De burgemeester van de gemeente Noardeast-Fryslân,
Overwegende;
dat in de gemeente Noardeast-Fryslân op diverse plekken in de openbare ruimte veelvuldig sprake is van drugshandel op straat;
dat deze drugshandel op straat leidt tot drugsoverlast en wordt ervaren als een aantasting van het veiligheidsgevoel;
dat door de partners integraal wordt gewerkt aan de aanpak van ondermijning;
dat een versterking op dit onderdeel van de aanpak gewenst is teneinde drugsdealers te beletten zich schuldig te maken aan drugshandel op straat;
dat het ingevolge artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verboden is –
onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
dat deze verbodsbepaling beoogt om drugshandel op straat te voorkomen en drugsoverlast terug te dringen;
dat de burgemeester ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht over de bevoegdheid beschikt om aan overtreders van artikel 2:74 APV een last onder dwangsom op te leggen;
dat het opleggen van een last onder dwangsom aan overtreders van artikel 2:74 APV de rechterlijke toets heeft doorstaan (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2020:1117).
dat van het opleggen van een last onder dwangsom een preventieve werking uitgaat en dat met het opleggen van een last onder dwangsom wordt beoogd herhaling van de overtreding te voorkomen;
gelet op het bepaalde in artikel 2:74 APV, de Algemene wet bestuursrecht en artikel 125 van de Gemeentewet:
b e s l u i t:
De beleidsregel ‘Last onder dwangsom drugshandel en harddrugsgebruik op straat ’ vast te stellen;
Deze beleidsregel een dag na publicatie in te laten gaan.