Gedoogbeslissing noodopvang asielzoekers Zurichstraat te Sittard

Er is in Nederland een landelijk tekort aan opvanglocaties voor vluchtelingen en/of asielzoekers. Het Centraal orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) heeft problemen met het uitvoeren van haar wettelijke taak en is daarom overgegaan op crisisnoodopvang van asielzoekers. In dat kader heeft het college van Burgemeester & Wethouders van Sittard-Geleen (verder: het college) vanuit de Veiligheidsregio Zuid-Limburg (verder: de VRZL) het verzoek ontvangen om tijdelijk vluchtelingen en/of asielzoekers binnen de gemeente op te vangen.

Op humanitaire gronden en vanuit maatschappelijk oogpunt is de gemeente Sittard-Geleen bereid om een bijdrage te leveren aan de tijdelijke noodopvang van vluchtelingen en/of asielzoekers op de locatie gelegen ten westen van de Zurichstraat te Sittard (de percelen kadastraal bekend als: M 827 en M 824). In figuur 1 hieronder is de voorgenomen locatie van de crisisnoodopvang op een luchtfoto weergegeven met gele contouren.

figuur 1

In figuur 2 hieronder is de ligging van de kadastrale percelen M 827 en M 824 weergegeven.

figuur 2: de 2 percelen waar de crisisnoodopvang op zal worden gerealiseerd, perceel M 827 (links) en perceel M 824 (rechts)

Er zal uitdrukkelijk geen sprake zijn van permanente opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers op genoemde locatie, maar slechts van een tijdelijk verblijf. Voor de duur van hoogstens 12 maanden (exclusief de periode van op- en afbouw van de tijdelijke gebouwen/paviljoens) zullen maximaal 300 vluchtelingen en/of asielzoekers in de crisisnoodopvang verblijven, in afwachting van doorstroming naar een andere (permanente) opvanglocatie. Het is de bedoeling dat er ter plaatse circa 75 woonunits (geschikt voor het huisvesten van 300 bewoners), 36 toiletten, 36 douches, een paviljoen ten behoeve van de catering en een recreatieve voorziening zullen worden gerealiseerd.

Bevoegd gezag inzake handhaving en het in bijzondere gevallen gedogen van overtredingen

Op grond van artikel 2.4, lid 1 jo. artikel 5.2, lid 1, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo) jo. artikel 125, lid 2 van de Gemeentewet is het college van B & W van Sittard-Geleen het bevoegd gezag voor handhaving van de regels van het bestemmingsplan en de Wabo en dus ook bevoegd om in bijzondere gevallen genoemde overtredingen voor een bepaalde termijn te gedogen.

Vigerend bestemmingsplan

Het verzoek van de VRZL betreft het oprichten van tijdelijke paviljoens voor de duur van hoogstens één jaar waarin maximaal 300 vluchtelingen en/of asielzoekers kunnen worden gehuisvest. Voor de beoogde locatie ten westen van de Zurichstraat (de 2 percelen kadastraal bekend als M 827 en M 824) geldt de enkelbestemming ‘bedrijventerrein’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – kantoorachtige bedrijvigheid’ op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Bergerweg Zuid’, vastgesteld door de raad d.d. 11 april 2013. In figuur 3 hierna is een uitsnede opgenomen van de verbeelding van genoemd bestemmingsplan voor onderhavige locatie.

figuur 3: uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Bergerweg Zuid’

Het gebruik van de gronden met de bestemming ‘bedrijventerrein’ voor het oprichten van een tijdelijke locatie voor crisisnoodopvang van vluchtelingen en/of asielzoekers is in strijd met deze bestemming. Gelet hierop is voor het toestaan van het gebruik van deze locatie voor een tijdelijke crisisnoodopvang een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (‘Wabo’) vereist (een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo). Voor de bouw van de tijdelijke paviljoens is verder ook een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen noodzakelijk (een omgevingsvergunning ex artikel 2.1, lid 1, onder a Wabo).

Het geldende bestemmingsplan ‘Bergerweg Zuid’ kent voor het kunnen toestaan van een tijdelijke crisisnoodopvang geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden. Dit betekent dat in principe een buitenplanse afwijkingsprocedure gevolgd zou moeten worden om het gebruik van de gronden voor de tijdelijke crisisnoodopvang van vluchtelingen en/of asielzoekers toe te kunnen staan. Het is dus niet haalbaar om een ruimtelijke procedure tijdig te kunnen doorlopen en afgerond te hebben, vanwege de snelheid waarmee een beroep wordt gedaan op het college om een crisisnoodopvanglocatie te realiseren. In de opbouwfase van de tijdelijke gebouwen/paviljoens zal afstemming plaatsvinden met de brandweer over de noodzakelijke maatregelen gelet op de brandveiligheid. Gelet op de relatief korte opvangtermijn, is het niet mogelijk om een dergelijke ruimtelijke procedure te doorlopen voorafgaande en/of tijdens de periode dat de crisisnoodopvang operationeel is. De crisisnoodopvang is namelijk acuut en per direct noodzakelijk. Vandaar dat het college de realisering middels voorliggende brief tijdelijk gedoogt.

Beginselplicht tot handhaving en uitzonderingen hierop

In beginsel heeft het college de plicht tegen overtredingen handhavend op te treden. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving geldt (zie bijvoorbeeld: ABRvS 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:916 en ABRvS 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3971). Dat wil zeggen dat het bevoegd gezag slechts van handhavend optreden kan afzien indien sprake is van bijzondere omstandigheden, bestaande uit concreet zicht op legalisatie of onevenredigheid van het handhavend optreden ten opzichte van de daarmee te dienen belangen.

Bij handelingen in strijd met het bestemmingsplan is voor concreet zicht op legalisatie door middel van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk dat ten minste een begin moet zijn gemaakt met de voor verlening van een omgevingsvergunning vereiste procedure. Dat is niet mogelijk zonder dat er een vergunningaanvraag is ingediend (ABRvS 11 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:714 en ABRvS 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735). In elk geval is dus vereist dat de overtreder een aanvraag om een omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik heeft ingediend. Concreet zicht op legalisering is in casu niet aan de orde, aangezien er geen sprake is van een ingediende en ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag ter legalisering van de genoemde overtreding.

Een andere uitzondering op de beginselplicht tot handhaving vormt de onevenredigheid in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De standaardoverweging van de Afdeling hieromtrent luidt als volgt (zie bijvoorbeeld ABRvS 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1542):

 Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.”

In de juridische literatuur (zie noot F.R. Vermeer in het jurisprudentietijdschrift AB 2013/154) wordt beschreven dat een van de redenen dat geconcludeerd kan worden dat handhavend optreden onevenredig is met de daarmee te dienen doelen is als er sprake is van zwaarwegende belangen die zich tegen handhaven verzetten: het achterliggende belang of een ander beschermenswaardig belang wordt beter gediend met gedogen dan met handhaven.

In dit geval is sprake van een dergelijke situatie. Op humanitaire gronden en vanuit maatschappelijk oogpunt dient de gemeente Sittard-Geleen een bijdrage te leveren aan de tijdelijke noodopvang van vluchtelingen en/of asielzoekers en gevolg te geven aan de oproep hieromtrent van de minister en de staatssecretaris. 

De afgelopen periode is een flinke toestroom van asielzoekers en/of vluchtelingen naar Nederland gekomen. Het kabinet verwacht dat het aantal asielzoekers dat dit jaar naar Nederland komt fors hoger uitvalt dan eerder werd gedacht. Dit zijn onverwachte gebeurtenissen waarmee het college redelijkerwijs geen rekening heeft kunnen houden. Het COA kan de toestroom van vluchtelingen en/of asielzoekers niet aan en heeft landelijk een groot tekort aan opvanglocaties. Alle gezochte oplossingen hebben niet geleid tot een situatie die onder controle is. Er is dan ook sprake van een noodcrisissituatie. Het COA is druk bezig met het zoeken naar nieuwe opvanglocaties. Dit is mede het gevolg dat op korte termijn een aantal (crisis)noodopvanglocaties in het land gaan sluiten. Normaliter zijn dit trajecten die langere tijd duren. In de huidige situatie met een acute behoefte aan opvangplaatsen heeft het COA - in navolging van een oproep van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (brief d.d. 26 augustus 2021, kenmerk: 2021-0000443472) - een beroep gedaan op alle gemeenten in Nederland om gedurende een bepaalde tijd aan een aantal vluchtelingen c.q. asielzoekers opvang te bieden. Zo is ook een beroep gedaan op de gemeente Sittard-Geleen. Op dit moment is er derhalve een acute en dringende behoefte aan voldoende locaties verspreid over het land waar vluchtelingen en/of asielzoekers (tijdelijk) kunnen worden opgevangen.

Wij wijzen er bovendien op dat uit de ‘Handreiking crisisnoodopvang’ van de Rijksoverheid d.d. 2 december 2020 wordt beschreven dat een crisisnoodopvang vaak niet past in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Het advies van de Rijksoverheid aan gemeenten is om kortstondig te gedogen wegens ‘strijdig gebruik’ met het bestemmingsplan (zie p. 13 van de Handreiking). Het college zou volgens de Rijksoverheid gezien de korte periode van het verblijf en de bijzondere omstandigheden een beslissing kunnen nemen om tijdelijk niet te handhaven. In genoemde Handreiking wordt beschreven dat het vaste jurisprudentie is dat onder bijzondere omstandigheden het bestuursorgaan ervan mag afzien om handhavend op te treden. Dit kan zich voordoen als handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in een concrete situatie behoort te worden afgezien. In het geval van de crisisnoodopvang van asielzoekers en/of vluchtelingen doen dergelijke bijzondere omstandigheden zich voor.

Het is dus een feit van algemene bekendheid dat er op dit moment dringend behoefte is aan extra opvang voor vluchtelingen en/of asielzoekers in heel Nederland, aangezien er onvoldoende plaats is in de bestaande opvang en mensen op banken/stoelen en zelfs buiten op straat moeten overnachten. Er is daardoor onmiskenbaar sprake van een groot maatschappelijk, dringend en algemeen belang voor het door het college leveren van een bijdrage aan de opvang van asielzoekers en vluchtelingen in de gemeente Sittard-Geleen. Daar komt bij dat de personen die in de opvang geplaatst gaan worden hier ook een (groot) persoonlijke belang bijhebben.

In de rechtspraak (Rb. Overijssel 14 april 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:1040) wordt bevestigd dat de opvang en huisvesting van vluchtelingen uit oorlogsgebieden in algemeen maatschappelijk opzicht van zeer groot belang is en dat het lokaal bevoegde en verantwoordelijke gezag een grote mate van beleidsvrijheid toekomt om te beslissen waar die opvang wordt toegestaan.

Gelet op de grote belangen die aan de orde zijn om de opvang voor asielzoekers op zo kort mogelijke termijn te kunnen realiseren, is in het onderhavige geval sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van het college niet gevergd kan worden handhavend op te treden. Handhavend optreden zou in dit geval onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Gedoogstrategie gemeente Sittard-Geleen

Van het handhavingsbeleid van de gemeente Sittard-Geleen1 maakt deel uit de zogenoemde ‘gedoogstrategie’. De Gedoogstrategie beschrijft hoe de gemeente Sittard-Geleen omgaat met de mogelijkheid om niet handhavend op te treden tegen het niet naleven van regels. In de Gedoogstrategie is bepaald dat binnen het handhavingskader in uitzonderlijke situaties ruimte is voor gedogen. Gedogen is het niet optreden tegen overtreding van wet- en regelgeving. In de gedoogstrategie is aangegeven op welke wijze de gemeente Sittard-Geleen omgaat met de mogelijkheid tot gedogen. Hierbij is aangesloten bij het landelijke gedoogkader zoals weergegeven in de Nota Gedogen in Nederland. Omwille van de belangen die worden gediend met wet- en regelgeving en de geloofwaardigheid van de overheid in het algemeen en de gemeente in het bijzonder, is het uitgangspunt dat zeer terughoudend gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot het gedogen van overtredingen. In uitzonderlijke gevallen kan gedogen van een overtreding van wet- of regelgeving gerechtvaardigd zijn.

Van een dergelijke situatie is volgens de Gedoogstrategie van Sittard-Geleen sprake als:

  • 1.

    handhaving zou leiden tot aperte onbillijkheden;

  • 2.

    het achterliggende belang evident beter is gediend met gedogen;

  • 3.

    een ander belang dan het door de wet of regel te beschermen belang zwaarder weegt.

Ad 1 (handhaving zou leiden tot aperte onbillijkheden)

Als handhaving tot aperte onbillijkheden zou leiden, kan gedogen aanvaardbaar of zelfs geboden zijn, mits de andere betrokken belangen door het gedogen niet onevenredig worden geschaad. Volgens de gedoogstrategie kan gedacht worden aan situaties waarin sprake is van overmacht, een noodsituatie of een overgangssituatie. Kenmerk van overmachts- en noodsituaties is volgens de Nota Gedogen in Nederland dat de afweging van belangen weinig ruimte biedt voor verschillende uitkomsten.

Ad 3 (een ander belang dan het door de wet of regel te beschermen belang weegt zwaarder)

Rechtsbeginselen kunnen ertoe leiden dat ook andere belangen dan het door de wet of regel te beschermen belang moeten worden meegenomen in de afweging. Uit jurisprudentie volgt dat de uitkomst van deze belangenafweging er slechts in uitzonderlijke gevallen toe kan leiden dat moet worden afgezien van handhavend optreden.

Wanneer zich een van de hiervoor genoemde uitzonderingsgevallen voordoet, is dit gedogen volgens de Gedoogstrategie slechts aanvaardbaar zolang en voor zover zich de betreffende uitzonderingssituatie voordoet. Het gedogen moet volgens de Gedoogstrategie verder ook expliciet gebeuren en schriftelijk worden vastgelegd (met voorliggend schrijven wordt aan dit vereiste voldaan).

In casu is sprake van een situatie zoals bedoeld onder ad 1 en ad 3 uit de gedoogstrategie van de gemeente Sittard-Geleen. Er is zoals bedoeld onder ad 1 sprake van een noodsituatie alsmede van een overgangssituatie. Zoals reeds beschreven in voorliggende gedoogbeslissing kan het COA de toestroom van vluchtelingen en/of asielzoekers niet aan en heeft het landelijk een groot tekort aan opvanglocaties en de flinke stroom heeft er zelfs toe geleid dat vluchtelingen buiten op straat moesten overnachten. Er is dan ook sprake van een noodcrisissituatie. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (brief d.d. 26 augustus 2021, kenmerk: 2021-0000443472) – hebben een beroep gedaan op alle gemeenten in Nederland om gedurende een bepaalde tijd aan een aantal vluchtelingen c.q. asielzoekers opvang te bieden. Op dit moment is er een acute en dringende behoefte aan voldoende locaties verspreid over het land waar vluchtelingen en/of asielzoekers (tijdelijk) kunnen worden opgevangen. Bovendien is de tijdelijke opvang in voorliggende gedoogbeslissing expliciet beperkt tot de duur van maximaal één jaar (exclusief de periode van op- en afbouw van de tijdelijke gebouwen/paviljoens). Daarmee is dus ook sprake van een tijdelijke, en dus een overgangssituatie, zoals bedoeld in de Gedoogstrategie. Daarmee wordt dus voldaan aan dit criterium uit de Gedoogstrategie. Verder is er ook sprake van een situatie zoals bedoeld in ad 3 uit de Gedoogstrategie: een ander belang dan het door de wet of regel te beschermen belang weegt in dit concrete geval zwaarder. Zoals beschreven is er sprake van een crisissituatie inzake de opvang van asielzoekers/vluchtelingen in Nederland. Het belang van de gemeente Sittard-Geleen om een bijdrage te leveren aan de oplossing van dit acute probleem weegt in dit geval derhalve zwaarder dan de handhaving van het handelen in afwijking van het bestemmingsplan en de Wabo.

Concluderend, de Gedoogstrategie van de gemeente Sittard-Geleen staat het gedogen van de aan de orde zijnde overtredingen in dit specifieke geval niet in de weg.

Belangenafweging om tijdelijk de noodopvang van asielzoekers te gedogen

Er is op dit moment een acute en dringende behoefte aan voldoende locaties verspreid over het land waar vluchtelingen en/of asielzoekers (tijdelijk) kunnen worden opgevangen.

Het college is van oordeel dat sprake is van een zwaarwegend humanitair en maatschappelijk belang dat noopt tot deze tijdelijke gedoogsituatie. Dat belang prevaleert volgens het college boven het belang van een strikte handhaving van de toepasselijke regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Bergerweg Zuid’ en de strikte handhaving van artikel 2.1 Wabo.

Er bestaan geen zwaarwegende ruimtelijke beletselen met betrekking tot het realiseren van een tijdelijke noodopvang voor vluchtelingen en/of asielzoekers op het terrein ten westen van de Zurichstraat (de 2 percelen kadastraal bekend M 827 en M 824). Het terrein biedt ruimte en voorzieningen om een kwalitatief goede opvang te kunnen realiseren. Daarnaast is het terrein aan de Zurichstraat goed af te bakenen. Ook is er geen sprake van permanente opvanglocatie, maar van slechts een tijdelijke crisisnoodopvang.

Alles tegen elkaar afwegende achten wij het algemene belang in dit specifieke geval zwaarder wegen dan het belang van handhaving van het geldende bestemmingsplan ‘Bergerweg Zuid’ en artikel 2.1 van de Wabo. Wel hecht het college uiteraard zeer aan het belang van de inwoners van Sittard-Geleen bij de handhaving van een goed woon- en leefklimaat. De VRZL heeft toegezegd in dit kader opdracht te verlenen aan een bedrijf dat zorg zal dragen voor de exploitatie, het beheer en 24 uurstoezicht op de locatie.

Overtreder

Artikel 5:1, lid 2 van de Awb bepaalt dat onder ‘overtreder’ wordt verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. In de standaardjurisprudentie (ABRvS 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2604) van de Afdeling wordt de ‘overtreder’ als volgt beschreven. De overtreder is degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk schendt. De Afdeling overweegt dat dat in de eerste plaats degene is die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Uit vakliteratuur en jurisprudentie blijkt dat het daarbij onder meer gaat om rechtspersonen die tot het feit opdracht hebben gegeven. Gelet op het voorgaande is de VRZL aan te merken als (toekomstige) overtreder, aangezien zij de tijdelijke gebouwen/paviljoens ten behoeve van de crisisnoodopvang op gaan richten en de initiatiefnemer is van dit project. Voorliggende gedoogbeslissing is daarom gericht aan de VRZL.

Gedoogbeslissing

Het college neemt een gedoogbeslissing (onder voorwaarden) om ter plaatse van twee percelen gelegen naast de Zurichstraat te Sittard, kadastraal bekend als M 827 en M 824, een crisisnoodopvang van vluchtelingen en/of asielzoekers tijdelijk toe te staan. Het college gedoogt middels voorliggende gedoogbeslissing derhalve ook de werkzaamheden in het kader van de op- en afbouw van de (tijdelijke) gebouwen en paviljoens ten behoeve van de crisisnoodopvang.

Deze gedoogbeslissing ziet toe op het gebruik van voornoemd terrein en de bijbehorende (tijdelijke) gebouwen voor de opvang van vluchtelingen en/of asielzoekers in de vorm van een crisisnoodopvang in strijd met de hiervoor omschreven wet- en regelgeving en meer in het bijzonder op (in ieder geval):

  • a.

    Het in strijd met artikel 2.1, lid 1, onder a, van de Wabo bouwen van meerdere (tijdelijke) gebouwen (paviljoens) zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning;

  • b.

    Het in strijd met artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo gebruiken van gronden en (tijdelijke) gebouwen in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Bergerweg Zuid’ zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning;

De tijdelijke noodopvang van asielzoekers vindt plaats voor een periode van maximaal 1 jaar (exclusief de periode van op- en afbouw van de tijdelijke gebouwen/paviljoens). De crisisnoodopvang zal in gebruik worden genomen vanaf 12 juni 2023 tot en met 12 juni 2024. Aan enig verzoek tot verlenging van deze termijn zal geen medewerking worden verleend.

Gedoogvoorwaarden

  • De gedoogbeslissing geldt met ingang van de dag na verzenddatum van deze brief voor de duur van maximaal één jaar (exclusief de periode van op- en afbouw van de tijdelijke gebouwen/paviljoens);

  • Deze gedoogbeslissing wordt afgegeven voor het bouwen en gebruik van de tijdelijke gebouwen en het omliggende terrein op genoemd perceel voor maximaal 300 vluchtelingen en/of asielzoekers;

  • Deze gedoogbeslissing vervalt in ieder geval indien de VRZL zelf geen gebruik meer maakt, dan wel kan maken, van de locatie aan de Zurichstraat te Sittard;

  • De in deze ontwikkeling betrokken gebouwen en paviljoens dienen ten tijde van ingebruikname te voldoen aan alle eisen van het Bouwbesluit 2012, met name op het gebied van gezondheid, constructieve veiligheid, brandveiligheid en overige veiligheidsaspecten;

  • Deze gedoogbeslissing vervalt indien blijkt dat de VRZL de locatie aan de Zurichstraat gebruikt in strijd met het gebruik zoals omschreven in deze gedoogbeslissing;

  • Bij het vervallen van de gedoogbeslissing dient de VRZL (of een eventuele rechtsopvolger van de VRZL) het strijdige gebruik van de locatie aan de Zurichstraat te Sittard per direct te staken en de aangebrachte voorzieningen permanent te verwijderen;

  • Alle risico’s, van welke aard en in welke omvang dan ook, van het gebruik van gronden en opstallen liggen bij de gebruiker, in dit geval de VRZL;

  • Na het verstrijken van de bovengenoemde geldingsduur van deze gedoogbeslissing, wordt door de VRZL het strijdige gebruik van de crisisnoodopvanglocatie met onmiddellijke ingang gestaakt en de voorzieningen die daarin zijn aangebracht ten behoeve van de opvang, indien nodig, direct en permanent verwijderd;

  • Het college behoudt zich alle rechten voor om de voorliggende gedoogbeslissing op enig moment, indien de omstandigheden naar zijn oordeel hierom vragen, in te trekken. Uit de rechtspraak (ABRvS 29 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3859, r.o. 5.1) volgt dat als de gedoogvoorwaarden niet zullen worden nageleefd dit reden is om alsnog een handhavingsprocedure in te zetten.

Inwerkingtreding gedoogbeslissing

Een gedoogbeslissing is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356 en ABRvS 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1754) géén besluit in de zin van artikel 1:3, lid 1 van de Awb. Aangezien een gedoogbeslissing geen besluit is in de zin van de Awb is bekendmaking geen voorwaarde voor inwerkingtreding. Echter, in het kader van de rechtszekerheid en andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wordt deze beslissing wel bekendgemaakt. Voor de inwerkingtreding van de voorliggende gedoogbeslissing wordt naar analogie aangesloten bij de regeling omtrent de inwerkingtreding van besluiten zoals bedoeld in de Awb. Op basis van artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het bekend is gemaakt. Vervolgens bepaalt artikel 3:41, lid 1, Awb dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. In dit geval ligt er geen aanvraag van een partij om de opvang te gedogen zodat de gedoogbeslissing ambtshalve wordt genomen. Dat betekent dat artikel 3:41, lid 2, Awb (bij analogie) van toepassing is, inhoudende dat wanneer de bekendmaking van het besluit niet kan geschieden op de wijze als voorzien in lid 1, de bekendmaking plaatsvindt op andere geschikte wijze. Dat is in dit geval plaatsing van de gedoogbeslissing in (in ieder geval) het Gemeenteblad en op www.overheid.nl. De voorliggende gedoogbeslissing treedt aldus per direct in werking op het moment van bekendmaking. 

Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen

namens dezen,

mr. J.Th.C.M. Verheijen,

burgemeester

J.A.M. Heesen,

gemeentesecretaris

Gedoogbeslissing geen besluit en dus geen rechtsbeschermingsmiddelen aan de orde

Uit een richtinggevende uitspraak van de Afdeling (ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356, AB 2019/286, m. nt. L.J.A. Damen, en later nog bevestigd in ABRvS 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1754) volgt dat een gedoogbeslissing, zoals in voorliggende brief aan de orde is, geen besluit is in de zin van artikel 1:3, lid 1 Awb. Daarom staan hiertegen geen rechtsbeschermingsmogelijkheden open.

Naar boven