Gemeenteblad van Apeldoorn
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Apeldoorn | Gemeenteblad 2022, 568788 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Apeldoorn | Gemeenteblad 2022, 568788 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Subsidieregeling pilots jeugd SGGZ Apeldoorn 2023
Artikel 1 Algemene bepalingen en begripsomschrijvingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
penvoerder: de partner in een samenwerkingsverband die namens een samenwerkingsverband de subsidie aanvraagt. Indien de aanvraag wordt gehonoreerd, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig volledig aanspreekbaar en verantwoordelijk jegens het college voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen;
Deze regeling is gericht op het stimuleren en financieren van pilots van jeugdhulpaanbieders om ervaring op te doen met nieuwe initiatieven en werkwijzen om transformatie binnen de (jeugd-)SGGZ te bewerkstelligen. Het doel hiervan is om snellere en beter passende hulp aan jeugdigen te verstrekken.
Een aanvraag kan ook ingediend worden door een samenwerkingsverband van organisaties. In dit geval neemt één organisatie de rol van penvoerder op voor het gehele samenwerkingsverband, waarbij in ieder geval één deelnemer in het samenwerkingsverband dient te voldoen aan het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel.
Indien de binnen de tenderperiode van 1 januari 2023 tot en met 28 februari 2023 ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in het artikel 5 te boven gaan, maakt het college voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen die voldoen aan de subsidievereisten.
Bij de rangschikking van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de beoordelingscriteria genoemd in het derde lid, onderdelen a tot en met e. Voor ieder onderdeel worden tussen de 0 en 4 punten toegekend. De rangschikking vindt plaats op basis van het totaal aantal punten. De richtlijn voor toekenning van punten is:
Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het aantal punten behaald onder het criterium genoemd in het derde lid, onder e, waarbij de aanvraag met de meeste punten hoger eindigt in de rangschikking.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb en artikel 9 van de Asv wordt de subsidie geweigerd als:
Een aanvraag wordt ingediend op een door het college vastgesteld formulier en gaat in ieder geval vergezeld van:
Artikel 11 Termijn voor het beslissen op de aanvraag
Het college neemt binnen 12 weken na het aflopen van de eerste aanvraagperiode een beslissing. Voor de tweede aanvraagperiode neemt het college binnen 12 weken na ontvangst van een volledige aanvraag een beslissing.
Artikel 12 Verplichtingen van de subsidieontvanger
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 11 en 12 van de Asv heeft de subsidieontvanger in ieder geval de volgende verplichtingen:
Artikel 15 Intrekking van de subsidieverlening
Het college trekt de verleningsbeschikking in als de activiteiten niet binnen 12 maanden na subsidieverlening zijn voltooid.
Het college mandateert de bevoegdheden voor uitvoering van deze regeling, met uitzondering van de bevoegdheden genoemd in artikel 18, aan het afdelingshoofd Keten- en Accountmanagement.
Het college kan bepalingen in deze regeling buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het doel van de regeling leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Aldus vastgesteld op 13 december 2022,
Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris,
T.J.H.M. Berben
de burgemeester,
A.J.M. Heerts
In 2022 en 2023 wordt het budgetplafond voor de producten SGGZ tijdelijk afgeschaft. Tegelijkertijd zetten we in 2022 en 2023 in een project SGGZ in op verdere transformatie van de jeugdhulp samen met jeugdhulpaanbieders. Het doel hiervan is snellere en beter passende hulpverlening en inzicht in de SGGZ. Dit doen we door middel van drie deelprojecten: pilots door aanbieders, procesregie door het CJG en gesprekvoering. Deze subsidieregeling richt zich op het eerste deel, namelijk pilots door jeugdhulpaanbieders.
In dit artikel worden transformatiedoelen genoemd. In de toelichting van de Jeugdwet staan de volgende doelen voor de stelselwijziging beschreven:
In deze regeling streven we naar dezelfde doelen en noemen deze transformatiedoelen.
Artikel 3: Subsidiabele activiteiten en subsidievereisten
In dit artikel staan de vereisten aan een aanvraag voor een pilot beschreven.
Het tweede lid sub b benoemt dat de pilot invloed moet hebben op de zorg in de SGGZ. De pilot is gericht op het SGGZ-veld. Het moet dus gaan om een initiatief dat invloed heeft op de zorg in de SGGZ. Deze pilot kan het zorgaanbod uitbreiden, aanpassen of vernieuwen, door bijvoorbeeld een nieuwe interventie of werkwijze op te stellen. Hierdoor is het een aanpassing van het zorgaanbod zelf. Daarnaast kan het ook gaan over instroom of uitstroom in SGGZ, bijvoorbeeld door in een samenwerking met het lokale team een nieuwe preventieve aanpak te introduceren. Dit zou de instroom in de SGGZ beperken en daardoor dus ook invloed op de zorg in de SGGZ hebben. De aanvrager toont aan hoe de pilot invloed heeft op zorg in de SGGZ.
Sub d vraagt om aan te tonen dat er behoefte is aan het initiatief. De aanvrager toont aan dat er behoefte is aan het initiatief door bijv. signalen van cliënten, medewerkers of andere signalen uit het veld. De aanvrager hoeft hier geen onderzoek naar te doen, maar dient wel te motiveren (met cijfers en/of ervaringen) waarom er behoefte is aan het initiatief in de aanvraag.
Sub e stelt dat de aanvrager samenwerkt met andere aanbieders, Samen055 of andere partners in het lokale of regionale zorgveld. In de aanvraag toont de aanbieder aan dat er samenwerking is met andere aanbieders. Dit kunnen SGGZ-aanbieders zijn, maar er kan ook sprake zijn van aanbieders die andere producten bieden, in het voorliggende veld werken of een andere partner in het zorgveld zijn, zoals toegang. De samenwerking is afhankelijk van de doelen en inhoud van de pilot. Wanneer het doel bijv. sneller afschalen is, kan er een samenwerking zijn met het voorliggende veld of een aanbieder die begeleiding biedt. Samenwerking is noodzakelijk om op- en afschalen in de jeugdzorg te versterken.
Onder cofinanciering in sub f verstaan we in deze regeling dat een aanbieder zelf ook tijd of middelen investeert in de pilot. Dit kan door teamoverleggen, managementoverleggen, administratieve taken, of een andere activiteit voor deze pilot uit te voeren. Deze activiteiten wordt niet bekostigd met de subsidie. De aanvrager toont in de aanvraag aan welke tijd en middelen de organisatie zelf investeert in de pilot, en dat er dus sprake is van cofinanciering.
Een aanvrager voldoet minimaal aan de voorwaarden die benoemd zijn in het eerste lid.
Daarnaast voldoet een aanvrager aan de eisen uit het tweede lid, dus SGGZ-zorg hebben geleverd in 2021 of 2022 aan Apeldoornse jeugdigen. Het gaat dan om de producten Behandeling (Basale stoornissen, Stabilisatie, EPA), Diagnostiek, Crisis of Verblijf jeugd-GGZ. De pilots focussen zich op de SGGZ, daarom is het noodzakelijk dat de aanvrager een SGGZ-jeugdhulpaanbieder is. Is dit niet het geval, dan kan een aanvrager alleen in een samenwerkingsverband een aanvraag indienen voor een subsidie.
Het is ook mogelijk om een aanvraag in te dienen met een samenwerkingsverband van organisatie. Hierbij is er altijd een jeugdhulpaanbieder betrokken die aan het eerste en tweede lid voldoet, om een samenwerking met de SGGZ aan te tonen. De penvoerder hoeft niet te voldoen aan het eerste en tweede lid van dit artikel. In een samenwerking kan een aanvraag dus ingediend worden door een organisatie die niet voldoet aan het bepaalde in het eerste en tweede lid, maar dient er wel een aanbieder in het samenwerkingsverband te zijn die hier wel aan voldoet. Op deze manier bestaat er een verband met de SGGZ-zorg om de gewenste beweging naar voren te maken.
De regeling heeft twee aanvraagperiodes. Voor de aanvraagperiode 1 januari 2023 tot en met 28 februari 2023 geldt een tenderprocedure indien de aangevraagde subsidiebedragen het subsidieplafond te boven gaan. Wanneer na behandeling van de aanvragen over de periode 1 januari 2023 tot en met 28 februari 2023 gebleken is dat het subsidieplafond niet is overschreden, dan zal een tweede aanvraagperiode starten van 1 maart 2023 tot en met 31 december 2023. De aanvragen die in de tweede aanvraagperiode worden ontvangen, zullen worden verdeeld op volgorde van binnenkomst tot het subsidieplafond is bereikt.
Voor wat betreft de eerste aanvraagperiode van 1 januari 2023 tot en met 28 februari 2023 geldt dat wanneer het aangevraagde bedrag het subsidieplafond uit artikel 5 overschrijdt, er een tenderprocedure gestart wordt. De aanvragen in de tenderprocedure worden beoordeeld door een commissie, die het college een advies geeft over de te subsidiëren pilots. Het college is de eindverantwoordelijke en maakt ook de beslissing over de te subsidiëren pilots.
Het tweede lid geeft aan welke punten er per criterium behaald kunnen worden. In combinatie met de beoordelingscriteria wordt op die manier een eindscore bepaald voor een pilot. Dit bepaalt de ranking. De pilot die het hoogst heeft gescoord, komt als eerste voor subsidie in aanmerking.
Het derde lid beschrijft de beoordelingscriteria. Bij een beoordeling van een aanvraag wordt voor elke sub punten zoals genoemd in het tweede lid toegekend.
In sub a wordt benoemd dat een pilot moet bijdragen aan transformatie. Dit betekent dus dat een pilot minimaal moet bijdragen aan één van de transformatiedoelen genoemd in de toelichting van de Jeugdwet en in de toelichting bij artikel 2. Een pilot kan bijvoorbeeld bijdragen aan normaliseren, door laagdrempelige hulpverlening te bieden op vindplaatsen van jeugd, zoals op school. De aanvrager toont in de subsidieaanvraag aan op welke manier een pilot bijdraagt aan de transformatie. Sub b bepaalt dat een pilot innovatief moet zijn. Een pilot is een vernieuwend initiatief, en bestaat nog niet in deze regio. Het is wel mogelijk dat het initiatief al op een andere plek is getest, en nu wordt geïntroduceerd in deze regio. Het initiatief moet een uitbreiding zijn op het al bestaande aanbod. Sub c stelt dat de volgende vraag positief wordt beantwoord: Zou je zelf op deze manier geholpen willen worden als er iets zou gebeuren in je gezin? Deze vraag wordt beantwoord door de commissie. Op deze manier verplaatsen we ons in het clientperspectief. Sub d geeft aan dat pilots ook op een manier kostenbesparend of kostenbeheersend kunnen zijn voor het SGGZ-veld. De kosten voor jeugdzorg blijven oplopen, ook voor de SGGZ. Pilots die zorgen voor hogere kosten voor SGGZ (ook op langere termijn), krijgen minder punten voor dit onderdeel. Als de pilot bijdraagt aan kostenbeheersing door bijv. meer in te zetten op collectieve ondersteuning, krijgt de pilot meer punten.
Als laatste staat in sub e dat voor de beoordeling van de pilot ook rekening wordt gehouden met de doelgroep. Hiermee bedoelen we dat een pilot die zich op een grotere representatieve doelgroep richt, meer punten krijgt dan een pilot die zich op een beperkt aantal cliënten richt. Deze pilot kan ook waardevol zijn, maar in de beoordeling wordt het bereik ook meegenomen.
In het vierde lid wordt bepaald dat de aanvraag met de meeste punten als eerste in aanmerking komt voor subsidie. Bij een gelijke stand bepaalt het vijfde lid dat de punten op sub e (dus het bereik) dubbel meetellen.
Artikel 8 Subsidiabele en niet subsidiabele kosten
In dit artikel zijn de subsidiabele en niet-subsidiabele kosten voor de pilots opgenomen. Deze lijst is niet limitatief, maar beschrijft welke kosten in ieder geval wel of niet in aanmerking komen. Kosten voor materiaal, onderzoek, deskundigheidsbevordering komen wel in aanmerking. Deze geldt enkel wanneer de kosten bijdragen aan de pilot en ook voor de pilot gemaakt worden. Een algemene training voor personeel komt bijv. niet in aanmerking. Wanneer de pilot een nieuw interventie bevat en het personeel daarvoor getraind moet worden, komt dit wel in aanmerking.
Kosten die in ieder geval niet in aanmerking komen voor subsidiëring zijn genoemd in het tweede lid. Daarnaast komen kosten niet in aanmerking als ze niet voor de pilot gemaakt worden.
Onder cofinanciering in het lid 2 sub d verstaan we in deze regeling dat een aanbieder zelf ook tijd investeert in de pilot. Dit is ook bepaald in de subsidievereisten. Dit kan zijn door teamoverleggen, managementoverleggen, administratieve taken, of een andere activiteit voor deze pilot uit te voeren. Een aanbieder geeft in de aanvraag aan welke kosten onderdeel zijn van cofinanciering. Deze kosten komen niet in aanmerking voor subsidie.
De aanvrager neemt in de begroting op welk type kosten er gemaakt zullen worden voor de pilot. Deze begroting dient reëel en sluitend te zijn. In de begroting staat ook welke mogelijke andere subsidies de aanvrager ontvangt voor de pilot.
In dit artikel staan de weigeringsgronden voor de subsidieregeling opgenomen. In het eerste lid sub a staat opgenomen dat een pilot niet ingediend mag worden voor een werkwijze, interventie of hulp die al geboden wordt door de zorgaanbieder of redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aanbieder deze zorg biedt. Van een SGGZ-aanbieder verwachten we bijvoorbeeld dat er bepaalde interventies zoals systeemtherapie worden aangeboden. Een andere verwachting is dat een aanbieder afstemt met het team MPH wanneer er sprake is van multi-probleem gezinnen. Dit is onderdeel van reguliere werkwijze.
Sub b stelt dat niet met de uitvoering van de pilot gestart mag zijn voordat de aanvraag is ontvangen. Wanneer er bijv. sprake is van een intensivering van een werkwijze, kan dus wel de interventie al gestart zijn. De intensivering wordt in dit geval gezien als de pilot. Een ander voorbeeld is dat er onderzoek is gedaan naar een effectieve werkwijze. De werkelijke uitvoering van deze werkwijze is dan de pilot.
In sub f is opgenomen dat een pilot niet gesubsidieerd wordt als het geen aantoonbare invloed heeft op het SGGZ-hulpaanbod. Dit kan zijn omdat de activiteit al bestaat (bijv. bij een andere aanbieder), maar ook omdat er bijv. niet aangetoond is dat de interventie effectief is. De werkwijze of uitvoering van de pilot kan daarnaast niet voldoende kwalitatief zijn. Op basis daarvan kan verwacht worden dat er geen invloed is op het SGGZ-aanbod.
De aanvraag tot subsidie wordt via een digitaal formulier ingediend. Een aanvrager geeft in het plan van aanpak een toelichting op de pilot. Hierbij worden minimaal het doel, de activiteiten, de doelgroep en verwachte resultaten beschreven. Om het effect van een pilot te meten, vragen we aanbieders om SMART-doelen te formuleren en hier ook al indicatoren aan te koppelen. De aanvrager legt uit hoe de monitoring van de pilot wordt gedaan. Dit is een belangrijk onderdeel om te kunnen beoordelen of het initiatief effectief is en bijvoorbeeld breder in de jeugdhulp ingezet kan worden.
Daarnaast wordt in het plan van aanpak ook beschreven op welke manier de pilot bijdraagt aan de transformatiedoelen. Ook beargumenteert de aanvrager dat er sprake is van een aantoonbare behoefte. Zie ook de toelichting bij artikel 3 hiervoor. In het plan van aanpak kan de aanvrager verder aangeven waarom de pilot innovatief is en bijdraagt aan het aanbod in de SGGZ. In het plan is ook opgenomen met welke partners samengewerkt wordt om de pilot uit te voeren. Deze informatie is noodzakelijk om de pilot te kunnen beoordelen en scoren op de beoordelingscriteria.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2022-568788.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.