen afspraken en de toepassing daarvan in de praktijk.

Naar boven