Wijziging van de verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018

Besluit van de raad van de gemeente Eemnes tot wijziging van de verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018

 

De raad van de gemeente Eemnes;

 

gelezen het voorstel d.d. 7 februari 2023 van het college van burgemeester en wethouders en gelet op het advies van de adviesraad sociaal domein HBEL;

 

besluit:

 

 

1. de verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018 als volgt te wijzigen:

A

Artikel 1.1 Begrippen wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Onderdeel 16 komt als volgt te luiden:

16. Niet-professionele maatschappelijke ondersteuning:

Ondersteuning verleend door een persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk van de cliënt, waarbij

  • de persoon die de hulp en ondersteuning verleent niet beschikt over de opleidings- en beroepskwalificaties om de betreffende hul pen zorg beroepsmatig te mogen verlenen; en

  • geen sprake is van gebruikelijke zorg zoals gedefinieerd in artikel 1.1 lid 8 van deze verordening;

 

  • 2.

    Onderdeel 17 komt als volgt te luiden:

17. Plan van aanpak: een plan waarin de situatie van de cliënt (beperkingen, mogelijkheden, woning, netwerk), de vraag van de cliënt en de daarbij passende noodzakelijke ondersteuning en de met de consulent gemaakte afspraken is weergegeven. Vooruitlopend op een Plan van aanpak kan een cliënt in een persoonlijk plan alvast de omstandigheden beschrijven en de daarbij volgens de cliënt passende maatschappelijke ondersteuning.

 

  • 3.

    In onderdeel 26 specifiek voor Leerlingenvervoer worden de volgende begrippen toegevoegd:

r. deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige;

s. gehandicapte leerling: een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig, van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;

t. ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek;

 

  • 4.

    In onderdeel 26 specifiek voor Leerlingenvervoer worden de volgende begrippen als volgt aangepast:

a. aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar;

h. openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer

i. opstapplaats: plaats aangewezen door het college van burgemeester en wethouders, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider;

j. reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 15 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 15 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;

k. samenwerkingsverband:

  • 1.

    voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;

  • 2.

    voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of

  • 3.

    voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs;

l. school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is:

  • 1.

    het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;

  • 2.

    het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;

  • 3.

    het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of

  • 4.

    het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;

p. vervoersvoorziening: sub c

gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk geachte vervoerskosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;

 

  • 5.

    Als onderdeel 27 wordt toegevoegd:

27. Financiële tegemoetkoming: een maatwerkvoorziening in de vorm van een geldbedrag, dat in bepaalde situaties wordt uitgekeerd aan een inwoner en dat een bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie.

 

  • 6.

    Als onderdeel 28 wordt toegevoegd:

28. Algemene voorziening: een algemene voorziening is een dienst of activiteit, die rechtstreeks toegankelijk is zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling en die bijdraagt aan het gewenst te bereiken resultaat op het gebied van zelfredzaamheid en participatie.

 

B

Artikel 2.1 lid 1 komt als volgt te luiden:

1. Een melding kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal worden gedaan bij de gemeente Eemnes.

 

C

De artikelen 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.4 en 4.2.5 uit hoofdstuk 4 komen te vervallen.

 

D

Hoofdstuk 6 leerlingenvervoer komt als volgt te luiden:

 

Paragraaf 1. Aanvraag van de vervoersvoorziening

 

Artikel 6.1.1 Aanvraagprocedure

  • 1.

    Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling zijn woning heeft, door indiening bij burgemeester en wethouders van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.

  • 2.

    Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.

  • 3.

    De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders besluiten binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders kunnen het in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verdagen. Burgemeester en wethouders stellen de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

  • 6.

    Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:

  • a.

    wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dienverstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.

 

Artikel 6.1.2 Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag

  • 1.

    Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen bij een eerste aanvraag in een gesprek, met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase.

  • 3.

    Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders betrekken in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 6.2.1.

  • 5.

    Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kunnen burgemeester en wethouders in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit.

  • 6.

    In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kunnen burgemeester en wethouders ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen.

 

Artikel 6.1.3 Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening

  • 1.

    Ten behoeve van het schoolbezoek kennen burgemeester en wethouders aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

  • 2.

    Als burgemeester en wethouders toepassing geven aan het eerste lid, verlangen burgemeester en wethouders van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.

  • 3.

    De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.

  • 4.

    Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders bepalen bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

  • 6.

    Burgemeester en wethouders kunnen aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.

  • 7.

    Burgemeester en wethouders verstrekken een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug.

 

  • 8.

    Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.

 

Artikel 6.1.4 Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening

  • 1.

    De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kennen burgemeester en wethouders al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe.

  • 3.

    Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en burgemeester en wethouders een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststellen, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kennen burgemeester en wethouders al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Burgemeester en wethouders delen het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders kunnen een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken, als burgemeester en wethouders vaststellen dat:

  • a.

    niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening;

  • b.

    beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;

  • c.

    de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;

  • d.

    sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of

  • e.

    het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer.

  • 5.

    De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders.

  • 6.

    Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.

 

Paragraaf 2. Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening

 

Artikel 6.2.1 Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1.

    Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld.

  • 3.

    Met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden wordt eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en:

  • a.

    de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of

  • b.

    een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a.

  • 4.

    Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    aan burgemeester en wethouders is door de ouders genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling;

  • b.

    aan burgemeester en wethouders is door de ouders genoegzaam aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.

 

Artikel 6.2.2 Afstandsgrens

  • 1.

    Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor:

  • a.

    basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer;

  • b.

    speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan vier kilometer;

  • c.

    speciaal onderwijs meer bedraagt dan twee kilometer.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan burgemeester en wethouders genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kunnen burgemeester en wethouders hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen.

 

Artikel 6.2.3 Aanwijzing opstapplaats

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.

  • 2.

    De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.

 

  • 3.

    Burgemeester en wethouders wijzen geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders wijzen (tijdelijk) geen opstapplaats aan als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling.

 

Artikel 6.2.4 Peildatum leeftijd leerling

Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft bepalend.

 

Artikel 6.2.5 Andere vergoedingen

De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.

 

Artikel 6.2.6 Schooltijden en wachttijden

  • 1.

    Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

  • 2.

    Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kunnen burgemeester en wethouders besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere (les)uren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer.

  • 3.

    Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

 

Artikel 6.2.7 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a.

    de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;

  • b.

    in de periode voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening;

  • c.

    en de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.

  • 2.

    Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.

 

Artikel 6.2.8 Vervoersvoorziening naar stageadres

  • 1.

    Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, kan een aanvraag voor stagevervoer bovendien door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs gedaan worden.

  • 3.

    De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;

  • b.

    de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;

  • c.

    de stage vindt plaats op één stageadres;

  • d.

    het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen maximale straal van de woning of de school, waarbij een maximum van tien kilometer gehanteerd kan worden.

  • 4.

    Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders kunnen het stagecontract opvragen.

 

Paragraaf 3. Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening

 

Artikel 6.3.1 Verstrekking van de vervoersvoorziening

  • 1.

    Burgemeester en wethouders betrekken bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn.

  • 2.

    Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoeden burgemeester en wethouders geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer.

 

Artikel 6.3.2 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

  • 1.

    Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 6.2.2 lid 1, verstrekken burgemeester en wethouders aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs of speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer.

  • 2.

    Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van burgemeester en wethouders, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekken burgemeester en wethouders de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

  • 3.

    De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer, gemeten langs de kortste, veilige afstand.

 

Artikel 6.3.3 Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider

  • 1.

    Burgemeester en wethouders verstrekken aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider van de leerling als:

  • a.

    voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 6.2.2 lid 1, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken; of

  • b.

    het een gehandicapte leerling betreft.

  • 2.

    De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer, gemeten langs de kortste veilige afstand.

  • 3.

    Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.

 

Artikel 6.3.4 Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

Burgemeester en wethouders verstrekken een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als:

  • a.

    aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 6.3.2 of 6.3.3 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

  • b.

    aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 6.3.2 of 6.3.3 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van burgemeester en wethouders al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

  • c.

    aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 6.3.3 en door de ouders ten behoeve van burgemeester en wethouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of

  • d.

    de leerling, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.

  • e.

    Een leerling kan de toegang tot het vervoer ontzegd worden indien is gebleken dat de leerling door wangedrag of anderszins de orde of veiligheid in het vervoer verstoort.

 

Artikel 6.3.5 Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

  • 1.

    Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kunnen burgemeester en wethouders de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

  • 2.

    Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigen burgemeester en wethouders aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:

  • a.

    een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding.

  • b.

    een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of

  • c.

    een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag van € 0,21 per kilometer, gemeten over de kortste route van de ANWB-routeplanner.

  • 3.

    Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigen burgemeester en wethouders aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

  • 4.

    Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging van burgemeester en wethouders ontvangen, wordt door burgemeester en wethouders geen bekostiging verstrekt.

 

Artikel 6.3.6 Bekostiging andere passende vervoersvoorziening

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kunnen burgemeester en wethouders na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.

 

Artikel 6.3.7 Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie

  • 1.

    Met inachtneming van artikel 6.2.1 kennen burgemeester en wethouders desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kennen aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kennen aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

  • 4.

    Artikel 6.3.4 a, is niet van toepassing.

 

Artikel 6.3.8 Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag

  • 1.

    a. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 27.000,- (netto) wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 bepaalde afstand te boven gaan.

  • 1.

    b. Aan de ouders van een leerling die een speciale school voor basisonderwijs zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan 155% van het onder artikel 6.3.8 lid 1a vermelde bedrag rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 lid 1 bepaalde afstand te boven gaan.

  • 2.

    In geval burgemeester en wethouders in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgen dan wel doen verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 6.2.2 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.000,- (netto), tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 3.

    De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 6.2.2 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

  • 4.

    Het inkomensbedrag van € 27.000,- (netto) genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2022 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 27.000,- (netto).

  • 5.

    Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

 

Artikel 6.3.9 Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage

  • 1.

    Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.

  • 2.

    In geval burgemeester en wethouders in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgen dan wel doen verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 3.

    De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen:

Inkomen in euro’s (netto) Eigen bijdragen in euro’s per gezin

0-35.500

Nihil

35.500-42.000

150

42.000-48.500

630

48.500-55.000

1.180

55.000-62.500

1.725

62.500-69.000

2.270

69.000 en verder

voor elke extra € 5.500: € 560 erbij

 

  • 4.

    De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2022 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

  • 5.

    De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2022 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

 

  • 6.

    Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

 

Paragraaf 4. Slotbepalingen

 

Artikel 6.4.1 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de regeling niet voorziet

In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.

 

Artikel 6.4.2 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.

 

E

Hoofdstuk 7 Wmo komt als volgt te luiden:

 

Paragraaf 1 Algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen

 

Artikel 7.1.1 Algemene voorzieningen

  • 1.

    Algemene voorzieningen zijn in de regel diensten of activiteiten, die in opdracht van de gemeente door een welzijns- of vrijwilligersorganisatie worden georganiseerd of die door de gemeente zelf worden aangeboden.

  • 2.

    Een algemene voorziening, waarmee het beoogde resultaat op het gebied van zelfredzaamheid en participatie kan worden bereikt, is voorliggend op een maatwerkvoorziening.

 

Artikel 7.1.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het persoonlijke ‘plan van aanpak’ als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening;

  • 2.

    het college zet bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening zal worden verstrekt, steeds de ondersteuningsvraag van de cliënt centraal en betrekt bij de beoordeling van diens aanvraag alle betrokken belangen, waaronder

  • de belangen van de cliënt zelf,

  • diens naaste omgeving,

  • diens familie,

  • het maatschappelijk belang in algemene zin en

  • de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid;

  • 3.

    de maatwerkvoorziening wordt toegekend indien cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid en/of participatie door gebruik te maken van:

  • eigen kracht en/of;

  • gebruikelijke hulp en/of;

  • mantelzorg en/of;

  • hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of vrijwilligerszorg;

  • algemene voorzieningen en/of;

  • een voorziening op grond van andere wet- en regelgeving conform artikel 2.3.5 lid 5 van de Wmo 2015;

  • 4.

    een maatwerkvoorziening draagt bij aan het bereiken van de volgende resultaten:

  • het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en/of;

  • het voeren van een gestructureerd huishouden en/of;

  • het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer en/of;

  • de cliënt woont beschermd en/of wordt opgevangen;

  • 5.

    indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst compenserende voorziening toe;

  • 6.

    bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning, wordt onderzocht of verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is.

 

Artikel 7.1.3 Weigeringsgronden maatwerkvoorziening

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

  • a.

    indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 7.1.2 lid 3 van deze verordening;

  • b.

    indien het een voorziening betreft die de cliënt vóór de melding, aanvraag of het besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

  • c.

    voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening, die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en waarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen (of de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten door verlies of schade, die aan de cliënt zijn toe te rekenen);

  • d.

    voor zover deze niet in overwegende mate op de cliënt zelf is gericht;

  • e.

    voor zover de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als:

  • 1.

    de voorziening gewoon verkrijgbaar is, niet specifiek voor mensen met een beperking is ontworpen en voldoende compensatie biedt;

  • 2.

    de prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht;

  • 3.

    iemand zonder een bepaalde beperking ook over de voorziening zou kunnen beschikken en

  • 4.

    de kosten ervan door een huishouden met een minimum inkomen financieel gedragen kunnen worden.

  • f.

    wanneer er een passende algemene voorziening beschikbaar is voor de cliënt.

 

  • 2.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

  • a.

    voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in- en om de woning gebruikte materialen;

  • b.

    voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft;

  • c.

    indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen andere noodzakelijke reden voor verhuizing aanwezig is;

  • d.

    indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

  • e.

    voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden;

  • f.

    als de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.

  • g.

    als de cliënt woont in of verhuist naar een hotel, pension, trekkerswoonwagen, vakantiewoning, tweede woning of intramurale opvang.

  • h.

    als de cliënt woont in een (particuliere) instelling of woonvorm op basis van een Wlz indicatie met financieringsvorm MPT, VPT of Pgb, waarbij wonen en zorg onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn (ongeacht de financieringswijze).

  • 3.

    Geen financiële tegemoetkoming ten behoeve van een verhuizing wordt verstrekt:

  • a.

    als cliënt voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

  • b.

    als cliënt verhuist naar een tijdelijke woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar te bewonen;

  • c.

    wanneer dit bedoeld is voor verhuizing, die redelijkerwijs voorzienbaar was.

  • 4.

    Geen voorziening voor huishoudelijke hulp wordt verstrekt indien het belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting, na aftrek van (aanvullende) ziektekosten, voor een huishouden gezamenlijk meer bedraagt dan 200% van het geldend minimumloon vanaf 21 jaar, inclusief vakantiegeld, en de voorziening op de markt beschikbaar en passend is.

 

Paragraaf 2 Persoonsgebonden budget

 

Artikel 7.2.1 Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb)

  • 1.

    Het college verstrekt op verzoek van de cliënt een pgb indien:

  • a.

    de cliënt op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger (niet zijnde de hulpverlener), in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • b.

    de cliënt de aan het pgb verbonden taken en verantwoordelijkheden op verantwoorde wijze kan uitvoeren en op zich kan nemen;

  • c.

    de cliënt goed kan motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen;

  • d.

    het college van oordeel is dat de in te kopen maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is en effectief bijdraagt aan het te bereiken resultaat.

  • 2.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming artikel 2.3.6 van de Wmo. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op kosten, die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de melding heeft gemaakt, verstrekt het college geen pgb.

  • 3.

    De hoogte van een pgb

  • a.

    wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden;

  • b.

    bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst compenserende in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura;

  • c.

    wordt bepaald aan de hand van het geldend minimum uurloon vanaf 23 jaar wanneer cliënt niet professionele ondersteuning verwerft of via het informele circuit ondersteuning verwerft;

  • d.

    ten behoeve van een autoaanpassing, bedraagt de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • de cliënt vraagt minimaal twee offertes aan;

  • het college accepteert de geldende goedkoopst compenserende offerte;

  • alleen noodzakelijke autoaanpassingen komen voor een pgb in aanmerking. Ze moeten gericht zijn op het vervoer van de cliënt of het gebruik van de auto door de cliënt. Aanpassingen die zijn gericht op comfort, zoals wandbekleding en isolatie, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

  • 4.

    Bij het bepalen van de hoogte van een pgb is het volgende van belang:

  • a.

    van de maxima genoemd in lid 3 onder b en d kan op basis van maatwerk gemotiveerd worden afgeweken indien deze niet toereikend blijken te zijn;

  • b.

    indien een pgb wordt verstrekt voor de aanschaf van goederen wordt, indien van toepassing, een (jaarlijks) bedrag verstrekt ter dekking van een deel van of de totale onderhouds- en reparatiekosten. De maximale vergoeding staat gelijk aan het bedrag voor onderhouds- en reparatiekosten voor de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura.

  • c.

    het tarief voor maatwerkvoorzieningen in natura wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau van de Statistiek en de NEA-index. Hier wordt bij de toekenning van het pgb rekening mee gehouden.

  • 5.

    Een pgb ten behoeve van tijdelijke huisvesting of dubbele woonlasten bedraagt maximaal de werkelijk gemaakte kosten, voor een periode van maximaal drie (3) maanden met als maximum de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.

 

Artikel 7.2.2 Opschorting betaling uit het pgb

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo 2015.

 

Paragraaf 3 Eigen bijdrage in de kosten van een voorziening

 

Artikel 7.3.1 Regels voor eigen bijdrage in de kosten van een algemene voorziening

Voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde onafhankelijke cliëntondersteuning, kan de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn. De gemeenteraad bepaalt de hoogte van deze eigen bijdrage. Deze kan worden vastgelegd in door het college te nemen subsidie-besluiten aan betrokken uitvoerende organisaties op grond van de subsidieverordening. De eigen bijdrage bedraagt nooit meer dan de kostprijs en ten hoogste de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

Artikel 7.3.2 Regels voor eigen bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en pgb

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten van een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruikt maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 en artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a vijfde lid van de Wmo 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. Voor de maatwerkvoorziening Beschermd wonen geldt de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 2.

    De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb worden vastgesteld op de maximale bijdrage binnen de kaders van artikel 3.1 en artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 3.

    De omvang van de verschuldigde bijdrage in de kosten voor opvang wordt binnen de kaders van artikel 3.10 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld.

  • 4.

    Het Centraal Administratie Kantoor stelt de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen en pgb, vast en int deze.

  • 5.

    Het college stelt de bijdrage in de kosten voor opvang vast en int deze.

  • 6.

    De eigen bijdrage is nooit meer dan de maximale kostprijs van de voorziening.

  • 7.

    Voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer wordt aan de reiziger een bijdrage per rit gevraagd. De hoogte van de reizigersbijdrage is te vergelijken met de kosten, die een reiziger maakt bij het gebruik van openbaar vervoer.

 

  • 8.

    Bij bepaalde vormen van bemoeizorg voor maatschappelijke zorgdoelgroepen is de cliënt geen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening verschuldigd. Het gaat om de doelgroepen, bij wie zorgmijding leidt tot maatschappelijke uitval, of deze in stand houdt. Dit artikel is van toepassing op de volgende vormen van bemoeizorg:

  • a.

    Bemoeizorg met vermoeden van verslavingsproblematiek of GGZ problematiek

  • b.

    Consultatie & Advies vraag vanuit de uitvoeringsdienst t.b.v. verslavingsproblematiek of GGZ problematiek

  • c.

    Advies bij Methadonverstrekking

  • d.

    Begeleiding naasten waaronder mantelzorgers t.b.v. omgang verslavingsproblematiek

  • e.

    Administratieve ondersteuning bij aanhoudende verslavingsproblematiek

  • f.

    Begeleidingstraject daklozenopvang

  • g.

    Ambulant begeleidingstraject vrouwenopvang

  • h.

    Cliënten tot 23 jaar zijn geen bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening verschuldigd. Daarmee worden deze cliënten gelijk behandeld met hun leeftijdgenoten, die onder de verlengde jeugdzorg vanuit de Jeugdwet vallen. Een uitzondering is de maatwerkvoorziening Beschermd wonen. Hiervoor is wel een eigen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

 

Paragraaf 4 Financiële tegemoetkomingen

 

7.4.1 Financiële tegemoetkoming verhuiskosten

De financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten bedraagt de kosten voor verhuizing en stoffering, berekend volgens de geldende NIBUD-norm tot een maximum van € 2.500,-. Andere inrichtingskosten worden niet vergoed.

 

7.4.2 Financiële tegemoetkoming aanpassing woning

Indien verhuizen de goedkoopst compenserende oplossing is en cliënt niet wenst te verhuizen, wordt de eenmalige financiële tegemoetkoming voor aanpassing van de betreffende woning vastgesteld op maximaal € 2.500,-.

 

7.4.3 Financiële tegemoetkoming bezoekbaar maken van woning

De financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woning ten behoeve van iemand met een beperking, die zelfstandig buiten de gemeente woont óf iemand met een Wlz indicatie, bedraagt de werkelijke kosten tot een maximum van € 5.000,-. Deze tegemoetkoming wordt alleen verstrekt aan partners of eerstegraads familieleden. Daarbij is uitgangspunt dat alleen de kosten voor aanpassing van de entree, de woonkamer en het toilet worden vergoed.

 

7.4.4 Financiële tegemoetkoming sportvoorziening

De financiële tegemoetkoming voor aanschaf van een sportvoorziening bedraagt maximaal de laagste prijs die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier en bedraagt maximaal € 5.000,-. Een sportvoorziening wordt maximaal eenmaal per drie jaar verstrekt als er een noodzaak bestaat voor maatschappelijke participatie;

 

7.4.5 Financiële tegemoetkoming gebruik eigen auto

De financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto bedraagt € 0,21 per kilometer tot maximaal 2500 kilometer per jaar wanneer het bezit en gebruik van een eigen auto in het specifieke geval van de cliënt niet als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd;

 

7.4.6 Maximale financiële tegemoetkoming

Van de in paragraaf 4 genoemde maxima genoemd kan op basis van maatwerk gemotiveerd worden afgeweken;

 

Paragraaf 5 Kwaliteit

 

Artikel 7.5.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wmo 2015, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

  • a.

    het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

  • b.

    het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

  • c.

    erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

  • d.

    voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    Van aanbieders van een voorziening als pgb wordt minimaal dezelfde kwaliteitsstandaard verwacht als van aanbieders van een voorziening in natura.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en het uitvoeren van klantkwaliteitsonderzoeken zoals bedoeld in artikel 2.5.1 van de Wmo 2015 en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

 

Artikel 7.5.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten en voorzieningen in ieder geval rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • c.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • d.

    kosten voor bijscholing van het personeel;

  • e.

    kwaliteitseisen van de voorziening;

  • f.

    deskundigheid van beroepskrachten;

  • g.

    het handelen volgens professionele standaarden;

  • h.

    arbeidsvoorwaarden passend bij de vereiste vaardigheden van beroepskrachten en de zwaarte van de functie;

  • i.

    de eisen rondom duurzaamheid van de voorziening;

  • j.

    het creëren van maatschappelijke waarde door de aanbieder;

  • k.

    de reële kostprijs van de voorziening.

 

Paragraaf 6 Calamiteiten

 

Artikel 7.6.1 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan;

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar;

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over de afwikkeling daarvan en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

 

F

  • 1.

    Artikel 8.1.3 Betrekken van inwoners bij het beleid wordt Artikel 8.1.2 Betrekken van inwoners bij het beleid.

  • 2.

    Artikel 8.2.6 Inwerkingtreding en citeertitel komt als volgt te luiden:

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020, met dien verstande dat de wijzigingen in artikel 5.1.2 terugwerken tot en met 1 mei 2019.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening sociaal domein gemeente Eemnes 2018”.

 

G

Bijlage 1 komt als volgt te luiden:

 

Bijlage 1: Gebruikelijke Hulp Wmo 2015

 

Er wordt geen maatwerkvoorziening getroffen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. In deze bijlage wordt toegelicht wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp.

 

Er is sprake van gebruikelijke hulp wanneer er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht, bepaalde taken over te nemen. Of iemand inwonend is en behoort tot de leefeenheid, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld.

 

Gebruikelijke hulp bij het huishouden

Wanneer de inwoner huisgenoten heeft, worden zij geacht huishoudelijke taken over te nemen voor zover dit redelijkerwijs van hen kan worden verwacht. Deze verplichting geldt in de regel voor alle huisgenoten van 18 jaar en ouder. De leefeenheid is namelijk in gezamenlijkheid verantwoordelijk voor het huishoudelijk werk. In de meeste gevallen zal het om gezinsleden van de inwoner gaan. Afhankelijk van de leeftijd en belastbaarheid wordt ook van de inwonende minderjarige kinderen een bijdrage in de huishouding verwacht.

 

Algemene uitgangspunten (ontleend aan Richtlijn Hulp bij het Huishouden 2011 van de MO Zaak, voorheen onderdeel van CIZ) zijn:

  • Kinderen tot 5 jaar leveren geen (wezenlijke) bijdrage aan het huishouden;

  • Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien;

  • Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen naast bovengenoemde taken ten minste ook hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen).

 

Maatwerk

In de definitie van gebruikelijke hulp wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Ook redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten’ leiden niet tot hulp uit hoofde van de Wmo 2015. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen, maar via instructies gestuurd. Toch heeft de gemeente de mogelijkheid om, ondanks de aanwezigheid van huisgenoten, een maatwerkvoorziening toe te kennen. Dit is het geval wanneer aanwezige huisgenoten om aanwijsbare redenen niet, of onvoldoende, gebruikelijke hulp kunnen leveren. Ook dreigende overbelasting van een mantelzorger kan een reden zijn om huishoudelijke hulp te verstrekken.

 

Particuliere Hulp

De aanwezigheid van particuliere hulp bij het huishouden kan worden gezien als een vorm van gebruikelijke hulp. Wel moet worden meegewogen of de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak voldoende toereikend is, vanuit Wmo 2015 maatstaven gezien. Hulp bij het huishouden vanuit de Wmo 2015 kan immers meer inhouden dan alleen schoonmaak en heeft ook een signalerende functie. Daarnaast kan het doel hiervan ook zijn het samen opwerken met de klant of het ondersteunen bij de organisatie van het huishouden.

 

De gemeente zal daarom steeds moeten onderzoeken en een afweging moeten maken of particuliere schoonmaakhulp voldoende is of dat inzet van huishoudelijke hulp vanuit de Wmo 2015 (ter aanvulling) noodzakelijk is. Van de klant wordt verwacht dat deze inzage geeft in de werkzaamheden van de particuliere hulp.

 

Indien een inwoner een beroep wil doen op de Wmo 2015 voor Huishoudelijke Hulp en nog geen gebruik maakt van een particuliere schoonmaakhulp, kan particuliere hulp niet gezien worden als gebruikelijke hulp. Wel kan de inwoner worden gewezen op de mogelijkheid van particuliere hulp.

 

Gebruikelijke hulp door echtgenoten

Gebruikelijke hulp door echtgenoten kan verschillen van gebruikelijke hulp door inwonende kinderen of van andere huisgenoten. Uitgangspunt is, dat echtgenoten samen activiteiten ondernemen zoals:

samen naar een verjaardag gaan, familie bezoeken, samen koken, eten, koffie drinken, afspraken maken, het voeren van een administratie, het regelen van de bankzaken, het onderhouden van contacten met instanties, het bezoeken van instanties, het verschijnen op afspraken, het openen van post of winkelen. Deze lijst is niet limitatief.

 

Gebruikelijke hulp door ouders

Ouders zijn verantwoordelijk voor de verzorging van hun kind. Het is daarom niet ‘gebruikelijk’, dat dit bij een meerderjarig inwonend kind met een beperking volledig aan anderen wordt overgelaten.

 

Overige gebruikelijke hulp bij een gezamenlijk huishouden (partners onderling, ouders en volwassen inwonende kinderen en/of andere volwassen huisgenoten).

We beschouwen in ieder geval de volgende vormen van begeleiding voor een volwassene met een beperking als algemeen gebruikelijk:

  • Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie;

  • Het begeleiden bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort;

  • Het bieden van hulp en ondersteuning bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie.

 

2. dat deze verordening in werking treedt op de 8e dag na de bekendmaking in het Gemeenteblad.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 maart 2023.

De voorzitter,

R. van Benthem RA

De griffier,

mevrouw A. de Graaf- Gerrits

Naar boven