Gemeentelijk rioleringsplan Nederweert 2017-2021

 

1 Het gemeentelijk rioleringsplan

1.1 Aanleiding

Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. Als gemeente hebben we de taak om voor die riolering te zorgen: we hebben de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Dit GRP 2017-2021 geeft aan hoe wij met deze drie zorgplichten omgaan.

 

Het maken van goede beleidsafwegingen op het terrein van beheer openbare ruimte, bescherming van bodem en waterkwaliteit, en de zorg voor het totale watersysteem worden steeds belangrijker. Dit GRP helpt daarbij en speelt in op ontwikkelingen zoals het veranderende klimaat. Ook het financiële beleid, de inzet van middelen en toenemende lastendruk zijn belangrijke aandachtspunten.

 

1.2 Samenwerking Waterketen Limburgse Peelen

Samen met de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Roerdalen, Roermond, Peel en Maas en Weert, de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, Waterschapsbedrijf Limburg en Waterleidingmaatschappij Limburg werken we aan verhoging van de kwaliteit, vermindering van de kwetsbaarheid en verlaging van de kosten binnen het samenwerkingsverband Waterketen Limburgse Peelen.

Samen hebben we het “Waterketenplan Limburgse Peelen” opgezet. In dit beleidsplan staan de visie, de gezamenlijke ambities, de uitgangspunten en een actieprogramma die invulling geven aan het samenwerken.

Ook hebben we binnen de samenwerking gekeken naar de punten waarop we elkaar aanvullen. Elke partner heeft unieke kennis en ervaring die nuttig kan zijn voor anderen. We zetten in op het anders verdelen van onze werkzaamheden om die kennis en ervaring van elkaar beter te benutten. Het Waterketenplan is de basis voor dit GRP.

1.3 Gevolgde procedure

Dit GRP is gelijktijdig met het Waterketenplan en de GRP’n van de andere Limburgse Peelen-gemeenten opgesteld. De waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, Waterschapsbedrijf Limburg (WBL) en Waterleidingmaatschappij Limburg (WML) zijn nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van het Waterketenplan en de GRP’n.

 

Zoals de wet van ons vraagt, is aan de beheerders van de oppervlaktewateren waar onze riolering op loost en aan de beheerder van de rioolwaterzuivering waar ons rioolstelsel op uitkomt een officiële reactie op dit GRP gevraagd, dus ook aan Rijkswaterstaat en de Provincie.

 

1.4 Leeswijzer

De totale planvorm voor de waterketen in onze regio bestaat uit twee delen:

  • het overkoepelend Waterketenplan als een gezamenlijk (beleids)deel;

  • dit GRP als lokaal deel, waarin we de vertaling naar het gemeentelijk rioleringsbeleid opnemen.

In het overkoepelende Waterketenplan staan alle beelden en afspraken die gelijk zijn voor het gehele Limburgse Peelengebied. Door deze afspraken gezamenlijk vast te leggen bestaat er gelijkheid voor onze inwoners en bedrijven: we bieden hetzelfde niveau van onze voorzieningen en stellen gelijke verwachtingen aan gebruikers van de riolering.

Het GRP gaat in op de lokale keuzes, mogelijkheden en verwachtingen. Wat willen we in Nederweert bereiken met het stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater? Dit hebben we voor een groot deel in het Waterketenplan opgenomen.

Wanneer willen we dit bereikt hebben? Wat gaan we doen? En wat gaat hebben we daarvoor nodig aan personeel en financiën?

Dit GRP bevat de hoofdlijnen van ons beleid. Bij dit GRP hoort een bijlagenrapport.

 

1.5 Voor wie is dit GRP belangrijk?

Onze inwoners en bedrijven

Riolering is ooit aangelegd om het vuile water van huishoudens uit de leefomgeving van de bewoners af te voeren. Om wateroverlast tegen te gaan, werd hemelwater vervolgens ook aangesloten op de riolering. Toen later grondwater op sommige locaties overlast ging geven, is dit soms ook aangesloten op het riool. Steeds meer water moet dus door dezelfde rioolbuis worden afgevoerd.

 

Wij als gemeente onderhouden de riolering voor onze inwoners en bedrijven. Bij nieuwbouwprojecten breiden we het rioolstelsel uit. Waar nodig verbeteren we het functioneren van de riolering, bijvoorbeeld door hemelwater af te koppelen en extra ruimte te maken voor water op straat. Door klimaatverandering neemt het aantal zware buien toe, wat waarschijnlijk tot problemen leidt als het huidige rioolstelsel blijft zoals het nu is.

 

Onze gemeenteraad

Riolering heeft een grote invloed op de ontwikkeling van onze gemeente. Vuil water wordt met riolen afgevoerd, zodat een prettige leefomgeving ontstaat. Ook overtollig hemel- en grondwater voeren we met riolen af, om dezelfde reden. Maar er zitten grenzen aan wat we doen. Bij hevige neerslag kan soms niet al het hemelwater direct wordt afgevoerd. Volgens de Waterwet ligt de verantwoordelijkheid voor het verwerken van hemelwater en grondwater primair bij de perceelseigenaar.

Dit GRP beschrijft de kaders voor de gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Na instemming door de gemeenteraad ligt daarmee voor iedereen de rolverdeling vast.

 

Jaarlijks wordt veel geld gestoken in het onderhoud, vervangen en verbeteren van onze riolering. Het moet duidelijk zijn waarom we dat doen en wat we er op lange termijn mee willen bereiken. Het GRP geeft aan welke financiële uitgaven er zijn op de korte termijn en wat de prognose is voor de lange termijn. Hiermee is er inzicht in wat er gaat komen.

 

Onze ambtenaren

Met de beschrijving van het beleid, de doelen en de financiën geeft het GRP een kader voor alle watergerelateerde werkzaamheden binnen de gemeente. Onze ambtenaren gebruiken dit ook zo. Voor onderlinge afstemming, uitleg van het beleid en het budgetteren van projecten wordt het GRP gebruikt.

2 Even terugkijken

2.1 Rioleringszorg in de gemeente Nederweert

Het GRP 2009-2013, de GRP-notitie 2013-2016 en de actualisatie uit 2014 zijn de leidraad geweest voor de rioleringszorg in de afgelopen periode. De gestelde doelen zijn in grote mate behaald, er zijn geen grote problemen bekend met de inzameling van stedelijk afvalwater en hemelwater, en het transport van afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI) verloopt goed. De kwaliteit van de riolen is onderzocht door inspecties. Waar nodig zijn maatregelen getroffen: reiniging, verwijdering van wortels, relining en vervanging zijn uitgevoerd. Er zijn weinig klachten.

 

De aanleg van een bergbezinkbassin en berging aan de Molenweg is uitgesteld in verband met de aanleg van de Randweg om Nederweert. Het afkoppelen bij reconstructies is niet uitgevoerd door vertraging in uitvoering of door noodzakelijk archeologisch onderzoek en verontreiniging in de bodem. Gemalen die nog in goede staat zijn, zijn niet gerenoveerd.

 

Het functioneren van de riolering én het aangesloten oppervlak hebben we gedetailleerd onderzocht, samen met Weert is een Optimalisatiestudie uitgevoerd om het functioneren van riolering en rioolwaterzuiveringsinstallatie optimaal op elkaar af te stemmen. We voldoen nagenoeg aan de eisen van de basisinspanning en liggen op schema met de maatregelen om aan de Kaderrichtlijn Water te voldoen. Het gebied Pannenweg voldoet nog niet geheel, dat wordt opgepakt bij de revitalisering van dit bedrijventerrein in 2025.

In het buitengebied komt bij langdurige en hevige neerslag overlast voor. De oplossing hiervan heeft een relatie met maatregelen in het kader van Waterbeheer 21e eeuw die we samen met het Waterschap oppakken.

Bij nieuwbouw infiltreren we waar mogelijk het hemelwater en houden we het hemelwater zoveel mogelijk in het gebied vast met een mix van IT-riolen en oppervlakteberging. In de Pannenweg hebben we blusvijvers. Daarmee voeden we blusriolen en besparen zo op de inzet van drinkwater.

 

De samenwerking met de Limburgse Peelenpartners kost veel tijd, maar levert ook veel op. We voeren meer onderzoek uit waardoor we beslissingen beter kunnen onderbouwen. De uitkomsten van onderzoek moeten we implementeren.

 

De rioolheffing heeft zich ontwikkeld conform de geactualiseerde planning. Dat betekent dat we nu een lagere kostendekkende rioolheffing hebben dan in 2009 werd voorzien (bedragen prijspeil 2016):

Wanneer berekend

prijspeil

rioolheffing

prijspeil

rioolheffing

GRP 2009

2009

267,-

2016

279,-

GRP notitie 2012

2012

212,-

2016

217,-

Actualisatie 2014

2014

212,-

2016

213,-

 

2.2 Wat nemen we mee voor de komende planperiode

De problemen die we zien met riolering hebben sterk te maken met de leefomgeving. Riolering veroorzaakt een ongewenste invloed op de oppervlaktewateren, wat niet goed is voor het milieu. En de riolering kan de zwaarder wordende regenbuien niet goed verwerken, waardoor er vaker water op straat staat. Oplossingen voor deze problemen moeten worden gezocht in een integrale aanpak van de leefomgeving, waarbij riolering, wegen, groen en RO een belangrijke rol spelen. Hier is de komende jaren meer aandacht voor nodig.

We moeten meer gaan samenwerken op operationeel niveau, ook om de kwetsbaarheid van onze organisatie te verkleinen. Te denken is aan het gemalenbeheer en gegevensbeheer. We gaan meer gebruik maken van elkaars specialismen.

3 Wat willen we

3.1 Inleiding

Van oudsher was de bescherming van de volksgezondheid de belangrijkste functie van de riolering. Door verschillende deskundigen in binnen- en buitenland wordt de aanleg van riolering zelfs gezien als de grootste bijdrage aan de volksgezondheid van de afgelopen eeuw. In de loop der jaren zijn ont- en afwatering van het stedelijk gebied om de leefbaarheid te verbeteren en de bescherming van het milieu daarbij gekomen. Daarbij voeren we goed rentmeesterschap door efficiënt en effectief te werken.

 

Binnen het samenwerkingsverband waterketen Limburgse Peelen hebben we een gezamenlijk beeld geschetst voor de toekomst van de waterketen in dit gebied. Dit beeld is weergegeven in het Waterketenplan. In de volgende hoofdstukken worden de ambitiebesluiten uit het Waterketenplan vertaald naar onze eigen gemeente.

 

3.2 Ambities Waterketenplan

In het Waterketenplan hebben we ambities opgenomen. Deze ambities zijn leidend voor de het beheer van de waterketen in de komende jaren en dus ook bepalend voor de richting van ons GRP. De ambities zijn hieronder cursief aangegeven, daaronder staat een korte lokale toelichting.

 

3.2.1 De ambities “Samenwerken”

Samenhang in de waterketen is het vertrekpunt voor samenwerking. Gemeenten, waterschap en WML zijn gelijkwaardige partner. Inbreng van burgers en bedrijven is van belang, ook is een goede samenwerking met Provincie en Rijkswaterstaat nodig. Samenwerking heeft kostenbesparing tot doel, en moet leiden tot verhoogde kwaliteit en verminderde kwetsbaarheid. Een kostenbesparing van tenminste 12,6% (streefwaarde Bestuursakkoord Water) is reeds ingeboekt daarom ligt nu de nadruk op het zichtbaar maken van de besparing.

 

Een van de drie doelen van samenwerken is de kostenbesparing. De afgelopen periode is al veel bereikt, zoals ook al aangegeven in de GRP-notitie van 2013. Er is aanzienlijk bespaard op de uitgaven waardoor de ontwikkeling van de rioolheffing een stuk lager is geweest dan eerder werd gedacht: in 2016 is de berekende rioolheffing 21% lager dan in 2009 werd voorzien.

 

Het is niet mogelijk om de onderwerpen water, riolering, watersysteem, leefomgeving en ruimtelijke ordening los van elkaar te zien. Ingrepen in het ene systeem zullen effect hebben in de andere systemen. Grote keuzes die worden gemaakt worden daarom overlegd en afgestemd met de belangrijkste betrokkenen.

 

Wij kijken verder dan de plek waar het water de gemeentegrens passeert en nemen niet alleen het riool mee in onze keuzes. Als er door ons handelen een vervolgeffect te verwachten is buiten de gemeentegrens, dan nemen we dit mee in onze overwegingen.

 

Samenwerking met andere sectoren is van wezenlijk belang om de effecten van klimaatverandering het hoofd te kunnen bieden. We zullen in het beginstadium van ruimtelijke ontwikkelingen de plaats voor water moeten veiligstellen om ook in de toekomst droge voeten te kunnen houden. Ook om doelmatig te kunnen werken en overlast tijdens werkzaamheden zoveel mogelijk te beperken, is samenwerking met andere sectoren van wezenlijk belang.

 

Betrokken partners delen elkaars kennis en kunde, wat uiteindelijk leidt tot een meer gespecialiseerd en minder kwetsbaar personeelsbestand voor de gehele Limburgse Peelen. Dit geldt ook voor operationele taken.

Met een eerlijke verrekening van inzet en kosten wordt ervoor gezorgd dat (operationele) werkzaamheden kunnen worden gebundeld tot een specialistisch werkpakket. Om kwetsbaarheid te verminderen proberen we functies zoveel mogelijk te “dubbelen”.

 

Door de samenwerking binnen Limburgse Peelen kunnen we gebruik maken van elkaars kennis en kunde. Daardoor hoeven we binnen onze gemeente niet alle kennis in huis te hebben, en kunnen wij onze specialismen ook inzetten voor de andere partners. Hierdoor worden we minder kwetsbaar en neemt de kwaliteit van de waterketenzorg toe.

Wij zetten ons in om de samenwerking Limburgse Peelen optimaal te laten functioneren. Als er kansen zijn om werkzaamheden beter te verdelen, dan werken wij met een positieve insteek mee aan de uitwerking en uitvoering van een plan hiervoor.

 

Uitgaande van de steeds nauwere samenwerking, wordt door betrokken partijen besloten dat de financiële uitgangspunten van de gemeenten zoveel mogelijk gelijk moeten zijn, wat overigens niet betekent dat elke gemeente ook een gelijke heffing krijgt.

 

Harmonisatie van financiele uitgangspunten mag niet ten koste gaan van de gemeentelijke autonomie. De huidige verschillen in begrotingsstructuur en financiele uitgangspunten staan benchmarking en daarmee het van elkaar leren in de weg. Daarom is harmonisatie belangrijk.

We zijn dus open over onze financiële uitgangspunten en trekken de uitgangspunten gelijk als dit geen verregaande gevolgen voor ons heeft.

 

3.2.2 De ambities “Drinkwater”

Om de beschikking te hebben over voldoende en veilig drinkwater, beschermen we de bronnen voor ons drinkwater: het oppervlaktewater en het grondwater in de waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. Waar nodig beperken we de activiteiten met verontreinigingsrisico voor de ondergrond en zorgen we ervoor dat schadelijke stoffen niet in de bodem komen. We voorkomen zoveel mogelijk de nadelige beïnvloeding van de beschikbare hoeveelheden grondwater en de kwaliteit daarvan. Door grondwatergegevens te monitoren houden we zicht op de beschikbare hoeveelheden en de kwaliteit, we grijpen in als dat nodig en mogelijk is.

Negatieve beïnvloeding van de oppervlaktewaterkwaliteit als bron voor ons drinkwater proberen we vanuit de waterketen zoveel mogelijk te voorkomen.

 

Als gemeente hebben we invloed op de grondwaterkwantiteit en –kwaliteit. Samen met WML en andere partijen werken we aan een optimale grondwatersituatie, waardoor overlast voor onze inwoners zoveel mogelijk wordt voorkomen en zo nodig doelmatig kan worden bestreden. Ook ons oppervlaktewater is een belangrijke grondstof voor drinkwater. We proberen ongeoorloofde lozingen op dat oppervlaktewater te voorkomen, ieder vanuit onze eigen verantwoordelijkheid.

 

3.2.3 De ambities “Stedelijk afvalwater”

Door betrokken partijen wordt afvalwater beschouwd als een potentiële bron van water, energie en grondstoffen, ons beleid wordt hierop afgestemd. Innovatie is nodig om het maximale uit ons afvalwater te halen.

We gaan werken aan het klimaatneutraal maken van onze waterketen.

 

Een duurzame waterketen is in het belang van ons allemaal. In afvalwater zitten stoffen die bij vergisting biogas kunnen opleveren. Ook is het afvalwater "warm", die warmte kunnen we er misschien uithalen en weer gebruiken. Om terugwinning van nuttige stoffen uit afvalwater mogelijk te maken, moeten we het zo min mogelijk vermengen met relatief schoon hemel- en grondwater. Die afvalwaterstromen gaan we scheiden als we riolering toch gaan aanpakken.

Door als het niet nodig en doelmatig is niet al het (afval)water naar de centrale rioolwaterzuiveringsinrichting te transporteren, kunnen we water in ons gebied houden. Dat kan een bijdrage leveren aan de verdrogingsbestrijding.

 

Betrokken partijen zijn het erover eens dat negatieve effecten van afvalwater niet worden afgewenteld. We nemen hierin ieder onze verantwoordelijkheid en geven gezamenlijk invulling aan het ambitiedocument ‘Van helder naar schoon water’.

Op de lange termijn vinden nagenoeg geen overstorten vanuit het riool meer plaats op oppervlaktewateren. Voor de korte en middellange termijn (tot 2027) is een ‘tussendoel’ opgesteld dat is afgestemd op de kwetsbaarheid van de aquatische levensgemeenschappen in het watersysteem. Hiertoe worden de benodigde KRW-rioleringsmaatregelen voor 2027 gerealiseerd en verbeteren we het effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) zodat in 2027 de effluentlozingen zijn afgestemd op de doelstellingen conform de KRW en draagkracht van het ontvangende oppervlaktewater.

 

Wij hebben allemaal voordeel bij schoon water. We beperken de overstortingen zoveel mogelijk, zonder de volksgezondheid uit het oog te verliezen.

 

3.2.4 De ambities “Zuivering van stedelijk afvalwater”

We ondersteunen waar nuttig en doelmatig initiatieven om afvalwater op kleine schaal te zuiveren, als bestrijding bij de bron (bijvoorbeeld bij een ziekenhuis) en om water in ons gebied te houden.

 

Het wordt ook steeds droger en dus is het belangrijk om water vast te houden waar het valt. Het niet per definitie transporteren van al het water naar de zuivering past daarin.

 

3.2.5 De ambities “Hemelwater”

Burgers en bedrijven hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het hemelwater dat op eigen terrein valt, de gemeente voor het hemelwater op openbaar gebied. De gevolgen van klimaatverandering (overlast en droogte) vangen we op door robuuste systemen aan te leggen, waarbij zowel ondergronds als bovengronds meer ruimte wordt gemaakt voor water. Burgers en bedrijven doen dat, als dat redelijkerwijs mogelijk is, óók op eigen terrein.

Voor een robuust systeem moet het hemelwater zoveel mogelijk binnen de wijk (of binnen het gebied) worden verwerkt en vastgehouden. Gemeente, burgers en bedrijven spannen zich hier vanuit hun eigen verantwoordelijkheid gezamenlijk voor in. Daarbij geldt eerst overtuigen, daarna pas afdwingen.

 

Het gaat harder regenen. Daarom moeten we op termijn de riolering anders inrichten: niet al het regenwater kan ondergronds worden afgevoerd, ook de bovengrondse ruimte hebben we daarvoor nodig. Daar houden we nu al rekening mee. Daarbij komt dat we geen problemen naar de toekomst willen afwentelen. Bij werkzaamheden kijken we uitdrukkelijk naar duurzaamheidsaspecten en energiebesparingsmogelijkheden.

Burgers en bedrijven hebben in de verwerking van hemel- en grondwater een eigen verantwoordelijkheid (gescheiden aanleveren bij de perceelsgrens, afkoppelen, infiltreren of vasthouden van hemelwater). Dat is in de wet ook zo aangegeven. We stellen hiervoor nu nog geen hemel- en grondwaterverordening op, maar proberen eerst door voorlichting en overtuiging burgers en bedrijven mee te krijgen. “Waterklaar” speelt in de communicatie een belangrijke rol. Naar verwachting wordt in 2018 de nieuwe Omgevingswet van kracht. De gevolgen voor ons hemel- en grondwaterbeleid moeten we onderzoeken.

 

3.2.6 De ambities “Grondwater”

Het zo natuurlijk mogelijk beheren van grondwater is een gezamenlijke uitdaging. Burgers en bedrijven hebben in eerste instantie de verantwoordelijkheid voor hun eigen perceel en bebouwing.

Voldoende en schoon grondwater is nodig voor de natuur, landbouw en drinkwaterwinning. Potentiële bronnen van verontreiniging worden daarom kritisch bekeken en zoveel mogelijk verminderd. Ook wordt voorkomen dat er tekorten aan grondwater ontstaan. Ondertussen kan een teveel aan grondwater weer tot overlast leiden, dit is niet wenselijk. Samen met inwoners en bedrijven zorgen de betrokken partijen, ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid, voor een goede balans.

 

Voor burgers en bedrijven geldt hier hetzelfde als bij hemelwater.

 

3.2.7 De ambities “Oppervlaktewater”

Gemeenten en waterschap zijn van elkaar afhankelijk om voldoende oppervlaktewater van goede kwaliteit te hebben, zowel binnen als buiten bebouwd gebied. Dit bereiken we door doelmatig beheer van zowel het water en de waterbodem als door het beperken van ongewenste lozingen op het oppervlaktewater zoals riooloverstortingen.

We zetten ons in om onze gezamenlijke ambitie “Van helder naar schoon water” te realiseren en zorgen dat onze KRW-opgaven voor 2027 zijn gerealiseerd.

 

Samen zetten we ons in - om ieder vanuit onze eigen verantwoordelijkheid - de gewenste bescherming tegen wateroverlast vanuit beken en buffers voor onze inwoners, bebouwing, landerijen en infrastructuur voor 2021 grotendeels te realiseren.

 

Binnen de ruimtelijke ontwikkeling van (stedelijke) gebieden is de relatie met de watercomponent ook voor deze opgaven van evident belang. Water krijgt zijn eigen plaats in de ruimtelijke ordening, we benutten de kansen die dit met zich meebrengt.

 

3.3 Doelen, functionele eisen, maatstaven en meetmethoden

We hebben riolering aangelegd om:

  • a.

    de volksgezondheid te beschermen;

  • b.

    droge voeten te houden en

  • c.

    een goede leefomgeving te bevorderen.

Vanuit de visie, ambities en de geformuleerde uitgangspunten in het Waterketenplan, beschrijven we de doelen voor de rioleringszorg. Door aan deze doelen functionele eisen en maatstaven te koppelen maken we de rioleringszorg toetsbaar.

Figuur 3‑1: Toetsingskader

 

Binnen de (brede) gemeentelijke rioleringszorg kennen we de volgende doelen:

  • 1.

    Zorgen voor inzameling van stedelijk afvalwater.

  • 2.

    Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater.

  • 3.

    Zorgen voor inzameling van hemelwater (voor zover niet door de particulier).

  • 4.

    Zorgen voor verwerking van ingezameld hemelwater.

  • 5.

    Zorgen dat (voor zover mogelijk) het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert.

Met behulp van de Leidraad Riolering hebben we een set van functionele eisen, maatstaven en meetmethoden opgesteld waaraan de riolering dient te voldoen. Ook hebben we een aantal voorwaarden aangegeven, die nodig zijn om effectief te kunnen sturen. Ze zijn opgenomen in de bijlagen.

4 Wat hebben we nu

4.1 Aanwezige voorzieningen

Binnen onze gemeente ligt veel riolering, zie Tabel 4 A.

 

Tabel 4‑A Kenmerken riolering

Onderdeel

aantal

eenheid

Onderdeel

aantal

eenheid

Vrijvervalriolering

km

Bergbezinkvoorzieningen

9

stuks

- gemengd

107

km

IBA’s in eigen beheer

0

stuks

- DWA

41

km

Gemalen

37

stuks

- HWA

20

km

Drukrioleringunits

153

stuks

- overig

5

km

Druk-/persleiding

68

km

 

Vrijvervalriolering is het meest omvangrijke onderdeel van de riolering. Het grootste deel is gemengde riolering, ongeveer 63%. Vanaf de jaren ’90 werd steeds meer gescheiden riolering aangelegd. 13% van de vrijvervalriolering is vóór 1970 aangelegd. Onze riolering is gemiddeld 25 jaar oud.

 

Figuur 4‑1 Aanlegperioden vrijvervalriolering

 

Gedetailleerde informatie over de lay-out van de stelsels is opgenomen in het rioleringsbeheersysteem en vastgelegd in de hydraulische berekeningen en basisrioleringsplannen (BRP), waaronder de stelselgegevens en gegevens van de overstorten van waaruit (incidenteel) wordt geloosd. Wijzigingen t.o.v. de situatie in de BRP’n zullen met de betreffende waterbeheerder worden overlegd.

 

4.2 Toestand van de riolering

Vrijvervalriolering

Het vrijvervalstelsel is in goede staat. Elk jaar wordt ongeveer 1/10e van het rioolstelsel gereinigd en geïnspecteerd. De inspecties worden uitgevoerd en beoordeeld volgens de NEN-normen. Op basis van de beoordelingen wordt een maatregelenpakket opgesteld dat aangeeft welke maatregel (reparatie, renovatie of vervanging) wordt toegepast en wanneer dit gebeurt. De afgelopen jaren bleken er weinig reparaties en renovaties nodig te zijn.

 

Aandachtspunt is dat de hoeveelheid te vervangen en renoveren vrijvervalriolen steeds groter wordt, na 2021 komt een eerste vervangingspiek.

 

Gemalen en drukrioolunits

Elk gemaal wordt 2x per jaar gereinigd en geïnspecteerd, elke drukrioolunit wordt 1x per jaar gereinigd en geïnspecteerd. Op basis van de inspectie wordt beoordeeld welke onderdelen moeten worden vervangen. Indien meerdere en omvangrijke onderdelen aan vervanging toe zijn, wordt besloten om het gemaal of de drukrioolunit volledig te vervangen. De toestand van de gemalen en drukrioolunits is zoals verwacht.

 

Persleidingen en drukleidingen

De pers- en drukleidingen worden op dit moment correctief onderhouden. Dit betekent dat er onderzoek en onderhoud plaatsvindt zodra er aanleiding toe is. Een verminderd functioneren van de gemalen en drukrioolunits kan bijvoorbeeld zo’n aanleiding zijn. Er bestaan beperkte mogelijkheden om pers- en drukleidingen te inspecteren, omdat inspectie aan de binnenkant van de buis meestal weinig zekerheid geeft.

 

4.3 Hoe functioneert de riolering

4.3.1 Hydraulisch

In 2007 is een afkoppelplan gemaakt, in 2009/2010 zijn Optimalisatiestudies (OAS) Weert en Roermond uitgevoerd. Er zijn nog geen afstromingskaarten van onze gemeente.

Als er een bui valt die zwaarder is dan onze ‘toetsbui’ (bui 08 uit de Leidraad Riolering, een bui die volgens statistische gegevens uit de jaren ’50-’70 eens in de twee jaar valt), dan blijft er op sommige plaatsen water op straat staan, maar dat levert geen of nauwelijks schade op. Water op straat (hinder) gaat er door de klimaatverandering bij horen en vinden we acceptabel, mits het geen grote overlast en schade oplevert.

 

4.3.2 Milieutechnisch

Bij de Optimalisatiestudies (OAS-en) is het rioolstelsel ook getoetst op de basisinspanning. Dit was een landelijke norm voor de hoeveelheid vuil die uit het riool mag worden gestort in het oppervlaktewater. Uit deze toetsing bleek dat op een aantal locaties maatregelen moesten worden getroffen. Dit betreft het gebied Pannenweg lozend op de Zuid-Willemsvaart (Rijkswater). Van het gebied “de Molenweg” is niet duidelijk of deze voldoet aan de basisinspanning.

 

Inmiddels is de kijk op de vuiluitworp veranderd. Het gaat niet meer op de hoeveelheid vuil die uit het riool komt, maar om de hoeveelheid vuil die het ontvangende water aan kan zonder ernstige gevolgen voor het milieu. In de OAS-en is hiernaar gekeken. Over het algemeen geldt dat brede, snelstromende oppervlaktewateren meer vuil kunnen verwerken dan smalle, langzaam stromende wateren. Op een aantal plaatsen moeten aanvullende maatregelen worden getroffen.

 

4.3.3 Klachten en meldingen

Jaarlijks ontvangen we via het meldpunt Openbare Ruimte jaarlijks circa 5 klachten, veelal over wateroverlast en stankoverlast. Deze hebben meestal te maken met verstopte kolken, water op straat na een regenbui en stankklachten na een overstorting. Daarnaast komen er jaarlijks circa 350 meldingen binnen van verstoppingen van kolk- en huisaansluitleidingen, storingen bij gemalen, defecte putdeksels, wortelingroei, etc. Indien mogelijk wordt hier zo snel mogelijk actie op ondernomen.

 

4.4 Grondwater

Op de meeste plekken in onze gemeente ligt het grondwater op meerdere meters onder het maaiveld. Er komen verschillende grondsoorten voor (zand, klei en klei met leemlagen), waarvan sommige weinig waterdoorlatend zijn. Over het algemeen zijn er weinig problemen met grondwater.

 

4.5 Oppervlaktewater

Binnen onze gemeente liggen verschillende watergangen en bergingen die belangrijk zijn voor de berging en afvoer van hemelwater. De belangrijkste oppervlaktewateren zijn in bezit van het waterschap, ook zijn een aantal ons eigendom. Er is een zeer beperkt onderhoudsplan voor onze oppervlaktewateren. Uitbreiding hiervan is nodig omdat de oppervlaktewateren door de klimaatverandering steeds belangrijker worden voor de afvoer van hemelwater. In het buitengebied kunnen de watergangen bij langdurige en/of hevige regen het water niet snel genoeg afvoeren, de oorzaak hiervan is niet altijd even duidelijk. Het waterschap is verantwoordelijk voor de maatregelen in het kader van Waterbeheer 21e eeuw, we zijn in overleg met het waterschap om oplossingen voor de problemen te vinden.

 

4.6 Verordeningen en vergunningen

4.6.1 Vergunningen Wet milieubeheer / Wabo

Lozingen van afvalwater op de riolering (indirecte lozingen) worden geregeld op basis van de Wet milieubeheer (Wm) / Waterwet / Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de AmvB’s voor lozingen. De vergunningverlening van omgevingsvergunningen en algemene regels hebben we ondergebracht bij de afdeling dienstverlening, team Ruimte en Wonen. Toezicht en handhaving van vergunningen en algemene regels is ondergebracht bij de afdeling Bedrijfsvoering, team Algemene, juridische en bestuurlijke zaken. De milieu-inspecteurs bezoeken met een zekere regelmaat de bedrijven.

 

4.6.2 Verordeningen en regels

Momenteel zijn op rioleringsgebied de volgende verordeningen van kracht

  • o

    Verordening Rioolheffing 2016;

  • o

    Verordening Rioolaansluitrecht 2016.

Bij nieuwbouw of grootschalige aanpassingen moet een watertoets worden overlegd. Hierbij geldt dat op eigen terrein forse neerslaghoeveelheden moet kunnen worden geborgen. In de bijlagen zijn de regels hiervoor opgenomen.

Ook zijn er gemeentelijke regels voor het omgaan met verstoppingen. Deze staan op onze website.

5 Wat gaan we doen

5.1 Aanleg

We sluiten alle nieuwbouw in de kernen aan op de riolering. In nieuwbouwgebieden wordt stedelijk afvalwater en hemelwater gescheiden.

Voor nieuwbouwlocaties ontwerpen we riolering volgens de laatste stand der techniek, in overleg met Waterschap en/of Rijkswaterstaat. Nieuwe plannen worden op wateraspecten getoetst door de watertoets. De trits “vasthouden-bergen-afvoeren” is hierbij leidend.

Dat betekent ook dat in nieuwe plannen voldoende ruimte moet worden gereserveerd voor het vasthouden en bergen van water, de zogenaamde “blauwe ruimte”. Om dit te waarborgen, moet Water vanaf het beginstadium van planontwikkelingen worden betrokken (voor de bestemmingsfase).

 

In het buitengebied wordt van nieuwe panden alleen vuilwater aangesloten op de (druk)riolering (dus geen hemelwater).

 

De aanvrager betaalt kosten voor het aansluiten van nieuwe percelen binnen en buiten de bebouwde kom (Verordening Rioolaansluitrecht 2016).

In Nederweert zijn regels voor het afkoppelen/infiltreren van hemelwater bij bouwplannen en planontwikkeling van kracht (B&W voorstel B&W-13-03396 d.d. 1- december 2013).

In geval van (kleinschalige) nieuwbouw, bij bestemmingsplan wijziging, dienen de woningen verplicht op de riolering aan te sluiten. Daarbij wordt uitgegaan van een gescheiden stelsel met infiltratie van hemelwater op eigen erf of een gelijkwaardig alternatief. Ook hier zal bij het ontwerp en de aanleg rekening worden gehouden met een duurzame oplossing voor de verwerking van het hemelwater.

De aanleg van voorzieningen bij nieuwbouwlocaties wordt in principe bekostigd uit de grondexploitatie. Deze kosten zijn in het GRP buiten beschouwing gelaten. Beheer van deze voorzieningen is wel meegenomen.

 

De gegevens van aangelegde riolering nemen we op in het rioleringsbeheersysteem.

 

5.2 Onderzoeken

Samen met de partners van de Limburgse Peelen voeren we alle onderzoeken uit. We hebben afgesproken dat we in principe alles gezamenlijk uitvoeren, tenzij het onderzoek niet voor iedereen nuttig is. Het overzicht van gezamenlijke onderzoeken staat in het Waterketenplan.

 

Samengevat voeren we de volgende onderzoeken gezamenlijk uit:

  • Speerpunt 1 Klimaatadaptatie: klimaatstresstesten, bepalen locaties wateroverlast en watertekorten, relatie met ruimtelijke ordening en inrichting openbare ruimte;

  • Speerpunt 2 Gegevensbeheer, meten en monitoren en berekenen: databeheer, grondwatermeetnet, monitoring en analyse gegevens, herziening basisrioleringsplannen / optimalisatiestudies;

  • Overige aandachtspunten zoals: omgevingswet, businesscase operationeel beheer, communicatie, innovatie.

De kosten van deze gezamenlijke onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen bij dit GRP en worden verdeeld volgens de afspraken in het (hernieuwde) samenwerkingsconvenant.

 

Daarnaast zijn er ook onderzoeken die we individueel uitvoeren. Deze zijn opgenomen in Tabel 5 A. Onder de tabel staat een korte uitleg bij enkele onderzoeken.

 

Tabel 5 A Onderzoeken 2017-2021

Onderzoek

Periode

Kostenraming

O1) Afkoppelplan Ospel

2017

€ 10.000,-

O2) Onderzoek Molenweg

2017

€ 10.000,-

O3) Actualiseren riooldata en verhard oppervlak

2017

€ 20.000,-

O4) Lokale invulling klimaatstresstesten

2018

€ 25.000,-

O5) Onderzoek kwaliteit oude riolering

2021

In exploitatie

O6) Onderzoek innovaties waterketen

2017-2018

PM

 

O1) Afkoppelplan Ospel

In Ospel liggen kansen voor afkoppelen. Om te bepalen waar we dat het beste kunnen doen, laten we in 2017 een afkoppelplan opstellen.

 

O2) Onderzoek Molenweg

Voor de omgeving Molenweg zijn nog maatregelen nodig voor de basisinspanning en Kaderrichtlijn Water (bergbezinkbassin). De aanpak van de problemen wordt gecombineerd met werkzaamheden in het kader van de rondweg (werk met werk maken). Hoe we dit precies kunnen doen moet worden onderzocht.

 

O3) Actualiseren riooldata en verhard oppervlak

Voor het goed beheren van onze data verwerken we regelmatig alle aanpassingen aan onze riolering, controleren we af en toe de correctheid van data, voegen we nieuw beschikbare data toe en kalibreren we databestanden met behulp van meetgegevens. Dit doen we deels zelf en besteden we deels uit.

In afwachting van de uitkomsten van de gezamenlijke onderzoeken en projecten hebben we databeheer ook opgenomen als individueel onderzoek. Het beschikken over actuele data en het bijhouden is immers belangrijk voor de onderbouwing van goede beslissingen. De komende jaren hebben we een inhaalslag te maken, vooral als het gaat om de actualisatie van verhard oppervlak.

 

O4) Lokale invulling klimaatstresstesten

In Limburgse Peelen voeren we onderzoek uit naar de effecten van klimaatverandering en de maatregelen die we hiertegen kunnen treffen. De resultaten van dit onderzoek moeten ook in Nederweert worden toegepast. Bij nieuwe berekeningen gaan we uit van de verwachtingen rondom klimaatverandering. De effecten hiervan op het stedelijk gebied worden steeds meer zichtbaar. Hevigere buien kunnen niet alleen meer worden verwerkt door de riolering. De kwetsbare locaties in onze gemeente maken we zichtbaar met klimaatstresstesten.

 

Door het maken van afstromingskaarten kunnen we zien waar het water via de bovengrond naar toe stroomt. Dit wordt uitgevoerd bij het klimaatstresstestonderzoek Eiland van Weert en betaald door de Provincie. We zullen de bovengrond zo moeten inrichten dat we het hemelwater bij hevige buien afvoeren naar plaatsen waar het zo min mogelijk overlast en/of schade oplevert.

 

O5) Kwaliteit oude riolering

Aan het eind van de planperiode doen we een onderzoek naar de kwaliteit van de oudere riolering omdat die volgens de levensduur vanaf 2024 aan vervanging toe zou zijn. Met de uitkomsten van dit onderzoek bepalen we of maatregelen daadwerkelijk nodig zijn.

 

O6) Innovaties waterketen

Samen met een aantal andere partijen wordt de komende jaren onderzocht welke innovaties te verwachten zijn in de waterketen. Vragen die spelen zijn: gaan we de huidige riolering op langere termijn nog wel vervangen, hoe gaan we de grondstoffen in het afvalwater “verwaarden”, welke technieken komen er op ons af?

 

5.3 Maatregelen

Ook maatregelen gaan we in toenemende mate binnen de samenwerking Limburgse Peelen oppakken. Vooral het planmatige onderhoud zal binnen enkele proefprojecten meer gezamenlijk worden uitgevoerd. Omdat op dit moment nog onduidelijk is wie er aan deze proefprojecten meedoen, zijn alle onderhoudswerkzaamheden nog wel individueel benoemd.

 

Onderhoud

De meeste onderhoudswerkzaamheden zijn uitbesteed. Dit betekent dat de werkzaamheden worden uitgevoerd door ingehuurde bedrijven. Wij geven bij deze bedrijven aan wat er moet gebeuren en wanneer dit nodig is. Waar mogelijk baseren we het op planningen, maar we kijken ook naar meldingen van inwoners en ervaring uit het verleden.

 

Tabel 5-B Onderhoud 2017-2021

Onderhoud voor

Wat gebeurt er

Frequentie

vrijvervalriolering

reiniging

1x per 10 jaar

inspectie

1x per 10 jaar

verstoppingen verhelpen

na melding

gemalen

reiniging

2x per jaar

inspectie

1x per jaar

storingen verhelpen

na melding

drukriolering

reiniging

1x per jaar

inspectie

1x per jaar

storingen verhelpen

na melding

persleidingen

correctief

bij gebreken

 

Het maandelijks vegen van straten zorgt ervoor dat er onder andere voor dat minder vuil in kolken en riolen terechtkomt. Dit voorkomt ook verstoppingen en hogere reinigingskosten van de hoofdriolering. Als er minder geveegd zou worden, zouden de kolken met een hogere frequentie moeten worden gereinigd dan nu het geval is en zouden we meer kosten maken voor reiniging van de hoofdriolering. Daarom rekenen we 50% van de maandelijkse veegkosten toe aan riolering .

Om de afwatering te garanderen en ook hier om verstopping van kolken te voorkomen dient handmatig extra blad geruimd in bepaalde straten in een korte periode in de herfst. Deze kosten komen voor 100% ten late van de riolering.

In totaliteit bedragen de kosten ten laste van de exploitatie riolering € 19.400 + €7.500 = € 26.900 (67221071 rioolonderhoud en straatvegen).

 

Vervanging en renovatie

Om te bepalen of een onderdeel moet worden vervangen of gerenoveerd, kijken we naar de toestand van het onderdeel zelf, plannen voor de aansluitende onderdelen en plannen in de omgeving van het onderdeel. Binnen de samenwerking Limburgse Peelen hebben we in 2012 een strategie afgesproken over het plannen van vervanging en renovatie, deze strategie hebben we voor Nederweert aangepast. We gaan er van uit dat we van alle betonnen riolen met een diameter van 250 mm en groter 50% relinen. Riolen van kunststof en infiltratieriolen relinen we niet.

 

Een deel van de riolering wordt niet vervangen maar gerelined. Er is van uitgegaan dat 50% van de betonnen riolering van 300 mm en groter niet wordt vervangen, maar wordt gerelined. De kosten van relinen zijn aangenomen op 40% van de vervangingskosten.

 

Voor de komende planperiode hebben we geen vervanging en renovatie van vrijvervalriolering gepland. Vanaf 2022 neemt de verwachte lengte te vervangen/renoveren vrijvervalriolering toe. Daarvoor is vanaf 2022 tot 2040 een bedrag geraamd van bijna € 600.000 per jaar. Naar verwachting zal het aantal meter te vervangen en te renoveren riool daarna toenemen.

 

Figuur 5-1 Budget voor vervangen en relinen vrijvervalriolen

 

We verwachten in de komende planperiode 3 gemalen mechanisch/elektrisch te moeten vervangen/renoveren. Bij de drukriolering is bij ruim 100 pompunits op basis van leeftijd renovatie/vervanging van de mechanische en elektrische delen te verwachten. Hiervoor is gedurende de planperiode een bedrag van € 500.000,- geraamd.

 

Figuur 5-2 Budget voor vervangen bouwkundige en mechanisch-elektrische delen gemalen

 

We verwachten de komende jaren geen vervanging/renovatie van pers- en drukleidingen.

 

Figuur 5-3 Budget voor vervangen persleidingen

 

5.4 Hydraulische-, milieu- en hemelwatermaatregelen

In de planperiode is een aantal maatregelen opgenomen afkomstig uit de optimalisatiestudie (OAS). Om het gebied Pannenweg aan de basisinspanning te laten voldoen, hebben we in 2025 maatregelen opgenomen, gekoppeld aan de herinrichting van dit gebied. Het gebied de Molenweg zal verder onderzocht worden bij het project meetplan van de samenwerking Limburgse Peelen, in 2019 is de aanleg van een bergbezinkbassin en berging voor het gebied Molenweg opgenomen.

Opgemerkt wordt dat nieuwe kwetsbaarheidsaanduiding vanuit het waterschap voor kwetsbare watergangen kan leiden tot wijzigingen in de maatregelen aan overstorten.

 

Basisrioleringsplan en het Besluit Lozen Buiten Inrichtingen

Het Basisrioleringsplan bevat het overzicht van lozingswerken (inclusief tekeningen) zoals bedoeld in het Ontwerpbesluit Lozen buiten Inrichtingen (BLBI) van augustus 2009. De Basisrioleringsplannen stellen we samen met de waterbeheerders op. In het Bestuursakkoord Waterketen van juli 2007 is afgesproken dat gemeente en waterbeheerders de afvalwaterketen (riolering en zuivering) beheren als ware het één systeem en als ware zij één verantwoordelijke partij. Dat houdt in dat de lay-out van het stelsel dat is afgesproken in het Basisrioleringsplan alleen wordt gewijzigd als de waterbeheerder het er mee eens is en vice versa. Met dit GRP verankeren we deze gedragsregel.

 

Afkoppelen

In Ospel zijn er kansen om oppervlakken af te koppelen naar openbaar groen en zo de gevolgen van de klimaatverandering aanpakken. In 2017 zetten we hiervoor (zoals eerder aangegeven) een plan op, daarna willen we dat gaan uitvoeren.

 

Als we reconstructies uitvoeren, koppelen we waar mogelijk het hemelwater af. We gaan de komende jaren door met afkoppelen in combinatie met andere werkzaamheden aan de riolering en de openbare ruimte.

Ook in het buitengebied gaan we afkoppelen in het kader van de KRW. We hebben voor de jaren 2017-2021 een bedrag van € 250.000 per jaar opgenomen. We beoordelen per project de doelmatigheid van afkoppelen.

 

In veel wijken ligt gemengde riolering, de overstortingen belasten de kwaliteit van het oppervlaktewater en er komt regelmatig wateroverlast voor. Afkoppelen vermindert het aantal overstortingen en vermindert ook de wateroverlast bij hevige neerslag.

Bij werkzaamheden nemen we de voorkant van de woningen mee. De achterkant laten we voorlopig zoals die is, behalve als die eenvoudig in het project zijn mee te nemen. Wel wijzen we onze inwoners en bedrijven op “Waterklaar” waarop veel informatie is opgenomen over de mogelijkheden voor particulieren om op eigen perceel maatregelen te treffen.

 

We volgen de lijn dat we eerst afkoppelen stimuleren. Sinds 2009 is er een bijdrageregeling beschikbaar. We stellen voor deze regeling voor heel Nederweert van toepassing te verklaren in verband met de klimaatadaptatie en KRW. De bijdrage is in 2009 vastgesteld op € 100,- per pand en € 3,60 per afgekoppelde m2 verhard oppervlak. De huidige regeling gaat over in de stimuleringsregeling die in Waterpanel-Noordverband is ontwikkeld. De gemeentelijke bijdrage van 50% kan worden bekostigd uit het budget voor afkoppelen. De looptijd van deze stimuleringsregeling is vooralsnog 4 jaar.

Als over twee jaar (2019) blijkt dat stimuleren onvoldoende effect heeft, gaan we over tot afdwingen door middel van een hemel- en grondwaterverordening. Als we afkoppelen gaan verplichten, geldt dat alleen als we dat ook redelijkerwijs kunnen vragen van de perceeleigenaren. Dat betekent dat afvoer naar oppervlaktewater en/of infiltratie op eigen terrein mogelijk moet zijn tegen redelijke kosten. Als dat niet het geval is, verlenen we ontheffing.

 

Van 2022 tot en met 2050 is afkoppelen gerelateerd aan de vervangingsactiviteiten. Hierbij is er van uitgegaan dat jaarlijks een toeslag van 15% nodig is bovenop de vervangingskosten. Bij relining vindt geen afkoppeling plaats.

 

Deze planperiode voeren we onderzoek uit naar de gevolgen van klimaatverandering en de manieren om, samen met de ontwerpers en beheerders van de openbare ruimte, de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Dat doen we samen met de partners in Limburgse Peelen.

Lokaal zullen we de uitkomsten implementeren. Dat betekent dat we onder andere afstromingskaarten voor onze gemeente zullen maken. Daarmee kunnen we precies zien waar het water bij hevige regen naar toe stroomt en wat we daaraan kunnen doen als dat ongewenst is.

 

5.5 Grondwater

Er bestaan binnen Nederweert geen acute grondwaterproblemen. Door de wettelijke inspanningsverplichting is het belangrijk om hier – op termijn – meer informatie over te vergaren. Gezamenlijk met onze samenwerkingspartners wordt daarom toegewerkt naar een grondwatermeetnet dat laat zien of er grondwaterproblemen bestaan, of ze kunnen worden opgelost en wie hiervoor verantwoordelijk is. Met het grondwatermeetnet kunnen we ook nagaan of afkoppelen invloed heeft op de grondwaterstand.

 

In het buitengebied van Ospel bevindt zich een waterwingebied, daarvoor zijn in het kader van dit GRP geen extra maatregelen nodig.

 

5.6 Oppervlaktewater

Om het hemelwater goed te kunnen afvoeren, moeten de sloten en watergangen in goede staat en schoon zijn. We gaan deze planperiode een onderhoudsplan opstellen om dat ook voor elkaar te krijgen. Dit doen we samen met waterschap Peel en Maasvallei. De consequenties nemen we mee bij de doorrekening van de rioolheffing in 2018.

 

5.7 Overleg, communicatie en afstemming

Om de rioleringszorg goed te laten verlopen is overleg, communicatie en afstemming nodig. Een groot deel van de beschikbare tijd is nodig om inwoners, collega’s, bedrijven en andere overheden uitleg te geven over de werking van de riolering, over verplichtingen van de gemeente en van andere partijen en over plannen die er bestaan voor aanpassingen.

 

Door deze uitleg te geven wordt veel waardevolle informatie ontvangen. Inwoners melden bijvoorbeeld verstopte kolken en niet goed functionerende riolen en gemalen. Gemeentelijke plannen stemmen we af met de plannen van andere overheden om zo een beter resultaat te bereiken tegen dezelfde kosten. De soms forse tijdsinvestering levert vaak meer op!

 

5.8 Risicobeheersing

Bij het opstellen van dit GRP zijn we uitgegaan van aannames en verwachtingen. Het is mogelijk dat er gebeurtenissen plaatsvinden waar we geen rekening mee hebben gehouden, dit zijn risico’s. We noemen hier de belangrijkste risico’s die wij zien, leggen uit waarom we er (nog) geen rekening mee houden en vertellen hoe we ermee omgaan als het risico werkelijkheid wordt.

 

Risico: een sterk toename van hevige buien

De laatste jaren is een stijgende lijn te zien in het aantal hevige buien (20 mm per uur en meer) dat over onze gemeente trekt. Het rioolstelsel is hier niet op ontworpen, waardoor de kans op wateroverlast toeneemt. Binnen de Limburgse Peelen gaan we hiermee aan de slag.

 

Als het aantal hevige buien snel toeneemt, zal aanvullend budget worden gevraagd aan de gemeenteraad om op de plekken waar het nodig is sneller maatregelen te treffen.

 

Risico: onvoldoende plek voor water in de openbare ruimte

Tijdens de hevige buien van afgelopen jaren bleek dat er niet overal voldoende plek is voor water in de openbare ruimte. Water stroomt van hoog naar laag, vaak zijn dat nieuwbouwwijken aan de buitenranden. De wegligging, bochten en drempels blijken bepalend in de plek waar het waar het water uiteindelijk ophoopt. Bij herinrichting van de openbare ruimte houden we rekening met het tijdelijk bergen van water op straat, of het wegleiden van het water naar een toepasselijke locatie. Bij alle wegen waar niet recent een herinrichting heeft plaatsgevonden, bestaat nog het risico dat er onvoldoende plek is voor water.

 

Bij herinrichtingprojecten onderzoeken we de mogelijkheden om water op straat te bergen of water via het oppervlak af te voeren. Op lange termijn wordt zo door de gehele gemeente in de openbare ruimte meer plaats gecreëerd voor water, we moeten daarom vanaf het beginstadium bij planontwikkelingen betrokken zijn. Op korte termijn wordt na een melding van wateroverlast gekeken of een aanpassing van de openbare ruimte nodig is. Realisatie daarvan kan enige tijd vergen, en dus kunnen overlast en schade nog steeds voorkomen.

 

Risico: een onverwachte verslechtering van de toestand van de riolering

De toestand van de riolering is in beperkte mate te voorspellen. Het is mogelijk dat bij een nieuwe rioolinspectie plotseling een groot deel van de riolering een slechtere staat heeft dan verwacht. Ook kan een riool instorten door de belasting van voertuigen op de weg erboven. Indien dit gebeurt, zal er meer moeten worden geïnvesteerd in rioolrenovatie en –vervanging.

 

Als het rioolstelsel plotseling sterk verslechterd, vragen we indien nodig aanvullend budget aan de gemeenteraad om op de plekken waar het nodig is het riool te renoveren of te vervangen.

 

Risico: tekort aan voldoende gekwalificeerd personeel

Een landelijke ontwikkeling is dat door vergrijzing het tekort aan voldoende gekwalificeerd personeel toeneemt. Ervaren oudere medewerkers vertrekken, zonder dat er voldoende gekwalificeerde medewerkers voor terugkomen. Als er onvoldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is, zal werk blijven liggen of met mindere kwaliteit worden uitgevoerd.

 

Als we problemen krijgen om voldoende gekwalificeerd personeel aan te trekken, dan starten we opleidingstrajecten en spreiden werkzaamheden meer in de tijd. Ook proberen we met de samenwerking in de Limburgse Peelen een oplossing te vinden.

 

Risico: onvoldoende of incorrecte gegevens

Bij het maken van plannen gaan we uit van de beschikbare gegevens. We beoordelen of dit voldoende en correcte gegevens zijn, indien nodig verzamelen we meer gegevens. Op basis van de verzamelde gegevens maken we keuzes en worden werkzaamheden uitgevoerd. Op verschillende plekken in het land is het al voorgekomen dat na uitvoering van het werk bleek dat gegevens toch onvoldoende of incorrect waren, waardoor beter een andere keuze kon worden gemaakt.

 

Databeheer krijgt uitgebreide aandacht tijdens de normale werkprocessen. Als blijkt dat toch keuzes zijn gebaseerd op onvoldoende of incorrecte gegevens zal dit – afhankelijk van de kostenconsequenties – worden gemeld aan collega’s, managers, college van B&W en/of de gemeenteraad.

 

5.9 Wat verwachten we van burgers en bedrijven

Perceeleigenaren hebben een belangrijke rol in de verwerking van hemelwater. Een groot deel van het stedelijk grondgebied is particulier bezit, wat betekent dat een groot deel van de neerslag op particulier terrein valt.

 

Wij kunnen als gemeente veel regelen en sturen in het functioneren van de riolering, maar kunnen niet alles zelf uitvoeren. Onze inwoners hebben ook een belangrijke invloed op het functioneren van de riolering en een verantwoordelijkheid als het gaat om de verwerking van hemelwater. Wij willen vooralsnog geen extra regels en verplichtingen aan hen opleggen, maar willen wel dat onze inwoners helpen bij het goed laten functioneren van de riolering. Daarom spreken we een aantal - niet-verplichtende - verwachtingen uit:

 

  • 1)

    Wij verwachten dat inwoners het riool verstandig gebruiken;

  • 2)

    Wij verwachten dat rioolaansluitingen zorgvuldig worden aangelegd;

  • 3)

    Wij verwachten dat inwoners hemelwater zoveel mogelijk zelf opvangen en bergen;

  • 4)

    Wij verwachten dat water-op-straat meer wordt geaccepteerd;

  • 5)

    Wij verwachten dat inwoners bij grondwateroverlast controleren of hun woning voldoende waterdicht is;

  • 6)

    Wij verwachten van burgers en bedrijven dat zij (ook bij afkoppelen) zorgen voor voldoende ontluchting van de gemeentelijke riolering om stankproblemen te voorkomen en de goede werking van de riolering te waarborgen.

We streven altijd naar lokale maatwerkoplossingen voor optredende problemen.

6 Wat hebben we nodig

6.1 Personele capaciteit

Om het werk uit te voeren is personele inzet nodig. Deze kan afkomstig zijn uit de eigen organisatie, vanuit de samenwerking Limburgse Peelen, van andere overheden of van marktpartijen. Wij geven hier aan hoeveel personele inzet nodig is om het beschreven werk uit te voeren. Hierbij geven we twee opties: 1) zoveel mogelijk in eigen beheer doen, of 2) zoveel mogelijk uitbesteden. Met welke combinatie de benodigde personele inzet precies wordt ingevuld, wordt hier verder niet besproken.

 

We hebben binnen de samenwerking Limburgse Peelen afgesproken om vaker werkzaamheden van elkaar over te nemen. Dit doen we vooral om de kwetsbaarheid te verminderen, maar we verwachten dat het ook een positief effect heeft op de kosten en kwaliteit. De herverdeling van taken kan leiden tot een tijdelijke periode van extra werkzaamheden, doordat in de overgangsperiode meer informatie moet worden uitgewisseld en extra voorbereiding nodig is.

 

6.1.1 Berekening

De laatste jaren zijn er steeds meer taken bijgekomen voor het rioleringsbeheer van de gemeenten. De watertaken zijn uitgebreid en er zijn meer richtlijnen gekomen. Het vertalen van algemene richtlijnen, zoals de Kader Richtlijn Water, naar de eigen omstandigheden kost veel tijd. Ook klimaatadaptatie zal de komende jaren meer inzet vergen. Dit komt bovenop de bestaande werkzaamheden, die niet in omvang zijn afgenomen. Samenwerking binnen de Limburgse Peelen kan hier een oplossing voor bieden.

 

Vanuit het GRP worden de hoofdlijnen van aanpak vertaald naar jaarprogramma’s. Voor de komende jaren is globaal uitgerekend hoeveel personele inzet er nodig is afhankelijk van de grootte van de gemeente, het areaal en het investeringsniveau. Er is uitgegaan van de Leidraad Riolering module D2000 “Personele aspecten van de rioleringszorg” voor een inschatting van de benodigde tijd per onderdeel. In deze berekening is geen rekening gehouden met personele overhead voor management, financiën, voorlichting en juridische zaken.

 

Bij maximale uitbesteding zou een gemeente als Nederweert 1,7 FTE nodig hebben voor de uitvoering van alle taken. Tabel F toont de verdeling van de tijdsbesteding over de verschillende taken. Er is uitgegaan van 175 gewerkte dagen per FTE.

 

Tabel 6‑A Benodigd aantal FTE voor uitvoering taken bij maximale uitbesteding

 

Wanneer alles in eigen beheer wordt uitgevoerd, dan zou er 6,9 FTE nodig zijn. Dit is een extreem scenario, omdat het betekent dat alles, van onderhoudswerkzaamheden tot specialistische berekeningen, door de gemeente zelf wordt uitgevoerd. Tabel G toont de verdeling van de tijdsbesteding over de verschillende taken.

 

Tabel 6‑B Benodigd aantal FTE voor uitvoering taken bij geen uitbesteding

 

De werkelijk benodigde personele capaciteit ligt tussen beide uitersten in. Uit de keuze voor een grotere personele capaciteit volgt een vermindering van het uitbestede werk en vice versa.

 

6.1.2 Beschikbaar

Momenteel is komt de tijdsbesteding aan de riolering overeen met 2,8 fte (inclusief ondersteuning, buitendienst, etc.). Daarmee wordt de riolering goed beheerd. Extra taken zullen ook extra personele inzet vragen.

 

6.1.3 Conclusies personele inzet

Onze personele situatie is kwetsbaar, vooral als het gaat om de binnendienst. Samenwerking met Limburgse Peelen kan daar voor een deel oplossing voor bieden, maar ook investeren in eigen, goed gekwalificeerd personeel blijft aandacht vergen. De komende jaren moeten we hiervoor de vinger goed aan de pols houden, zeker omdat de komende jaren de bezetting wegens natuurlijk verloop vermindert.

 

6.2 Financiële middelen

Om de verwachte kosten te dekken zijn financiële middelen nodig. Om een goed beeld te krijgen zijn voor de komende 80 jaar de verwachte uitgaven berekend. Hiermee zijn alle uitgaven minstens één keer meegenomen.

 

Alle bedragen zijn op prijspeil 2016. Ze moeten in de toekomst worden gecorrigeerd voor de dan optredende inflatie.

 

6.2.1 Vervangingswaarde en investeringen

De totale vervangingswaarde van ons rioolstelsel bedraagt circa 111 miljoen euro. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • vrijvervalriolering* € 105.000.000,-

  • gemalen € 1.500.000,-

  • drukriolering € 3.500.000,-

  • pers- en drukleidingen € 1.000.000,-

* Uitgaande van 100% vervanging.

 

De riolering moet tijdig worden vervangen en/of gerenoveerd. De bedragen zijn opgenomen in der investeringen, net als die voor verbetermaatregelen en grondwatermaatregelen.

 

6.2.2 Exploitatie

Voor de exploitatie (het dagelijks beheer) is jaarlijks bijna € 1.000.000- nodig, hiermee worden de jaarlijks terugkerende lasten betaald.

 

6.2.3 BTW compensatiefonds

Over veel van onze uitgaven wordt btw gerekend. We nemen de btw volledig mee in de kostendekkingberekening, in het jaar dat de uitgave wordt gedaan.

 

6.2.4 Totaaloverzicht uitgaven

De totale waarde van de riolering bedraagt ruim € 111 miljoen. Om dit kapitaal te beheren, doen we de goede dingen goed. En dat kost geld.

 

Tabel 6‑C: Overzicht totale uitgaven planperiode (EURO x 1000)

 

Voor de komende 80 jaar is een stijgende lijn in de uitgaven voorzien, die zich versterkt voortzet vanaf 2022.

Figuur 6‑1 Budgetontwikkeling lange termijn GRP (uitgaven)

 

Bij de actualisatie rioolheffing 2014 zag het beeld eruit zoals hierna aangegeven.

Figuur 6‑2 Budgetontwikkeling lange termijn actualisatie 2014 (uitgaven)

 

Van alle uitgaven gaat het grootste deel op aan de vervangingsinvesteringen (51%) en de exploitatiekosten (46%). We schrijven investeringen direct af.

Figuur 6‑3 Verdeling kosten rioleringszorg 2016

 

Bij actualisatie 2014 was het beeld zoals in de volgende figuur weergegeven. Er is in dit GRP een verschuiving naar de exploitatielasten te zien.

Figuur 6‑4 Verdeling kosten rioleringszorg actualisatie rioolheffingsberekening 2014

 

6.3 Kostendekking

6.3.1 Uitgangspunten kostendekkingsberekening

De kostendekkingsberekening is uitgevoerd met een contante-waardemethode. De uitgangspunten voor berekening zijn opgenomen in de bijlagen.

 

Heffingsmaatstaf en heffingseenheden

We zijn uitgegaan van een gelijke heffingsmaatstaf als in voorgaande jaren. Dit betekent dat de rioolheffing wordt geheven van de eigenaren van een bebouwd perceel met een vast bedrag per aansluiting. We zijn uitgegaan van 7.584 heffingseenheden in 2017. Voor de komende jaren is een stijging voorzien als gevolg van uitbreidingen.

 

Voorziening en reserve

De stand van de voorziening op 1-1-2017 is inclusief rente over 2016 € 9.080.177. We rekenen rente over de tegoeden in de rioleringsvoorziening toe aan de desbetreffende voorziening, uitgegaan is van 2,5%.

 

6.3.2 Benodigde inkomsten

Uitgaande van alle in dit GRP opgenomen uitgaven en inkomsten, is een over de hele periode kostendekkend gemiddeld tarief voor de rioolheffing berekend op (afgerond) € 248,00. Het tarief van 2016 bedraagt € 215,69 is op langere termijn dus niet kostendekkend en zal moeten stijgen. Dat kan op vele manieren. Hierna zijn drie mogelijke scenario’s weergegeven.

Bedragen zijn op prijspeil 2017 en moeten met de optredende inflatie worden geïndexeerd.

 

Scenario A: direct kostendekkend in 2017

In dit scenario wordt per 2017 direct het kostendekkende tarief van € 248,00 ingevoerd.

Dat is weergegeven in onderstaande figuur

Figuur 6‑4 Ontwikkeling kostendekking en voorziening, Scenario A

 

Scenario B; stijging vanaf 2017 met € 5,- per jaar

In dit scenario stijgt de heffing met ingang van 2017 met € 5,- per jaar. In 2023 wordt dan een kostendekkend tarief bereikt van € 250,-.

Figuur 6‑5 Ontwikkeling kostendekking en voorziening, Scenario B

 

Scenario C: gelijk tarief in de planperiode en daarna stijgend met € 5,- per jaar (2022-2035)

Hierna is een scenario gegeven dat uitgaat van een gelijkblijvende heffing gedurende deze planperiode. De voorziening blijft dan in de planperiode ook ongeveer gelijk. Daarna moet de heffing gaan stijgen om kostendekkend te worden. In dit scenario met € 5,- per jaar gedurende de periode 2022-2029. In 2029 wordt dan een kostendekkend tarief bereikt van € 254,-.

Figuur 6‑6 Ontwikkeling kostendekking en voorziening, Scenario C

 

Bijlage 1 Doelen, functionele eisen, maatstaven

 

Deze doelen-functionele eisen-maatstaven-meetmethoden (dofemame)-tabel is nog in ontwikkeling. Maatstaven verschuiven van theoretisch naar praktisch, zodat deze meer aansluiten bij wat burgers en bedrijven in de praktijk ervaren. De komende periode ontwikkelen we de maatstaven door en beoordelen we ze op bruikbaarheid.

 

 

 

Bijlage 2 Uitgangspunten kostendekkingsberekeningen

 

Uitgangspunten die gehanteerd zijn bij de berekening van de rioolheffing:

 

  • 1.

    Berekeningsmethode

  • De rioolheffingberekening wordt uitgevoerd met behulp van de contante-waardemethode. Deze methode is vooral geschikt om de effecten en de trend op langere termijn zichtbaar te maken. Met de contante-waarde-methode is een vergelijking van uitgaven en inkomsten in verschillende jaren mogelijk. De toekomstige uitgaven en inkomsten van elk jaar dat in de beschouwing wordt meegenomen, worden contant gemaakt naar 1 januari van het startjaar. In de te verwachten inkomsten zit één onbekende: de hoogte van de benodigde inkomsten (vaak de rioolheffing) per heffingseenheid. Door de contante waarde van de te verwachten inkomsten gelijk te stellen aan de contante waarde van de te verwachten uitgaven, worden de kosten per heffingseenheid berekend.

  • Voor toekomstige investeringen wordt in de contante-waarde-benadering geen specifieke wijze van afschrijving of financiering verondersteld. De diverse afschrijvingsmethoden (lineair, afschrijving op annuïteitsbasis) verschillen onderling wel door een andere (boekhoudkundige) verdeling van lasten in de tijd, maar de contante waarde van de jaarlijkse lasten is steeds gelijk aan de contante waarde van de investeringen.

  • Het inflatie- en rentepercentage worden gebruikt voor het contant maken van de toekomstige uitgaven en inkomsten. Dit gebeurt op de volgende wijze:

  • waarbij:

    x = startjaar berekening

    Uj = uitgave in jaar (j) op prijspeil startjaar

    i = inflatie (in decimalen, bijvoorbeeld 0,02)

    r = rente (in decimalen, bijvoorbeeld 0,04)

    cwf = contante-waardefactor { = (1+i) / (1+r) }

    CWx(Uj) = contante waarde in jaar x van investering U in het jaar j

  • 2.

    Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV)

  • Bij het opstellen van het kostendekkingsplan wordt rekening gehouden met de richtlijnen uit het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). De notitie riolering waarmee in dit GRP rekening is gehouden, dateert van november 2014.

  • 3.

    Planningshorizon

  • Bij de berekening van het rioolrecht is uitgegaan van een planningshorizon van 80 jaar: 2016 t/m 2095, waarbij 2016 een startjaar is. Deze termijn is gekoppeld aan de technische levensduur van de rioleringsobjecten. Binnen een periode van 80 jaar zijn alle objecten minimaal één maal vervangen.

  • 4.

    Inflatie

  • Deze prijsindex is gebaseerd op de prijsontwikkeling van de lonen, materiaal en materieel die nodig zijn voor het aanleggen van een riolering binnen de bebouwde kom. Voor het kostendekkingsplan is uitgegaan van een inflatie van 1%.

  • 5.

    Rentevoet

  • Er is een rentevoet van 2,5% gehanteerd. Dit betreft zowel de rente voor eventuele kapitaalleningen als de rente over een positief saldo in de voorziening.

  • 6.

    Prijspeil

  • Alle in het GRP genoemde bedragen zijn op prijspeil 1 januari 2017, inclusief van toepassing zijnde bijkomende kosten uitvoering, winst en risico, voorbereiding, honorarium en toezicht en exclusief BTW. De in dit GRP genoemde bedragen moeten jaarlijks met de optredende inflatie worden geïndexeerd.

  • 7.

    Eenheidsprijzen

  • Voor de berekening van de investeringskosten van de rioleringsobjecten is gebruik gemaakt van de eenheidsprijzen die bij het Afvalwaterplan Limburgse Peelen uit 2012 zijn afgesproken. Deze prijzen zijn verhoogd met 1,5% inflatie. De eenheidsprijzen voor relining zijn gebaseerd op de in Limburg verschenen rapportage uit 2014 met de resultaten van de “enquête kosten relining”.

  • 8.

    Kostendekkendheid

  • De berekende rioolheffing mag 100% kostendekkend zijn. Volgens artikel 228a van de Gemeentewet kan de gemeente kiezen voor één heffing voor de totale kosten van de zorgplichten of twee aparte heffingen: één voor de kosten van de afvalwaterzorgplicht en één heffing voor de zorgplichten voor hemel- en grondwater. In het GRP wordt één tarief berekend voor de totale kosten voor de rioleringszorg.

  • 9.

    Indexering rioolheffing

  • Het in het GRP berekende tarief moet jaarlijks met de optredende inflatie worden geïndexeerd. Dit wordt jaarlijks bij de vaststelling van de begroting afgehandeld.

  • 10.

    Afschrijvingsmethode

  • Alle investeringen in Nederweert worden direct afgeschreven.

  • 11.

    Afschrijvingstermijnen

  • Onderscheid wordt gemaakt in de technische en de economische/financiële afschrijvingstermijn. De technische afschrijvingstermijn (levensduur) heeft grote invloed op de hoogte van de rioolheffing. Economisch/financieel worden investeringen direct afgeschreven.

  • De in de berekening gehanteerde technische afschrijvingstermijnen zijn weergegeven in onderstaande tabel B1. De hierin vermelde technische levensduur is de gemiddelde levensduur van de rioleringsobjecten.

     

    Tabel B1 Overzicht gehanteerde afschrijvingstermijnen (jaar)

    Object

    afschrijvingstermijn

    Technisch

    economisch

    vrijvervalriolen

    Insp (MIP) / 60 /80

    direct

    gemalen – bouwkundig

    60

    direct

    gemalen – mechanisch / elektrisch

    20

    direct

    Persleidingen

    60

    direct

    drukriolering – bouwkundig

    60

    direct

    drukriolering – mechanisch / elektrisch

    20

    direct

    Milieumaatregelen

    60

    direct

    Grondwatermaatregelen

    60

    direct

     

  • 12.

    Tariefegalisatievoorziening/reserve

  • In overeenstemming met de BBV wordt gebruik gemaakt van een tariefegalisatievoorziening, om ongewenste schommelingen in het rioolrecht te voorkomen (art. 43, lid 1b). De voorziening wordt gevormd voor kosten die in een volgend begrotingsjaar worden gemaakt. Dit leidt tot een gelijkmatige verdeling van de lasten voor de burger, over een aantal begrotingsjaren.

  •  

  • Artikel 45 van het BBV (toelichting) bepaalt dat rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn toegestaan, mits deze zijn gewaardeerd tegen contante waarde. We rekenen rente toe aan de tariefegalisatievoorziening (zie ook punt 5).

  • 13.

    Doorlopende kapitaallasten ná 2095

  • Omdat investeringen direct worden afgeschreven, zijn er ook geen doorlopende kapitaallasten ná 2095.

  • 14.

    Rioolheffing en BTW

  • De geraamde BTW op zowel goederen als diensten en investeringen mogen in het riooltarief worden meegenomen. Het product riolering is BTW-compensabel, BTW kan volledig worden gecompenseerd. In dit GRP zijn alle bedragen exclusief BTW weergegeven. Het uiteindelijke tarief is inclusief alle compensabele BTW.

  • 15.

    Nieuwe investeringen voor nieuwbouw

  • Nieuwe investeringen voor nieuwbouw worden niet verrekend via de rioolheffing maar via de grondexploitatie. Herinvesteringen komen wel ten laste van de rioolexploitatie.

Bijlage 3 Inventarisatie en financiele tabellen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Scenario A

 

 

Scenario B

 

 

 

Scenario C

 

 

 

Bijlage 4 Achtergrondinformatie lozingen door bedrijven

 

Lozing afvalwater door bedrijven en huishoudens

 

Lozingsregels zijn opgenomen in Lozingenbesluiten, voor bedrijven is dat het Activiteitenbesluit.

 

Lozing van afvalwater in schema (bron: Handboek Water, Infomil ( http://www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/handboek-water/ )

 

Met het Activiteitenbesluit is de regulering van afvalwaterlozingen samengebracht met de regulering van de andere milieuaspecten. Het Activiteitenbesluit is dan ook een AMvB gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm) en de Waterwet. In beginsel worden alle milieuaspecten bij inrichtingen geregeld met het Activiteitenbesluit, ook bij IPPC-inrichtingen. Het besluit maakt een onderscheid in Wm/Wabo-vergunningplichtige inrichtingen (type C) en inrichtingen waarvoor de vergunningplicht is opgeheven (type A en B). Bij type C inrichtingen staat een deel van de voorschriften in de vergunning en voor een deel in het Activiteitenbesluit. Voor type A en B inrichtingen staan alle voorschriften in het Activiteitenbesluit. Soms kan nog wel een watervergunning aan de orde zijn.

 

inrichting type C: een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is aangewezen.

 

Artikel 1.1. lid 3 Wabo: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën inrichtingen aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die de inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken. Bij de maatregel worden als categorie in ieder geval aangewezen de inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort.

 

IPPC staat voor integrated pollution prevention and control (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). IPPC-inrichtingen zijn inrichtingen waarin een installatie staat die is opgenomen in bijlage I bij de Europese richtlijn industriële emissies. Voorbeelden daarvan zijn grote stookinstallaties, chemische industrie en afvalverbrandingsinstallaties.

 

Activiteitenbesluit

Hoofdstuk 1 bevat begripsbepalingen

Hoofdstuk 2 bevat algemene regels voor alle activiteiten, waaronder de zorgplicht en regels voor lozen (waaronder de mogelijkheid van maatwerkvoorschriften). Belangrijk artikelen:

 

  • Artikel 2.1

    Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

    Artikel 2.2

    • 1.

      Het is verboden:

      • a.

        afvalwater te lozen op of in de bodem, tenzij het lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 2.2b, 3.1 tot en met 3.5, 3.6a, 3.10k, 3.16h, 3.23d, 3.24, 3.32 tot en met 3.34, 3.47, 3.60, 3.61, 3.62, 3.77, 3.87, 3.100, 3.102, 3.105, 3.129, 3.131, 3.150, 4.74c, 4.104, 4.104b en 4.104c,

      • b.

        afvalwater en andere afvalstoffen te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, tenzij het lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 2.2b, 3.1 tot en met 3.3, 3.6a, 3.60, 3.61, 3.62, 3.150, 4.74c en 4.104e.

    • 2.

      In afwijking van het eerste lid, onder a, is lozen op of in de bodem verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.

    • 3.

      Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn en dat lozen op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van de lozing daartegen niet verzet.

    • 4.

      Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot:

      • a.

        de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van de lozing en het meten en registreren daarvan;

      • b.

        te treffen maatregelen;

      • c.

        de duur van de lozing; en

      • d.

        de plaats van het lozingspunt.

    • 5.

      Het eerste lid, onder a, en het tweede lid zijn niet van toepassing op lozen in de bodem waaraan in een vergunning op grond van artikel 6.4 of artikel 6.5, onderdeel b, van de Waterwet, dan wel een vergunning op grond van een verordening van het waterschap voorschriften zijn gesteld.

    • 6.

      Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid een lozing betreft die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kan hebben, is op de voorbereiding van het maatwerkvoorschrift afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Hoofdstuk 3:

3.1: Afvalwaterbeheer

3.1.1: Bodemsanering en proefbronnering

3.1.2: Lozen van grondwater bij ontwatering

3.1.3: Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van bodembeschermende voorzieningen

3.1.4: Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie

3.1.4a: Behandeling van stedelijk afvalwater

3.1.5: Lozen van koelwater

3.1.6: Lozen ten gevolge van werkzaamheden aan vaste objecten

 

In hoofdstuk 3 en 4 staan meer (bedrijfsmatige) activiteiten beschreven, waarbij vaak is aangegeven onder welke voorwaarden afvalwater op (vuilwater)riolering mag worden geloosd.

 

Leidraad Riolering, A2100;2015

 

4.1 Lozingen in de riolering door particulieren

Het Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah) bevat algemene regels voor particuliere afvalwaterlozingen. Het te lozen afvalwater mag de doelmatige werking van het riool of andere voorzieningen voor het afvalwaterbeheer niet belemmeren. Het besluit bevat geen specifieke eisen aan de stoffen die geloosd mogen worden. Maar het mag duidelijk zijn dat het lozen van onder meer schoonmaakdoekjes, frituurvet en wegwerpluiers niet is toegestaan. Ook bevat het Blah (art. 6) een verbod voor het in de riolering lozen van huishoudelijk afvalwater dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen.

De regels uit het Blah zien op alle soorten afvalwater die bij particuliere huishoudens gebruikelijk vrijkomen, zoals:

  • afvalwater van het gebruik van toilet, keuken, badkamer (huishoudelijk afvalwater);

  • afvloeiend hemelwater van daken van woningen en van het erf;

  • afvalwater van het autowassen, schoonspoelen van de afvalcontainer, verversen van het zwembadwater en andere reinigingsactiviteiten rondom het huishouden;

  • overtollig grondwater dat wordt verzameld en geloosd om grondwateroverlast te voorkomen.

Het Blah is echter niet van toepassing op lozingen vanuit particuliere huishoudens bij het onderhoud van vaste objecten (zoals het schilderen van het huis), bij bodemsaneringen en proefbronneringen en bij de aanleg en het onderhoud van bodemenergiesystemen. Deze lozingen zijn – ook voor huishoudens – geregeld in het Besluit lozen buiten inrichtingen (zie paragraaf 4.3). 1

 

Het Blah bevat een zorgplichtbepaling die is gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu door maatregelen te treffen (art. 4). Volgens de toelichting op het Blah betekent deze zorgplicht onder meer dat bij een gescheiden rioolstelsel de beide afvalwaterstromen op het goede stelsel moeten aansluiten. Dit met het oog op de doelmatige werking van de stelsels. Ook het doorspoelen van toiletdoekjes of frituurvet is in strijd met de zorgplicht. Toiletdoekjes horen in de vuilnisbak en frituurvet moet worden gerecycled of ook met het vaste afval worden weggegooid. De zorgplichtbepaling geeft de gemeente de mogelijkheid maatwerkvoorschriften vast te stellen voor de te nemen maatregelen of om rechtstreeks handhavend op te treden(zie verder paragraaf 4.2.1, Ad 3).

 

Voor lozingen vanuit huishoudens op de riolering geldt geen meldplicht.

 

4.2 Lozingen in de riolering door bedrijven

Voor lozingen in het riool vanuit bedrijven (inrichtingen als bedoeld in de Wabo / de Wm) zijn meestal de regels van het Activiteitenbesluit van toepassing. Sommige categorieën bedrijven hebben voor lozingen nog wel een omgevingsvergunning milieu (met afvalwatervoorschriften) nodig.

 

Bij toepassing van het Activiteitenbesluit is het van belang tot welke categorie een inrichting behoort. Het Activiteitenbesluit onderscheidt drie typen inrichtingen:

  • inrichtingen type A: inrichtingen die onder het zogenaamde lichte regime van het besluit vallen. Bij oprichting of wijziging geldt voor deze inrichtingen geen meldingsplicht aan het bevoegde gezag. Voorbeelden van A-inrichtingen zijn scholen en kantoren.

  • inrichtingen type B: inrichtingen waarvoor geen vergunningplicht (meer) geldt en die geheel onder het besluit vallen. Voor deze categorie volstaat een melding. De meeste inrichtingen in Nederland zijn inrichtingen type B. Voorbeelden zijn horeca, metaal-electro, op- en overslagbedrijven en het reinigen en wassen van textiel. De melding wordt ingediend via de Activiteiten Internet Module (http://aim.vrom.nl/).

  • inrichtingen type C: inrichtingen waarvoor de vergunningsplicht blijft gelden, maar die voor een deel van de activiteiten onder de voorschriften in hoofdstuk 3 van dit besluit vallen. Lozingen die in hoofdstuk 3 zijn geregeld zijn onder meer huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. Eventuele voorschriften die voor deze activiteiten in de vergunning stonden, zijn van rechtswege vervallen. Voorbeelden zijn de opslag van gevaarlijke stoffen en spoor-wegemplacementen.

Lozingen vanuit type-A- en type-B-inrichtingen vallen volledig onder de werking van het Activiteitenbesluit. Voor type-C-inrichtingen vallen in beginsel alleen de lozingen onder de reikwijdte van het besluit waarvoor in hoofdstuk 3 van het besluit voorschriften staan. Ook de zogenoemde IPPC-inrichtingen zijn inrichtingen type C. Tot 1 januari 2013 waren IPPC-inrichtingen nog volledig vergunningplichtig.

 

4.2.1 Regels voor afvalwaterlozingen

De regels voor afvalwaterlozingen in het Activiteitenbesluit zijn te verdelen in drie categorieën:

  • 1.

    de activiteitspecifieke voorschriften;

  • 2.

    regels voor lozingen waarvoor geen activiteitspecifieke voorschriften gelden;

  • 3.

    de zorgplichtbepaling.

Ad 1) De activiteitspecifieke voorschriften

De voorschriften staan in de hoofdstukken 3 en 4 van het besluit. Hierbij gaat het om twee soorten lozingen: lozingen als zelfstandige activiteit en lozingen als onderdeel van een veel bredere activiteit. Onder de eerste categorie valt onder meer het lozen van huishoudelijk afvalwater en afvloeiend hemelwater. Deze lozingen staan in hoofdstuk 3, zodat de daarvoor opgenomen voorschriften ook van toepassing zijn op type-C-inrichtingen. Dit geldt ook voor lozingen die onderdeel zijn van een activiteit, voor zover de voorschriften voor die activiteit in hoofdstuk 3 staan. Een voorbeeld hiervan is metaalbewerking. Staan de voorschriften in hoofdstuk 4, dan zijn de activiteitspecifieke voorschriften niet van toepassing op type-C-inrichtingen, maar wel op de type A- en B-inrichtingen.

 

Ad 2) Regels voor lozingen waarvoor geen activiteitspecifieke voorschriften gelden

In de praktijk komen lozingen voor die het besluit niet expliciet noemt en waarvoor dus op grond van het besluit geen specifieke voorschriften gelden. Afhankelijk van de lozingsroute gaat het besluit met deze niet-genoemde lozingen verschillend om. Het is in beginsel toegestaan om niet-genoemde lozingen op de vuilwaterriolering te lozen, als de lozer voldoet aan de zorgplichtbepaling (zie ad 3). Daarbij moet de lozer zelf nagaan – binnen de grenzen van redelijkheid – of een dergelijke lozing het belang van het milieu (zoals in de zorgplichtbepaling verwoord) niet schaadt. Dit kan hij doen door richtlijnen of handboeken over lozingen vanuit de specifieke activiteiten te raadplegen of met de gemeente te overleggen.

Niet-genoemde lozingen op de hemelwaterriolering en op drainagestelsels zijn in beginsel verboden. Wel kan het bevoegde gezag deze lozingen in individuele gevallen toestaan en daar zo nodig voorwaarden aan verbinden. Bij lozingen vanuit inrichtingen type A en B gebeurt dat via een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2. Niet-genoemde lozingen vanuit inrichtingen type C worden geregeld in de omgevingsvergunning milieu, die deze inrichtingen altijd nodig hebben.

 

Ad 3) De zorgplichtbepaling

Net als het Blah bevat het Activiteitenbesluit een zorgplichtbepaling (art. 2.1). De zorgplichtbepaling voor afvalwaterlozingen op de riolering komt neer op:

  • het voorkomen van het ontstaan van afvalwater en, voor zover dat niet mogelijk is, doelmatig afvalwaterbeheer;

  • de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor afvalwaterbeheer (zoals de openbare riolering).

Lozingen in strijd met de zorgplicht zijn verboden. Zo mag er geen olie in het riool worden geloosd en is het lozen van huishoudelijk afvalwater of ander vuilwater in een hemelwaterriool niet toegestaan.

 

Voor alle lozingen geldt dat de lozer verontreiniging van afvalwater moet voorkomen door preventieve maatregelen te nemen. Het bevoegde gezag (meestal de gemeente) beoordeelt of de lozer voldoende maatregelen neemt en daarmee voldoet aan de zorgplicht.

 

Mogelijkheid tot maatwerk

De zorgplichtbepaling geeft het bevoegde gezag (meestal de gemeente) de mogelijkheid maatwerkvoorschriften op te stellen voor individuele lozingen. Een maatwerkvoorschrift is bedoeld om in een bepaalde situatie de zorgplichtbepaling te concretiseren. Het is immers voor bedrijven niet altijd duidelijk of ze wel of niet aan de zorgplicht voldoen.

 

N.B. De zorgplicht (en daarmee de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften vast te stellen) geldt niet als er al expliciete lozingsregels zijn, hetzij in een vergunning, hetzij op grond van het Activiteitenbesluit. Zo is het bijvoorbeeld op grond van artikel 4.72 verboden om kwik te gebruiken bij metaalbewerking. Als een bedrijf toch kwik gebruikt, is dat in strijd met artikel 4.72 en niet (ook) met de zorgplicht. Dit is vooral belangrijk bij het wijzen op de wettelijke grondslag bij handhavingsbesluiten. Noemt de gemeente daarin ten onrechte strijd met de zorgplichtbepaling als reden voor handhaving, dan blijft dat besluit bij de rechter niet overeind.

 

De mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen ter concretisering van de zorgplicht is beperkt tot aspecten van de activiteit die niet uitputtend zijn geregeld in de andere hoofdstukken van het Activiteitenbesluit. Bij lozingen zijn alle stoffen waarvoor in de artikelen van het besluit emissiegrenswaarden zijn gesteld, uitputtend geregeld. Op grond van artikel 3.1 mag bijvoorbeeld bij een bodemsanering niet meer dan 500 microgram minerale olie per liter grondwater worden geloosd op de hemelwaterriolering. De lozing van minerale olie is daarmee uitputtend geregeld, er kan geen maatwerkvoorschrift op grond van de zorgplicht worden gesteld. In artikel 3.1 zijn echter niet voor alle mogelijke stoffen die in verontreinigd grondwater kunnen zitten emissiegrenswaarden voorgeschreven. Het is daarom wel mogelijk om op grond van de zorgplicht een maatwerkvoorschrift te stellen over bijvoorbeeld het gehalte arseen in het te lozen grondwater.

Overigens bieden de artikelen over lozingen in hoofdstuk 3 en 4 van het Activiteitenbesluit soms ook mogelijkheden om een maatwerkvoorschrift te stellen. Dat zijn dan geen maatwerkvoorschriften ter concretisering van de zorgplicht, maar maatwerkvoorschriften waarmee de generieke voorschriften kunnen worden afgestemd op de lokale situatie. Zie bijvoorbeeld artikel 3.2 lid 6: het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een hogere gehalte aan zwevende stof toestaan of een lager gehalte aan ijzer voorschrijven bij het lozen van grondwater op de hemelwaterriolering.

 

Doel- en middelvoorschriften

In het Activiteitenbesluit staan voor de meer milieurelevante activiteiten en aspecten concrete voorschriften. Bij het stellen van voorschriften aan lozingen heeft het Rijk rekening gehouden met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater (art. 10.29a Wm) en met de beste beschikbare technieken voor het reduceren van de milieubelasting van de betreffende activiteiten. Dat kan in de vorm van gekwantificeerde doelvoorschriften (zoals emissiegrenswaarden) of via concrete middelvoorschriften (zoals een verplichting een vetafscheider aan te brengen). Zo geeft het besluit als doelvoorschrift de maximaal toegestane concentratie van een bepaalde stof in afvalwater aan. Hierbij staat als middelvoorschrift ook hoe bemonstering moet plaatsvinden en de te gebruiken analysemethode om de concentratie te bepalen. In de Activiteitenregeling (die hoort bij het besluit) staan nog meer middelvoorschriften. Voor hemel- en grondwaterlozingen zijn er alleen algemene voorschriften en geldt de zorgplicht.

 

4.2.2 Wm/Wabo-bevoegdheid

Indirecte lozingen vallen onder de bevoegdheid van het Wm/Wabo-bestuursorgaan. De Waterwet regelt hier niets meer voor. Naast lozingen in de riolering zijn er nog andere soorten indirecte lozingen. Zoals een lozing van een bedrijf dat is aangesloten op de leiding van een ander bedrijf dat rechtstreeks loost in oppervlaktewater. Ook voor dit soort indirecte lozingen geldt dat deze onder het Wm-/Wabo-bevoegde gezag vallen.

 

De milieubepalingen in de Wabo en de hoofdstukken 8 en 10 van de Wm zijn volledig van toepassing op indirecte lozingen. Bevoegd gezag voor indirecte lozingen zijn:

  • (als hoofdregel) B&W voor lozingen vanuit Wm/Wabo-inrichtingen, op grond van hoofdstuk 8 Wm en de Wabo;

  • B&W voor lozingen anders dan vanuit inrichtingen, op grond van hoofdstuk 10 Wm;

  • GS voor lozingen vanuit de inrichtingen die zijn aangewezen op basis van artikel 3.3 lid 1 Bor in Bijlage I, onderdeel C van het Bor, mits het gaat om een IPPC-inrichting of BRZO-inrichting;

  • de minister van Infrastructuur en Milieu voor lozingen vanuit inrichtingen die zijn aangewezen op grond van artikel 3.3 lid 2 Bor in bijlage I, onderdeel C, categorie 29 (hoofdzakelijk ‘militaire inrichtingen’).

N.B. Wie op grond van de Wabo bevoegd is, hangt af van de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Meestal zijn B&W bevoegd gezag, bijvoorbeeld als het alleen gaat om een vergunningplichtige bouwactiviteit. Maar als de minister toestemming moet geven voor een van de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, is de minister ook het bevoegde gezag voor de andere activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, en dus niet B&W.

 

Bevoegdheden waterbeheerder

Waterschappen en Rijkswaterstaat (de waterbeheerders in de zin van de Waterwet) hebben op grond van de Wabo een adviesrecht bij de vergunningverlening voor indirecte lozingen. Dat advies kan ook betrekking hebben op de aan de vergunning te verbinden voorschriften of op de vraag of de vergunning al dan niet moet worden geweigerd. Het kan zijn dat de waterbeheerder in zijn advies constateert dat de indirecte lozing de doelmatige werking van de rwzi belemmert of milieu-kwaliteitseisen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater overschrijdt. Dan kan hij daarbij vermelden dat dit onderdeel van zijn advies bindend is. Als de genoemde belemmering of overschrijding via vergunningvoorschriften niet is te vermijden, moet de gemeente de vergunning weigeren. In andere gevallen kan het Wabo-bevoegd gezag van het advies van de waterbeheerder afwijken, maar dan alleen als het dat goed gemotiveerd doet. Overigens gaat het hier om een adviesrecht en niet een adviesplicht. Met andere woorden: als een waterbeheerder niet of veel te laat adviseert, kan de gemeente haar besluit gewoon nemen. Het adviesrecht geldt voor elke omgevingsvergunning die een indirecte lozing regelt. Ook kunnen waterschappen en Rijkswaterstaat een verzoek tot handhaving van dergelijke vergunningen doen, dat in dezelfde gevallen bindend is.

 

Einde tekst Leidraad Riolering

 

Bijlage 5 Lozingsvoorwaarden

Zoals in bijlage 4 is aangegeven, is in het Besluit lozing afvalwater huishoudens en in het Activiteitenbesluit (voor bedrijven) een zorgplichtbepaling opgenomen. Hieronder staan deze zorgplichten weergegeven.

 

Besluit lozing afvalwater huishoudens (tekst 20 november 2015):

 

Artikel 4

  • 1.

    Degene die loost en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het lozen nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

  • 2.

    Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan:

    • a.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging;

    • b.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater;

    • c.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;

    • d.

      de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

    • e.

      het doelmatig beheer van afvalwater.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden een verplichting de activiteiten die met het lozen samenhangen te beschrijven, alsmede metingen, berekeningen of tellingen te verrichten ter bepaling van de mate waarin het lozen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

Activiteitenbesluit (tekst geldend op 20 november 2015):

Artikel 2.1

  • 1.

    Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

  • 2.

    Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a.

      een doelmatig gebruik van energie;

    • b.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging;

    • c.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater;

    • d.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam;

    • e.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging;

    • f.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder;

    • g.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder;

    • h.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder;

    • i.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder;

    • j.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van trillinghinder;

    • k.

      het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting;

    • l.

      het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;

    • m.

      het zorgen voor een goede staat van onderhoud van de inrichting;

    • n.

      de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater;

    • o.

      het doelmatig beheer van afvalwater;

    • p.

      het doelmatig beheer van afvalstoffen;

    • q.

      het beschermen van de duisternis en het donkere landschap in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid, onderdelen b, c, d, n, o en p, zijn van overeenkomstige toepassing op degene die, anders dan vanuit een inrichting, loost ten gevolge van agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste en derde lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door degene die de inrichting drijft dan wel degene die loost, te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting dan wel het lozen, bedoeld in het derde lid, nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

- Einde wetsteksten -

 

Lozingsvoorwaarden

Er mag dus niet worden geloosd als dat de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater belemmert. Dat betreft de riolering en de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De doelmatige werking wordt in ieder geval belemmerd als:

  • de PH van het afvalwater te laag of te hoog is. Dan worden pompen en appendages aangetast;

  • water van ontijzeringsinstallaties wordt geloosd, ijzer slaat neer op pompen, appendages en riolen, dat belemmert de goede werking;

  • het te lozen water te veel zand bevat, dat tast de pompen en appendages aan en zorgt voor extra benodigde reinigingsactiviteiten;

  • het te lozen water pesticiden of andere bestrijdingsmiddelen bevat die de werking van de rioolwaterzuiveringsinrichting en/of IBA belemmeren;

  • hemelwater op mechanische riolering wordt geloosd. Mechanische riolering is een openbaar vuilwaterriool, deze is niet ontworpen op het afvoeren van hemelwater. Lozing van hemelwater zorgt voor capaciteitsproblemen en belemmert dus de goede werking.

 

Bijlage 6 Beoordeling watertoets

 

In Nederweert zijn regels voor het afkoppelen/infiltreren van hemelwater bij bouwplannen en planontwikkeling van kracht (B&W voorstel B&W-13-03396 d.d. 1- december 2013).

 

Deze regels zijn:

 

  • 1.

    Bij plannen < 500m2 (binnen bebouwde kom of buiten kom tot 2000m2.)

    Infiltratievoorziening minimaal 30mm (geen onderzoek benodigd) met overloop op tuin of openbaar gebied.

  • 2.

    Bij plannen >500m2 (binnen bebouwde)

  • Ontwerp op basis van 25 jarige regenreeks de Bilt +10% (klimaattoeslag) met een overstort frequentie van 1 x per 10 jaar. Gedegen doorlatendheid onderzoek op minimaal 9 m2 op ondergrond tot aan het grondwater. Overloop op openbaar gebied (niet ondergronds). Leegloop binnen 48 uur.

  • Meenemen van monitoringsinstrumenten en peilbuizen en tankwagenproef meenemen voor in – en uitbreidingsplannen indien voorzieningen op openbaar gebied worden aangelegd.

  • Bij kleine plannen reductiefactor 0,5 toepassen op eenvoudig doorlatendheid onderzoek.

  • 3.

    Plannen > 2000m2 buitengebied

  • conform waterloket waterschap, waterschapskaarten geven globaal de doorlatendheid van de bodem weer en gaan meer uit van extremere buien.

  • 4.

    Nieuwbouw na sloop / verbouw

  • Herbouw/vervangende nieuwbouw: totale verharding op perceel afkoppelen op eigen terrein.

  • Verbouw/uitbouw vergunningplichtig: minimaal uitbreiding afkoppelen.

Bij grote uitbreidingen of inbreidingen in kwetsbare gebieden dient in overleg met de gemeente maatwerk geleverd te worden.

 

Bijlage 7 Overzicht overstorten

 

 

 

 

 

Naar boven