Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Nederweert 2023

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begrippen

In deze verordening betekenen de volgende begrippen:

  • a)

    benadelingsbedrag: netto-uitkering waardoor eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • b)

    bijstandsnorm:

    de geldende bijstandsnorm volgens artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet (Pw), eventueel aangevuld met de bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor 18 tot 21 jarigen, of de geldende grondslag van de uitkering volgens artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) of de geldende bijzondere bijstand volgens artikel 5, onderdeel d van de Pw.

  • c)

    Wetten: de IOAW, de IOAZ en de Participatiewet

Artikel 2. Het verlagen van de uitkering

  • 1.

    Als de belanghebbende de in de wetten opgenomen verplichtingen naar het oordeel van het college niet of in onvoldoende mate nakomt wordt de uitkering verlaagd of geweigerd.

  • 2.

    De verlaging of weigering wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de bijzondere persoonlijke omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.

Artikel 3. Het besluit om een verlaging op te leggen

In het besluit waarin de uitkering wordt verlaagd volgens artikel 18 lid 2, 4, 5 en 6 en 18b lid 1 van de Pw, de artikelen 20 en 38 lid 12, van de IOAW en de IOAZ, staat in ieder geval:

  • a.

    de reden van de verlaging;

  • b.

    de duur van de verlaging;

  • c.

    de hoogte van de verlaging, uitgedrukt in een bedrag en in procenten; en

  • d.

    wanneer van toepassing, de reden om af te wijken van de standaard verlaging.

Artikel 4. Horen van belanghebbende

Voordat een maatregel wordt opgelegd krijgt de belanghebbende de mogelijkheid om hierop te reageren en zijn mening te geven.

Artikel 5. Waarschuwing

Het college kan bij gedragingen van de eerste en tweede categorie als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van deze verordening, volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van een jaar, gerekend vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Artikel 6. Afzien van verlaging

  • 1.

    Het college ziet af van een verlaging als:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b.

      het college vaststelt dat de gedraging meer dan 3 maanden geleden is gebeurd.

    • c.

      de gedraging meer dan drie maandengeleden door het college is geconstateerd en naar aanleiding van deze gedraging nog geen besluit door het college heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Het college ziet af van een verlaging bij dringende redenen of individuele bijzondere omstandigheden.

  • 3.

    Als het college af ziet van een verlaging, krijgt de belanghebbende hiervan een besluit.

  • 4.

    Het afzien van een verlaging volgens lid 2 telt mee voor het vaststellen van recidive.

Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

  • 1.

    De verlaging wordt opgelegd vanaf de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de datum waarop het besluit om de uitkering te verlagen naar de belanghebbende is verstuurd.

  • 2.

    Als de verlaging niet op grond van het eerste lid kan plaatsvinden, dan wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerstvolgende betaling van de uitkering, nadat het besluit tot het opleggen van de verlaging is genomen.

  • 3.

    De duur van de verlaging bedraagt de termijnen die in deze verordening worden vermeld.

Artikel 8. Berekeningsgrondslag

Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen

Artikel 9. Gedragingen Pw

Gedragingen waardoor een belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid niet krijgt, behoudt, of accepteert of een verplichting volgens de artikelen 9, 9a, 17 tweede lid, 55 en 56a niet of onvoldoende nakomt, zijn verdeeld in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie

    • 1.

      het zich niet op tijd inschrijven als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

    • 2.

      het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering;

  • b.

    tweede categorie:

    • 1.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het maken, uitvoeren en bespreken van een plan van aanpak volgens artikel 44a;

    • 2.

      Wanneer het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, tijdens de vier weken na een melding zoals staat in artikel 43 lid 4 en 5: het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen volgens de artikelen 9, lid 1, of 55, wanneer deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18 lid 4;

    • 3.

      het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel b van de Pw, wat heeft geleid tot intrekking van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder volgens artikel 9a eerste lid van de Pw;

    • 4.

      het niet of onvoldoende meewerken aan de verplichting tot medewerking als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Pw waaronder:

      • i.

        het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in verband met een onderzoek naar arbeidsinschakeling of re-integratie.

      • ii.

        het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in verband met het afnemen van de taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b, tweede lid, tiende en elfde lid van de Pw.

    • 5.

      het niet of onvoldoende naar zijn mogelijkheden zijn best doen om een door het college opgedragen tegenprestatie zoals staat in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, uit te voeren.

  • c.

    derde categorie: het niet of onvoldoende naar zijn mogelijkheden zijn best doen om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, wanneer deze verplichting niet staat genoemd in artikel 18 lid 4.

Artikel 10. Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen waardoor een belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid niet krijgt, behoudt, of accepteert of een verplichting volgens de artikelen 37 en 38 niet of onvoldoende nakomt, worden verdeeld in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie: het zich niet op tijd inschrijven als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

  • b.

    tweede categorie:

    • 1°.

      het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

    • 2°.

      het niet of onvoldoende gebruiken van een door het college aangeboden voorziening volgens de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, maar de voorziening is toch doorgegaan en niet gestopt;

    • 3°.

      het niet of onvoldoende nalaten van alles wat de arbeidsinschaling belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de IOAW of de IOAZ.

    • 4°.

      het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder deel e van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de IOAZ, wat heeft geleid tot intrekking van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder volgens artikel 38, eerste lid, van de IOAW of de IOAZ.

    • 5°.

      het niet of onvoldoende naar zijn mogelijkheden zijn best doen om een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals staat in artikel 37 lid 1, onderdeel f, uit te voeren;

    • 6°.

      het niet of onvoldoende meewerken aan de verplichting tot medewerking als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de IOAW of de IOAZ waaronder:

      • i.

        het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in verband met een onderzoek naar arbeidsinschakeling of re-integratie

  • c.

    derde categorie:

    • 1°.

      het niet zijn best doen om algemeen geaccepteerde arbeid te krijgen;

    • 2°.

      het niet accepteren van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • 3°.

      het door eigen schuld niet houden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • 4°.

      het niet of onvoldoende gebruiken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling volgens de artikelen 36 lid 1, en 37 lid 1, onder e, wanneer hierdoor de voorziening niet is doorgegaan of is gestopt.

Artikel 11. Hoogte en duur van de verlaging

De verlaging, bij gedragingen volgens de artikelen 9 en 10, wordt vastgesteld op:

  • a.

    10% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    50% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

  • c.

    100% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij gedragingen van de derde categorie.

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen

Artikel 12. Duur verlaging bij niet nakomen geüniformeerde arbeidsverplichting

De verlaging is 100% van de bijstandsnorm voor de duur van 1 maand bij het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting volgens artikel 18 lid 4 Pw.

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Pw

  • 1.

    Toont een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan volgens artikel 18 lid 2, dan wordt de uitkeringsnorm verlaagd.

    De verlaging is:

    • a.

      10% van de bijstandsnorm voor de duur van 3 maanden bij een benadelingsbedrag tot € 3.000;

    • b.

      10% van de bijstandsnorm voor de duur van 6 maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 3.000 tot € 7.500;

    • c.

      15% van de bijstandsnorm voor de duur van 6 maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 7.500 tot € 25.000;

    • d.

      20% van de bijstandsnorm voor de duur van 6 maanden bij een benadelingsbedrag van € 25.000; of meer.

  • 2.

    Indien een belanghebbende door eigen toedoen afhankelijk wordt van de bijstand dan wordt de bijstand op deze gedraging afgestemd met een verlaging van 100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand.

  • 3.

    Toont een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van het bestaan en is de hoogte van het benadelingsbedrag niet vast te stellen, dan is de verlaging in principe 20% van de uitkeringsnorm voor de duur van één maand.

Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen

De uitkering van een belanghebbende die zich heel erg misdraagt tegenover personen en instanties die de Pw als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet, uitvoeren, tegenover personen en instanties die de IOAW en de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, uitvoeren, wordt verlaagd met:

  • a.

    100% van de bijstandsnorm voor de duur van 2 maanden, bij het uitoefenen van lichamelijk geweld tegen de genoemde personen;

  • b.

    50% van de bijstandsnorm voor de duur van 2 maanden, bij het uitoefenen van lichamelijk geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de genoemde personen.

Artikel 15. Niet nakomen van overige verplichtingen artikel 55 Pw

Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Pw niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

  • 1.

    20% van de uitkeringsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die:

    • a.

      strekken tot arbeidsinschakeling;

    • b.

      verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand.

  • 2.

    40% van de uitkeringsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die:

    • a.

      strekken tot vermindering van de bijstand;

    • b.

      strekken tot beëindiging van de bijstand.

Hoofdstuk 5. Samenloop en recidive

Artikel 16. Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Wanneer een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte van de verlaging uitgegaan van de som van de verlagingen van de afzonderlijke gedragingen, tot een maximum van 100% voor de duur van één maand.

  • 2.

    Kan het college voor dezelfde gedraging de bijstand verlagen volgens artikel 18 of 18b Pw én een boete geven volgens de Wet inburgering 2021, dan wordt de bijstand verlaagd en wordt geen boete gegeven.

Artikel 17. Recidive

Wanneer een belanghebbende binnen twaalf maanden na het eerdere besluit waarin de uitkering is verlaagd opnieuw dezelfde soort verwijtbare gedraging zoals benoemd in deze verordening laat zien, wordt de duur van de eerdere verlaging verdubbeld.

Hoofdstuk 6. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ

Artikel 18. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

Artikel 19. Tijdelijk en blijvend weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering

  • 1.

    Het college kan de uitkering tijdelijk, gedurende één maand, weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:

    • a.

      aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;

    • c.

      belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of

    • d.

      belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

  • 2.

    Het college kan de uitkering tijdelijk, gedurende twee maanden, weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als belanghebbende binnen 24 maanden voor de tweede keer iets doet, dan wel nalaat, zoals beschreven in het eerste lid.

  • 3.

    Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als belanghebbende binnen 24 maanden voor de derde keer iets doet, dan wel nalaat, zoals beschreven in het eerste lid.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 20. Intrekken oude verordening

De Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Nederweert 2021 wordt ingetrokken.

Artikel 21. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Nederweert 2023.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 20 december 2022,

De raadsgriffier,

T. (Thijs) Deckers

De voorzitter,

B.M.T.J. (Birgit) Op de Laak

Toelichting

Algemeen

Rechten en plichten in de Participatiewet

De gemeente heeft een verantwoordelijkheid voor het invullen van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Ook vanwege de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeente het beleid vastleggen in een verordening. Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering.

 

Het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende staat in artikel 18, eerste lid Pw. Hierin staat duidelijk dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de bijbehorende verplichtingen maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de persoonlijke situatie en omstandigheden van de bijstandsgerechtigde. Artikel 18, tweede lid, Pw legt een direct verband tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de geldende uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook of de verplichtingen worden nagekomen. De inzet en moeite die (naar zijn mogelijkheden) van de bijstandsgerechtigde kan worden verwacht, spelen ook een rol.

 

Wanneer het college vindt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer helemaal niets te verwijten is, verlaagt het college de uitkering niet. Het college moet bij de vaststelling van de verlaging in ieder geval rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan daardoor ook van een verlaging afzien als daarvoor zeer dringende redenen aanwezig zijn.

 

In artikel 18 lid 4 Pw staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met 100% voor de duur van één tot drie maanden. In artikel 18, vijfde lid Pw staat dat de duur van de verlaging via een verordening wordt vastgelegd. Wordt de uitkering niet verlaagd omdat helemaal niets te verwijten is, telt deze gedraging niet mee bij het toepassen van recidive. Wordt geen verlaging toegepast vanwege dringende redenen, dan telt deze gedraging wel mee voor recidive.

 

In artikel 18 lid 3 Pw staat dat college binnen maximaal drie maanden na de beschikking om de uitkering te verlagen, beoordeelt of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende reden geven om de situatie opnieuw te bekijken. Bij zo’n nieuw onderzoek hoeft geen besluit te worden genomen. Het doel is alleen om vast te stellen of belanghebbende binnen deze periode zijn gedrag zó positief heeft veranderd of dat de omstandigheden zó zijn veranderd, dat er redenen zijn de eerdere verlaging bij te stellen. Artikel 18 lid 3 Pw geldt niet bij het niet nakomen van één van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18 lid 4 Pw). Voor de geüniformeerde arbeidsverplichtingen geldt artikel 18 lid 11 Pw. Verschil tussen artikel 18 lid 3 en artikel 18 lid 11 Pw is dat artikel 18 lid 11 Pw pas wordt toegepast als belanghebbende daar om vraagt.

 

Een verlaging door de afstemmingsverordening is bedoeld als straf wanneer deze wordt opgelegd omdat een belanghebbende zich zeer erg heeft misdragen. Op het moment dat deze gedraging ook strafbaar is, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan bij juridisch te onderscheiden feiten. Een voorbeeld van juridisch te onderscheiden feiten: het bezit van en het niet melden van een hennepplantage. De boete wordt opgelegd vanwege het niet verstrekken van relevante informatie voor het vaststellen van het recht op een uitkering. Strafvervolging is aan de orde door overtreding van de Opiumwet.

 

In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd door de afstemmingsverordening is het de bedoeling om een situatie te herstellen (bijvoorbeeld bij het niet nakomen van de arbeidsverplichting). Op het moment dat deze gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan.

 

Keuze blijvend of tijdelijk weigeren in de IOAW/IOAZ

Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren wanneer een belanghebbende onder andere verwijtbaar werkloos raakt. Het college moet dit opnemen in een verordening. In deze verordening heeft het college bepaald dat het een uitkering alleen tijdelijk weigert. Het blijvend geen IOAW/IOAZ uitkering krijgen, kan heel nadelige gevolgen hebben. Het helemaal weigeren van de uitkering zorgt ervoor dat de kans groot is dat IOAW/IOAZ-ers een uitkering volgens de Participatiewet moeten aanvragen. In die wet geldt een vermogenstoets. Daarnaast gaat het om een kwetsbare doelgroep, die uit ouderen bestaat.

 

Schenden van de inlichtingenplicht

Bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht wordt een boete opgelegd. Dit komt in plaats van het verlagen van de bijstand.

 

Toelichting per artikel

Alleen de artikelen die extra toelichting nodig hebben, worden hier behandeld.

 

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet apart omschreven in deze verordening. Deze gelden vanzelfsprekend ook voor deze verordening.

 

Bijstandsnorm

Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening bedoeld de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de geldende uitkering met vakantiegeld. Het kan ook gaan om de bijzondere bijstand voor levensonderhoud die elke maand wordt betaald.

Bij een uitkering volgens de IOAW of de IOAZ wordt bij bijstandsnorm de geldende grondslag volgens artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ bedoeld.

 

Benadelingsbedrag

Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hierbij wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering.

 

Artikel 2. Het verlagen van de uitkering

Het eerste lid van dit artikel geeft de omvang van de werking van deze verordening aan en met name dat het hier een uitwerking betreft van artikel 18, tweede lid van de Pw.

 

In de Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de uitkeringsnorm. In dit tweede lid is de hoofdregel neergelegd: de verlaging afstemmen op de ernst van het feit dat zich heeft voorgedaan, de afweging in hoeverre de betrokken persoon hiervoor verantwoordelijk is en de eventuele individuele bijzondere omstandigheden die van belang kunnen zijn in verband met de gevolgen van de tijdelijke verlaging voor de persoon of het gezin. Deze bepaling brengt met zich mee dat bij elke verlaging zal moeten worden nagegaan of gelet op deze drie criteria afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel tot een verzwaring als een matiging van de hoogte en/of de duur van de verlaging leiden.

 

Matiging van de verlaging kan bijvoorbeeld aan de orde komen bij:

  • bijzondere financiële of sociale omstandigheden van de belanghebbende;

  • proportionaliteit: de zwaarte van de verlaging is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 3. Het besluit om een verlaging op te leggen

Het verlagen van een uitkering volgens deze verordening gebeurt via een besluit. Een belanghebbende kan hiertegen bezwaar en beroep indienen. In dit artikel staat wat in ieder geval in het besluit moet worden genoemd. Deze eisen komen uit de Algemene wet bestuursrecht en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit bekend wordt gemaakt en goed en duidelijk wordt uitgelegd.

 

Artikel 4. Horen van belanghebbende

Voordat het college de uitkering verlaagt, krijgt een belanghebbende de mogelijkheid om zijn mening te geven in een persoonlijk gesprek. Ook kan het college ervoor kiezen de belanghebbende schriftelijk te horen.

 

Artikel 5. Waarschuwing

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

 

Artikel 6. Afzien van verlaging

Afzien van verlagen

De uitkering wordt niet verlaagd wanneer niets te verwijten is. Ook wordt de uitkering niet verlaagd wanneer de verlaging zou leiden tot onevenredige (financiële) gevolgen of bij bijzondere individuele omstandigheden. Er wordt afgezien van een verlaging wanneer het college vaststelt dat de gedraging meer dan 3 maanden geleden is gebeurd. Tot slot wordt ook geen verlaging toegepast wanneer de verwijtbare gedraging langer dan drie maanden geleden door het college is geconstateerd maar het college tot dusver heeft nagelaten een besluit te nemen.

 

De invulling van het begrip ‘dringende redenen’ betekent een beoordeling van de bijzondere omstandigheden, de mogelijkheden en middelen van belanghebbende. Dringende redenen kunnen te maken hebben met het maatschappelijk belang (marginaliseren van mensen, vergroten schuldenproblematiek, huisuitzettingen), de zorgplicht van de overheid in relatie tot individuele omstandigheden van belanghebbende en met kinderen in het gezin.

 

Schriftelijke mededeling in verband met recidive

De schriftelijke mededeling (waarschuwing) dat het college geen verlaging oplegt bij dringende redenen of individuele omstandigheden, moet in een beschikking staan. Dit is belangrijk voor eventuele recidive (artikel 6 lid 4). Het opleggen van een verlaging bij recidive staat in artikel 17.

 

Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

De verlaging wordt toegepast vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan als het besluit om de bijstand te verlagen samenvalt met het besluit om de bijstand toe te kennen.

 

Kan een verlaging niet worden uitgevoerd over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit om de uitkering te verlagen is genomen, dan wordt deze opgelegd vanaf de eerstvolgende betaling van de uitkering. Een verlaging kan namelijk niet worden uitgevoerd over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit is genomen, als deze uitkering al ís verlaagd.

 

De verlaging kan niet worden uitgevoerd wanneer een belanghebbende geen recht (meer) heeft op bijstand. Ontvangt een belanghebbende binnen 6 maanden na de einddatum weer bijstand, dan kan de opgelegde, maar nog niet of niet helemaal uitgevoerde verlaging alsnog worden toegepast.

 

Artikel 8. Berekeningsgrondslag

Bijstandsnorm

In het eerste lid staat dat een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

Ook staat hier dat een verlaging eveneens kan worden toegepast op de bijzondere bijstand voor levensonderhoud.

 

Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die bij bijzondere en noodzakelijke omstandigheden wordt aangevuld met bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Dit staat in artikel 12 Pw. Als een verlaging alleen bij de lage jongerennorm zou worden opgelegd, leidt dit tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom wordt in deze gevallen de verlaging toegepast op de bijstandsnorm en ook op de verleende bijzondere bijstand volgens artikel 12 Pw.

 

Deze verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een individuele inkomenstoeslag.

 

Artikel 9. Gedragingen Participatiewet

De artikelen 9 en 11 horen bij elkaar. In artikel 9 staan schendingen van verplichtingen uit de Pw. Deze verwijtbare gedragingen zijn ingedeeld in categorieën. In artikel 11 wordt aan die categorieën via procenten een gewicht gegeven. De categorieën zijn verdeeld naar zwaarte. Een gedraging wordt als zwaarder gezien als de gedraging meer duidelijke gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaald werk.

 

Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen

Deze verwijtbare gedragingen houden het niet nakomen en het onvoldoende nakomen van diverse verplichtingen in.

 

Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (onderdeel c)

Deze verwijtbare gedraging betekent niet ‘het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid’, zoals dit is bepaald in de geüniformeerde verplichtingen van artikel 18 lid 4 Pw. Voor het niet nakomen van deze geüniformeerde arbeidsverplichtingen gelden aparte wettelijke regels. Die staan in artikel 12.

 

Inspanningen in eerste vier weken na de melding (onderdeel b, 2)

De plicht om werk te verkrijgen, geldt vanaf datum melding. Speciaal voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding. Er is geen recht op bijstand als de jongere helemaal geen inspanning heeft verricht. Dit staat in artikel 13 lid 2, onder d Pw. Heeft een jongere wel moeite gedaan, maar is dit volgens het college onvoldoende, dan verlaagt het college de uitkering.

 

Schending verplichting meewerken aan ontzorgen

Er is voor gekozen om de bijstand te verlagen met toepassing van de afstemmingsverordening als belanghebbende weigert mee te werken aan het ontzorgen zoals bedoeld in artikel 56a van de Participatiewet.

 

Artikel 10. Gedragingen IOAW en IOAZ

De artikelen 10 en 11 moeten samen worden gelezen. In artikel 10 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ genoemd. De verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën. Aan elke categorie wordt in artikel 11 via een percentage een gewicht gegeven. De categorieën zijn verdeeld in zwaarte. Een gedraging wordt als zwaarder gezien als de gedraging meer duidelijke gevolgen heeft voor het niet zoeken, accepteren, of houden van betaald werk.

 

Artikel 11. Hoogte en duur van de verlaging

Dit staat in de toelichting bij de artikelen 9 en 10.

 

Artikel 12. Duur verlaging bij niet nakomen geüniformeerde arbeidsverplichting

De eerste keer dat het college vaststelt dat een belanghebbende een geüniformeerde arbeidsverplichting door eigen schuld niet nakomt, is de verlaging 100% van de bijstandsnorm voor de duur van 1 maand (artikel 18 lid 5, lid 1 Pw).

 

Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Pw

De basis van de Participatiewet is dat iedereen eerst zijn eigen geld moet verdienen. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men bijstand aanvragen. Hoofdregel is dus dat iedereen er voor moet zorgen dat geen bijstand nodig is. Zorgt een gedraging ervoor dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag bijstand nodig heeft, dan is er meestal een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Dit komt in ieder geval voor bij de volgende gedragingen:

  • het te snel interen van vermogen;

  • het door eigen schuld verliezen van het recht op een andere uitkering;

  • het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening.

In dit artikel is bepaald dat een verlaging kan worden opgelegd bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging wordt bepaald door het benadelingsbedrag te berekenen en vast te stellen. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. Kan het exacte benadelingsbedrag niet worden vastgesteld, dan is de verlaging in beginsel 20% voor de duur van één maand. Bij de beoordeling van de verlaging wordt voor zover mogelijk een inschatting gemaakt van de hoogte van het benadelingsbedrag en wordt hier in alle redelijkheid rekening mee gehouden.

 

Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen

De woorden 'zeer ernstige misdraging' houden in elk geval in: elke vorm van ongewenst en agressief lichamelijk contact met een persoon of het doen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het beschadigen van een gebouw of onderdeel van de inventaris, net als het doen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de persoon of personen grote invloed hebben, zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens en (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn ook te zien als zeer ernstige misdraging. Verbaal geweld valt ook onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.

Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de personen en instanties (het college, ambtenaren en andere uitvoerders van de wet) tijdens het uitvoeren van hun werk dat hoort bij de wetten. Het is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen; dan is het strafrecht van toepassing

 

Artikel 15. Niet nakomen van overige verplichtingen

In dit artikel staan een aantal overige verplichtingen die niet eerder in deze verordening zijn genoemd:

  • de medewerkingsverplichting volgens artikel 17 lid 2 van de Pw; of

  • verplichtingen die bijdragen aan arbeidsinschakeling, of die verband hebben met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand of die bijdragen aan vermindering of beëindiging van bijstand (artikel 55 Pw).

De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 17 lid 2 Pw en artikel 55 Pw kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18 lid 1 Pw. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.

 

Niet nakomen budgetteringsplicht

De afstemmingsverordening wordt niet toegepast wanneer een belanghebbende weigert mee te werken aan de budgettering volgens artikel 57 onderdeel a Pw. In dat geval kan het college besluiten bijstand in natura te geven. Dit staat in artikel 57 onderdeel b Pw. Hiermee wordt voorkomen dat de financiële situatie van belanghebbende erger wordt. De budgetteringsplicht is namelijk bedoeld om te voorkomen dat iemand in een nog moeilijkere financiële situatie terecht komt.

 

Artikel 16. Samenloop van gedragingen

Lid 1 regelt de samenloop van meer gedragingen wanneer één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, in artikel 18 lid 4 Pw of artikel 18b Pw, niet worden nagekomen. Dan geldt voor iedere gedraging een aparte verlaging. Deze verlagingen worden tegelijk opgelegd en opgeteld en bedragen maximaal 100% voor de duur van één maand.

 

Samenloop met een boete op grond van de Wet inburgering 2021

In artikel 27 van de Wet inburgering 2021 staat een samenloopregeling: het opleggen van een bestuurlijke boete blijft achterwege als voor dezelfde gedraging de bijstand is verlaagd volgens artikel 18 of 18b Pw. Op het moment dat beide keuzes nog openstaan, kiest het college ervoor om de bijstand te verlagen en geen boete op te leggen. Is de bijstand eenmaal verlaagd, dan is een boete niet meer aan de orde (artikel 27 Wet inburgering 2021).

 

Artikel 17. Recidive

Komt een belanghebbende binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging uit deze verordening opnieuw dezelfde verplichting niet na? Dan wordt de periode van de verlaging verdubbeld.

 

De periode van twaalf maanden start op het moment dat het besluit waarin de verlaging is opgelegd naar de belanghebbende is verstuurd

 

Worden een derde of volgende keer de verplichtingen niet nagekomen, dan geldt – net als bij de eerste keer recidive – dat de periode van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld.

 

Eenzelfde gedraging vereist voor recidive

Voor recidive moet er sprake zijn van ‘eenzelfde verwijtbare gedraging’ als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting niet wordt nagekomen. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden gezien als een eerste schending van een verplichting.

 

Artikel 18. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 18 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.

 

Artikel 19. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering

Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien:

  • a.

    aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;

  • b.

    de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

  • c.

    de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of

  • d.

    de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het college de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die valt onder c of d dan kan het college de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering.

Naar boven