Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten

De raad van de gemeente Eijsden-Margraten;

 

gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 30 oktober 2023;

 

overwegende dat in het kader van de invoering van de Omgevingswet een deel van de gemeentelijke regelgeving aangaande de fysieke leefomgeving een plaats dient te vinden in het Omgevingsplan;

 

overwegende dat bundeling van gemeentelijke regelgeving in dat verband de om- dan wel overzetting van de regelgeving faciliteert;

 

overwegende dat van de gelegenheid gebruik kan worden gemaakt om de regeldruk voor de burgers en organisaties te verminderen;

 

overwegende dat de vermindering van de regeldruk is gericht op gemeentelijke regelgeving die betrekking heeft op de openbare orde en openbare veiligheid alsmede de fysieke leefomgeving;

 

gelet op:

 

  • -

    artikel 108 en 149 Gemeentewet,

  • -

    Titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht,

  • -

    de Alcoholwet,

  • -

    de Wet milieubeheer,

  • -

    artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening,

  • -

    artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening,

  • -

    de Wet op de lijkbezorging,

  • -

    de artikelen 1, 8 en 12b Woningwet,

  • -

    artikel 173, tweede lid Wegenverkeerswet 1994,

  • -

    het Besluit wegslepen van voertuigen,

  • -

    artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij,

  • -

    de artikelen 5.4, 5.5 en 5.7 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

  • -

    artikel 5.4 Telecommunicatiewet,

  • -

    artikel 3 Wet openbare manifestaties,

  • -

    artikel 2.7 en 15.1 Omgevingswet,

  • -

    artikel 2.1 Omgevingsbesluit,

vast te stellen de navolgende Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten:

 

Titel 1 Algemeen

 

Hoofdstuk 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1.1 Definities

  • 1.

    Bijlage 1 bij deze Verordening bevat definities voor de toepassing van deze Verordening.

  • 2.

    De definities bedoeld in het eerste lid gelden eveneens voor de toepassing van de regels bij of krachtens deze Verordening.

Artikel 1.1.2 Beslistermijn

  • 1.

    Het bevoegd bestuursorgaan beslist binnen acht weken op een aanvraag om een toestemming. Deze acht weken-termijn begint de eerste dag na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal zes weken verlengen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet als daarvan wordt afgeweken bij de bepalingen van deze Verordening.

Artikel 1.1.3 Indienen aanvraag

Bij de toestemmingaanvraag of wijzigingsaanvraag van de toestemming, wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier.

Artikel 1.1.4 Toestemmingvoorschriften

  • 1.

    Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Het doel van deze voorschriften mag alleen bescherming zijn van het belang waarvoor de toestemming is vereist.

  • 2.

    Degene voor wie de toestemming geldt, moet zich zo gedragen dat geen strijd ontstaat met de aan de toestemming verbonden voorschriften.

Artikel 1.1.5 Toestemming gekoppeld aan activiteit

De toestemming is alleen gekoppeld aan de activiteit waarvoor de toestemming is verleend, tenzij hiervan wordt afgeweken bij of krachtens de bepalingen van deze Verordening.

Artikel 1.1.6 Intrekking en wijziging toestemming

De toestemming kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

 

  • a.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn ingediend om de toestemming te krijgen;

  • b.

    een verandering van de omstandigheden of inzichten is opgetreden na de toestemmingverlening;

  • c.

    intrekking of wijziging noodzakelijk is als gevolg van het belang ter bescherming waarvan de toestemming vereist is;

  • d.

    aan de toestemming verbonden voorschriften niet zijn of worden nageleefd;

  • e.

    van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  • f.

    het gebruikmaken van de toestemming gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse, of

  • g.

    de toestemminghouder daarom verzoekt.

Artikel 1.1.7 Geldigheidsduur toestemming

De toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij:

 

  • a.

    in de toestemming de tijdelijkheid daarvan is beperkt, of

  • b.

    de aard van de toestemming zich daartegen verzet.

Artikel 1.1.8 Weigeringsredenen toestemming openbare orde en openbare veiligheid

  • 1.

    De toestemming wordt geweigerd als:

    • a.

      de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of

    • b.

      door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften.

  • 2.

    Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en/of openbare veiligheid.

  • 3.

    Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, waardoor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1.1.9 Weigeringsredenen toestemming fysieke leefomgeving (Tijdelijk deel omgevingsplan)

  • 1.

    De toestemming wordt geweigerd als:

    • a.

      de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of

    • b.

      door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften.

  • 2.

    Een toestemming kan worden geweigerd in het belang van de fysieke leefomgeving.

  • 3.

    Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag af te wijzen als deze aanvraag wordt ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, waardoor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1.1.10 Hogere wetgeving

Het bepaalde bij of krachtens deze Verordening is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere wetgeving.

Artikel 1.1.11 Algemene regels

Het bestuursorgaan dat bevoegd is een toestemming te verlenen bij of krachtens deze Verordening, kan algemene regels vaststellen die in de plaats treden van de toestemmingplicht of daarnaast gelden.

Artikel 1.1.12 Nadere regels

Het bestuursorgaan kan nadere regels vaststellen ter invulling van een aan dit bestuursorgaan bij of krachtens deze Verordening toekomende bevoegdheid.

Artikel 1.1.13 Naleving voorschriften

Het is verboden voorschriften te overtreden die zijn verbonden aan besluiten bij of krachtens deze Verordening.

Artikel 1.1.14 Toezicht

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze Verordening zijn belast de door het bevoegd gezag aangewezen toezichthouders.

 

Titel 2 Openbare orde en openbare veiligheid

Hoofdstuk 2.1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot (dreigende) ongeregeldheden.

  • 2.

    Iemand die op een openbare plaats aanwezig is bij of in een:

    • a.

      voorval waardoor ongeregeldheden (dreigen te) ontstaan;

    • b.

      publiek trekkende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden (dreigen te) ontstaan, of

    • c.

      samenscholing;

    is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of in de door hen aangewezen richting te gaan.

  • 3.

    Het is verboden zich te bevinden op of te gaan naar openbare plaatsen die door of vanwege de burgemeester zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden.

  • 4.

    Het in het derde lid bedoelde verbod geldt niet voor buitengewone opsporingsambtenaren, toezichthouders, ambtenaren van politie en hulpdiensten.

Hoofdstuk 2.2 Betoging

Artikel 2.2.1 Melding betoging op openbare plaatsen

  • 1.

    Iemand die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, meldt dit schriftelijk aan de burgemeester voorafgaand aan de openbare aankondiging van de betoging en ten minste 48 uur voordat deze betoging wordt gehouden.

  • 2.

    De schriftelijke melding bevat, voor zover van toepassing:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden, het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en route;

    • e.

      de wijze van samenstelling, en

    • f.

      de maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een ordelijk verloop te waarborgen.

  • 3.

    Iemand die schriftelijk correct meldt, ontvangt daarvan een bewijs met het tijdstip van de melding.

  • 4.

    Als het tijdstip van de schriftelijke melding valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, dan wordt de schriftelijke melding gedaan vóór 12.00 uur op de laatste werkdag aan de genoemde dagen.

  • 5.

    De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden een melding in behandeling nemen buiten deze termijn.

Hoofdstuk 2.3 Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2.3.1 Voorwerpen aan, op of boven de weg

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college aan, op of boven de weg voorwerpen te plaatsen of aan te brengen in strijd met de openbare functie van de weg. Hiervan is in ieder geval sprake als:

    • a.

      dit schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg;

    • b.

      de bruikbaarheid van de weg wordt belemmerd of kan worden belemmerd, of

    • c.

      dit plaatsen of aanbrengen een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg.

  • 2.

    Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg als bedoeld in het eerste lid, onder b is in ieder geval sprake als minder dan:

    • a.

      1,5 meter vrije doorgang wordt gelaten op een voetpad, of

    • b.

      twee meter vrije doorgang wordt gelaten voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en een vrije doorgang van 3,5 meter voor hulpdiensten en toeleveringsbedrijven, en

    • c.

      4,5 meter doorgangshoogte wordt gelaten.

  • 3.

    De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning als het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1 van de Ow.

  • 4.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2.5.2.1 van deze Verordening;

    • b.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 3.11.2.1;

    • c.

      vlaggen, wimpels of vlaggenstokken als deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

    • d.

      zonneschermen als deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:

      • -

        geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;

      • -

        geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt, en

      • -

        geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    • e.

      de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg worden gebracht in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of laat verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;

    • f.

      containers en steigers, die noodzakelijkerwijs op de weg worden geplaatst in verband met bouw-, renovatie- en/of sloopwerkzaamheden;

    • g.

      winkeluitstallingen, mits een vrije doorgang op het voetpad en de weg, van minimaal 1,5 meter wordt gewaarborgd en geen schade aan de weg wordt toegebracht, of

    • h.

      overige gevallen waarin bij of krachtens een wettelijke regeling een publiekrechtelijke toestemming voor het gebruik van de weg is verleend.

  • 5.

    Op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 2.4 Veiligheid in de openbare omgeving

Artikel 2.4.1 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen waardoor het vrije uitzicht voor het wegverkeer wordt belemmerd dan wel op andere wijze hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2.4.2 Handelingen aan en met openbare nutsvoorzieningen

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden handelingen met openbare nutsvoorzieningen te verrichten die gevaar, schade of hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken.

Artikel 2.4.3 Voorkomen van brand

Het is verboden zich zodanig te gedragen dat daardoor brand in openbaar gebied kan ontstaan, tenzij daarvoor bij of krachtens een wettelijke regel publiekrechtelijke toestemming is verleend.

Artikel 2.4.4 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

Artikel 2.4.5 Veiligheid op het ijs

Het is verboden:

 

  • a.

    voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, verontreinigen, versperren dan wel het verkeer daarop op andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen, of

  • b.

    bakens of andere voorwerpen voor de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, beschadigen of op andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of belemmeren.

Hoofdstuk 2.5 Activiteiten in openbare ruimte

Paragraaf 2.5.1 Algemeen

Artikel 2.5.1.1 Ordeverstoring

Het is verboden bij activiteiten in openbare ruimten de orde te verstoren, daartoe aan te zetten of aanleiding te geven.

 

Paragraaf 2.5.2 Evenementen

Artikel 2.5.2.1 Evenementenvergunning

  • 1.

    Het is verboden een evenement te organiseren en houden zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    De burgemeester weigert de vergunning:

    • a.

      als de organisator of vergunningaanvrager van slecht levensgedrag is;

    • b.

      het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de openbare veiligheid, of

    • c.

      een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is.

  • 3.

    De vergunning kan, naast de in de artikelen 1.1.8 of 1.1.9 van de Verordening genoemde gevallen, worden geweigerd in het belang van

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de zedelijkheid, of

    • c.

      de gezondheid.

  • 4.

    Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing.

Artikel 2.5.2.2 Ordeverstoring

  • 1.

    De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens en na een evenement aan de organisator aanwijzingen geven die de burgemeester noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare orde, en die moeten worden nageleefd.

  • 2.

    De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens en na het evenement:

    • a.

      alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde;

    • b.

      het evenement onmiddellijk te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor;

    • c.

      ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van de politie of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.

  • 3.

    Het is voor bezoekers van een evenement voor, tijdens en na het evenement:

    • a.

      verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde en veiligheid te verstoren of bedreigen;

    • b.

      verboden op of in de nabijheid van het evenemententerrein of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren;

    • c.

      verboden op een evenemententerrein te zijn als overeenkomstig het eerste of tweede lid opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten;

    • d.

      verplicht voor het ordelijk verloop van een evenement of bij een voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan, een daartoe strekkende aanwijzing van een ambtenaar van de politie of brandweer onmiddellijk op te volgen.

  • 4.

    Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, die uiterlijke kenmerken vertonen van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde en veiligheid.

 

Paragraaf 2.5.3 Openbare inrichtingen waaronder horecabedrijven

Artikel 2.5.3.1 Vergunning openbare inrichting

  • 1.

    Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    De burgemeester weigert de vergunning als de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die is afgegeven uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 1.1.8 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren in geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 4.

    Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van het horecabedrijf een ondergeschikte nevenactiviteit zijn van de winkelactiviteit.

  • 5.

    Voor het horecabedrijf als bedoeld in het vierde lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  • 6.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.5.3.2 Sluitingstijd

  • 1.

    Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02.00 uur en 07.00 uur. Gedurende deze periode mogen geen bezoekers aanwezig zijn in de openbare inrichting.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn horecabedrijven op zondag, maandag en dinsdag gesloten van 03.00 uur tot 07.00 uur, tijdens nieuwjaarsdag, carnaval, de Bronk en de kermis in een dorpskern, als het horecabedrijf in die dorpskern ligt.

  • 3.

    De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een horecabedrijf en/of een daartoe behorend terras.

  • 4.

    In afwijking van de genoemde sluitingstijden in dit artikel mag, met het oog op een ordentelijke sluiting, het horecabedrijf open zijn tot een half uur na de genoemde sluitingstijden onder de voorwaarde dat geen drank worden geschonken, voedsel wordt verstrekt, muziek wordt gespeeld en de lichten in het bedrijf alle aan zijn.

Artikel 2.5.3.3 Afwijking sluitingstijd en tijdelijke sluiting

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid dan wel in geval van bijzondere omstandigheden voor een horecabedrijf tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.5.3.1 van deze Verordening geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

Artikel 2.5.3.4 Verbod "happy hours"

Het is verboden in een horecabedrijf en/of een daartoe behorend terras bedrijfsmatig alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

Artikel 2.5.3.5 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Het is voor bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf bij of krachtens deze Verordening gesloten dient te zijn.

Artikel 2.5.3.6 Handel in horecabedrijven

De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, of een voor diegene handelend persoon in het horecabedrijf een voorwerp verwerft, verkoopt of op andere wijze overdraagt.

 

Paragraaf 2.5.4 Paracommerciële rechtspersonen en Alcoholwet

Artikel 2.5.4.1 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

Buiten de onderstaande tijden is het voor paracommerciële rechtspersonen verboden om alcohol te schenken op:

 

  • a.

    maandag tot en met donderdag vanaf één uur voorafgaand aan de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon, tot 2 uur na afloop daarvan met een uiterste eindtijd van 00.00 uur en begintijd van 07.00 uur;

  • b.

    vrijdag tot en met zondag vanaf één uur voorafgaand aan de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon tot 1 uur na afloop daarvan met een uiterste eindtijd van 02.00 uur, met uitzondering van activiteiten in sportkantines. In dat laatste geval geldt een uiterste eindtijd van 00.00 uur en begintijd van 07.00 uur.

Artikel 2.5.4.2 Verbod schenken sterk alcoholhoudende drank

Het is verboden sterk alcoholhoudende drank te schenken op een locatie:

 

  • a.

    waarin uitsluitend of in hoofdzaak onderwijs wordt gegeven;

  • b.

    die, of waarvan een onderdeel, uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugd- of sportorganisaties.

Artikel 2.5.4.3 Bijeenkomsten van persoonlijke aard bij paracommerciële rechtspersonen

  • 1.

    Paracommerciële rechtspersonen in gemeenschapsaccommodaties mogen alcoholhoudende drank verstrekken, tijdens maximaal 12 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard.

  • 2.

    Paracommerciële rechtspersonen in sportkantines mogen alcoholhoudende drank verstrekken, tijdens maximaal 6 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard.

  • 3.

    Het houden van een bijeenkomst als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt uiterlijk 10 werkdagen voor het begin daarvan schriftelijk gemeld aan de burgemeester.

Artikel 2.5.4.4 Verbod "happy hours"

Het is verboden voor paracommerciële rechtspersonen bedrijfsmatig alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.

 

Paragraaf 2.5.5 Inrichting voor overnachting

Artikel 2.5.5.1 Melding exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting voor overnachting staakt, is verplicht dit binnen drie dagen daarna schriftelijk te melden aan de burgemeester met het daartoe vastgestelde formulier.

Artikel 2.5.5.2 Bijhouden nachtregister

De houder van een inrichting voor overnachting is verplicht een register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat is ingericht volgens een door de burgemeester vastgesteld model.

Artikel 2.5.5.3 Verstrekken nachtregistergegevens

  • 1.

    Degene die in een inrichting voor overnachting overnacht, is vanwege de openbare veiligheid verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te geven.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde exploitant en leidinggevende zijn verplicht op het eerste verzoek van de toezichthouder de gegevens te verstrekken zoals bedoeld in het eerste lid.

 

Paragraaf 2.5.6 Speelgelegenheden

Artikel 2.5.6.1 Definities

In deze paragraaf voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn gedefinieerd, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2.5.6.2 Vergunning speelgelegenheden

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te (laten) exploiteren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of paragraaf 2.5.7 van deze Verordening.

  • 3.

    Aanvullend op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening weigert de burgemeester de vergunning als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid.

  • 4.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 2.5.6.2 van deze Verordening.

Artikel 2.5.6.3 Kansspelautomaten

  • 1.

    In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.

  • 2.

    In laagdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee behendigheidsspelen toegestaan.

  • 3.

    In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten verboden.

 

Paragraaf 2.5.7 Speelautomatenhallen (voorheen: Verordening speelautomatenhallen Eijsden-Margraten 2014)

Artikel 2.5.7.1 Exploitatievergunning

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of exploiteren.

  • 2.

    Vergunning kan worden verleend voor maximaal één speelautomatenhal, met maximaal 200 speelautomaten en maximaal 200 spelersplaatsen.

  • 3.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunningaanvraag als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    De vergunningaanvragen als bedoeld in het eerste lid worden behandeld op volgorde van ontvangstdatum van de desbetreffende aanvragen.

Artikel 2.5.7.2 Aanvraag exploitatievergunning

De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.5.7.1 van deze Verordening bevat in ieder geval:

 

  • 1.

    een tekening op schaal van de inrichting, waaruit ten minste blijkt:

    • a.

      op welke plaats en hoeveel kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld;

    • b.

      op welke plaats leeftijdscontrole plaatsvindt;

  • 2.

    een schriftelijk stuk waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken;

  • 3.

    een verklaring omtrent het gedrag van de ondernemer of, als de exploitant een rechtspersoon is, van degene(n) die de rechtspersoon krachtens de statuten vertegenwoordigt(en) en van de beheerder, en

  • 4.

    een correct ingevuld en ondertekend vragenformulier van de gemeente in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Artikel 2.5.7.3 Weigeringsgronden

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.1.8, derde lid van deze Verordening weigert de burgemeester de exploitatievergunning als:

    • a.

      op het moment van ontvangst van de aanvraag reeds een rechtsgeldige exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2.5.7.1 van deze Verordening in werking is;

    • b.

      de beheerder de leeftijd van 25 jaar niet heeft bereikt;

    • c.

      de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is;

    • d.

      de exploitant en/of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn, of

    • e.

      de exploitant of beheerder onder curatele staat.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.1.8, eerste lid van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning weigeren als:

    • a.

      naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving of het karakter van de winkelbuurt nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de speelautomatenhal;

    • b.

      de exploitant de bij of krachtens titel VA van de Wet op de kansspelen gestelde bepalingen heeft overtreden in de periode van drie jaren voorafgaand aan het moment van de vergunningaanvraag.

Artikel 2.5.7.4 Beslistermijn

In afwijking van artikel 1.1.2 van deze Verordening beslist de burgemeester binnen twaalf weken na de datum waarop de aanvraag om een exploitatievergunning is ontvangen. De beslistermijn kan één keer met maximaal twaalf weken worden verlengd.

Artikel 2.5.7.5 Aanwezigheidsvergunning

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester kansspelautomaten in een speelautomatenhal aanwezig te hebben of te exploiteren.

  • 2.

    De aanwezigheidsvergunning kan alleen op naam van de exploitant worden gesteld en is niet overdraagbaar.

  • 3.

    In de aanwezigheidsvergunning is ten minste opgenomen:

    • a.

      de naam van de exploitant;

    • b.

      het adres van de inrichting en het aantal kansspelautomaten;

    • c.

      de verplichting op of aan een speelautomaat een waarschuwing tegen gokverslaving en overige risico’s van overmatig gokken te bevestigen;

    • d.

      dat kansspelautomaten zodanig moeten worden opgesteld dat door de leidinggevende voortdurend toezicht kan worden gehouden;

    • e.

      dat alleen kansspelautomaten mogen worden opgesteld in eigendom van personen, die in het bezit zijn van een exploitatievergunning;

    • f.

      dat in een bijlage bij de vergunning de naam is vermeld van de beheerders.

Artikel 2.5.7.6 Intrekkingsgronden

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.1.6 van deze Verordening trekt de burgemeester de vergunning in als:

    • a.

      de gegevens die met het oog op het verkrijgen van de vergunning zijn verstrekt, zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

    • b.

      niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, onder a van de Wet op de kansspelen gestelde eisen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan de burgemeester de vergunning intrekken als:

    • a.

      niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.5.7.7 van deze Verordening;

    • b.

      de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de Wet op de kansspelen gestelde bepalingen heeft overtreden;

    • c.

      gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning is gemaakt;

    • d.

      in strijd wordt gehandeld met artikel 2.5.7.8 van deze Verordening.

Artikel 2.5.7.7 Aanwezigheidsplicht

Het is verboden een speelautomatenhal voor het publiek geopend te houden, als in het bedrijf geen beheerder aanwezig is, die in de bijlage van de aanwezigheidsvergunning is vermeld.

Artikel 2.5.7.8 Wijziging beheerder of bedrijfsleider

Als een in de bijlage bij de aanwezigheidsvergunning vermelde beheerder niet meer als zodanig werkzaam is, dient de exploitant binnen vier weken nadat deze situatie is ontstaan bij de burgemeester een aanvraag in om dienovereenkomstige wijziging van de bijlage bij de vergunning.

Artikel 2.5.7.9 Wijziging exploitant

  • 1.

    Als de exploitatie van een speelautomatenhal wordt beëindigd of een speelautomatenhal aan een rechtsopvolger wordt overgedragen, meldt de exploitant dit onmiddellijk schriftelijk aan de burgemeester.

  • 2.

    De bestaande aanwezigheidsvergunning vervalt als niet binnen vier weken na de overdracht een nieuwe aanwezigheidsvergunningaanvraag is ingediend.

  • 3.

    Als de aanvraag om een nieuwe vergunning is ingediend binnen de in het tweede lid gestelde termijn, blijft de bestaande vergunning van kracht tot op de aanvraag is beslist.

 

Paragraaf 2.5.8 Seksinrichtingen, sekswinkels, prostitutie en dergelijke

Artikel 2.5.8.1 Vergunning seksinrichtingen en escortbedrijven

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of wijzigen zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    In de vergunningaanvraag wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant en de beheerder, en

    • b.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1.1.2 van deze Verordening beslist het college op de vergunningaanvraag als bedoeld in het tweede lid, binnen 12 weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. De burgemeester kan zijn besluit met maximaal 12 weken uitstellen.

  • 4.

    De vergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als:

    • a.

      de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 2.5.8.2 van deze Verordening gestelde eisen, of

    • b.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dan wel met hetgeen bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald.

  • 5.

    Voor seksinrichtingen en escortbedrijven kan, in aanvulling op het bepaalde in artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, de vergunning bedoeld in het eerste lid, worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • c.

      de gezondheid of zedelijkheid, of

    • d.

      de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

  • 6.

    Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.5.8.2 Gedragseisen exploitant en beheerder

  • 1.

    De exploitant en de beheerder:

    • a.

      staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • b.

      zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

    • c.

      hebben de leeftijd van 21 jaar bereikt;

    • d.

      zijn niet met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • e.

      zijn niet binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius alsmede de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten, en

    • f.

      zijn niet binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • -

        bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • -

        de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • -

        de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 in samenhang met artikel 8 of in samenhang met artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • -

        de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

      • -

        de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • -

        de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 2.

    Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijk gesteld:

    • a.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt, en

    • b.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 3.

    De periode van vijf jaar, genoemd in het eerste lid, wordt:

    • a.

      bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de vergunningaanvraag;

    • b.

      bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van intrekking van deze vergunning.

  • 4.

    De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 2.5.8.1, eerste lid van deze Verordening, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat diegene ter zake geen verwijt treft.

Artikel 2.5.8.3 Sluitingstijden

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04:00 uur en 08:00 uur.

  • 2.

    Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of krachtens artikel 2.5.8.4 van deze Verordening, gesloten moet zijn.

Artikel 2.5.8.4 Afwijking sluitingstijden en sluiting

Met het oog op de in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in deze paragraaf, kan het college bestuursorgaan:

 

  • a.

    tijdelijk andere dan de krachtens 2.5.8.3 van deze Verordening geldende sluitingsuren vaststellen;

  • b.

    van een seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of gehele sluiting bevelen.

Artikel 2.5.8.5 Intrekking vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 van deze Verordening kan het college met het oog op de in artikel 2.5.8.4 van deze Verordening genoemde belangen de vergunning intrekken.

Artikel 2.5.8.6 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2.

    De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden, en

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 2.5.8.7 Straatprostitutie

  • 1.

    Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, voorbijgangers te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee:

    • a.

      in andere dan door het college aangewezen gebieden;

    • b.

      gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

  • 2.

    Bij overtreding van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door een ambtenaar van de politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan.

  • 3.

    Bij (dreigende) strijd met de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan door een ambtenaar van politie en/of buitengewoon opsporingsambtenaar aan personen die zich bevinden in gebieden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven onmiddellijk in een bepaalde richting te gaan.

  • 4.

    De burgemeester kan met het oog op de belangen genoemd in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening, personen aan wie ten minste één keer een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden binnen de gebieden bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.5.8.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

Artikel 2.5.8.9 Beëindiging exploitatie

  • 1.

    De vergunning vervalt zodra de exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2.

    Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan het college.

Artikel 2.5.8.10 Wijziging beheer

  • 1.

    Als de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, meldt de exploitant dit binnen één week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk aan het college.

  • 2.

    Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als het college op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen.

  • 3.

    In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, tot op de aanvraag is besloten.

Hoofdstuk 2.6 Maatregelen tegen overlast, gevaar en schade

Artikel 2.6.1 Betreden gesloten woning of lokaal

  • 1.

    Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet of artikel 17 van de Woningwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning, het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2.6.2 Krassen, plakken en bekladden

  • 1.

    Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is, te bekrassen of bekladden.

  • 2.

    Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te (laten) brengen;

    • b.

      met enig materiaal een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te (laten) brengen.

  • 3.

    Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 4.

    Het is verboden de aanplakborden als bedoeld in het derde lid te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

Artikel 2.6.3 Vervoer inbrekerswerktuigen

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben, tenzij direct aannemelijk is dat bedoelde zaken niet zijn bestemd voor inbraak of andere strafbare handelingen.

Artikel 2.6.4 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

Het is verboden op een openbare plaats zich zodanig te gedragen dat voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder ontstaat.

Artikel 2.6.5 Verboden drankgebruik

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      een terras dat hoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

    • b.

      een andere plaats als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2.6.6 Verboden drankgebruik

  • 1.

    Het is verboden zonder redelijk doel:

    • a.

      zich in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of liggen.

  • 2.

    Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw, soortgelijk meergezinsgebouw of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2.6.7 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

Het is verboden op openbare plaatsen of in voor publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

Artikel 2.6.8 Plaatsen van voortbewegingsmiddelen

Het is verboden in openbaar gebied een voortbewegingsmiddel te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als:

 

  • a.

    dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek, of

  • b.

    daardoor die ingang wordt versperd.

Artikel 2.6.9 Alarminstallaties

  • 1.

    Het is verboden in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluid- of lichtsignaal kan produceren als dat:

    • a.

      geluid- of lichtsignaal langer dan drie minuten onafgebroken duurt;

    • b.

      geluid- of lichtsignaal een repeterend karakter heeft, of

    • c.

      geluidssignaal, gemeten op een afstand van één meter van het signaalgevend object, meer bedraagt dan 100 dB(a).

  • 2.

    Na twee nodeloze alarmeringen door een alarminstallatie binnen een tijdsbestek van zes maanden kan het college bij schriftelijk besluit vorderen, dat de eigenaar of houder van die alarminstallatie binnen een termijn van twee weken na verzending van dat besluit aantoont dat de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen.

  • 3.

    Als de eigenaar of houder van een alarminstallatie als bedoeld in het vorige lid nalaat binnen de genoemde termijn aan te tonen, dat diegene deugdelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen, of indien diegene dat naar het oordeel van het college onvoldoende aantoont, beveelt het college dat die alarminstallatie onmiddellijk buiten werking wordt gesteld.

  • 4.

    Het is verboden een alarminstallatie in werking te hebben, nadat een bevel als bedoeld in het derde lid is uitgevaardigd.

  • 5.

    Als de eigenaar of houder van een alarminstallatie aantoont dat diegene alsnog de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nodeloze alarmeringen, wordt het bevel als bedoeld in het derde lid ingetrokken.

Artikel 2.6.10 Loslopende honden

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of laten lopen:

    • a.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • b.

      op de weg en op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    • c.

      op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat duidelijk aangeeft wie de eigenaar is;

    • d.

      zonder toezicht en begeleiding.

  • 2.

    Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder b niet geldt.

  • 3.

    De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet als de eigenaar of houder van een hond:

    • a.

      zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden, of

    • b.

      deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2.6.11 Verontreiniging door honden en rijdieren

  • 1.

    Degene die zich met een hond of rijdier op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond of dat rijdier onmiddellijk daar worden verwijderd.

  • 2.

    Het is de eigenaar of houder van een hond of rijdier verboden deze te laten verblijven of lopen op een openbare plaats zonder een deugdelijk hulpmiddel bij zich te dragen, dat gezien vorm en constructie kennelijk bestemd is voor het opruimen van uitwerpselen.

  • 3.

    Degene die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, is verplicht het hulpmiddel te tonen op eerste vordering van de met het toezicht op de naleving van dit artikel belaste ambtenaren.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

Artikel 2.6.12 Gevaarlijke en hinderlijke honden

  • 1.

    Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk vindt, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2.

    De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van maximaal 1,50 meter.

  • 3.

    Voor de eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, geldt naast de verplichting bedoeld in het tweede lid, de verplichting de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    • a.

      is vervaardigd van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    • b.

      door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en

    • c.

      zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 2.5.10, eerste lid, aanhef en onder c van deze Verordening, moet een hond als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2.6.13 Gevaarlijke honden op eigen terrein

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester:

    • a.

      een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.6.12, eerste lid van deze Verordening, of

    • b.

      heeft medegedeeld dat de hond gevaarlijk is.

  • 2.

    Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    • a.

      op een vanaf de weg zichtbare plaats een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is geplaatst;

    • b.

      het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden, en

    • c.

      het terrein is voorzien van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2.6.14 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Ow, in de vorm van het houden van dieren.

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels, of

    • c.

      te voeren.

  • 2.

    De eigenaar of houder van een dier zorgt ervoor dat het dier niet onredelijk hinderlijk is voor de omgeving.

  • 3.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.6.15 (Slaap)verblijf op openbare plaats of weg

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan dan wel een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door paragraaf 3.9.4 van deze Verordening.

Artikel 2.6.16 Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats te bedelen.

Hoofdstuk 2.7 Bestrijding heling van goederen

Artikel 2.7.1 Definitie

In dit hoofdstuk wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.7.2 Verplichtingen met betrekking tot verkoopregister

  • 1.

    De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die diegene verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester goedgekeurd register en daarin onmiddellijk op te nemen:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    • e.

      de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen, en

    • f.

      het legitimatiebewijs van de verkoper.

Artikel 2.7.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor diegene handelend persoon is verplicht:

 

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • 1.

      dat diegene het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij de onderneming behorende vestiging;

    • 2.

      van een verandering van de onder a, sub 1 bedoelde adressen;

    • 3.

      dat diegene het beroep van handelaar niet langer uitoefent

    • 4.

      dat diegene enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • b.

    de burgemeester op eerste aanvraag de administratie of register ter inzage te geven;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop de naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Hoofdstuk 2.8 Vuurwerk

Artikel 2.8.1 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen

  • 1.

    Het is verboden in de uitoefening van een (neven)bedrijf zonder vergunning van het college consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden.

  • 2.

    In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd ter voorkoming van onevenredige overlast.

  • 3.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.8.2 Gebruik consumentenvuurwerk tijdens jaarwisseling

  • 1.

    Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college aangewezen plaats ter voorkoming van gevaar, schade of overlast.

  • 2.

    Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken.

Artikel 2.8.3 Verbod carbid schieten

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen, op explosieve wijze te verbranden.

Artikel 2.8.4 Verbod kamer schieten

  • 1.

    Een kamer als bedoeld in dit artikel is voorzien van een kruitpan met een gaatje aan de zijkant en een gat aan de bovenkant die wordt afgedekt met een prop papier, karton of leem(zand).

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in kamers zwart buskruit op explosieve wijze te verbranden.

Hoofdstuk 2.9 Drugsoverlast

Artikel 2.9.1 Drugshandel op straat

In aanvulling op het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg dan wel openbare plaats:

 

  • a.

    te staan;

  • b.

    zich daar heen en weer te bewegen;

  • c.

    zich in, tegen of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden,

met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.9.2 Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in voor een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar:

 

  • a.

    te gebruiken;

  • b.

    toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten, of

  • c.

    ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Hoofdstuk 2.10 Bijzondere bevoegdheden burgemeester

Artikel 2.10.1 Aanwijzen plaatsen camera’s

  • 1.

    De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats.

  • 2.

    De burgemeester brengt het besluit als bedoeld in het eerste lid zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad.

Artikel 2.10.2 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in de artikelen 2.1.1, 2.3.1, 2.4.1, 2.4.2, 2.6.4, 2.6.5, 2.6.6, 2.6.7, 2.8.2, 3.2.1 en 3.12.1 van deze Verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2.10.3 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet een gebied aanwijzen, inclusief de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, als veiligheidsrisicogebied in geval van de verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.

Artikel 2.10.4 Gebiedsontzeggingen

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat;

    • d.

      de veiligheid van personen of goederen, of

    • e.

      de gezondheid of de zedelijkheid,

    aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om zich gedurende ten hoogste 24 uur in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 2.

    Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste één keer een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in het eerste lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw één of meer strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 3.

    De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van een bevel.

  • 4.

    Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 2.10.5 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  • 1.

    Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf dan wel in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf, geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2.

    De burgemeester kan bij schending van de zorgplicht in het eerste lid aan de overtreder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. Daarbij kunnen aanwijzingen worden gegeven over wat de overtreder moet doen of nalaten om verdere schending te voorkomen.

  • 3.

    De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    • a.

      geluid- of geurhinder;

    • b.

      hinder van dieren;

    • c.

      hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf, of

    • e.

      intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

2.10.6 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

  • 3.

    De burgemeester brengt een kopie van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.

  • 4.

    Iedereen is verplicht toe te laten dat de kopie wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  • 5.

    Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven, zonder toestemming van de burgemeester.

  • 6.

    De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling zal plaatsvinden van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid.

Artikel 2.10.7 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet.

    • b.

      beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;

    • c.

      exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  • 2.

    De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is.

  • 3.

    Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.

  • 4.

    De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt:

    • a.

      voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;

    • b.

      de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;

    • c.

      het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

    • d.

      het nummer van inschrijving in het Handelsregister;

    • e.

      voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;

    • f.

      voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;

    • g.

      een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;

    • h.

      een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder.

  • 5.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1.8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

    • a.

      als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • b.

      als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • c.

      als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • d.

      als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;

    • e.

      als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • f.

      als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wm.

  • 6.

    De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.

  • 7.

    Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

  • 8.

    De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 9.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1.6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat:

    • a.

      de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • b.

      de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    • c.

      er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    • d.

      er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • e.

      de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of

    • f.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

  • 10.

    Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning en het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester[, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.6 van deze Verordening een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

  • 11.

    De burgemeester brengt een kopie van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.

  • 12.

    Iedereen is verplicht toe te laten dat de kopie wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  • 13.

    Het is iedereen verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven.

  • 14.

    De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling zal plaatsvinden van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid.

  • 15.

    In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.

  • 16.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 2.11 Winkeltijden (voorheen: Verordening winkeltijden Eijsden-Margraten 2017)

Artikel 2.11.1 (Algemene) vrijstelling voor zon- en feestdagen voor winkels

  • 1.

    Voor de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden, voor zover betrekking hebbend op zon- en feestdagen, geldt van 10.00-14.00 uur een algemene vrijstelling.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt niet voor de winkels gevestigd in het Retailpark te Gronsveld. Deze winkels mogen geopend zijn van 12.00 tot 17.00 uur.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid geldt op de zondagen in december een algemene vrijstelling van 10.00 tot 17.00 uur.

  • 4.

    De in het eerste, tweede en derde lid genoemde vrijstellingen gelden niet op Nieuwjaarsdag, eerste Paasdag, 4 mei na 19.00 uur (dodenherdenking), eerste Pinksterdag en eerste Kerstdag.

Artikel 2.11.2 Ontheffing zon- en feestdagen

  • 1.

    Het college kan voor wat betreft zondagen en feestdagen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden.

  • 2.

    In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de ontheffing worden geweigerd als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel.

Artikel 2.11.3 Algemene vrijstelling zon-, feest- en werkdagen

Voor in de artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden geldt een algemene vrijstelling voor:

 

  • a.

    straatverkoop van de voor directe consumptie geschikte eetwaren en dranken tijdens evenementen;

  • b.

    winkels waar voor directe consumptie geschikte eetwaren en dranken worden verkocht en genuttigd.

Artikel 2.11.4 Ontheffing werkdagen

  • 1.

    Het college kan voor wat betreft werkdagen ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de Winkeltijdenwet genoemde verboden, ten behoeve van bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard.

  • 2.

    In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de ontheffing worden geweigerd als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de winkel of de plaats waar de bijzondere gelegenheid van tijdelijke aard plaatsvindt, op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door gebruik van de ontheffing.

Hoofdstuk 2.12 Parkeren (Voorheen: Parkeerverordening Eijsden-Margraten 2015)

Paragraaf 2.12.1 Parkeerplaatsvergunning

Artikel 2.12.1.1 Aanwijzing parkeerplaatsen

  • 1.

    Het college kan weggedeelten aanwijzen als vergunningzone bestemd voor het parkeren door vergunninghouders.

  • 2.

    Het college kan de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen voor vergunninghouders is toegestaan.

Artikel 2.12.1.2 Vergunning

  • 1.

    Het college kan op aanvraag vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen.

  • 2.

    Een vergunning kan worden verleend aan:

    • a.

      de eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn (categorie bewonersparkeervergunningen);

    • b.

      de eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie werkparkeervergunningen);

    • c.

      de eigenaar of houder van een motorvoertuig die (mantel)zorg verleent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie (mantel)zorgparkeervergunningen).

  • 3.

    Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning verlenen aan een eigenaar of houder die niet voldoet aan één van de in het tweede lid genoemde vereisten.

  • 4.

    Het college kan een maximum aantal uit te geven vergunningen vaststellen per adres, per aaneengesloten weggedeelte of gebied, per categorie en tevens de volgorde van vergunningverlening bepalen. Het beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein kan daarbij van invloed zijn.

Artikel 2.12.1.3 Vergunningduur en gegevens

  • 1.

    Een vergunning wordt voor maximaal twee jaar verleend.

  • 2.

    De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      de periode waarvoor de vergunning geldt;

    • b.

      het weggedeelte, gebied of gebieden waarvoor de vergunning geldt;

    • c.

      het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt verleend, tenzij de vergunning niet op kenteken wordt afgegeven. In dat laatste geval zal de vergunning de naam bevatten van de vergunninghouder en/of het adres waarop de vergunning wordt afgegeven.

  • 3.

    Bij verlies, diefstal of wijziging van een kenteken van de in het eerste en tweede lid bedoelde vergunning binnen de geldigheidsduur, kan op een daartoe strekkende aanvraag een nieuwe vergunning worden verleend voor de resterende geldigheidsduur.

Artikel 2.12.1.4 Wachtlijst

  • 1.

    Als reeds zoveel vergunningen zijn verleend dat op grond van het besluit als bedoeld in artikel 2.12.1.2, vierde lid van deze Verordening geen vergunningen meer worden verleend, dan kan het college de aanvraag voor een eerste bewonersvergunning als bedoeld in artikel 2.12.1.2, tweede lid van deze Verordening voor onbepaalde tijd op een wachtlijst plaatsen.

  • 2.

    Binnen de termijn als bedoeld in artikel 1.1.2 van deze Verordening wordt beslist of de aanvraag op een wachtlijst wordt geplaatst.

Artikel 2.12.1.5 Wijziging en intrekking

In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan het college een vergunning intrekken of wijzigen als:

 

  • a.

    de vergunninghouder niet meer woont in het gebied of daar geen beroep of bedrijf meer uitoefent, waarvoor de vergunning is verleend;

  • b.

    voor het desbetreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;

  • c.

    de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan.

Artikel 2.12.1.6 Gebruiksvoorschriften

  • 1.

    De parkeervergunning mag alleen worden gebruikt in overeenstemming met de bij of krachtens deze Verordening vastgestelde criteria voor uitgifte van vergunningen.

  • 2.

    De parkeervergunning geldt voor het parkeren met één motorvoertuig op één parkeerplaats.

  • 3.

    De parkeervergunning met kenteken geldt uitsluitend voor het parkeren met een motorvoertuig met het kenteken dat aan de voorzijde van de parkeervergunning is vermeld.

  • 4.

    Tijdens het parkeren moet de vergunning geheel leesbaar achter de voorruit zijn aangebracht. Dit dient zodanig te gebeuren dat de voorzijde van de vergunning duidelijk leesbaar is vanaf de buitenkant van het motorvoertuig.

  • 5.

    Als één of meer van de hiervoor genoemde voorschriften niet worden nageleefd, wordt dit beschouwd als parkeren zonder vergunning.

  • 6.

    De vergunning blijft eigendom van de gemeente Eijsden-Margraten.

Artikel 2.12.1.7 Parkeren zonder vergunning

Het is voor niet-vergunninghouders verboden gedurende de tijd waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan, daar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden.

 

Paragraaf 2.12.2 Parkeerexcessen

Artikel 2.12.2.1 Parkeren voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  • 1.

    Het is degene die er zijn (neven)bedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te (laten) stallen, herstellen, slopen, verhuren, (Apk-)keuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      meer dan twee voertuigen die diegene toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt één van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 2.

    Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruiken van een voertuig voor het:

    • a.

      geven van lessen, of

    • b.

      vervoeren van personen tegen betaling.

  • 3.

    Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan één uur vergen, of

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde persoon.

Artikel 2.12.2.2 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Direct aansluitend op deze periode mag dit voertuig, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.

Artikel 2.12.2.3 Voertuigwrakken

Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud of in een duidelijk verwaarloosde toestand verkeert.

Artikel 2.12.2.4 Kampeermiddelen en andere voertuigen

Het is verboden zonder vergunning van het college een voertuig dat voor recreatie of op andere wijze voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

 

  • a.

    langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

  • b.

    binnen een straal van 500 meter van een eerder ingenomen locatie van het kampeermiddel te plaatsen of te hebben, gedurende een periode van twee weken.

Artikel 2.12.2.5 Parkeren van reclamevoertuigen

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het duidelijke en enkele doel om daarmee handelsreclame te maken.

Artikel 2.12.2.6 Parkeren grote voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, waar dit:

    • a.

      schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, of

    • b.

      buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte.

  • 2.

    Onderdeel b van het eerste lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      campers, kampeerauto's, caravans en kampeerwagens, als deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden, of

    • b.

      door het college aangewezen plaatsen.

Artikel 2.12.2.7 Parkeren anders dan op de rijbaan

  • 1.

    Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid.

Artikel 2.12.2.8 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1.

    Het is verboden met een voertuig te rijden of stil te staan in een park, plantsoen of door de gemeente aangelegde beplanting dan wel groenstrook.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing op voertuigen:

    • a.

      die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van de overheid;

    • b.

      waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Hoofdstuk 2.13 Wegslepen (voorheen: Wegsleepverordening Eijsden-Margraten 2020)

Artikel 2.13.1 Aanwijzing wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd, overgebracht en in bewaring gesteld

Als wegen en weggedeelten, bedoeld in artikel 170, eerste lid, onder c van de Wvw worden alle wegen en weggedeelten binnen de gemeente aangewezen voor zover ze behoren tot een van de in artikel 2 van het Besluit wegslepen van voertuigen bedoelde soorten van wegen en weggedeelten.

Artikel 2.13.2 Plaats bewaring voertuigen en openingstijden

  • 1.

    Als plaats van bewaring van voertuigen wordt aangewezen het afgesloten terrein in eigendom van Logicx Valkenburg, bestemd voor het stallen van voertuigen en gelegen aan De Valkenberg 8, 6301 PM Valkenburg aan de Geul.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde bewaarplaats is geopend van maandag tot en met vrijdag van 08.00 uur tot 18.00 uur. Afhalen op andere tijdstippen kan in overleg met de bewaarder.

Artikel 2.13.3 Kosten overbrengen en bewaren voertuigen

  • 1.

    De kosten van het overbrengen van een voertuig naar de bewaarplaats bedragen:

    • a.

      wegslepen voertuig: € 193,39;

    • b.

      administratie kosten: € 34,88.

  • 2.

    De kosten van het bewaren van een voertuig bedragen vanaf de eerste dag en volgende dagen, per dag: € 10,74.

  • 3.

    De in het eerste en tweede lid vermelde bedragen zijn inclusief 21% BTW en worden door de sleepdienst met ingang van jaarlijks op 1 februari geïndexeerd met maximaal het consumentenprijsindexcijfer dat door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd.

Artikel 2.13.4 Overbrengen en in bewaring stellen van motorrijtuigen in geval van gebleken onvoldoende rijgeschiktheid of rijvaardigheid dan wel het ontbreken van een behoorlijk zichtbare kentekenplaat

Als gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in de artikelen 130, vierde lid, 164, zevende lid en/of 174, eerste lid Wvw, zijn de artikelen PM van deze Verordening van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 2.14 Openbaar water en waterstaatswerken

Artikel 2.14.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1.

    Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit voor het openbaar water:

    • a.

      gevaar oplevert voor de bruikbaarheid;

    • b.

      gevaar oplevert voor het doelmatig en veilig gebruik, of

    • c.

      een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud.

  • 2.

    Degene die voornemens is een voorwerp op, in of boven openbaar water te plaatsen, meldt dit uiterlijk twee weken tevoren aan het college, met het daarvoor bestemde formulier.

Artikel 2.14.2 Ligplaats vaartuigen

  • 1.

    Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2.

    Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  • 3.

    De rechthebbende op een vaartuig is verplicht door of namens het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 2.14.3 Beschadigen waterstaatswerken

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen en andere waterstaatswerken.

Artikel 2.14.4 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor direct gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 2.14.5 Veiligheid op het water

Het is aan iedereen die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

Artikel 2.14.6 Hinder voor vaartuigen

  • 1.

    Het is verboden voor een daartoe onbevoegde zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop dan wel daarin te begeven of te bevinden.

  • 2.

    Het is een daartoe onbevoegde verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Hoofdstuk 2.15 Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 2.15.1 Crossterreinen

Het is verboden op openbaar terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten legaal wedstrijdverband.

Artikel 2.15.2 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1.

    Het is verboden in voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden van percelen gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4.

    Het verbod is voorts niet van toepassing:

    • a.

      op wegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

Titel 3 Fysieke leefomgeving (Tijdelijk deel omgevingsplan)

Hoofdstuk 3.1 Bouwen (voorheen: Bouwverordening gemeente Eijsden-Margraten 2018)

Artikel 3.1.1 Bodemonderzoek

  • 1.

    Het onderzoek naar de bodemgesteldheid bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009 +A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek ook plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2015.

  • 2.

    De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk dat niet is genoemd in de artikelen 2.25 en 2.26 Bbl, of is uitgezonderd van de vergunningplicht in artikel 2.27 Bbl. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het artikel 2.27 Bbl.

  • 3.

    Als voor toepassing van artikel 3.1.2 van deze Verordening bij het bevoegd gezag bruikbare maximaal twee jaar oude onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, hoeft geen onderzoeksrapport als bedoeld in het tweede lid te worden overgelegd.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 5.36 Ow en artikel 10.23 Ob, als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is of dan wel dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009+A1:2016 niet rechtvaardigen.

  • 5.

    Als pas kan worden gebouwd nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, moet het bodemonderzoek plaatsvinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 3.1.2 Bouwverbod op verontreinigde bodem

Op of in een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd als dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

 

  • a.

    waarin voortdurend of bijna voortdurend mensen verblijven;

  • b.

    waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, en

  • c.

    dat de grond raakt.

Artikel 3.1.3 Voorschriften omgevingsvergunning voor bouwen

In afwijking van het bepaalde in artikel 3.1.2 van deze Verordening, kan het college voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Dit is het geval als het onderzoeksrapport en/of andere bij het college bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het goedgekeurde saneringsplan van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorschriften alsnog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 3.1.4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Het bevoegd gezag kan rekening houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze Verordening of in de bij deze Verordening behorende bijlagen wordt verwezen, als die herziening of vervanging door de bevoegde instantie is gepubliceerd.

Hoofdstuk 3.2 Wegen en uitwegen

Artikel 3.2.1 Aanleggen, veranderen weg

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen of een aangelegde weg te veranderen.

  • 2.

    De vergunning wordt verleend:

    • a.

      als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij of krachtens een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, of

    • b.

      door het college in de overige gevallen.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Artikel 3.2.2 Maken, veranderen uitweg

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg, of

    • c.

      veranderingen aan te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2.

    De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving, of

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

Hoofdstuk 3.3 Erfgoed (voorheen: Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2022)

Paragraaf 3.3.1 Algemeen

Artikel 3.3.1.1 Definities

De in de Erfgoedwet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in dit hoofdstuk.

 

Paragraaf 3.3.2 Gemeentelijk erfgoedregister

Artikel 3.3.2.1 Gemeentelijk erfgoedregister

  • 1.

    Het college houdt een door iedereen te raadplegen gemeentelijk register bij van bij of krachtens deze Verordening onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed.

  • 2.

    Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en voor de identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

 

Paragraaf 3.3.3 Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen

Artikel 3.3.3.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

  • 1.

    Het college kan ambtshalve een beschermd gemeentelijk cultuurgoed aanwijzen als dat cultuurgoed:

    • a.

      van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dan wel uitzonderlijke schoonheid is;

    • b.

      als onvervangbaar geldt;

    • c.

      als gevolg van onmisbaarheid behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit;

    • d.

      in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, en

    • e.

      de eigenaar toestemming geeft voor de aanwijzing.

  • 2.

    Het college kan ambtshalve een beschermde gemeentelijke verzameling aanwijzen als die verzameling:

    • a.

      van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis dan wel (deels) als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit;

    • b.

      in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd, en

    • c.

      de eigenaar toestemming geeft voor de aanwijzing.

  • 3.

    Het college vraagt advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 Erfgoedwet over:

    • a.

      het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste en tweede lid;

    • b.

      de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed;

    • c.

      de vervreemding van een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 Erfgoedwet.

Artikel 3.3.3.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

  • 1.

    Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3.3.1, eerste of tweede lid van deze Verordening, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 3.3.3.1, derde lid van deze Verordening is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft dan wel het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, is tenietgegaan.

  • 2.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:

    • a.

      beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 Erfgoedwet, of

    • b.

      beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid Erfgoedwet.

  • 3.

    Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is, wordt dat onmiddellijk vastgelegd in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Paragraaf 3.3.4 Aanwijzing gemeentelijk erfgoed

Artikel 3.3.4.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk erfgoed

  • 1.

    Het college kan met instemming van de eigenaar een beeldbepalend pand, dat van bijzonder belang is voor de gemeente, aanwijzen als gemeentelijk monument.

  • 2.

    Het college kan ambtshalve een archeologisch monument, dat van bijzonder belang is voor de gemeente, aanwijzen als gemeentelijk archeologisch monument.

Artikel 3.3.4.2 Voornemen tot aanwijzing

  • 1.

    Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.3.4.1 van deze Verordening wordt door het college op de gebruikelijke wijze gepubliceerd via de plaatselijke informatiekanalen, waarbij voor belanghebbenden de mogelijkheid wordt gegeven om zienswijzen in te dienen.

  • 2.

    Als het ontwerpbesluit betrekking heeft op minder dan 20 objecten en percelen, wordt het voornemen om toepassing te geven aan artikel 3.3.4.2 van deze Verordening door het college tevens schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden van de onroerende zaken, die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid Kadasterwet.

  • 3.

    Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op hypothecaire schuldeisers.

Artikel 3.3.4.3 Voorbescherming

  • 1.

    De bescherming van paragraaf 3.2.4 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op het beeldbepalende pand of het archeologisch monument, ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 3.2.4.2 van deze Verordening is bekendgemaakt.

  • 2.

    De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid vervalt:

    • a.

      op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister;

    • b.

      op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen, of

    • c.

      als het door de bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel 3.3.4.4 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

  • 1.

    Na een voornemen om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken met ingang van de dag onmiddellijk na de dag dat het voornemen tot aanwijzing is bekend gemaakt.

  • 2.

    De aanwijzing bevat in ieder geval:

    • a.

      de plaatselijke aanduiding;

    • b.

      de kadastrale aanduiding of een gebiedsaanduiding

    • c.

      de datum van aanwijzing, en

    • d.

      een redengevende omschrijving van het gemeentelijke monument of het gemeentelijke archeologisch monument.

Artikel 3.3.4.5 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

  • 1.

    De aanwijzing wordt op de gebruikelijke wijze via de plaatselijke informatiekanalen bekendgemaakt.

  • 2.

    Als de aanwijzing betrekking heeft op een beperkt aantal objecten en percelen wordt de aanwijzing tevens schriftelijk bekendgemaakt aan alle eigenaren van de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 3.

    Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt deze onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 3.3.4.6 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk (archeologisch) monument

  • 1.

    In een spoedeisend geval kan het college ambtshalve een beeldbepalend pand of een archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8 van deze Verordening wordt in het in het eerste lid bedoelde geval aan de Gemeentelijke adviescommissie geen advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument.

  • 3.

    Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument of voorlopig gemeentelijk archeologisch monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.3.4.1 van deze Verordening.

  • 4.

    Paragraaf 3.3.5 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment van bekendmaking van het besluit van het college tot aanwijzing van het voorlopig gemeentelijk monument of het voorlopig gemeentelijk archeologisch monument.

  • 5.

    Artikel 3.3.4.5 van deze Verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 3.3.4.7 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister en vervallen aanwijzing monument

  • 1.

    Het college kan ten aanzien van (voorlopige) gemeentelijke monumenten of (voorlopig) gemeentelijk archeologische monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2.

    Als de wijziging ziet op het verwijderen uit het register is paragraaf 3.3.4 van deze Verordening van overeenkomstige toepassing, tenzij het (voorlopige) gemeentelijke monument of het (voorlopig) gemeentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is tenietgegaan.

  • 3.

    Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijke monument of het gemeentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Paragraaf 3.3.5 Bescherming gemeentelijk erfgoed

Artikel 3.3.5.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk erfgoed

Het is verboden een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen, vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 3.3.5.2 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument:

    • a.

      af te breken, verplaatsen, bekladden, beschadigen, vernielen, wijzigen, of

    • b.

      te herstellen, (laten) gebruiken op een zodanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, en

    • b.

      inpandige wijzigingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

Artikel 3.3.5.3 Weigeringsgronden

  • 1.

    De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.5.2 kan slechts worden verleend als het belang van het erfgoed zich niet daartegen verzet.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt, voor zover deze betrekking heeft op religieuze aspecten, niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

 

Paragraaf 3.3.6 Rijksmonumenten

Artikel 3.3.6.1 Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Het college zendt onmiddellijk een kopie van de beoordeelbare omgevingsvergunningaanvraag voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow voor advies aan de Gemeentelijke adviescommissie.

 

Paragraaf 3.3.7 Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten

Artikel 3.3.7.1 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

  • 2.

    Het college vraagt, voorafgaand aan het voorstel aan de gemeenteraad, advies aan de Gemeentelijke adviescommissie.

  • 3.

    De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel.

  • 4.

    Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 5.

    De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een functie-aanduiding in het omgevingsplan vast als bedoeld in de Ow. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiervoor een termijn worden gesteld.

  • 6.

    Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre de functie-aanduiding in het omgevingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Ow kan worden vastgesteld.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 2.34, vierde lid van de Ow.

Artikel 3.3.7.2 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3.3.7.1, eerste lid van deze Verordening, wijzigen of intrekken. Artikel 3.3.7.1, tweede en derde lid van deze Verordening is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2.

    Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onmiddellijk bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 3.3.7.3 Verbodsbepaling en vergunningaanvraag slopen

  • 1.

    Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Ow, een bouwwerk te slopen.

  • 2.

    De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3.

    Het artikel 3.3.5.3 van deze Verordening zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow.

 

Paragraaf 3.3.8 Archeologie

Artikel 3.3.8.1 Vangnet archeologie

Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht, als in het omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130, eerste lid Bkl tenzij:

 

  • a.

    voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.18 Ow is verleend;

  • b.

    het de verstoring betreft die geen strijd oplevert met de door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;

  • c.

    de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of

  • d.

    met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Hoofdstuk 3.4 Aansluiting riolering

Artikel 3.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder vergunning van het college een aansluiting van een particulier riool op het openbaar riool tot stand te brengen of te wijzigen.

Artikel 3.4.2 Beoordeling aanvraag en intrekking vergunning

In aanvulling op artikel 1.1.9 van deze Verordening kan het college de omgevingsvergunning weigeren als het belang van de doelmatige werking van het openbaar riool onevenredig wordt geschaad.

Artikel 3.4.3 Intrekking vergunning

In aanvulling op artikel 1.1.6 van deze Verordening kan de omgevingsvergunning worden ingetrokken als:

 

  • a.

    het gebruik van de rioolaansluitleiding definitief wordt beëindigd, of

  • b.

    gedurende één jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn de vergunning niet is gebruikt.

Artikel 3.4.4 Algemene regels

De vergunninghouder als bedoeld in artikel 3.3.1 van deze Verordening, moet naast de vergunningvoorschriften ook de door het college vastgestelde algemene regels in acht nemen.

Artikel 3.4.5 Informatieplicht beëindiging aansluiting

Als het gebruik van een rioolaansluitleiding definitief wordt beëindigd, informeert de vergunninghouder het college hierover uiterlijk vier weken na de beëindiging.

Artikel 3.4.6 Eigendom aansluitleiding

  • 1.

    De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluitleiding ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in de rioolaansluitleiding.

  • 2.

    Als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een rioolwaterpomp is vereist, ligt de grens, in afwijking van het eerste lid, ter plaatse van de uitmonding van de bij de rioolwaterpomp behorende persleiding op het gemeentelijk riool.

  • 3.

    Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk en rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluitleiding op een afstand van 0,5 meter buiten de grens van het perceel van de vergunninghouder.

Artikel 3.4.7 Zorgplicht

Degene die een particulier riool op een openbaar riool aansluit of wijzigt en weet of redelijkerwijs kan weten dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de gezondheid en/of doelmatige werking van het openbaar riool, is verplicht:

 

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd;

  • d.

    bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel verzanding en doorgang van ratten te voorkomen, en

  • e.

    te zorgen voor de bescherming van de doelmatige werking van de perceelaansluitleiding, naburige aansluitingen en de voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

Hoofdstuk 3.5 Hemel- en grondwater

Artikel 3.5.1 Lozingsverbod hemel- en grondwater

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college hemelwater en/of grondwater te lozen op het openbaar vuilwaterriool, in door het college aangewezen hemelwaterscheidingsgebied. Dit met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater.

  • 2.

    De lozing van hemel- en grondwater, op het openbaar vuilwaterriool wordt beëindigd binnen één jaar nadat het verbod op een perceel van toepassing is geworden.

  • 3.

    De in het eerste lid bedoelde vergunning kan worden verleend als van de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van hemel- of grondwater kan worden verlangd.

Artikel 3.5.2 Verplichting tot hemelwaterberging

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college in het door het college aangewezen hemelwaterbergingsgebied vanaf nieuwe gebouwen hemelwater te lozen in een openbaar riool, met uitzondering van nieuwe gebouwen of aanbouwen waarbij sprake is van (een toename van) een bebouwd verhard oppervlak van minder dan 20 m².

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet als een hemelwaterberging is gerealiseerd en in stand gehouden.

  • 3.

    De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is:

    • a.

      80 liter per m² in geval van een bui die valt in 120 minuten, bij een toename van het bebouwd verhard oppervlak gelijk of meer dan 50 m²;

    • b.

      35 liter per m² in geval van een bui die valt in 60 minuten, bij een toename van het bebouwd verhard oppervlak gelijk of meer dan 20 m² en minder dan 50 m².

  • 4.

    De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 24 uur en 48 uur weer voor 90% beschikbaar is. De leegloop van de voorziening mag plaatsvinden in de bodem, op het openbaar riool of in de openbare ruimte.

  • 5.

    Het in de hemelwaterberging opgevangen water wordt hergebruikt of geïnfiltreerd. Is beide niet mogelijk, dan kan het water vertraagd worden afgevoerd naar het gemeentelijk riool.

  • 6.

    De hoeveelheid hemelwater die na vulling van de hemelwaterberging op eigen terrein niet kan worden geborgen, kan worden geloosd op het openbare riool of in de openbare ruimte.

  • 7.

    De in het eerste lid bedoelde vergunning kan worden verleend als het aanbrengen van de hemelwaterberging redelijkerwijs niet mogelijk is.

Hoofdstuk 3.6 Telecommunicatie (voorheen: Telecomverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011)

Artikel 3.6.1 Definities

  • 1.

    De in de Telecommunicatiewet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in dit hoofdstuk.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid en de in bijlage 1 genoemde definities wordt verstaan onder:

    • -

      kabels en/of leidingen: één of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattend lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;

    • -

      netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een netwerk;

    • -

      netwerk: samenstel van kabels of leidingen;

    • -

      registratiesysteem: digitaal systeem dat het college hanteert om meldingen van en vergunningen voor werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken;

    • -

      spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het desbetreffende netwerk is opgetreden;

    • -

      werkzaamheden: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen;

    • -

      werkzaamheden van minder ingrijpende aard: het realiseren van incidentele (huis-) aansluitingen met een gezamenlijke lengte korter dan vijftien meter;

    • -

      werkzaamheden van niet ingrijpende aard:

      • a.

        werkzaamheden, zoals genoemd in onderdeel l. van dit artikel, met een gezamenlijke tracélengte tot 25 meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst;

      • b.

        het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen;

      • c.

        het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m².

Artikel 3.6.2 Toepasselijkheid

Dit hoofdstuk is van toepassing op het aanleggen, in stand houden alsmede opruimen van kabels en leidingen in openbare grond als de gemeente deze grond beheert of dienaangaande coördinatieverplichtingen heeft als bedoeld in de Telecommunicatiewet.

Artikel 3.6.3 Meldplicht en instemmingsvereisten

  • 1.

    Het is verboden zonder instemmingbesluit van het college kabels en/of leidingen in of op openbare grond aan te leggen, in stand te houden of op te ruimen.

  • 2.

    Aan het instemmingsbesluit als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval voorschriften verbonden met betrekking tot de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden.

  • 3.

    Voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard en voor minder ingrijpende reparatie- of onderhoudswerkzaamheden, is geen instemmingsbesluit als bedoeld in het eerste lid vereist.

Artikel 3.6.4 Meldingstermijnen

  • 1.

    Iedereen die werkzaamheden wil verrichten, meldt dit uiterlijk acht weken voor de aanvang van die werkzaamheden schriftelijk aan het college.

  • 2.

    Minder ingrijpende werkzaamheden moeten vijf dagen voor de uitvoering schriftelijk worden gemeld aan de daartoe gemachtigde ambtenaar. Op grond van de belangen genoemd in artikel 3.6.7, eerste lid van deze Verordening kan het college bepalen dat de realisatie van deze werkzaamheden op een later tijdstip moet plaatsvinden.

  • 3.

    In geval van spoedeisende werkzaamheden door een ernstige belemmering of storing van de communicatie, waarvan uitstel niet mogelijk is en de storing mogelijkerwijs buiten de normale werktijden plaatsvindt, moet dit voorafgaand aan de werkzaamheden schriftelijk en gemotiveerd worden gemeld aan het college, maar in ieder geval uiterlijk binnen één werkdag na de start van de werkzaamheden.

  • 4.

    Als de werkzaamheden mede betrekking hebben op grond van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, dan wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de melding, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk geïnformeerd over de uitkomst van het overleg tussen de aanbieder en de andere gedoogplichtige(n).

Artikel 3.6.5 Procedure en -voorschriften

  • 1.

    Een instemmingsbesluit wordt door het college op aanvraag verleend, als wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze Verordening.

  • 2.

    Van de aanvraag om een instemmingsbesluit maken deel uit:

    • a.

      een kopie van registratie door OPTA;

    • b.

      een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, betreffende de aanvrager;

    • c.

      naam- en adresgegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabel en de uitvoerende (onder)aannemer alsmede de naam en het telefoonnummer van de contactpersoon voor de werkzaamheden;

    • d.

      een opgave van het aantal, de soort kabel(s) en het beoogde gebruik;

    • e.

      welke belanghebbenden en organisaties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en aard van de werkzaamheden;

    • f.

      een uitvoeringsplan met daarin opgenomen:

      • -

        het gewenste tracé;

      • -

        de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek inzake de beschikbare ruimte;

      • -

        de objecten die tijdens de werkzaamheden worden geplaatst en de situering daarvan;

      • -

        het aantal kabels dat al dan niet onmiddellijk in gebruik wordt genomen;

      • -

        een omschrijving van de opbrekingen;

      • -

        de doorsnede van de kabel(goot) alsmede lengte en breedte van de kabelsleuf;

      • -

        de maatregelen voor de bereikbaarheid van in de openbare grond aanwezige kabels en leidingen

      • -

        het voorgenomen tijdstip van start en beëindiging van de werkzaamheden.

  • 3.

    Bij een melding voor minder ingrijpende werkzaamheden, als bedoeld in artikel 3.6.3, derde lid van deze Verordening, moet worden verstrekt:

    • a.

      naam, adres en ondertekening van de aanbieder;

    • b.

      naam en adres van de (onder)aannemer(s) die zijn belast met de werkzaamheden;

    • c.

      globale planning;

    • d.

      uitvoeringsplan;

    • e.

      dagtekening van de melding;

    • f.

      lengte van de kabelsleuf die wordt opengebroken;

    • g.

      het oppervlak van het lasgat dat wordt opengebroken.

  • 4.

    De aanbieder informeert omwonenden over de uit te voeren werkzaamheden minimaal zeven dagen voor de start van de werkzaamheden schriftelijk over start, duur, aard en plaats van de werkzaamheden.

Artikel 3.6.6 Beslistermijn

In afwijking van artikel 1.1.2 van deze Verordening begint de beslistermijn van acht weken na ontvangst van alle instemmingen van de betrokken gedoogplichtigen, na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 3.6.7 Voorschriften, beperkingen en verplichtingen

  • 1.

    De gemeente kan met inachtneming van art. 5.4, tweede en derde lid Telecommunicatiewet aan het instemmingbesluit voorschriften verbinden in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de veiligheid, waaronder ook de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer;

    • c.

      het voorkomen van schade of overlast, waaronder ook de bescherming van archeologische vondsten, groenvoorzieningen, bomen en beplantingen alsmede van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bereikbaarheid en het gebruik van grond of gebouwen;

    • e.

      de ondergrondse ordening, waaronder ook het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor reeds in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken;

  • 2.

    Ter bescherming van de belangen als genoemd in het eerste lid kan de gemeente aan het instemmingbesluit voorschriften verbinden;

    • a.

      over het medegebruik van voorzieningen, die door derden of de gemeente tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld, en

    • b.

      een zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen op grond van de voorschriften verbonden aan het instemmingbesluit.

  • 3.

    De uitvoering van aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels alsmede medegebruik van voorzieningen, gebeurt volgens de meest recente versie van ”Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her-)straatwerkzaamheden opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten”.

  • 4.

    De aanbieder vergoedt aan de gemeente de schade veroorzaakt door of voortvloeiend uit de werkzaamheden, waarbij de omvang beperkt is tot vergoeding van de marktconforme kosten van de voorzieningen en onderhoud.

  • 5.

    De aanbieder is verplicht na einde van de werkzaamheden de grond terug te brengen in de oude staat, tenzij de gemeente vooraf heeft aangegeven hier zelf zorg voor te dragen.

  • 6.

    De aanbieder draagt de kosten die nodig zijn voor het terugbrengen van de grond in de oude staat.

Artikel 3.6.8 Zakelijk karakter en eigendom

  • 1.

    Als de eigendom, exploitatie of het beheer van de kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netwerkaanbieder, dan gaan de rechten en plichten die betrekking hebben op de kabel en leiding van de oude netwerkaanbieder over op de nieuwe netwerkaanbieder.

  • 2.

    De netwerkaanbieder deelt het college onmiddellijk schriftelijk mede dat de eigendom, exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert, als dat het geval is.

Artikel 3.6.9 Niet-openbare kabels

  • 1.

    Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet openbare kabels in openbare wegen en wateren, is het bepaalde in deze Verordening van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Niet-openbare kabels moeten door en op kosten van de eigenaar worden verlegd als het college daarom verzoekt.

Artikel 3.6.10 Niet in gebruik zijnde kabels

  • 1.

    De aanbieder informeert het college schriftelijk en onmiddellijk als de kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een (niet-)openbaar elektronisch communicatienetwerk in of op openbare grond.

  • 2.

    De aanbieder overlegt jaarlijks aan het college een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels, leidingen en ondersteuningswerken. De bewijslast van ingebruikname ligt bij de aanbieder.

  • 3.

    Op verzoek van het college verstrekt de aanbieder het in het derde lid bedoelde overzicht in digitale vorm.

Artikel 3.6.11 Overleg

  • 1.

    De gemeente organiseert periodiek overleg met in elk geval de bij de gemeente bekende aanbieders.

  • 2.

    Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg worden de plannen van de gemeente en de diverse aanbieders besproken alsmede afgestemd overeenkomstig de bepalingen van deze Verordening.

  • 3.

    Aan het overleg als bedoeld in het eerste lid kunnen geen rechten worden ontleend.

Hoofdstuk 3.7 Geurhinder veehouderijen (voorheen: Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Eijsden-Margraten 2015)

Artikel 3.7.1 Begripsbepaling

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

  • -

    bebouwde kom: de kernen, zoals opgenomen in de bijgevoegde bijlage van de door bureau Windmill opgestelde gebiedsvisie gemeente Margraten d.d. december 2008 en gebiedsvisie gemeente Eijsden d.d. 13 oktober 2009.

Artikel 3.7.2 Waarden voor ou-dieren

De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente voormalige agrarische bedrijfswoning en/of geurgevoelig object die na 18 maart 2000 heeft of hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, bedraagt:

 

  • a.

    binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter;

  • b.

    buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter.

De afstand wordt gemeten overeenkomstig het bepaalde in het Bal.

Artikel 3.7.3 Waarden voor vaste afstandsdieren

De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een binnen de gemeente gelegen geurgevoelig object, bedraagt:

 

  • a.

    binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter;

  • b.

    buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter.

De afstand wordt gemeten overeenkomstig het bepaalde in het Bal.

Artikel 3.7.4 Waarden voor geurgevoelige objecten niet meer tot de milieubelastende activiteit behorend.

  • a.

    De geurnorm tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object dat geen deel meer uitmaakt van de eigen veehouderij, bedraagt 25 ouE./m3.

De geurbelasting wordt overeenkomstig het bepaalde in het Bal vastgesteld.

 

  • b.

    De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object dat niet meer tot de eigen veehouderij behoort, bedraagt nul meter.

Hoofdstuk 3.8 Gemeentelijke begraafplaatsen (voorheen: Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen Gemeente Eijsden-Margraten 2011)

Paragraaf 3.8.1 Openstelling, orde en rust

Artikel 3.8.1.1 Openstelling begraafplaats(en)

  • 1.

    De begraafplaatsen zijn voor iedereen dagelijks toegankelijk tussen zonsopgang en zonsondergang.

  • 2.

    Voor het bewaren van de orde en rust op de begraafplaatsen kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten.

  • 3.

    Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaatsen niet voor het publiek geopend zijn, zich daarop te bevinden. Voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as geldt dit verbod niet.

Artikel 3.8.1.2 Ordemaatregelen

  • 1.

    Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die werkzaamheden op de begraafplaatsen verrichten, zijn verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden aan de aanwijzingen van de beheerder.

  • 2.

    De beheerder kan personen die zich niet aan de in het eerste lid bedoelde aanwijzingen houden van de begraafplaats (laten) verwijderen.

  • 3.

    Het is verboden:

    • a.

      met motorrijtuigen op de begraafplaatsen te rijden anders dan voor een begrafenis of voor het vervoeren van materialen;

    • b.

      op de begraafplaatsen sneller dan 10 km per uur te rijden;

    • c.

      op de graven te lopen, zitten of de begraafplaats te verontreinigen;

    • d.

      op de begraafplaatsen bloemen of andere waar te koop aan te bieden.

  • 5.

    Het is aan steenhouwers, grafdelvers, hoveniers en daarmee gelijk te stellen personen verboden, zonder toestemming van de beheerder, werkzaamheden voor derden aan grafbedekkingen op de begraafplaatsen te verrichten.

Artikel 3.8.1.3 Plechtigheden

  • 1.

    Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en dergelijke plechtigheden op de begraafplaatsen moeten ten minste zes dagen tevoren worden gemeld aan de beheerder. Datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door de beheerder vastgesteld.

  • 2.

    De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid moeten zich in het belang van de orde, rust en netheid houden aan de aanwijzingen van de beheerder.

Artikel 3.8.1.4 Opgravingen en ruimen

Het opgraven van lijken en ruimen van graven is alleen toegestaan als daarbij geen andere personen aanwezig dan degenen die met deze werkzaamheden zijn belast en de door de gemeente aangewezen toezichthouder.

 

Paragraaf 3.8.2 Lijkbezorging

Artikel 3.8.2.1 Melding begraven, asbezorging, openen en sluiten graf

  • 1.

    Degene die wil doen begraven, as bijzetten of as verstrooien, meldt dit schriftelijk aan de beheerder uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag voorafgaande aan die waarop de gedraging zal plaatsvinden. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag.

  • 2.

    Als de burgemeester toestemming heeft gegeven om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven, moet dit zo snel mogelijk bij de beheerder worden gemeld.

  • 3.

    Het delven en openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as, het daarna sluiten van een graf en ook het bedienen van de hulpmiddelen, mag uitsluitend gebeuren door het personeel van de begraafplaats op aanwijzing en met goedkeuring van de beheerder. De nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten als zij hun wens daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag schriftelijk aan de beheerder hebben gemeld. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te volgen.

  • 4.

    Het lijk, het omhulsel en de asbus of urn, moeten zijn voorzien van een duurzaam identiteitskenmerk. De gegevens van het kenmerk moeten overeenstemmen met de administratie van de begraafplaats.

Artikel 3.8.2.2 Begraving

  • 1.

    Begraving is alleen toegestaan als van tevoren het verlof tot begraven is ingeleverd bij de beheerder.

  • 2.

    Als de begraving, bijzetting of bezorging van as in een particulier graf plaatsvindt, moet een door de rechthebbende ondertekende machtiging daartoe bij de beheerder worden ingeleverd, ondertekend door de rechthebbende. Dit gebeurt door degene die in de uitvaart voorziet als de rechthebbende is overleden.

  • 3.

    Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de dan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende. Als deze is overleden, door een van de andere personen genoemd in 3.8.2.1. van deze Verordening.

  • 4.

    De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven afgerond op hele jaren.

Artikel 3.8.2.3 Tijden van begraven en asbezorging

Begraven en het bezorgen van as vindt plaats op werkdagen en zaterdagen tussen zonsop- en zonsondergang.

 

Paragraaf 3.8.3 Indeling en uitgifte graven

Artikel 3.8.3.1 Indeling graven en asbezorging

  • 1.

    Op de begraafplaatsen kunnen worden uitgegeven particuliere:

    • a.

      graven en urnengraven;

    • b.

      verstrooiingsplaatsen;

    • c.

      grafkelders.

  • 2.

    Een particulier (huur)graf of particulier (huur)urnengraf is een grafruimte waarvoor het uitsluitend recht is verleend voor het begraven van maximaal drie lijken en het bijzetten van maximaal zes asbussen.

Artikel 3.8.3.2 Volgorde van uitgifte

De particuliere graven worden slechts voor directe begraving en in volgorde van ligging uitgegeven.

Artikel 3.8.3.3 Gedenktekens plaatsen

Gedenktekens mogen alleen worden geplaatst overeenkomstig een door het college voorgeschreven model.

Artikel 3.8.3.4 Grafkelder

Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen voor het daarin voor eigen rekening (laten) realiseren van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden.

Artikel 3.8.3.5 Termijnen particuliere graven, urnengraven en grafkelders

  • 1.

    Het college verleent, als de daartoe bestemde ruimte van de begraafplaatsen dat toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk in te dienen aanvraag, voor de tijd van twintig of dertig jaar recht op een particulier graf. De termijn begint op de datum waarop het particuliere graf is uitgegeven.

  • 2.

    Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van tien, vijftien of twintig jaar, mits de aanvraag voorafgaand aan het verstrijken van de lopende termijn wordt ingediend.

  • 3.

    Een recht als in dit artikel bedoeld, kan slechts aan één rechthebbende worden verleend ten behoeve van zichzelf en voor de personen genoemd in artikel 3.8.2.1 van deze Verordening. Verlenging van het recht ten behoeve van een ander is alleen mogelijk als daarvoor gewichtige redenen bestaan.

Artikel 3.8.3.6 Overschrijving van verleende rechten

  • 1.

    Het recht op een particulier graf kan op schriftelijke aanvraag van de rechthebbende bij het college worden overgeschreven op naam van een andere natuurlijk persoon of rechtspersoon.

  • 2.

    Na het overlijden van de rechthebbende kan het recht op het particuliere graf worden overgeschreven op naam van een natuurlijk persoon of rechtspersoon, als de aanvraag daartoe wordt ingediend binnen zes maanden na het overlijden van de rechthebbende. Als de overleden rechthebbende in het graf wordt begraven, of als de asbus met zijn resten in het graf wordt bijgezet, moet het verzoek tot overschrijving daaraan voorafgaand worden ingediend.

  • 3.

    Als na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot overschrijving aan het college niet wordt ingediend binnen de in het tweede lid van dit artikel gestelde termijn, dan is het college bevoegd het recht op het particuliere graf te laten vervallen.

  • 4.

    Na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn kan het college het particuliere graf alsnog op naam stellen van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit recht betrekking heeft op een particulier graf dat intussen is geruimd.

Artikel 3.8.3.7 Afstand doen van graven

Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de rechthebbende schriftelijk afstand doen ten behoeve van de gemeente van het recht op het particuliere graf. De ontvangst van zodanige verklaring deelt het college schriftelijk mede aan de rechthebbende.

 

Paragraaf 3.8.4 Grafbedekkingen

Artikel 3.8.4.1 Vergunning grafbedekking

  • 1.

    Voor een grafbedekking is een vergunning nodig van het college.

  • 2.

    Het college kan de vergunning weigeren als:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de ter zake vastgestelde nadere regels;

    • b.

      de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats;

    • c.

      de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is, of

    • d.

      de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.

Artikel 3.8.4.2 Onderhoud door rechthebbende of gebruiker

  • 1.

    Het (laten) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking gebeurt voor rekening en risico van de rechthebbende of de gebruiker

  • 2.

    De rechthebbende of gebruiker is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of herstellen.

  • 3.

    Als de rechthebbende of gebruiker nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of herstellen, dan kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de hele grafbedekking laten verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is.

  • 4.

    De verwijdering vindt pas plaats nadat het college de rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Als het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is, maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht.

  • 5.

    Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen als de beschadiging zodanig is dat deze het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of als de beschadiging van de grafbedekking gevaar oplevert voor derden.

  • 6.

    Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen door de beheerder worden verwijderd, als zij verwelkt zijn. Linten, siervazen en dergelijke worden dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende.

Artikel 3.8.4.3 Verwijdering grafbedekking na verstrijken termijn

  • 1.

    De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf door het college worden verwijderd.

  • 2.

    Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college ten minste één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief bekend aan de rechthebbende of, als het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende. Als het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking bekend ten minste één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf geplaatst bordje en bij de ingang van de begraafplaats.

  • 3.

    Als de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is.

 

Paragraaf 3.8.5 Ruiming van graven en urnengraven

Artikel 3.8.5.1 Ruiming, bezorging van overblijfselen en as

  • 1.

    Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt ten minste één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop het graf zal worden geruimd, per brief aan de rechthebbende bekend gemaakt. Als het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot ruiming van het graf bekend ten minste één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de ruiming plaatsvindt door middel van een bij het graf geplaatst bordje en bij de ingang van de begraafplaats.

  • 2.

    De beheerder draagt er zorg voor dat met de bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten te allen tijde respectvol wordt omgegaan en dat bezoekers van de begraafplaats niet met menselijke resten worden geconfronteerd.

  • 3.

    De bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe bestemde gedeelten van de begraafplaatsen.

  • 4.

    De rechthebbende op een particulier graf kan bij de beheerder een aanvraag indienen om de menselijke resten te laten verzamelen om deze te cremeren of ergens anders opnieuw te begraven. De rechthebbende op een particulier urnengraf kan bij de beheerder een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden, ergens anders bij te zetten of om de as te verstrooien.

 

Paragraaf 3.8.6 Register

Artikel 3.8.6.1 Voorschriften

  • 1.

    Het college kan voorschriften vaststellen voor het register van de begraven lijken.

  • 2.

    Het register wordt bijgehouden door een door het college aangewezen ambtenaar.

Hoofdstuk 3.9 Bescherming van het milieu, waardevolle natuur en uiterlijk aanzien van de gemeente

Paragraaf 3.9.1 Voorkomen en beperken geluid- en lichthinder

Artikel 3.9.1.1 Definities

In deze paragraaf wordt onder inrichting verstaan hetgeen daarover staat in bijlage 1 waarbij geldt dat de artikelen in dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing zijn op milieubelastende activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunningplicht geldt.

Artikel 3.9.1.2 Collectieve festiviteiten

  • 1.

    De geluidnormen bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten en voor de volgende dagen:

    • -

      nieuwjaarsdag;

    • -

      carnavalsvrijdag tot en met carnavalswoensdag;

    • -

      eerste en tweede paasdag;

    • -

      Koningsnacht en -dag;

    • -

      Bevrijdingsdag;

    • -

      Hemelvaartsdag;

    • -

      eerste en tweede pinksterdag;

    • -

      eerste en tweede kerstdag;

    • -

      oudejaarsavond, en

    • -

      de dagen waarop kermis of Bronk wordt georganiseerd in de desbetreffende kern van de gemeente Eijsden-Margraten.

  • 2.

    Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een kalenderjaar bekend.

  • 3.

    Het college kan een festiviteit onmiddellijk aanwijzen als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste en tweede lid, als deze redelijkerwijs niet te voorzien was.

  • 4.

    Het geluidniveau voor versterkte muziek van de geluidbronnen mag tot de eindtijd van de festiviteit niet meer bedragen dan:

    • -

      80 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT );

    • -

      94 dB(C) voor bastonen, en

    • -

      95 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau (LAmax).

  • 5.

    De meting van het geluid als bedoeld in het vijfde lid vindt plaats overeenkomstig de recentste versie van de Richtlijn ‘Meten en rekenen industrielawaai’. Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast.

  • 6.

    Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, uiterlijk beëindigd om 02:00 uur in een horecabedrijf en 01:30 uur in een feesttent en in de openlucht.

  • 7.

    De geluidnorm als bedoeld in het vijfde lid, geldt alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting.

  • 8.

    Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3.9.1.3 Incidentele festiviteiten

  • 1.

    Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidnormen, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, niet van toepassing zijn. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit ten minste twee weken voor het begin van de festiviteit schriftelijk meldt aan het college, via het daartoe door het college vastgestelde meldformulier.

  • 2.

    Het is een inrichting toegestaan om maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met incidentele festiviteiten de verlichting aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten. Dit mag echter alleen als de houder van de inrichting dit ten minste tien werkdagen voor het begin van de festiviteit daarvan schriftelijk meldt aan het college, via het daartoe door het college vastgestelde meldformulier.

  • 3.

    De melding is gedaan als het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 4.

    Het college kan een festiviteit onmiddellijk aanwijzen als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste en tweede lid, als deze redelijkerwijs niet te voorzien was.

  • 5.

    Uitwisseling tussen dagen waarop collectieve en individuele festiviteiten plaatsvinden, is niet toegestaan.

  • 6.

    Het geluidniveau voor versterkte muziek van de geluidbronnen mag tot de eindtijd van de festiviteit evenement niet meer bedragen dan:

    • -

      85 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT );

    • -

      99 dB(C) voor bastonen, en

    • -

      102 dB(A) voor het maximaal geluidsniveau (LAmax).

  • 7.

    Bij de meting van muziekgeluid wordt geen gevelreflectiecorrectie toegepast.

  • 8.

    Op de dagen, als bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidnorm, bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl, uiterlijk beëindigd om 02:00 uur in een horecabedrijf en 01:30 uur in een feesttent en in de openlucht.

  • 9.

    De geluidnorm als bedoeld in het vijfde lid, geldt alleen voor het bebouwde gedeelte van de inrichting.

  • 10.

    Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 3.9.1.4 Verboden incidentele festiviteiten

Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, te leiden of daaraan deel te nemen als de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit heeft verboden omdat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed.

Artikel 3.9.1.5 Overige geluidhinder

  • 1.

    Het is verboden buiten een inrichting op zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60, 5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Bkl. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de recentste versie van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999.

  • 3.

    Het college kan een vergunning verlenen om af te wijken van het in het eerste lid bedoelde verbod.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid geldt geen verbod voor het gebruik van knalapparatuur in de fruitteelt mits dit niet wordt aangewend in de periode van 1 september tot 1 juni en in de tijdsperiode van 21.00 uur tot 06.00 uur.

  • 5.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het derde lid.

 

Paragraaf 3.9.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 3.9.2.1 Verbod oplaten ballonnen en plastic confettiverbod

  • 1.

    Het is verboden ballonnen door middel van hete lucht afkomstig van vuur of gassen, te laten opstijgen.

  • 2.

    Het is verboden op een openbare plaats plastic confetti en plastic serpentines te strooien. Het gebruik van spuitbussen met confetti en serpentines van plastic is eveneens verboden.

Artikel 3.9.2.2 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden op een openbare plaats de natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 3.9.2.3 Toestand van sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die hindert, gevaar oplevert voor de openbare veiligheid, of nadeel voor de gezondheid.

 

Paragraaf 3.9.3 Hinderlijke of gevaarlijke reclame

Artikel 3.9.3.1 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken door middel van letters, aankondiging of een afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

 

Paragraaf 3.9.4 Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 3.9.4.1 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen en geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd.

  • 2.

    Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3.

    In aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    • a.

      natuur en landschap, of

    • b.

      het uiterlijk aanzien van de gemeente.

Hoofdstuk 3.10 Handelingen met houtopstanden (voorheen: Bomenverordening gemeente Eijsden-Margraten 2015)

Artikel 3.10.1 Kaart en lijst beschermde bomen

  • 1.

    Het college stelt een kaart vast met bijbehorende lijst ‘beschermde bomen’.

  • 2.

    Beschermde bomen moeten in hun oorspronkelijke beeld en conditie behouden blijven.

  • 3.

    De kaart en ‘lijst beschermde bomen’ bevat in ieder geval een goed herkenbare omschrijving, de standplaats, soortaanduiding, eigendomsgegevens en het kadastrale perceelnummer.

  • 4.

    De eigenaar van een beschermde boom is verplicht het college onmiddellijk mededeling te doen van:

    • a.

      eigendomsoverdracht van een beschermde boom;

    • b.

      de vestiging van zakelijke rechten over een beschermde boom;

    • c.

      het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde boom;

    • d.

      de dreiging dat de beschermde boom geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

  • 5.

    Besluiten over de totstandkoming en herziening van de kaart en de ‘lijst beschermde bomen’ worden openbaar gemaakt door kennisgeving op de gemeentelijke internetpagina en in een plaatselijk huis-aan-huis blad. De eigenaren van beschermde bomen ontvangen een besluit tot plaatsing van hun boom op de kaart en de lijst beschermde bomen.

  • 6.

    Het college beheert een bomenfonds, waaruit het college een bijdrage kan verlenen in de kosten van maatregelen, die noodzakelijk zijn voor het duurzaam in stand houden van beschermde bomen, die als monumentaal zijn aangemerkt.

Artikel 3.10.2 Vergunningplicht

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college beschermde bomen te vellen of laten vellen.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt eveneens voor:

    • a.

      houtopstand aangelegd vanwege een herplant- en instandhoudingplicht op grond van de artikelen 3.10.6 of 3.10.7 van deze Verordening;

    • b.

      houtopstand aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan;

    • c.

      houtopstand aangelegd op grond van een publiekrechtelijke toestemming.

  • 3.

    Het verbod in het eerste en tweede lid geldt niet voor:

    • a.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens een aanschrijving van het college, dit onverminderd het bepaalde in de artikelen 3.10.6 en 3.10.7 van deze Verordening;

    • b.

      reguliere onderhoudswerkzaamheden aan houtopstand.

Artikel 3.10.3 Toetscriteria

Nadat de alternatieven voor velling uitputtend zijn onderzocht wordt een vergunning voor het vellen van een beschermde boom slechts bij uitzondering verleend, als:

 

  • a.

    een zwaarwegend maatschappelijk belang groter is dan het belang van het duurzaam behoud van de beschermde boom, die een monumentale status heeft;

  • b.

    een maatschappelijk belang groter is dan het belang van de beschermde boom, die een waardevolle status heeft en voor de houtopstanden van artikel 3.10.2, tweede lid, onder a, b en c van deze Verordening, of

  • c.

    naar het oordeel van een boomdeskundige instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of ernstige schade.

Artikel 3.10.4 Vergunningaanvraag

  • 1.

    Een vergunningaanvraag wordt overeenkomstig afdeling 3.4 Awb direct na ontvangst bekend gemaakt in een plaatselijk huis-aan-huisblad en op de gemeentelijke internetpagina. Iedereen kan gedurende vier weken na de bekendmaking zijn zienswijze hierover geven.

  • 2.

    De beslissing op een vergunningaanvraag om te (laten) vellen kan worden opgeschort als de aanvraag is ingediend in samenhang met de aanvraag voor een ander toestemmingplichtig werk of toestemmingsplichtige activiteit, zolang op die andere aanvraag niet is beslist.

  • 3.

    Het besluit op de vergunningaanvraag wordt direct bekend gemaakt in een plaatselijk huis-aan-huisblad en op de gemeentelijke internetpagina onder gelijktijdige verzending aan de aanvrager. Bij deze bekendmaking wordt de datum van verzending aan de aanvrager genoemd als begin van de bezwaartermijn van zes weken.

  • 4.

    De vergunning om te (laten) vellen als bedoeld in deze Verordening vervalt één jaar na het onherroepelijk worden van deze vergunning, tenzij hiervan in de vergunning is afgeweken.

Artikel 3.10.5 Gebruikmaken van vergunning

  • 1.

    Met vellen mag niet worden begonnen voordat de bezwarentermijn is afgelopen.

  • 2.

    Als gedurende de bezwarentermijn een bezwaarschrift is ingediend, mag van de vergunning pas gebruik worden gemaakt na één week nadat op dat bezwaarschrift is beslist.

Artikel 3.10.6 Herplantfonds

In aanvulling op het gestelde in artikel 1.1.4 van deze Verordening kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat de financiële boomwaarde van de te vellen boom of houtopstand door de vergunninghouder moet worden gestort in het gemeentelijk herplantfonds.

Artikel 3.10.7 Herplant-/instandhoudingplicht

  • 1.

    Het college kan een herplantplicht met voorschriften opleggen aan de degene die bevoegd is tot het treffen van voorzieningen op de grond:

    • a.

      waarop zich een boom of houtopstand bevond waarvoor een kapverbod gold als bedoeld in deze Verordening, en

    • b.

      voor de kap geen vergunning was verleend of de boom of houtopstand op andere wijze teniet zijn gegaan.

  • 2.

    Het college kan een verplichting onder voorschriften opleggen om voorzieningen te treffen waardoor de ernstige bedreiging in het voortbestaan van vergunningplichtige bomen en houtopstanden wordt weggenomen.

  • 3.

    Het college kan in de situatie als bedoeld in het tweede lid, de verplichting opleggen om een ‘bomen effect analyse’ te laten opstellen.

  • 4.

    De verplichtingen als bedoeld in het tweede en derde lid kunnen worden opgelegd aan degene die bevoegd is tot het treffen van de voorzieningen.

  • 5.

    Als herplant ter plaatse niet mogelijk is, kan de verplichting worden opgelegd de financiële boomwaarde van de te vellen boom of houtopstand te storten in het gemeentelijk herplantfonds.

Artikel 3.10.8 Afstand tot erfgrens

 

De geoorloofde minimale afstand tot de erfgrens is voor bomen, heesters en heggen langs openbaar gebied, nul meter.

Artikel 3.10.9 Bestrijding boomziekten

  • 1.

    Als op een terrein één of meer bomen staan die gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders, kan het college de rechthebbende op die boom verplichten binnen een termijn:

    • a.

      volgens, in overeenstemming met aanwijzingen van het college de gevelde houtopstand onmiddellijk zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen, of

    • b.

      de houtopstand ter plaatse te vellen.

  • 2.

    Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben dan wel te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

Artikel 3.10.10 Schade veroorzaken

Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen en in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, bermen, taluds, grasperken of bloembakken, verboden schade toe te brengen aan bomen, hagen en bloem-, gras- of heesterperken.

Artikel 3.10.11 Opslag afval in de open lucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 3.10.2 van deze Verordening aanbieden of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen.

Hoofdstuk 3.11 Markten (Voorheen: Marktverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013)

Paragraaf 3.11.1 Venten

Artikel 3.11.1.1 Ventverbod

  • 1.

    Het is verboden te venten op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

 

Paragraaf 3.11.2 Standplaatsen

Artikel 3.11.2.1 Standplaatsvergunning

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2.

    Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college.

  • 3.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.11.2.2 Intrekking standplaatsvergunning

  • 1.

    Het college trekt een standplaatsvergunning in bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het Marktreglement de vergunning wordt overgeschreven.

  • 2.

    Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken als de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3.11.2.1, tweede lid van deze Verordening genoemde vereisten.

  • 3.

    Als degene op wie een vergunning door, vanwege van artikel 7 van het Marktreglement is overgeschreven, al vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.

Artikel 3.11.2.3 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning een standplaats wordt of is ingenomen.

Hoofdstuk 3.12 Stoken van vuur

Artikel 3.12.1 Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of op andere wijze stoken van vuur

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wm of op een andere wijze vuur aan te leggen, stoken of hebben.

  • 2.

    Als geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3.

    In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze Verordening kan de vergunning worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 4.

    Paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 3.13 Kwaliteit uitvoering (voorheen: Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Eijsden-Margraten)

Artikel 3.13.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt aanvullend op de in bijlage 1 opgenomen begrippenlijst verstaan onder:

 

  • -

    betrokken wetten: de wet en de wetten, bedoeld in hoofdstuk 18 van de Ow.

Artikel 3.13.2 Reikwijdte

Dit hoofdstuk is van toepassing op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het bevoegd gezag.

Artikel 3.13.3 Betrokkenheid raad

De gemeenteraad ziet toe op de hoofdlijnen van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van de voor de gemeente vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 3.13.4 Kwaliteitsdoelen

  • 1.

    Het college beoordeelt de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen krachtens de artikelen 13.5 en 13.6 van het Ob gestelde doelen.

  • 2.

    De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, hebben in ieder geval betrekking op de:

    • a.

      dienstverlening;

    • b.

      uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, en

    • c.

      financiën.

Artikel 3.13.5 Kwaliteitsborging basistaken

  • 1.

    Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van het college betreffende de basistaken, zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing die in landelijke samenwerking tussen bevoegde bestuursorganen beschikbaar zijn gesteld.

  • 2.

    Over de naleving van de kwaliteitscriteria doet het college jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad.

  • 3.

    Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, informeert het college daarover gemotiveerd de gemeenteraad.

Hoofdstuk 3.14 Gemeentelijke adviescommissie Mergelland

Artikel 3.14.1 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

  • -

    aangesloten gemeenten: de gemeenten Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul;

  • -

    bestuur: het bestuur van de commissie;

  • -

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • -

    commissie: gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 Ow, genaamd de Gemeentelijke adviescommissie Mergelland;

  • -

    stads- of dorpsbouwmeester, erfgoeddeskundige, landschapsdeskundige: respectievelijk het lid van de commissie aan wie door de raad bij of krachtens deze verordening specifieke taken zijn opgedragen;

  • -

    goede omgevingskwaliteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.3 Ow;

  • -

    monument: monument als bedoeld in de bijlage bij artikel 1 Ow;

  • -

    raad: gemeenteraad;

  • -

    vertegenwoordiger: één van de leden van het college.

Artikel 3.14.2 Taken commissie

  • 1.

    De commissie heeft als taak de desbetreffende bestuursorganen van de aangesloten gemeenten schriftelijk te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de Ow met het oog op het bereiken, bevorderen en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt.

  • 2.

    De stads- of dorpsbouwmeester heeft als taak te adviseren over (aan)vragen met betrekking tot welstands- en stedenbouwkundige voorschriften.

  • 3.

    De erfgoeddeskundige heeft als taak te adviseren over (aan)vragen met betrekking tot erfgoed.

  • 4.

    De landschapsdeskundige heeft als taak te adviseren over initiatieven zoals bepaald in de:

    • a.

      intergemeentelijke structuurvisie of het gemeentelijk kwaliteitsmenu met betrekking tot landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit;

    • b.

      omgevingsvisie of het omgevingsplan met betrekking tot landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit, na vaststelling van deze beleidsdocumenten;

    • c.

      gemeentelijke regels en over andere (aan)vragen met betrekking tot landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit;

    • d.

      rechtsopvolger(s) van plannen als bedoeld onder a. en b.

  • 5.

    De commissieleden geven advies voor zover dat voor de vervulling van hun taak nodig is.

  • 6.

    Commissieleden die betrokken zijn of zijn geweest bij de uitvoering van een activiteit waarvoor een aanvraag is ingediend waarover de commissie adviseert, onthouden zich van medewerking aan het desbetreffende advies en zijn tijdens de behandeling van en de besluitvorming over het advies niet in de vergadering aanwezig.

Artikel 3.14.3 Samenstelling commissie

De commissie bestaat uit het aantal leden dat mede gelet op de aard en omvang van het te beoordelen plan nodig wordt geacht door de voorzitter van de commissie.

Artikel 3.14.4 Benoeming en ontslag commissieleden en plaatsvervangers

  • 1.

    De voorzitter van de commissie meldt elke vacature binnen 8 dagen aan het bestuur. Door het bestuur wordt uiterlijk binnen 6 maanden na ontvangst van de melding, in de vacature voorzien.

  • 2.

    De leden en plaatsvervangers van de commissie worden door het bestuur voor maximaal vier jaar benoemd op persoonlijke titel op grond van hun professionele deskundigheid die nodig is voor de advisering.

  • 3.

    De leden en plaatsvervangers zijn direct voorafgaand aan de benoeming gedurende tenminste vijf jaar niet werkzaam geweest onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur van één of meer van de aangesloten gemeenten.

  • 4.

    Herbenoeming van leden van de commissie en plaatsvervangers, kan steeds voor maximaal vier jaar plaatsvinden.

  • 5.

    De leden worden op eigen aanvraag ontslagen, met een opzegtermijn van minimaal één maand.

  • 6.

    Een lid kan door het bestuur worden geschorst en/of ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid, niet naleven van de procedures of op andere zwaarwegende gronden.

Artikel 3.14.5 Ondersteuning commissie

  • 1.

    De commissie wordt ondersteund door tenminste één ambtelijk secretaris.

  • 2.

    De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.

  • 3.

    De secretaris kan worden ondersteund door andere ambtelijke medewerkers, die voor hun werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de secretaris.

  • 4.

    De secretaris noch de ambtelijke medewerkers zijn lid van de commissie.

Artikel 3.14.6 Commissiebestuur en taken

  • 1.

    Het bestuur bestaat uit één collegelid per aangesloten gemeente.

  • 2.

    Het bestuur benoemt de leden van de commissie alsmede de secretaris en hun plaatsvervangers.

  • 3.

    Het bestuur stelt in ieder geval nadere regels vast met betrekking tot:

    • -

      werkafspraken van de commissie en het bestuur;

    • -

      de werkzaamheden van de secretaris, inclusief notulering en dossiervorming;

    • -

      de financiële vergoeding van de commissieleden en de plaatsvervangers;

    • -

      de wijze waarop besluiten worden genomen, inclusief het vereiste quorum voor een besluitvormende vergadering, en

    • -

      de kostenverdeling van de aangesloten gemeenten.

  • 4.

    Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter.

  • 5.

    De functie van secretaris van het bestuur wordt vervuld door de secretaris van de commissie.

Artikel 3.14.7 Vergadering commissie

  • 1.

    De data van de vergaderingen van de commissie worden op de gemeentelijke website bekendgemaakt.

  • 2.

    Alleen de aanvrager van de omgevingsvergunning en diens gemachtigde hebben de mogelijkheid tijdens de vergadering het woord te voeren, een toelichting op de aanvraag te geven en hierover het gesprek aan te gaan met de commissie.

Artikel 3.14.8 Adviestermijn

  • 1.

    Bij een adviesverzoek aan de commissie geeft het college aan binnen welke termijn een advies moet worden uitgebracht.

  • 2.

    Als het college geen termijn heeft gesteld, brengt de commissie binnen twee weken advies uit.

Artikel 3.14.9 Overgangsrecht

  • 1.

    De op grond van de Bouwverordening en Erfgoedverordening zoals die golden voor 1 januari 2024, van de aangesloten gemeenten benoemde leden van de commissie en de plaatsvervangers, worden geacht te zijn benoemd op grond van dit hoofdstuk. De benoemingstermijn als bedoeld in artikel 4 begint vanaf het moment van benoeming op grond van dit hoofdstuk.

  • 2.

    Als voor de inwerkingtreding van de Ow een beoordeelbare aanvraag is ingediend, blijft het oude recht met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Gemeentelijke adviescommissie Mergelland wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet en de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988, zoals die golden voor 1 januari 2024, bedoelde commissie te zijn.

Hoofdstuk 3.15 Nadeelcompensatie (voorheen: Planschadeverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011)

Artikel 3.15.1 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

  • a.

    aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade indient;

  • b.

    bestuursorgaan: het bestuursorgaan van de gemeente dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om tegemoetkoming in schade;

  • c.

    belanghebbende:

    • -

      degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid van de Ow is gesloten, en

    • -

      als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag, zoals geregeld in artikel 13.3d van de Ow: de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht;

  • d.

    adviseur: een door het bestuursorgaan aan te wijzen deskundige;

  • d.

    schadebeoordelingscommissie: een door het college ingestelde commissie, bestaande uit één of meer adviseurs.

Artikel 3.15.2 Toepassingsbereik

  • 1.

    Dit hoofdstuk heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 4:126, eerste lid van de Awb, waarvan de aanvrager stelt dat die wordt veroorzaakt door een besluit van een bestuursorgaan van de gemeente.

  • 2.

    Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op aanvragen om schadevergoeding waarop een bijzondere schadevergoedingsregeling van toepassing is.

Artikel 3.15.3 Heffen recht

  • 1.

    Voor het in behandeling nemen van de aanvraag om schadevergoeding wordt een recht van € 500,- geheven.

  • 2.

    Het bestuursorgaan wijst de indiener van de aanvraag op de verschuldigdheid van het recht en wijst er op dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de gemeente. Als het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, verklaart het bestuursorgaan de aanvraag niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 3.15.4 Aanvraag

  • 1.

    De aanvrager van schadevergoeding maakt gebruik van een door het bestuursorgaan vastgesteld (elektronisch) formulier.

  • 2.

    De aanvraag wordt ondertekend door de aanvrager en bevat in ieder geval: de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening, de gegevens en documenten die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn; de aanduiding van het besluit of het overheidshandelen dat de schade veroorzaakt; een aanduiding van de aard van de schade, de hoogte daarvan en een specificatie daarvan, voor zover redelijkerwijs mogelijk.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 4:127 Awb bevat een aanvraag tevens:

    • a.

      als het schade betreft wegens winst- of inkomstenderving: jaarrekeningen over het jaar waarin schade is geleden en voor zover van toepassing de drie daaraan voorafgaande jaren alsmede de aanslagen vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting;

    • b.

      als het schade betreft wegens gederfde huurinkomsten: een kopie van de huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst en de eigendomsakte;

  • 4.

    Ter beoordeling van het bestuursorgaan kunnen zo nodig aanvullende stukken en specificaties worden gevraagd.

Artikel 3.15.5 Inschakeling van een adviseur of adviescommissie

  • 1.

    Het bestuursorgaan kan advies inwinnen bij een adviseur of adviescommissie voor zover dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om op de aanvraag om schadevergoeding te kunnen beslissen.

  • 2.

    Een adviseur of adviescommissie kan worden benoemd als:

    • a.

      vaste adviseur of adviescommissie, benoemd door het college voor een termijn van maximaal vier jaar met de mogelijkheid tot herbenoeming voor maximaal vier jaar, of

    • b.

      tijdelijke adviseur of adviescommissie voor advisering met betrekking tot één of meer aanvragen.

  • 3.

    Advies als bedoeld in het eerste lid, wordt niet ingewonnen als:

    • a.

      de aanvraag kennelijk ongegrond is, omdat zich een weigeringsgrond voordoet als bedoeld in artikel 4:126, tweede lid Awb;

    • b.

      de schade kennelijk niet kan worden toegerekend aan een door een bestuursorgaan van de gemeente genomen besluit of verrichte handeling;

    • c.

      de aanvraag naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende gelijkenis vertoont met andere aanvragen waarvoor al advies is uitgebracht;

    • d.

      het in de aanvraag genoemde bedrag aan schadevergoeding minder bedraagt dan € 500,- of

    • e.

      naar het oordeel van het bestuursorgaan in de gemeentelijke organisatie voldoende deskundigheid voor de beoordeling van de aanvraag aanwezig is.

  • 4.

    Het besluit om de aanvraag af te wijzen zonder inschakeling van een adviseur of adviescommissie wordt genomen binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag dan wel binnen acht weken nadat de termijn is verstreken waarbinnen de aanvrager de aanvraag kon aanvullen.

Artikel 3.15.6 Procedure

  • 1.

    Het college informeert de aanvrager en andere belanghebbenden als advies wordt ingewonnen bij een adviseur of adviescommissie.

  • 2.

    Bij de toepassing van de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb worden, voor zo ver van toepassing, naast de aanvrager betrokken:

    • a.

      degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid Ow is gesloten, en

    • b.

      als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag, zoals geregeld in artikel 13.3d Ow, de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht, tenzij:

      • -

        de schadevergoeding redelijkerwijze voor rekening behoort te blijven van het bestuursorgaan, of

      • -

        de schadevergoeding voldoende op een andere manier is verzekerd.

Artikel 3.15.7 Werkwijze van de adviseur en adviescommissie

  • 1.

    De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie stelt de aanvrager, het bestuursorgaan en de belanghebbenden in de gelegenheid een toelichting te geven, dan wel een standpunt over de aanvraag kenbaar te maken.

  • 2.

    Als dit voor de advisering nodig is, wordt door de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse bezichtigd. Het tijdstip van deze plaatsopneming wordt bepaald door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie.

  • 3.

    Voordat een advies wordt uitgebracht, zendt de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan het bestuursorgaan, de aanvrager en de belanghebbenden. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn verlengen.

  • 4.

    De aanvrager, het bestuursorgaan en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het conceptadvies schriftelijk hierop te reageren.

  • 5.

    In het geval binnen de gestelde termijn reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn een advies uit aan het bestuursorgaan, waarbij de desbetreffende reacties zijn betrokken.

  • 6.

    In het geval geen of niet op tijd reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn een advies uit aan het bestuursorgaan.

Artikel 3.15.8 Beslissing op de aanvraag

  • 1.

    Het bestuursorgaan beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies op de aanvraag en maakt dit besluit binnen deze termijn, door toezending van het advies, bekend aan de aanvrager en de belanghebbenden.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid bedoelde beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verlengen.

Artikel 3.15.9 Betaling

Bij geheel of gedeeltelijke toewijzing van een aanvraag om schadevergoeding wordt de toegewezen schadevergoeding betaald voorafgaand aan het onherroepelijk worden van het besluit op de aanvraag om schadevergoeding.

Hoofdstuk 3.16 Participatie

 

(gereserveerd)

 

Titel 4 Straf-, toezicht, overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk 4.1 Straf- en toezichtbepalingen

Artikel 4.1.1 Strafbepalingen Titel 2

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens Titel 2 van deze Verordening bepaalde en op grond van artikel 1.1.4 van deze Verordening daarbij gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is artikel 1a Wed van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.3.1, eerste lid van deze Verordening.

  • 3.

    In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 4.1.2 Strafbepalingen Titel 3 (Tijdelijk deel omgevingsplan)

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens Titel 3 van deze Verordening bepaalde en op grond van artikel 1.1.4 van deze Verordening daarbij gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt degene die handelt in strijd met artikel 3.3.5.1 of het bepaalde krachtens artikel 3.3.5.2, derde lid van deze Verordening gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van het bij of krachtens artikel 3.4.1 van deze Verordening bepaalde gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt handelen in strijd met de artikelen uit hoofdstuk 3.8 gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

Hoofdstuk 4.2 Toezicht

Artikel 4.2.1 Binnentreden woning ter uitvoering van noodverordeningen

Degenen belast met het toezicht op de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner(s).

Artikel 4.2.2 Binnentreden woningen

Degenen belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze Verordening gegeven voorschriften die als doel hebben handhaving van de openbare orde, openbare veiligheid, bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner(s).

Hoofdstuk 4.3 Overgangsrecht

Artikel 4.3.1 Bestaande aanvragen

  • 1.

    Op complete aanvragen om besluiten bij of krachtens de in artikel 4.4.3 van deze Verordening zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze Verordening, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op het moment van de aanvraag.

  • 2.

    Op niet complete aanvragen om besluiten bij of krachtens de in artikel 4.4.3 van deze Verordening genoemde ingetrokken verordeningen, ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en al dan niet getoetst, is deze Verordening van toepassing.

Artikel 4.3.2 Bestaande besluiten en beleidsregels

  • 1.

    Besluiten bij of krachtens de in artikel 4.4.3 van deze Verordening genoemde ingetrokken verordeningen die onherroepelijk waren op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening, worden aangemerkt als een besluit bij of krachtens deze Verordening.

  • 2.

    Beleidsregels die hun grondslag vinden in één of meer van de in artikel 4.4.3 genoemde ingetrokken verordeningen of in besluiten bij of krachtens deze verordeningen, en die onherroepelijk waren op het moment van inwerkingtreding van deze Verordening, worden aangemerkt als beleidsregels die hun grondslag vinden in deze Verordening.

Artikel 4.3.3 Rechtsbescherming

Op besluiten waartegen ten tijde van de inwerkingtreding van deze Verordening rechtsbeschermingsmiddelen waren gebruikt, blijft het recht van toepassing zoals dat gold direct voor deze inwerkingtreding.

Artikel 4.3.4 Erfgoedverordening (Tijdelijk deel omgevingsplan)

Krachtens de Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2022 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze Verordening.

Artikel 4.3.5 Adviescommissie (Tijdelijk deel omgevingsplan)

  • 1.

    De op grond van de van toepassing zijnde verordeningen van de aangesloten gemeenten benoemde leden van de commissie en de plaatsvervangers, worden geacht te zijn benoemd op grond van dit hoofdstuk. De benoemingstermijn als bedoeld in artikel 3.14.4 van deze Verordening begint vanaf het moment van benoeming op grond van dit hoofdstuk of deze Verordening.

  • 2.

    Als voor de inwerkingtreding van deze Verordening een beoordeelbare aanvraag is ingediend, blijft het oude recht met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Gemeentelijke adviescommissie Mergelland wordt geacht de in artikel 8 van de Woningwet en de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988 bedoelde commissie te zijn.

Artikel 4.3.6 Planschade (Tijdelijk deel omgevingsplan)

De Planschadeverordening Eijsden-Margraten 2011 blijft gelden voor aanvragen die op grond van de overgangsbepalingen nadeelcompensatie van de Ow volgens het oude recht afgehandeld dienen te worden.

Hoofdstuk 4.4 Slotbepalingen

Artikel 4.4.1 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking vanaf het moment dat de Omgevingswet in werking treedt.

Artikel 4.4.2 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene verordening Eijsden-Margraten.

Artikel 4.4.3 Intrekking verordeningen

De volgende verordeningen worden ingetrokken:

 

  • -

    Algemene plaatselijke verordening gemeente Eijsden-Margraten, vastgesteld op 3 februari 2015;

  • -

    Verordening winkeltijden Eijsden-Margraten 2017, vastgesteld op 24 november 2017;

  • -

    Wegsleepverordening Eijsden-Margraten 2020, vastgesteld op 15 mei 2021;

  • -

    Verordening speelautomatenhallen Eijsden-Margraten 2014, vastgesteld op 16 juli 2014;

  • -

    Parkeerverordening Eijsden-Margraten 2015, vastgesteld op 24 oktober 2015;

  • -

    Bouwverordening gemeente Eijsden-Margraten 2018, vastgesteld op 15 november 2018;

  • -

    Erfgoedverordening gemeente Eijsden-Margraten 2022, vastgesteld op 9 december 2022;

  • -

    Verordening Wet geurhinder en veehouderij Eijsden-Margraten, vastgesteld op 4 juli 2013;

  • -

    Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Eijsden-Margraten 2011, vastgesteld op 1 juni 2011;

  • -

    Bomenverordening gemeente Margraten 2010, vastgesteld op 15 juni 2010;

  • -

    Bomenverordening gemeente Eijsden-Margraten 2015, vastgesteld op 17 februari 2015;

  • -

    Marktverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013, vastgesteld op 1 januari 2013;

  • -

    Planschadeverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011, vastgesteld op 1 juni 2011;

  • -

    Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Eijsden-Margraten, vastgesteld op 23 juli 2016;

  • -

    Telecomverordening gemeente Eijsden-Margraten 2011, vastgesteld op 1 juni 2011.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 12 december 2023,

De plaatsvervangend griffier,

De voorzitter,

Bijlage 1: definities als bedoeld in artikel 1.1.1 van deze Verordening

 

Begrip

Definitie

aansluitleiding

het particuliere riool, het aansluitpunt, de ontstoppingsvoorziening en de perceelaansluitleiding tezamen

afvalwater

alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen

algemeen graf

een graf en urnengraf bij de gemeente in beheer waarin aan iedereen gelegenheid wordt geboden tot het laten begraven van overledenen

asbus

een bus voor de berging van as van een overledene

Awb

Algemene wet bestuursrecht

beheerder

de natuurlijke persoon die de feitelijke leiding uitoefent in een inrichting of bedrijf

beschermd stads- of dorpsgezicht

in het gemeentelijk erfgoedregister ingeschreven groep van onroerende zaken die van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid, zijn onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en waarin zich één of meer monumenten bevinden

bevoegd gezag

bestuursorgaan als bedoeld in paragraaf 4.1.3 van de Ow

bezoeker

degene die aanwezig is in een inrichting, bedrijf of bij een evenement, met uitzondering van de exploitant, de beheerder, de personen die werkzaam zijn in de inrichting, het bedrijf of bij het evenement dan wel andere personen waarvan aanwezigheid in de inrichting of het bedrijf wegens dringende redenen noodzakelijk of vanwege de normale bedrijfsvoering nodig is

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, inclusief van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren

bromfiets, snorfiets, scooter

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994

collectieve festiviteit

festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden

college

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten

consumentenvuurwerk

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 2.2.2 van het Vuurwerkbesluit

doelmatige werking

een zodanige werking dat van een doelmatige verwijdering van afvalwater kan worden gesproken. Doelmatige verwijdering omvat de continuïteit van de verwijdering, de effectiviteit en efficiency van de verwijdering alsmede de capaciteit en spreiding van de verwijderingsvoorzieningen

erfgoedregister

gemeentelijke lijst met daarin de overeenkomstig deze Verordening als gemeentelijk monument aangewezen onroerende en roerende zaken alsmede terreinen

escortbedrijf

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend

evenement

elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

  • a.

    bioscoopvoorstellingen;

  • b.

    markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet, van de Gemeentewet;

  • c.

    kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

  • d.

    het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

  • e.

    betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  • f.

    activiteiten als bedoeld in artikel 2.5.6.2 van deze verordening;

  • g.

    activiteiten die plaatsvinden binnen een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer die beschikt over de benodigde Wabo-vergunningen c.q. meldingen Activiteitenbesluit voor het laten plaatsvinden van het betreffende soort activiteit;

  • h.

    processies;

  • i.

    het uittrekken van een plaatselijk muziekkorps.

Onder evenement wordt mede verstaan:

  • a.

    een herdenkingsplechtigheid;

  • b.

    een braderie;

  • c.

    een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.2.1 van deze verordening, op de weg;

  • d.

    een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

  • e.

    een straatfeest of buurtbarbecue op een dag;

  • f.

    een snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats;

  • g.

    een wielertoertocht van meer dan 100 personen.

exploitant

de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting of bedrijf uitbaat en de tot vertegenwoordiging van die natuurlijke of rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon

feestdagen

Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag

fysieke leefomgeving

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.2 Omgevingswet

gebouw

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van de Woningwet

gemeentelijke adviescommissie

De Adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 Ow

gemeentelijk monument

monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister

geurgevoelig object

gebouw bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt

geurhinder

gevolgen voor het milieu door de emissie van geur

grafbedekking

gedenkteken en grafbeplanting op een graf, een verstrooiingsplaats of gedenkplaats

handelsreclame

iedere openbare aanprijzing van goederen diensten en/of activiteiten, waarmee duidelijk wordt bedoeld een commercieel belang te dienen

horecabedrijf

elke voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, overnachtingsmogelijkheid wordt geboden, dranken worden geschonken dan wel rookwaren of etenswaren voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of aangeboden.

Als horecabedrijf worden in ieder geval aangemerkt een hotel, restaurant, pension, groepsaccomodatie, café, cafetaria, snackbar, shoarmazaak, sishabar, broodjeszaak, grillroom, afhaalbedrijf van etenswaren, discotheek, buurthuis en clubhuis.

houder van een inrichting

degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of op andere wijze een inrichting drijft

houtopstand

hakhout, een houtwal dan wel één of meer bomen

huishoudelijk afvalwater

afvalwater afkomstig uit particuliere huishoudens, niet zijnde hemelwater.

incidentele festiviteit

festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen

inrichting

elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;

inrichting voor overnachting

elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt geboden

kampeermiddel

een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf

kwaliteitscriteria

de in landelijke samenwerking tussen bevoegde bestuursorganen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en deskundigheid van organisaties die met de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast

marktconforme kosten

kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt

marktconforme prijzen

prijzen zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gehanteerd

motorvoertuig

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

NEN

een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm

omgevingsvergunning

omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1 van de Ow

onversterkte muziek

muziek die niet elektronisch is versterkt

openbaar riool

het gedeelte van de riolering dat bij de gemeente in eigendom en beheer is voor inzameling en transport van afvalwater, hemelwater en drainagewater inclusief de daartoe behorende rioolgemalen, persleidingen, werken en installaties van overeenkomstige aard, met uitzondering van de aansluitleidingen

openbaar water

wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn

openbare inrichting

voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt, waarbij een buiten de hiervoor bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, geacht wordt deel uit te maken van die besloten ruimte.

openbare nutsvoorziening

bouwwerken en voorzieningen die een publiek nut hebben

openbare plaats

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties

openbare ruimten

voor publiek toegankelijke ruimten zowel binnen als buiten

Ow

Omgevingswet

parkeren

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

particulier riool

de binnen de kadastrale eigendomsgrenzen van het aan te sluiten perceel gelegen binnen-, buiten- of terreinrioolleidingen tot aan het aansluitpunt, inclusief alle installaties benodigd voor het op juiste hoogte en druk brengen van het afvalwater bij het aansluitpunt

perceelaansluitleiding

het riool en voorzieningen die deel uit maken van dit riool (o.a. de ontstoppingsvoorziening), tussen het openbaar riool en het aansluitpunt, in beheer bij de gemeente

prostituee

degene die zich beschikbaar stelt voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding

prostitutie

het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding

rechthebbende

degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht

seksinrichting

Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub en een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar

speelgelegenheid

een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren

standplaats

het vanaf een vaste, op een openbare en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen. Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een:

jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet;

evenement als bedoeld in deze Bijlage.

terras

een buiten het horecabedrijf gelegen besloten ruimte waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of eten voor directe consumptie ter plaatse kan worden bereid en/of aangeboden

toestemming

verzamelterm voor instemming van het bevoegde bestuursorgaan in de vorm van een vergunning, vrijstelling, ontheffing en instemmingsbesluit

urn

een voorwerp voor berging van één of meer asbussen

vaste standplaats

de standplaats die voor bepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder

veehouderij

De milieubelastende activiteit veehouderij als bedoeld in paragraaf 3.6.1 Bal.

vellen

rooien, inclusief verplanten en het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van de houtopstand tot gevolg kunnen hebben

venten

het in de uitoefening van ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt niet verstaan:

het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet of snuffelmarkt;

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in deze Bijlage.

vergunninghouder

degene aan wie door het college vergunning is verleend

Verordening

Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten

verstrooiingsplaats

Een plaats waarop as wordt verstrooid

voertuig

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen

Wed

Wet economische delicten

weg

hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994

winkel

dat wat daaronder wordt verstaan in de Winkeltijdenwet

Bijlage 2: Gebiedsvisie van bureau Windmill als bedoeld in artikel 3.7.1 van deze Verordening

 

 

Naar boven