Algemene plaatselijke verordening 2014 (APV – 21e wijziging)

[Dit wijzigingsbesluit zal vanwege de verschillende data van inwerkingtreding in twee verschillende publicaties verwerkt worden. In dit Gemeenteblad zullen de wijzigingen van artikel I onderdeel B, C, D, E, F, H, J, N verwerkt worden.]

 

De raad van de gemeente Apeldoorn;

 

gelezen het raadsvoorstel d.d. 13 februari 2023, nummer 10-2023;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

 

besluit

 

vast te stellen de volgende (21e) wijziging van de Algemene plaatselijke verordening 2014 (APV).

Artikel I Wijziging van de verordening

  • A.

    Artikel 2:10 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg

    • 1.

      Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

    • 2.

      Het verbod is niet van toepassing op:

      • a.

        vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

      • b.

        zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:

        • -

          geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en

        • -

          geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;

        • -

          geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

      • c.

        de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

      • d.

        voertuigen;

      • e.

        voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

      • f.

        standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18 en benzinepompen;

      • g.

        overdekte en afsluitbare winkelcentra en winkelpassages;

      • h.

        evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

      • i.

        terrassen als bedoeld in artikel 2:28.

    • 3.

      De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

    • 4.

      Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    • 5.

      Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:

      • a.

        als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

      • b.

        als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

      • c.

        in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

    • 6.

      Het college kan ter behartiging van de in het vorige lid genoemde belangen voor de gehele gemeente of delen daarvan nadere regels stellen omtrent de plaatsing en het formaat van uitstallingen

    • 7.

      Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.

    • 8.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

    • 9.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken.

    • 10.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

    • 11.

      Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg

    • 1.

      Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

    • 2.

      Het verbod is niet van toepassing op:

      • a.

        vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

      • b.

        zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:

        • -

          geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt, en

        • -

          geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;

        • -

          geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

      • c.

        de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

      • d.

        voertuigen;

      • e.

        voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

      • f.

        standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18 en benzinepompen;

      • g.

        overdekte en afsluitbare winkelcentra en winkelpassages;

      • h.

        evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

      • i.

        terrassen als bedoeld in artikel 2:28;

      • j.

        overige gevallen waarin krachtens een wettelijk voorschrift een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

    • 3.

      De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

    • 4.

      Het is verboden op, in, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

    • 5.

      Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd:

      • a.

        als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

      • b.

        als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

      • c.

        in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

    • 6.

      Het college kan ter behartiging van de in het vorige lid genoemde belangen voor de gehele gemeente of delen daarvan nadere regels stellen omtrent de plaatsing en het formaat van uitstallingen

    • 7.

      Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Gelders wegenreglement.

    • 8.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

    • 9.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken.

    • 10.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

    • 11.

      Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

  • B.

    Artikel 2:47 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

    • 1.

      Het is verboden op een openbare plaats:

      • a.

        te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

      • b.

        zich op te houden op een wijze voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

    • 2.

      Een ieder die aanwezig is bij een gedraging als bedoeld in het eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

    • 3.

      Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

    Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen

    • 1.

      Het is verboden op een openbare plaats:

      • a.

        te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

      • b.

        zich op te houden op een wijze voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

    • 2.

      Een ieder die aanwezig is bij een gedraging als bedoeld in het eerste lid, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

    • 3.

      Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

  • C.

    Na artikel 2:58 wordt een nieuw artikel 2:58A toegevoegd, luidende:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:58A Verontreiniging door paarden

     

    Degene die zich met een paard op een door het college aangewezen openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van dat paard zo spoedig mogelijk worden verwijderd, maar in ieder geval binnen zes uur.

  • D.

    Artikel 2:60 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

    • 1.

      Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

      • a.

        aanwezig te hebben, of

      • b.

        aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, of

      • c.

        aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

      • d.

        te voeren.

    • 2.

      Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

    Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

    • 1.

      Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

      • a.

        aanwezig te hebben, of

      • b.

        aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, of

      • c.

        aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.

      • d.

        te voeren.

    • 2.

      Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

  • E.

    Artikel 2:65 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:65 Bedelarij

    Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

    Artikel 2:65 Bedelarij

    Het is verboden in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

  • F.

    Artikel 2:77D wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:77D Tijdelijk en flexibel cameratoezicht

    • 1.

      Tijdelijke of flexibele camera’s mogen worden geplaatst:

      • a.

        voorafgaand aan, tijdens of na afloop van evenementen, waaronder ook betogingen, waarbij:

        • 1.

          grotere bezoekersaantallen verwacht worden, die omwille van de veiligheid gemonitord moeten worden; of

        • 2.

          er rekening gehouden wordt met acties die de openbare orde kunnen verstoren;

      • b.

        op een openbare plaats waar ernstige verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden of sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en andere methoden om dit te beëindigen of te voorkomen onvoldoende effect hebben mits hierover overleg is geweest met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet.

      • c.

        op een openbare plaats waar langdurige ernstige overlast wordt ervaren en andere methoden om deze te beëindigen onvoldoende effect hebben.

    • 2.

      Bij cameratoezicht met tijdelijke en flexibele camera’s geschiedt ‘live’ uitkijken door of onder de verantwoordelijkheid van aanwezige politiefunctionarissen.

    • 3.

      De burgemeester kan binnen de in dit deze afdeling gestelde randvoorwaarden voor tijdelijk en flexibel cameratoezicht het aantal tijdelijke en flexibele camera’s, het soort camera’s en de precieze plaatsing naar eigen inzicht bepalen.

    • 4.

      Een termijn voor toepassing van flexibel en tijdelijk cameratoezicht bedraagt maximaal een jaar. In het geval de burgemeester het flexibel en tijdelijk cameratoezicht wenst voort te zetten na afloop van deze termijn, raadpleegt hij hierover per geval vooraf de gemeenteraad.

    Artikel 2:77D Tijdelijk en flexibel cameratoezicht

    • 1.

      Tijdelijke of flexibele camera’s mogen worden geplaatst:

      • a.

        voorafgaand aan, tijdens of na afloop van evenementen als bedoeld in artikel 2:24, eerste en tweede lid, waaronder ook betogingen, waarbij:

        • 1.

          grotere bezoekersaantallen verwacht worden, die omwille van de veiligheid gemonitord moeten worden; of

        • 2.

          er rekening gehouden wordt met acties die de openbare orde kunnen verstoren;

      • b.

        op een openbare plaats waar ernstige verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden of sprake is van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan en andere methoden om dit te beëindigen of te voorkomen onvoldoende effect hebben mits hierover overleg is geweest met de officier van justitie in het overleg, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Politiewet.

      • c.

        op een openbare plaats waar langdurige ernstige overlast wordt ervaren en andere methoden om deze te beëindigen onvoldoende effect hebben.

    • 2.

      Bij cameratoezicht met tijdelijke en flexibele camera’s geschiedt ‘live’ uitkijken door of onder de verantwoordelijkheid van aanwezige politiefunctionarissen.

    • 3.

      De burgemeester kan binnen de in dit deze afdeling gestelde randvoorwaarden voor tijdelijk en flexibel cameratoezicht het aantal tijdelijke en flexibele camera’s, het soort camera’s en de precieze plaatsing naar eigen inzicht bepalen.

    • 4.

      Een termijn voor toepassing van flexibel en tijdelijk cameratoezicht bedraagt maximaal een jaar. In het geval de burgemeester het flexibel en tijdelijk cameratoezicht wenst voort te zetten na afloop van deze termijn, raadpleegt hij hierover per geval vooraf de gemeenteraad.

  • G.

    Artikel 5:2 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

    • 1.

      Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

      • a.

        het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

      • b.

        het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

    • 2.

      Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

      • a.

        voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

      • b.

        voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

    • 3.

      Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

      • a.

        drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

      • b.

        de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

    • 4.

      Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    • 5.

      Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

    Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

    • 1.

      Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

      • a.

        het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

      • b.

        het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

    • 2.

      Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

      • a.

        voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

      • b.

        voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

    • 3.

      Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

      • a.

        drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

      • b.

        de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

    • 4.

      Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    • 5.

      Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    • 6.

      Het derde lid is niet van toepassing voor zover daarin wordt voorzien door artikel 5:12a.

  • H.

    Artikel 5:12 wordt als volgt gewijzigd:

    Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

    • 1.

      Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

    • 2.

      Indien de daarvoor bestemde ruimten en plaatsen zijn voorzien van rekken, dient de fiets of bromfiets in een rek te worden geplaatst.

    • 3.

      In afwijking van het bepaalde in artikel 5:5 is het is verboden fietsen en bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan.

    • 4.

      Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

    Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

    • 1.

      Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

    • 2.

      Indien de daarvoor bestemde ruimten en plaatsen zijn voorzien van rekken, dient de fiets of bromfiets in een rek te worden geplaatst.

    • 3.

      In afwijking van het bepaalde in artikel 5:5 is het is verboden fietsen en bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan.

    • 4.

      Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

  • I.

    Aan artikel 5:12 wordt een lid toegevoegd, luidende:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    • 5.

      Het verbod bedoeld in het vierde lid is niet van toepassing op weggedeelten die zijn aangewezen voor het bedrijfsmatig plaatsen van fietsen, bromfietsen, scooters of stepjes ten behoeve van gebruik door derden, als bedoeld in artikel 5:12a, vijfde lid.

  • J.

    Aan artikel 5:12 worden twee leden toegevoegd, luidende:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    • 6.

      Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid.

    • 7.

      Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

  • K.

    Na artikel 5:12 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 1a Deelmobiliteit

    Artikel 5:12a Deelfietsen e.d.

    • 1.

      Het is verboden zonder vergunning van het college bedrijfsmatig fietsen, bromfietsen, scooters of stepjes ten behoeve van gebruik door derden op de weg te plaatsen.

    • 2.

      Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het college de vergunning weigeren of aan de vergunning voorschriften en beperkingen verbinden:

      • a.

        ter voorkoming van overlast;

      • b.

        in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente;

      • c.

        in het belang van de veiligheid van het publiek;

      • d.

        in het belang van de doorstroming van het verkeer;

      • e.

        ter voorkoming van onevenredig ruimtegebruik.

    • 3.

      Het college kan ter bescherming van de belangen in het tweede lid een maximum stellen aan:

      • a.

        het aantal bedrijven waaraan een vergunning kan worden verleend; of

      • b.

        aan het totaal aantal fietsen, bromfietsen, scooters of stepjes als bedoeld in het eerste lid dat op of aan de weg kan worden geplaatst.

    • 4.

      Onverminderd het bepaalde in het tweede lid weigert het college de vergunning indien een maximum als bedoeld in het derde lid is vastgesteld en dit maximum al is bereikt.

    • 5.

      Het college kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar uitsluitend fietsen, bromfietsen, scooters of stepjes als bedoeld in het eerste lid mogen worden geplaatst en ter gebruik mogen worden aangeboden of waar deze fietsen, bromfietsen, scooters of stepjes niet mogen worden geplaatst en niet ter gebruik mogen worden aan geboden.

    • 6.

      Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde krachtens het vijfde lid.

    • 7.

      Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • L.

    Artikel 5:14 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:14 Definitie

    • 1.

      In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

    • 2.

      Onder venten wordt niet verstaan:

      • a.

        het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

      • b.

        het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

      • c.

        het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

    Artikel 5:14 Definitie

    • 1.

      In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

    • 2.

      Onder venten wordt niet verstaan:

      • a.

        het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

      • b.

        het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;

      • c.

        het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17;

      • d.

        het bedrijfsmatig plaatsen van fietsen, bromfietsen, scooters of stepjes ten behoeve van gebruik door derden, bedoeld in artikel 5:12a.

  • M.

    Artikel 5:17 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:17 Definitie

    • 1.

      In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats:

      • a.

        te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel;

      • b.

        anderszins goederen uitstallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

    • 2.

      Onder standplaats wordt niet verstaan:

      • a.

        een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

      • b.

        een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

    Artikel 5:17 Definitie

    • 1.

      In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats:

      • a.

        te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel;

      • b.

        anderszins goederen uitstallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

    • 2.

      Onder standplaats wordt niet verstaan:

      • a.

        een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

      • b.

        een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24;

      • c.

        een vaste plaats voor fietsen, bromfietsen, scooters of stepjes als bedoeld in artikel 5:12a, vijfde lid.

  • N.

    De toelichting bij artikel 2:47 komt te luiden als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen

    Op basis van dit artikel kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.

     

    Straatintimidatie

    Met dit onderdeel wordt ook beoogd om verschillende vormen van straatintimidatie te verbieden en heeft zowel betrekking op gedragingen van een individu, als van een groep. Het motief is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat. Straatintimidatie is ongewenst gedrag in de openbare ruimte waardoor anderen zich onveilig voelen. Denk hierbij onder meer aan ongewenst betasten, iemand in het nauw drijven met seksuele bedoelingen, iemand opzettelijk de doorgang versperren, zich opzettelijk tegen iemand aanduwen, volgen/achternalopen, (aanhoudende) vragen om iemands naam/nummer/bestemming en vragen om seksuele handelingen.

     

    Bij overtreding van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kan uitsluitend diegene tot wie het gedrag zich primair richt, aangifte doen. Om uiteenlopende redenen doen deze slachtoffers dat lang niet altijd. De bepalingen in het Wetboek van Strafrecht bieden dus geen sluitend systeem om de negatieve effecten van deze gedragingen tegen te gaan. Op grond van dit onderdeel is het ook mogelijk om op te treden tegen dit soort ongewenst gedrag, ook al heeft het slachtoffer daarvan geen aangifte gedaan.

     

    Afbakening

    Artikel 424 van het WvSr stelt ‘straatschenderij’ strafbaar, terwijl artikel 426bis van het WvSr het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 van het WvSr stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijvingen zijn echter ‘strakker’ dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Artikel 2:47 vormt daarom hierop een aanvulling.

     

    Artikel 5 van de WVW 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de WVW 1994. Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de WVW 1994, is artikel 2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.

Artikel II Inwerkingtreding

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin dit besluit wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdelen A, G, I, K, L en M.

  • 2.

    De onderdelen A, G, I, K, L en M van artikel I treden inwerking op een door het college te bepalen dag.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 16 februari 2023

De waarnemend griffier,

……………………,

De burgemeester,

…………….

Naar boven