Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving

De raad van de gemeente Deventer,

 

gelezen het voorstel van het college van 14 december , nr. 2021-220,

 

overwegende dat op 1 juli 2022 de Omgevingswet in werking treedt,

 

overwegende dat de gemeenteraad op 25 oktober 2017 de Nota van uitgangspunten bestemmingsplan 'Deventer, stad en dorpen', heeft vastgesteld, waarin is uitgesproken dat het wenselijk is om vooruitlopende op de Omgevingswet regels omtrent de fysieke leefomgeving samen te voegen in één verordening,

 

gelet op artikel 10.32a van de Wet milieubeheer (Wm), artikel 3.5 van de Waterwet en artikel 154 van de Gemeentewet;

 

overwegende dat :

 

in artikel 3.5 van de Waterwet aan de gemeente zorgplichten zijn opgedragen voor de doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen;

 

artikel 10.32a van de Wm de gemeente de bevoegdheid biedt bij verordening regels te stellen over het brengen van afvloeiend hemelwater of grondwater op of in de bodem of in een rioolvoorziening en over het beëindigen van het lozen van afvloeiend hemelwater en grondwater in een rioolvoorziening voor afvalwater;

 

het gewenst is gebruik te maken van de mogelijkheid het afvloeiend hemelwater en het grondwater van nieuw gebouwde en/of verbouwde gebouwen, vanaf inwerkingtreding van deze verordening, niet (meer) te doen afvloeien in het openbaar vuilwaterriool of openbaar gemengd riool, waarbij een voorbehoud kan worden gemaakt voor overloopvoorzieningen na berging van 20 mm/m² aangesloten verhard oppervlak;

 

dit voorheen privaatrechtelijk geregeld was en het wenselijk is dit publiekrechtelijk te regelen;

 

het daarnaast gewenst is gebruik te maken van de mogelijkheid het afvloeiend hemelwater en het grondwater niet te doen afvloeien in het gemeentelijke drukrioolstelsel;

 

BESLUIT

 

Vast te stellen de Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving.

Artikel I

De Verordening fysieke leefomgeving wordt gewijzigd als volgt.

 

A

Aan Hoofdstuk 8 Wegen en water, Afdeling 8.2 Water worden de volgende artikelen toegevoegd:

 

Artikel 8.2.2 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op het drukriool

  • 1.

    Het is verboden een hemelwaterafvoerleiding en leiding ten behoeve van de afvoer van vrijkomend grondwater bij drainage, pompen of andere vormen van onttrekkingen, aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het drukriool;

  • 2.

    Het verbod als bedoeld in 8.2.2 onder lid 1 geldt tevens voor het lozen van, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, gezuiverd hemelwater of grondwater en het lozen van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het opwerken van grondwater, op het drukriool;

Artikel 8.2.3 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op openbaar riool

  • 1.

    Het is verboden een hemelwater- en/of grondwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden en daardoor te lozen op het openbaar riool indien er sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken;

  • 2.

    Het verbod als bedoeld in 8.2.3 onder lid 1 geldt tevens voor het lozen, middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, van gezuiverd hemelwater of grondwater en het lozen van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het zuiveren van grondwater, op het vuilwaterriool of het gemengd openbaar riool;

Artikel 8.2.4 Verplichting tot waterberging op eigen terrein

  • 1.

    De eigenaar van het perceel waar sprake is van transformatie, verbouw of (vervangende) nieuwbouw van bouwwerken met een oppervlakte van minimaal 20 m², is verplicht op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen waarbij het volgende geldt:

    • a.

      De hemelwaterberging als bedoeld in lid 1 dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het bouwwerk gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden.

    • b.

      Het geborgen hemelwater wordt hergebruikt en/of geïnfiltreerd in de ondergrond.

    • c.

      De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak.

    • d.

      De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui weer volledig beschikbaar is.

  • 2.

    Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor ook voor bestaande gebouwen geldt dat het verplicht is om op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen en blijvend in stand te houden waarbij het volgende geldt:

    • a.

      Het geborgen hemelwater wordt hergebruikt en/of geïnfiltreerd in de ondergrond.

    • b.

      De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak.

    • c.

      De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur na een regenbui weer volledig beschikbaar is.

  • 3.

    De hoeveelheid hemelwater die na toepassing van het eerste lid niet kan worden geborgen, kan via een bovengrondse overloopvoorziening worden geloosd in de openbare ruimte.

  • 4.

    Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor een andere capaciteit van de hemelwaterberging wordt bepaald.

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van de verplichting om op eigen terrein een hemelwaterberging aan te brengen en in stand te houden.

  • 6.

    De ontheffing wordt slechts verleend indien:

    • a.

      het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen alternatieven voor het verwerken van het hemelwater en grondwater op eigen terrein mogelijk zijn, of;

    • b.

      er sprake is van verdroging van groen in de openbare ruimte.

Artikel 8.2.5 Maatwerkvoorschrift

  • 1.

    Het college kan maatwerkvoorschriften stellen over de inrichting en het beheer van een hemelwaterberging.

Artikel 8.2.6 Omgevingsvergunning

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college afvloeiend hemelwater en grondwater via een ondergrondse afvoerleiding rechtstreeks aan te sluiten op respectievelijk het openbaar hemelwaterstelsel of het openbaar ontwateringsstelsel.

  • 2.

    De vergunning wordt slechts verleend indien:

    • a.

      het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen bovengrondse alternatieven voor het afvoeren van het hemelwater en grondwater van eigen terrein naar de openbare ruimte mogelijk zijn, of;

    • b.

      het functioneren van het openbaar rioolsysteem dit vereist;

  • 3.

    Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

    • a.

      Een voorschrift kan zijn het gescheiden aanbieden van de waterstromen op de erfgrens.

B

Bijlage 1 Aan begrippen wordt een artikel toegevoegd

Artikel 1.8:

Voor de toepassing van dit artikel en Hoofdstuk 8 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • hemelwater: verzamelnaam voor water dat uit de hemel valt, zoals regen, sneeuw en hagel;

  • regenwater: vloeibare vorm van water dat uit de hemel valt;

  • grondwater: al het water dat zich in de ondergrond, in bodems en gesteenten bevindt;

  • bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  • infiltratie: het indringen van water in de onverzadigde zone van de bodem;

  • transformatie: functiewijziging van een bestaand pand, waarbij een planologische wijziging noodzakelijk is;

  • verbouw: het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bestaand bouwwerk;

  • vervangende nieuwbouw: nieuwbouw op een perceel waarbij het bestaande pand gesloopt wordt;

  • nieuwbouw: het realiseren van een nieuw bouwwerk;

  • openbaar riool: Het openbaar riool is het gedeelte van het rioolstelsel dat in eigendom en in beheer is bij de gemeente of bij een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast en omvat tevens de perceelaansluitleiding vanaf het hoofdriool tot aan de erfgrens en de ontstoppingsvoorziening. Verder bestaat het uit diverse onderdelen als rioolgemalen, persleidingen en werken en installaties. Het openbaar riool bestaat uit het openbaar gemengd stelsel, openbaar hemelwaterstelsel, openbaar vuilwaterriool en als specificatie hiervan het drukriool en het openbaar ontwateringsstelsel samen.

  • openbaar gemengd stelsel: het gedeelte van het openbaar riool dat bestemd is voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater;

  • openbaar vuilwaterriool: het gedeelte van het openbaar riool dat bestemd is voor de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater met uitzondering van grond- en hemelwater, in beheer bij een gemeente of bij een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • drukriool: het gedeelte van het openbaar riool van het type mechanische riool: bestemd voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater, exclusief hemelwater en grondwater, waarbij het transport plaatsvindt met overdruk, in deze verordening wordt hieronder ook inbegrepen de vacuümriolering welke functioneert met onderdruk;

  • openbaar hemelwaterstelsel: het gedeelte van de openbare riolering en/of een voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar gemengd riool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • openbaar ontwateringsstelsel: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van grondwater, niet zijnde een openbaar gemengd riool, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • overloopvoorziening: voorziening voor het uitlaten van een overschot aan regenwater na berging en infiltratie op particulier terrein.

  • Hemelwaterberging: een voorziening op particulier terrein waar hemelwater in kan worden opgeslagen en hergebruikt of geïnfiltreerd in de bodem, zowel ondergrondse als bovengrondse voorzieningen.

C

Na artikel 10.2.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 10.2.3a Overgangsrecht hemelwatervoorziening

Artikelen 8.2.2 tot en met 8.2.6 zijn niet van toepassing op:

  • a.

    bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van de Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer reeds bestonden;

  • b.

    bouwwerken waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd en;

  • c.

    ruimtelijke activiteiten waarvoor vóór inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer een (ontwerp) bestemmingsplan is vastgesteld waarin bepalingen over hemelwatervoorzieningen zijn opgenomen;

  • d.

    ruimtelijke activiteiten waarvoor uiterlijk zes weken na inwerkingtreding van Verordening tot wijziging van de Verordening fysieke leefomgeving inzake hemelwaterafvoer door het college een ontwikkelovereenkomst, samenwerkingsovereenkomst of anterieure overeenkomst is afgesloten.

Artikel II

Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 februari 2022

De raad voornoemd,

de griffier,

A. Kerver

de voorzitter,

R.C. König

Toelichting

Algemeen

Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze gezondheid, veiligheid en economie. Het is van groot belang dat Nederland zich aanpast aan deze veranderingen en maatregelen neemt om onder andere schade aan huizen en vitale infrastructuur te voorkomen.

Om dit te bereiken moet zowel bij bestaande bouw als bij (vervangende) nieuwbouw rekening worden gehouden met extreme neerslag. Daarbij is onder meer van belang dat er zowel op particulier terrein als in openbaar terrein voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Een van de juridische instrumenten die dit kan bewerkstelligen, is een zogenaamde hemelwaterverordening.

 

Op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer kan de gemeente bij verordening regels stellen over het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in de riolering. Dit artikel biedt de grondslag voor het opstellen van een hemelwaterverordening, waarin het aanleggen en in stand houden van een hemelwaterberging bij (vervangende) nieuwbouw en verbouw wordt geregeld.

 

In beginsel zijn particulieren zelf verantwoordelijk voor het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf hun perceel. Dit is slechts anders als het niet redelijk is om van particulieren te verlangen het hemelwater zelf af te voeren. Om belasting op de openbare riolering terug te brengen, is het belangrijk dat particulieren het hemelwater langer op eigen terrein vasthouden en vertraagd afvoeren. In deze hemelwaterverordening is daarom geregeld in welke gevallen particulieren een hemelwaterberging moeten aanleggen en waar deze aan moet voldoen.

 

Op 1 juli 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Deze hemelwaterverordening gaat op dat moment van rechtswege deel uitmaken van het omgevingsplan. De bepalingen in de hemelwaterverordening zijn zodanig opgesteld dat deze al voldoen aan de eisen uit de Omgevingswet. Dit uit zich onder meer in het gebruik van de instrumenten die de Omgevingswet kent, zoals de omgevingsvergunning en maatwerkvoorschriften.

 

A

Artikel 8.2.2 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op het drukriool

Lid 1 Met name in het buitengebied bevinden zich drukrioolstelsels. Een drukrioolstelsel is niet ontworpen en derhalve ongeschikt om regenbuien en grondwater te kunnen verwerken. Hemelwater, maar ook grondwater, dat via een mechanisch rioolstelsel wordt afgevoerd kan dan ook voor hoge beheerkosten, storingen en fysieke overlast van(uit) dat rioolstelsel zorgen.

Om het lozingsgedrag publiekrechtelijk te regelen heeft de gemeente dan ook besloten door middel van deze verordening binnen de gehele gemeente Deventer een verbod in te stellen om hemelwater of grondwater te lozen op drukrioolstelsels.

 

Lid 2 Het verbod als bedoeld in 8.2.2 onder 1. geldt ook voor het lozen op de drukriolering van hemelwater dat door middel van een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering gezuiverd is en om de lozing van restanten uit ontijzeringsinstallaties ten behoeve van het zuiveren van grondwater.

 

Artikel 8.2.3 Lozingsverbod hemelwater en grondwater op openbare vuilwaterriool of het gemengd openbaar riool

Lid 1 Deze bepaling biedt de juridische grondslag voor het verbieden of gedeeltelijk verbieden van het aansluiten en lozen van hemelwater op het openbaar riool.

Het gaat hier zowel om de afvoerleidingen die direct zijn aangesloten op het openbaar riool, alsmede om leidingen die op het perceel of binnen de woning/het gebouw zijn aangesloten op een gemengde leiding, die op het openbaar riool is aangesloten.

Het verbod is alleen van toepassing als er sprake is van (vervangende) nieuwe bouwwerken of van de verbouw van bouwwerken. Voor bestaande bouwwerken is er dus geen actieve afkoppelverplichting.

Lid 2 Ook het lozen middels een afscheidingsinstallatie of lokale zuivering, gezuiverd hemelwater of grondwater en de lozing van restanten uit ontijzeringsinstallaties, ten behoeve van het zuiveren van grondwater, op het vuilwaterriool of het gemengd openbaar riool is verboden.

 

Artikel 8.2.4 Verplichting tot waterberging op eigen terrein

Lid 1 Via de regel om bij zowel uitbreiding van bestaande bouw als bij (vervangende) nieuwbouw te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit per m2 bebouwd oppervlak, wordt hemelwater langer vastgehouden op eigen terrein. Op die manier wordt de belasting op de openbare riolering geleidelijk aan teruggebracht.

 

De plicht tot het realiseren van een hemelwaterberging is vooralsnog beperkt tot het (vervangende) nieuwbouw en of verbouwen van bouwwerken. Het gaat niet over open erven of terreinen. Om die reden wordt gesproken over het aantal m2 bebouwd oppervlak.

Wel is het wenselijk dat afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via goten, putten, afvoerbuis enzovoort wordt afgevoerd, ook in de hemelwaterberging wordt opgevangen, en dat het niet geloosd wordt op het openbaar vuilwater- of gemengd riool. Echter is er, onder andere omwille van handhaving, voor gekozen dit niet via een verplichting op te leggen, maar via communicatie de bewustwording tot de noodzaak van hemelwaterberging over te brengen.

Voor bouwwerken tot 20 m2 is het niet nodig om een voorziening te treffen voor het afvoeren van het hemelwater. Hemelwater kan in deze gevallen zonder overlast te geven afvloeien in een tuin of op een erf. Vanaf 20 m2 kan er meer overlast ontstaan, waardoor er een voorziening getroffen zal moeten worden.

Als een bouwwerk wordt gerealiseerd met een oppervlakte van 20m2 of meer, dan zal de eigenaar van het perceel een hemelwaterberging aan moeten brengen en in stand houden. Indien op het perceel reeds een bestaande waterberging aanwezig is en deze voldoet aan de capaciteit zoals bepaald in lid 1 sub c, dan hoeft deze bestaande waterberging niet uitgebreid te worden.

 

De hemelwaterberging moet zich op eigen terrein bevinden.

 

Sub a. De hemelwaterberging moet binnen een bepaalde periode van 10 weken na het gereedkomen van het bouwwerk gerealiseerd zijn. Dit geeft een initiatiefnemer voldoende tijd om, na de bouwwerkzaamheden, ook voorzieningen in de tuin te kunnen treffen.

Ook zal de voorziening in stand gehouden moeten worden. Deze instandhouding is opgenomen om te voorkomen dat er overlast ontstaat in de toekomst. Een hemelwaterberging kan bijvoorbeeld ook een gat in de grond zijn waar bijvoorbeeld een trampolie op geplaatst wordt. Het is dan niet de bedoeling dat, bij verwijdering van de trampoline, het gat gedicht wordt zonder een vervangende hemelwaterberging aan te leggen.

 

Een hemelwaterberging kan op verschillende manieren uitgevoerd worden. De uitvoering is afhankelijk van de mogelijkheden en onmogelijkheden op een perceel en betreft daarom maatwerk.

In zijn algemeenheid gaat de voorkeur gaat uit naar een hemelwaterberging waarbij bovengronds afgekoppeld wordt naar voorzieningen op eigen terrein, zoals het afvloeien van het water in de tuin. Voorbeelden van bovengrondse voorzieningen zijn een vijver, een trampolinegat, een laagte(wadi) en een groen dak.

Indien bovengronds afkoppelen niet mogelijk is, dan kan ondergronds afgekoppeld worden naar infiltratievoorzieningen op eigen terrein, zoals infiltratiekratten.

 

Sub b. Het geborgen hemelwater moet worden hergebruikt of in de ondergrond worden geïnfiltreerd. Dit houdt in dat de hemelwaterberging een voorziening is die niet alleen hemelwater bergt, maar ook hergebruikt of infiltreert.

 

Sub c. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 mm per m2 bebouwd oppervlak. Dit betekent dat er bij een bui van 20 mm deze volledig opgevangen kan worden in de hemelwaterberging.

Een capaciteit van 20mm per m2 betekent dat voor een perceel met een totaal bebouwd oppervlak van <y> m2 moet worden voorzien in een vorm van waterberging met een totale capaciteit van <x maal y> liter.

De benodigde waterbergingscapaciteit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. Voorbeelden zijn het ingraven van infiltratiekratten of een grindbed, het aanleggen van een verdiept gedeelte in de tuin of het aanleggen van een groen dak. Een combinatie van waterbergende voorzieningen is ook mogelijk. Bij het berekenen van het bergende volume van een grindbed moet rekening worden gehouden met het volume dat het grind zelf inneemt.

De berekening van de capaciteit van de hemelwaterberging wordt gemaakt over de oppervlakte die wordt verbouwd of nieuw wordt gebouwd. Dus ook bij het verbouwen van een bestaand gebouw, zal een waterberging aangebracht moeten worden.

 

voorbeelden:

 

Nb. De inhoud van de waterberging is wel afhankelijk van het soort waterberging en afhankelijk van de waterdoorlatendheid van de grond. De hierboven genoemde voorbeelden dienen als richtlijn.

 

Sub d. In artikel 10.32a Wm is opgenomen dat de termijn waarbinnen de lozing van het hemelwater moet zijn beëindigd in de verordening wordt genoemd. Voor het beperken van wateroverlast is het essentieel dat de hemelwaterberging binnen afzienbare tijd na een bui weer beschikbaar is voor het opvangen van de volgende bui.

De capaciteit van de hemelwaterberging moet 20 mm zijn. Dit is voldoende voor het opvangen van een bui van 20 mm. Om ervoor te zorgen dat er geen overlast ontstaat, zal de hemelwaterberging zodanig ontworpen moeten zijn dat deze binnen 24 uur na een regenbui van 20 mm weer volledig beschikbaar is. Dit kan bijvoorbeeld door de hemelwaterberging als infiltratievoorziening in te richten, zodat het opgevangen water langzaam in de bodem zakt. Een regenton is bijvoorbeeld wel een berging en bedoelt voor hergebruik, maar deze voorziening is niet binnen 24 uur weer beschikbaar en is dan ook geen hemelwaterberging zoals bedoeld. In combinatie met een infiltratievoorziening is een regenton wel mogelijk.

 

Lid 2 De verplichting tot het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein geldt vooralsnog uitsluitend indien er sprake is van (vervangende) nieuwbouw of verbouw van gebouwen. In dit lid is de mogelijkheid opgenomen om ook voor bestaande gebouwen een verplichting op te nemen voor het realiseren van een hemelwaterberging. Het college kan hiervoor gebieden aanwijzen. Met deze aanwijzing kan dan ook voor een gebied bepaald worden dat er een afkoppelverplichting geldt.

 

Lid 3 Indien er een bui valt die meer bedraagt dan 20 mm, dan volstaat de capaciteit van de hemelwaterberging niet. In die gevallen kan (mag) het hemelwater dat niet geborgen kan worden in de hemelwaterbergingsvoorziening via een bovengrondse overloopvoorziening op de perceelsgrens afvloeien in de openbare ruimte. Het gaat hierbij om buien die meer dan circa één keer per twee jaar vallen. Het tweede lid maakt duidelijk dat de waterberging niet bedoeld is om alle mogelijke regenbuien op te vangen. De gemeente zorgt voor openbare voorzieningen als noodoverloop. Dit artikellid geeft invulling aan de wettelijke zorgplicht die de gemeente heeft voor het verwerken van hemelwater, als dat redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden gevergd.

 

Lid 4 In die gevallen of locaties waarvoor 20 mm onvoldoende is, kan het college bepalen dat er een andere capaciteit van de hemelwaterberging noodzakelijk is. Hiertoe kan het college specifieke gebieden aanwijzen. Deze bepaling is in lijn met artikel 2.8 van de Omgevingswet. Dat artikel bepaalt dat de gemeenteraad de wijziging van delen van het omgevingsplan kan delegeren aan het college. In het huidige recht wordt de grondslag voor deze delegatiebepaling gevonden in artikel 156 van de Gemeentewet. Als het college toepassing geeft aan deze mogelijkheid, is dezelfde procedure van toepassing als een reguliere wijziging van de verordening. Het college zal daarom eerst een ontwerpbesluit tot wijziging van de hemelwaterverordening ter inzage leggen, waarop een ieder zienswijzen kan indienen. Na verwerking van de zienswijzen stelt het college het definitieve wijzigingsbesluit vast.

 

Lid 5 en 6. Het kan voorkomen dat in bepaalde gevallen het niet haalbaar is om een hemelwaterbergingsvoorziening aan te brengen. Hiervoor is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen. In die gevallen dat het realiseren van een hemelwaterberging op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is en er geen alternatieven voor het afvoeren van het hemelwater en grondwater op eigen terrein mogelijk zijn, kan deze ontheffing verleend worden. Ook kan het zijn dat het beter is om te lozen in de openbare ruimte als er bijvoorbeeld sprake is van verdroging van groen in de openbare ruimte. Met deze ontheffing kan het hemelwater worden geloosd in de openbare ruimte, het is hiermee niet mogelijk om alsnog aan te sluiten op het openbaar riool, hiervoor geldt artikel 8.2.6, waarin is opgenomen dat voor aansluiting op het openbaar riool een omgevingsvergunning aangevraagd kan worden.

 

Artikel 8.2.5 Maatwerkvoorschrift

In artikel 8.2.5 is geregeld dat het college een maatwerkvoorschrift kan stellen over de inrichting en het beheer van een waterberging. Dit kan bijvoorbeeld gaan over de wijze waarop een groen dak wordt aangelegd. Niet ieder dak is daar even geschikt voor. Bij beheermaatregelen valt te denken aan bijvoorbeeld de manier van onderhouden van afvoerleidingen of infiltratiekratten, deze kunnen verstopt raken. Met een maatwerkvoorschrift kan de gemeente specifieke voorschriften geven over de inrichting en het beheer van een waterberging in concrete situaties. Het maatwerkvoorschrift is een besluit waartegen rechtsbescherming open staat.

 

Artikel 8.2.6 Omgevingsvergunning

Het is niet zo dat de hemelwaterverordening situaties die niet voldoen aan de waterbergingseis uit artikel 8.2.4, eerste lid, zonder meer verbiedt. Er zijn situaties denkbaar waarin het realiseren van de voorgeschreven hoeveelheid waterberging erg lastig is, of zelfs onmogelijk. Bijvoorbeeld als de grondwaterstand erg hoog is op de (enige) plaats waar een initiatiefnemer waterberging kan realiseren. Een initiatiefnemer kan, in dit soort gevallen, een omgevingsvergunning aanvragen om geen waterberging te hoeven aanleggen en alsnog aan kan sluiten op het openbaar riool. Dit is in lijn met de opdracht in art. 10.32a lid 2 Wm om geen lozingsverbod in te stellen als van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer kan worden gevergd.

Ook kan het zijn dat omwille van het functioneren van het openbaar rioolsysteem juist wel op het riool geloosd kan worden. Deze omgevingsvergunningen zijn straks in het omgevingsplan een zogenaamde binnenplanse vergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

 

B

Er worden diverse nieuwe begrippen toegevoegd.

De begrippen behoeven geen nadere toelichting.

 

C

Het overgangsrecht wordt aangevuld met bepalingen die specifiek betrekking hebben op onderhavige hemelwaterverordening.

 

Artikel II

Bepaald is dat de verordening in werking treedt op de dag na bekendmaking.

 

Naar boven