Adviesrecht gemeenteraad onder de Omgevingswet

Kenmerk: 1072810

 

De raad van de gemeente Oldebroek;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 februari 2022;

 

gelet op artikel 16.15a en 16.15b van de Omgevingswet;

 

overwegende dat;

 

a. De gemeenteraad op grond van de Omgevingswet de bevoegdheid heeft om categorieën aan te wijzen waaruit blijkt wanneer burgemeester en wethouders een bindend advies van de raad nodig hebben om door middel van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit af te kunnen wijken van het omgevingsplan;

b. De bijlage “Lijst Adviesrecht gemeenteraad bij afwijkingen Omgevingsplan” d.d. 1 februari 2022 integraal onderdeel uitmaakt van onderhavig besluit;

 

 

B E S L U I T:

 

  • 1.

    De bijlage “Lijst Adviesrecht gemeenteraad bij afwijkingen Omgevingsplan” d.d. 1 februari 2022 vast te stellen.

  • 2.

    Dit besluit en de bijlage genoemd onder 1 in werking te laten treden met ingang van de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt.

  • 3.

    Het werken op basis van de nieuwe lijst een jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet te evalueren.

     

Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Oldebroek

op 10 maart 2022.

 

, voorzitter T.H. Haseloop-Amsing

, griffier J. Tabak.

 

 

 

BIJLAGE

 

Lijst Adviesrecht gemeenteraad bij afwijkingen Omgevingsplan

Bijlage behorende bij raadsbesluit nummer 1072810,

1 februari 2022

 

1. Inleiding

De gemeenteraad is onder de nieuwe Omgevingswet het bevoegd gezag voor vaststelling van het omgevingsplan. Net zoals de gemeenteraad hiervoor, onder de Wet ruimtelijke ordening, het bevoegd gezag was voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Een omgevingsplan is, zoals vroeger het bestemmingsplan, het kader voor het toetsen van omgevingsvergunningaanvragen. Als een omgevingsvergunningaanvraag voldoet aan het omgevingsplan (en een aantal andere toetsingskaders) dan moet de omgevingsvergunning worden verleend.

In de praktijk wijken omgevingsvergunningsaanvragen voor een (bouw)plan echter regelmatig af van het omgevingsplan. Het college van B&W is bevoegd om de omgevingsvergunning dan alsnog te verlenen, mits sprake is van een “evenwichtige toedeling van functies aan locaties” (destijds nog “een goede ruimtelijke ordening”). Dit heet dan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (hierna: buitenplanse opa).

De bevoegdheid van het college om ten gunste van (bouw)plannen af te wijken van het omgevingsplan, kan de bevoegdheid van de gemeenteraad om zo’n omgevingsplan vast te stellen uiteraard afzwakken. Daarom was er onder het oude stelsel voor afwijkende vergunningen soms een “Verklaring van geen bedenkingen” (hierna: Vvgb) van de raad vereist. Omdat het college niet in strijd hiermee mag beschikken, bepaalde de raad dus feitelijk of het college de vergunning al dan niet mocht verlenen. Er waren drie uitzonderingen op de bevoegdheid van de raad om een Vvgb te verstrekken:

  • 1.

    Wanneer een aanvraag paste binnen de binnenplanse afwijkingsbevoegheid zoals die waren genoemd in de bestemmingsplannen;

  • 2.

    Wanneer een aanvraag paste in een landelijk bepaalde lijst zoals genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze lijst heette ook wel “kruimelgevallen” of de “kruimellijst”. In dat geval mocht het college zelf bepalen, zonder de raad te betrekken, of een omgevingsvergunning kon worden afgegeven in strijd met het bestemmingsplan;

  • 3.

    Wanneer een aanvraag paste in een lijst van de gemeenteraad die daarin heeft aangegeven dat een Vvgb niet nodig is.

Onder de Omgevingswet is de lijst met kruimelgevallen (zoals hierboven genoemd onder punt 2) afgeschaft. De Vvgb lijst, zoals hierboven onder punt 3 genoemd, is geschreven vanuit de vervallen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daardoor is de Vvgb lijst ook vervallen.

Onder de Omgevingswet blijft er een mogelijkheid voor de gemeenteraad om bij afwijking van het omgevingsplan beslissende invloed uit te oefenen middels een advies. Dit is vergelijkbaar met de oude Vvgb regeling. Echter, de nieuwe regeling is omgekeerd. De gemeenteraad moet gevallen aanwijzen, waarin het college een advies van de gemeenteraad moet vragen. Het advies is voor het college bindend.

In het onderhavige document is een lijst opgenomen, genaamd “Lijst adviesrecht gemeenteraad”. Daarin zijn categorieën genoemd waarvoor het adviesrecht van de gemeenteraad geldt. De lijst treedt in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden. De lijst is tot stand gekomen door, zoveel als mogelijk, de situatie zoals die functioneerde onder de oude wetgeving, in stand te laten. Om dit te bereiken, is de voormalige kruimellijst omgedraaid en aangevuld met de voormalige Vvgb lijst. Beide (vervallen) lijsten zijn bewerkt tot deze nieuwe lijst. Per categorie is hierover een toelichting gegeven.

Er kunnen tijdens het werken onder de Omgevingswet (ruimtelijke) initiatieven denkbaar zijn waarbij het wenselijk is om de raad te betrekken, maar dit volgens de lijst officieel niet hoeft. Het college kan in uitzonderlijke situaties altijd beslissen om een aanvraag opiniërend voor te leggen aan de raad. Bijvoorbeeld als blijkt dat een activiteit grote gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving.

 

 

2. Lijst adviesrecht gemeenteraad met toelichting

Een bindend advies van de gemeenteraad zoals bedoeld in art. 16.15a sub b onder 1 Omgevingswet is benodigd voor de categorieën die hieronder genoemd zijn. Ter verduidelijking is onder elke categorie een toelichting genoemd.

 

Categorie A

Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, indien die hoger is dan 5 meter of de oppervlakte meer dan 150 m2 bedraagt, tenzij het betreft:

  • 1

    een bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw dat gelegen is in de bebouwde kom; of

  • 2.

    een bijbehorend bouwwerk bij een gebouw met een maatschappelijke of recreatieve bestemming;

  • 3.

    een bijbehorend bouwwerk dat gelegen is op de volgende bedrijventerreinen:

    - Oude Dijk

    - Wezep Noord

    - bedrijvenpark H2O

  • 4.

    een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie behorende bij een agrarisch bedrijf;

  • 5.

    een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.

 

Toelichting categorie A

Een bijbehorend bouwwerk is als volgt gedefinieerd in de Omgevingswet:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak

De definitie komt in de praktijk feitelijk neer op alles dat wordt gebouwd op, aan of bij een reeds bestaand of vergund hoofdgebouw. Als op een perceel al een woning of bedrijfsgebouw zijn gebouwd, of is toegestaan met een vergunning: dan is alles wat daar bij of aan wordt gebouwd een “bijbehorend bouwwerk”.

Categorie A, onderdelen 1, 4 en 5: Drie regelingen uit de kruimellijst (artikel 4, lid 1 en 4) zijn hier omgekeerd, zodat de betrokkenheid van de raad in het proces van vergunningverlening niet verandert. Anders gezegd: alleen in het buitengebied moet de raad een advies verstrekken voor bijbehorende bouwwerken die hoger zijn dan 5 meter of groter dan 150 m2. Hieraan is toegevoegd dat ook bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning of bij een maatschappelijk of recreatief gebouw, of gelegen in het werkingsgebied van bepaalde bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen), niet aan de raad worden voorgelegd. Dit volgt uit de voormalige Vvgb-lijst: de categorieën 3, 4 en 5. De hoogte- en oppervlaktebepalingen gelden uiteraard alleen voor het deel van een bijbehorend bouwwerk dat afwijkt van het omgevingsplan.

Een voorbeeld: stel dat een omgevingsvergunning wordt gevraagd voor een bedrijfsgebouw in het buitengebied van 1.130 m2 (en 5 meter hoog) waarbij volgens het bestemmingsplan maximaal 1.000 m2 gebouwd mag worden. In dat geval hoeft het college de raad niet om advies te vragen. Het college kan zelfstandig op de aanvraag beslissen.

Binnen de bebouwde kom was en is er met deze regeling geen maximum aan de omvang van bijbehorende bouwwerken. Het college mag binnen de bebouwde kom altijd zonder advies van de raad bijbehorende bouwwerken in strijd met het omgevingsplan vergunnen. Het onderscheid tussen bebouwde kom en buitengebied wordt volgens vaste jurisprudentie niet bepaald door het verkeersbord. Er moet gekeken worden naar de feitelijke situatie ter plekke. Van belang is daarbij of sprake is van concentratie van bebouwing en of het gebied door die bebouwing overwegend een woon- of verblijffunctie heeft.

 

Categorie B

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, indien dat bouwwerk:

  • 1.

    hoger is dan 10 meter of

  • 2.

    een oppervlakte van meer dan 50 m² heeft;

 

Toelichting categorie B

Bouwwerken worden traditioneel onderverdeeld in:

- gebouwen (voor mensen toegankelijk, met een dak, geheel of deels omsloten met wanden, etc.) en;

- bouwwerken die geen gebouw zijn. Hieronder kunnen allerlei soorten bouwwerken vallen zoals: hekwerken, geluidswallen, silo’s, kunstwerken, vlaggenmasten en windmolens (die inpandig niet toegankelijk zijn).

In de praktijk betekent dit dat bijvoorbeeld een windmolen van 9,5 meter door het college afgehandeld mag worden. In de kruimellijst (artikel 4, lid 3) was geregeld dat voor dit soort bouwwerken tot 10 meter hoogte en maximaal 50 m2, het college bevoegd gezag was en de raad dus niet is betrokken bij een omgevingsvergunning. In deze categorie is de regeling omgekeerd, zodat de betrokkenheid van de raad, ten opzichte van de huidige situatie, in het proces niet verandert.

 

Categorie C

Een antenne installatie die hoger is dan 40 meter.

 

Toelichting categorie C

In de kruimellijst (artikel 4, lid 5) was geregeld dat voor antenne installaties tot 40 meter hoog, het college bevoegd gezag is voor een vergunningsaanvraag. In die situaties was de raad niet betrokken bij een dergelijke omgevingsvergunningsaanvraag. In de tekst hierboven is dit omgekeerd. Hierdoor is de betrokkenheid van de raad in het proces niet verandert.

 

Categorie D 

Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten, uitsluitend buiten de bebouwde kom, tenzij het betreft:

- een logiesfunctie voor werknemers of;

- de opvang van asielzoekers of migranten;

 

Toelichting categorie D

In de kruimellijst (artikel 4, lid 9) was geregeld dat voor bestaande (of vergunde) bebouwing met het daarbij horende terrein, binnen de bebouwde kom, de functie veranderd mag worden. Die bevoegdheid lag bij het college, dus zonder Vvgb van de raad. Dit is hier omgekeerd, zodat de betrokkenheid van de raad in het vergunningproces niet verandert.

In de kruimellijst werden de woorden “andere categorieën vreemdelingen” genoemd. Dat woord is in deze lijst vervangen door het woord “migranten”.

De achterliggende gedachte van de uitzondering voor logiesfunctie voor werknemers en de opvang van asielzoekers of migranten - die onder het oude stelsel in de landelijke wetgeving was opgenomen (en die hier dus wordt gevolgd) - is het volgende: Voor deze uitzonderingen is doorgaans spoed vereist, waardoor deze uitzonderingen door de wetgever in de kruimellijst waren opgenomen.

Voor deze uitzonderingen is formeel niet een advies van de raad benodigd, maar dat laat de normale informatieverplichtingen van het college onverlet. Bij ontwikkelingen die een grote impact op de samenleving hebben, zal het college geen besluit nemen zonder dat de raad daarin gekend wordt.

Een praktijkvoorbeeld: Binnen de bebouwde kom mag het college een omgevingsvergunning verlenen of weigeren voor het transformeren van diverse functies (zoals detailhandel, kantoor, horeca) naar een woonfunctie, of van een bestaande school naar een bedrijfsgebouw of andersom. Dit kan het college doen zonder dat de raad wordt betrokken. In het buitengebied mag dit niet zonder advies van de raad, tenzij het in het buitengebied gaat om een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of migranten.

 

Categorie E

Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, tenzij:

 

  • 1.

    de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Omgevingswet aan een bestaande woning gestelde eisen en;

  • 2.

    de bewoning niet in strijd is met milieuregelgeving en;

  • 3.

    de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sindsdien onafgebroken bewoond heeft en;

  • 4.

    de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was.

 

Toelichting categorie E

In de kruimellijst (artikel 4, lid 10) was geregeld dat het college een omgevingsvergunning kon verlenen voor het gebruik van een recreatiewoning als gewone woning. Dit mag het college alleen doen als werd voldaan aan bepaalde voorwaarden. Zo niet, dan moest aan de raad om een Vvgb worden gevraagd. In deze categorie is dat omgekeerd naar “tenzij”, zodat de betrokkenheid van de raad in het vergunningenproces niet verandert.

Het gaat hier om een afwijking waarbij de recreatieve bestemming blijft bestaan. Het motief van deze afwijking is de duur van het met de bestemming strijdige gebruik (= bestaand gebruik) te respecteren.

 

Categorie F 

Het toevoegen van één of meer (extra) woningen.

 

Toelichting categorie F

Onder de oude situatie was het oprichten van een nieuw hoofdgebouw, waar volgens de bestemming geen hoofdgebouw is toegestaan, altijd Vvgb-plichtig. Dit betreft bijvoorbeeld het bouwen van een woning in een agrarische -, natuur- of bosbestemming. Zowel in het buitengebied als in de bebouwde kom heeft de raad vooralsnog niet aangegeven dat het toevoegen van woningen zonder een Vvgb kan. Om die reden is het toevoegen van één of meer extra woningen ook hier adviesplichtig. Bij het toevoegen van woningen, ongeacht het aantal, wordt de raad om advies gevraagd. Hier geldt wel een uitzondering op. Het betreft de uitzondering dat een advies van de raad niet nodig is als het om een toevoeging van een extra woning gaat die in overeenstemming is met actueel beleid van de raad. Daar valt bijvoorbeeld woningsplitsing onder zoals genoemd in het in juni 2021 door de raad vastgestelde beleid “Beleidsnotitie kleinschalige woningbouwinitiatieven”. Deze uitzondering wordt in deze lijst genoemd onder categorie V

 

Categorie G

Het toevoegen van één of meer bedrijven al dan niet met bebouwing, tenzij:

het bedrijven betreffen binnen het plangebied van de volgende bedrijventerreinen:

- Oude Dijk

- Wezep Noord

- bedrijvenpark H2O

 

Toelichting categorie G

In de oude situatie is het oprichten van een nieuw hoofdgebouw, waar volgens de bestemming geen hoofdgebouw is toegestaan, Vvgb-plichtig. Dit betreft bijvoorbeeld het bouwen van een bedrijfsgebouw in een natuur-, bos- of agrarische bestemming. Dit kunnen allerlei soorten bedrijven zijn, zoals: agrarische bedrijven, recreatiebedrijven, maatschappelijke bedrijven. Dit geldt niet voor (bouw)projecten die gelegen zijn in de plangebieden van drie bedrijventerreinen in overeenstemming met het vorige Vvgb-beleid (categorie 5).

 

 

3. Lijst met uitzonderingen op het adviesrecht

Als er volgens de hiervoor gegeven lijst sprake is van een adviesrecht voor de raad, is alsnog geen advies van de gemeenteraad nodig in de volgende gevallen.

 

Categorie I

Een ander gebruik van gronden of bouwwerken van maximaal tien jaar.

 

Toelichting categorie I

In de kruimellijst (artikel 4, lid 11) was gesteld dat het college mag beslissen op aanvragen die voorzien in tijdelijke bouwwerken of tijdelijk afwijkend gebruik van bouwwerken voor ten hoogste tien jaar. In de jurisprudentie wordt ‘ander gebruik’ breed geïnterpreteerd. Ander gebruik betekent ook dat van de bouwregels tijdelijk afgeweken kan worden. In de praktijk maakt dit dat hier veel gebruik van wordt gemaakt voor tijdelijke oplossingen in bestaande bebouwing of in nieuw te plaatsen bebouwing. Als voorbeelden kan gedacht worden aan het volgende gebruik al dan niet met inbegrip van bouwen:

- tijdelijke woonoplossingen voor (pré) mantelzorg;

- tijdelijk wonen in een unit of stacaravan tijdens een verbouwing of;

- tijdelijke bedrijfsactiviteiten zoals opslag.

Bij bestaande, permanente bouwwerken heeft het veranderen van het gebruik een eigen regeling onder categorie D van deze lijst. Deze categorie I ziet dus toe op gevallen die niet al daaronder vallen.

 

Categorie II

Een aanvraag om een omgevingsvergunning die binnen de reikwijdte van een voormalige wijzigingsbevoegdheid valt.

 

Toelichting categorie II

In de voorheen geldende bestemmingsplannen (nu omgevingsplannen), heeft de gemeenteraad in veel bestemmingen wijzigingsbevoegdheden (conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening) opgenomen. Die bevoegdheid houdt in dat het bestemmingsplan gewijzigd mag worden door het college als er een ruimtelijk initiatief komt dat past binnen de wijzigingsbevoegdheidskaders van dit bestemmingsplan. Twee voorbeelden van een wijzigingsbevoegdheid:

 

- in het bestemmingsplan Buitengebied 2007 zijn binnen de agrarische bouwperceelbestemmingen wijzigingsbevoegdheden opgenomen waaruit blijkt dat het agrarisch bouwperceel gewijzigd kan worden in de bestemming wonen.

- In het bestemmingsplan Buitengebied Mulligen mag de bestemming recreatie worden gewijzigd in wonen als voldaan wordt aan de kaders uit dit bestemmingsplan en zoals verwoord in de structuurvisie.

Onder de Omgevingswet kunnen wijzigingsbevoegdheden niet meer gebruikt worden. Dit heeft te maken met een meer algemene delegatiebevoegdheid die de gemeenteraad vanaf dan heeft om delen van het omgevingsplan te delegeren aan het college. Onder de Omgevingswet wordt de maximale beslistermijn in veel gevallen verkort., Hierdoor is het aannemelijk dat initiatiefnemers voor plannen die voorheen onder de wijzigingsbevoegdheid vielen, straks een omgevingsvergunning aanvragen. Het ligt dan voor de hand dat de gemeenteraad hier niet om een advies gevraagd wordt, omdat de gemeenteraad al heeft aangegeven, door de wijzigingsbevoegdheid op te nemen, dat het college dit mag afhandelen, mits de aanvraag omgevingsvergunning voldoet aan de kaders uit de wijzigingsbevoegdheid.

 

Categorie III

Een bouwwerk ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening.

 

Toelichting categorie III

In de kruimellijst (artikel 4, lid 2) was geregeld dat voor dit soort bouwwerken tot 5 meter hoogte en maximaal 50 m2 het college bevoegd gezag is en de raad niet betrokken was bij een omgevingsvergunning. In de voormalige Vvgb lijst (categorie 6) wordt genoemd dat er geen Vvgb nodig is voor (bouw)projecten voor nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het openbaar vervoer of het wegbeheer, parkeervoorzieningen en andere voorzieningen in de openbare ruimte, ongeacht de hoogte. Vandaar dat ook hier geen begrenzing aan de hoogte of de oppervlakte is gegeven.

Bij een infrastructurele of openbare voorziening moet worden gedacht aan gebouwen of bouwwerken voor een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, etc.

Om de bovengenoemde twee redenen is voor projecten die hier onder vallen geen advies van de raad nodig.

 

Categorie IV

Het gebruik van gronden voor een herinrichting van het openbaar gebied.

 

Toelichting categorie IV

Ook deze categorie komt uit de kruimellijst (artikel 4, lid 8). Daarnaast was in de voormalige Vvgb lijst (categorie 6) genoemd dat er geen Vvgb nodig is voor (bouw)projecten voor nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het openbaar vervoer of het wegbeheer, parkeervoorzieningen en andere voorzieningen in de openbare ruimte.

 

Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Een herinrichting van openbaar gebied vindt vaak ook plaats in samenhang met het bouwen van een vergunningvrij bouwwerk, zoals vuilcontainers, sport- of speeltoestellen en straatmeubilair.

In de praktijk komt het niet vaak voor dat deze initiatieven vergunningsplichtig zijn. De reden: de bestemmingen Verkeer en Groen zijn flexibel ingericht.

 

Categorie V

Een aanvraag om een omgevingsvergunning die past binnen een door de gemeenteraad vastgesteld, beleidskader, visie of een daarmee te vergelijken ruimtelijk kader, mits dat kader of die visie niet ouder is dan 5 jaar.

 

Toelichting categorie V

Deze uitzondering op de adviesplicht stond ook in oude Vvgb-lijst (categorie 1). Daarin is bepaald wanneer geen Vvgb nodig is. Deze huidige lijn wordt hiermee voortgezet. Als voorbeelden van een beleidskader kan worden gedacht aan:

 

- het in juni 2021 vastgestelde beleidskader voor kleinschalige woningbouwinitiatieven of;

- het bouwen van een extra woning die in overeenstemming is met het beleidskader voor vrijkomende agrarische bebouwing (Vab) of;

- het aanleggen van een zonnepark dat in overeenstemming is met de criteria uit de nota voor grootschalige energieopwekking.

Voor wat betreft het kader genoemd onder punt b: dergelijke projecten werden in de praktijk altijd toegestaan door middel van een wijziging van het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan).

 

Categorie VI

Activiteiten welke onder de hierboven genoemde activiteiten vallen maar waarvoor eerder al een positief advies (voormalige Vvgb voor is afgegeven) is verstrekt door de raad.

 

Toelichting categorie VI

In de oude situatie (Vvgb lijst) was deze categorie ook uitgezonderd, indien er in het verleden over hetzelfde initiatief al een Vvgb door de raad was afgegeven.

Enkele voorbeelden, zoals de afgegeven Vvgb:

- voor de weekmarkt;

- om het gebruik in de bestemmingen Groen te mogen gebruiken als tuin of wonen.

- De toelating van grotere recreatieobjecten.

 

 

4. Uitleg / definitie begrippen

In deze lijst zijn begrippen genoemd. Sommige begrippen zijn in dit hoofdstuk gedefinieerd. Als in dit hoofdstuk een begrip niet gedefinieerd is, maar wel onduidelijk is, dan geldt de definiëring zoals dat verwoord is in het gemeentelijke Omgevingsplan. Als het begrip daarin ook niet gedefinieerd is, dan geldt de definitie zoals verwoord in de Omgevingswet. Daarna geldt de gangbare uitleg zoals die in het normale spraakgebruik gehanteerd wordt.

 

Antennedrager:

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

 

Antenne-installatie:

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

 

Bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

 

Erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct bij een hoofdgebouw ligt en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

 

Kruimelgevallen of kruimellijst:

een landelijk bepaalde lijst zoals die was genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

Naar boven