Nota reserves en voorzieningen 2022

 

De raad van de gemeente Heusden;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 juli 2022;

 

gelet op het Besluit Begroting en Verantwoording en de Financiële Verordening Heusden 2017;

 

 

besluit:

 

vast te stellen de navolgende Nota reserves en voorzieningen 2022.

 

Deze nota treedt een dag na publicatie in werking.

 

Tegelijk met de inwerkingtreding van deze nota wordt de ‘Nota reserves en voorzieningen 2017’ ingetrokken.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 27 september 2022.

 

 

de griffier,

de voorzitter,

drs. F.E.H.M. Backerra

drs. W. van Hees

 

Nota reserves en voorzieningen 2022  Inhoudsopgave

 

1. Inleiding. 3

2. Regelgeving en kaders. 4

3. Indeling reserves & voorzieningen. 7

4. Reserves en voorzieningen. 10

5. Weerstandsvermogen. 12

Bijlage 1: Relevante wetsartikelen BBV. 15

Bijlage 2: Instellingsbesluiten Reserves. 17

 

  1. Inleiding1.1.  Aanleiding

Overeenkomstig de financiële verordening biedt het college de raad periodiek een nota reserves en voorzieningen aan en actualiseert deze wanneer daar aanleiding voor is. Gezien de datum van de vorige nota (2017) en het voornemen om te komen tot een flexibele norm voor de hoogte van de algemene reserve, is er nu aanleiding om het beleid over reserves en voorzieningen opnieuw vast te stellen.

Buiten de vaststelling van de nieuwe norm voor de algemene reserve, is op basis van actuele inzichten het aantal wijzigingen in de aanwezige reserves en voorzieningen beperkt. Deze nota gaat alleen over de reserves en voorzieningen en – gezien de samenhang – het weerstandsvermogen.

1.2. Doel

Doel van de nota reserves en voorzieningen is het vaststellen van de lokale kaders voor:

  • 1.

    vorming en besteding van reserves;

  • 2.

    vorming en besteding van voorzieningen;

  • 3.

    de rentetoerekening aan reserves en voorzieningen en

  • 4.

    het weerstandsvermogen.

Uiteraard dienen deze lokale kaders te vallen binnen de geldende wet- en regelgeving. Door het periodiek vaststellen van de nota kan de raad zijn kaderstellende rol uitvoeren en wordt gewerkt aan meer inzicht en transparantie rondom de reserves en voorzieningen.

1.3. Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beknopte opsomming van de regelgeving en kaders voor reserves, voorzieningen en weerstandsvermogen. Dit is het kader waarbinnen de rest van de nota moet worden geplaatst. Hierin is ook vastgelegd hoe bevoegdheden zijn geregeld. Denk hierbij aan het instellen, toevoegen en onttrekken en opheffen van reserves en voorzieningen alsmede de normbepalingen voor het weerstandsvermogen.

Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de uitwerking van de reserves en voorzieningen binnen het kader zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Hierbij wordt aandacht besteed aan de categorieën reserves en voorzieningen die worden onderkend, waarbij is vastgelegd in welke situatie een reserve of voorziening wordt gevormd. Ook wordt aandacht besteed aan het rentebeleid.

Hoofdstuk 5 gaat over het weerstandsvermogen: wat wordt gerekend tot het weerstandsvermogen, wanneer wordt het vastgelegd en welke norm kennen we hieraan toe. De algemene reserve is een belangrijke component van het weerstandsvermogen.

Tot slot is in de bijlage bij deze nota de letterlijke tekst van relevante wetgeving opgenomen (bijlage 1) alsmede de instellingsoverzichten van de reserves zoals ze bestaan na het vaststellen van deze nota (bijlage 2). Hiermee zijn de reserves en voorzieningen volledig herzien en voldoen ze aan de beleidsuitgangspunten van deze nota.

  2. Regelgeving en kaders2.1. Algemeen

Het kader voor de reserves en voorzieningen wordt gevormd door het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) en de financiële verordening. Het BBV is daarnaast uitgewerkt in een aantal notities die ook relevant zijn voor reserves en voorzieningen. De letterlijke teksten zijn (voor zover relevant) opgenomen in bijlage 1.

2.2. Functies reserves en voorzieningen

Reserves en voorzieningen kunnen verschillende doelen hebben.

De bestedingsfunctie

De bestemmingsreserves en voorzieningen zijn ingesteld met een bepaald doel. Er is in dat geval sprake van een bestedingsfunctie: een reservering om realisatie van bepaalde activiteiten mogelijk te maken. Wanneer de bestemming de keuze van de raad is wordt het een bestemmingsreserve. Wanneer het een verplichte besteding betreft is het een voorziening.

De financieringsfunctie

Op grond van de Wet financiering decentrale overheden (wet Fido) moeten alle investeringsuitgaven worden gefinancierd met langlopende middelen. Dit kan in de vorm van eigen vermogen (reserves) of vreemd vermogen (o.a. voorzieningen en geldleningen).

De bufferfunctie

Reserves kunnen onverwachte tegenvallers opvangen en maken het mogelijk noodzakelijke aanpassingsprocessen geleidelijk en dus niet schoksgewijs te laten verlopen. Dit geldt met name voor de algemene reserve.

De egalisatiefunctie

Reserves/voorzieningen kunnen worden gevormd om baten en lasten gelijkmatig over de jaren te verdelen. Hiermee worden pieken en dalen in de exploitatie opgeheven. Ook kunnen ongewenste schommelingen in tarieven die aan derden in rekening worden gebracht worden voorkomen.

2.3. Wat zijn reserves?

Reserves zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken. De reserves worden overeenkomstig het BBV onderscheiden in:

  • 1.

    algemene reserves: reserves waaraan geen bestemming is gegeven, deze dienen om risico’s in algemene zin op te vangen. Normaliter is er sprake van één algemene reserve binnen gemeenten;

  • 2.

    bestemmingsreserves: reserves waar de raad een bepaalde bestemming aan heeft gegeven. Vaak zijn dit er meerdere.

Reserves worden gevormd door bestemming van het resultaat, zijn in principe vrij besteedbaar en behoren tot het eigen vermogen. Voor bestemmingsreserves is de besteding door de raad vastgelegd. De raad kan de bestemming bij bestemmingsreserves ook weer wijzigen.

Er is géén sprake van een financiële verplichting, ook niet als het gaat om een bestemmingsreserve die is gevormd voor een bepaalde investering. De bestemmingsreserves worden tot het eigen vermogen gerekend omdat deze reserves bij een heroverweging van beleid een andere bestemming kunnen krijgen of aan de algemene reserve kunnen worden toegevoegd.

Bestemmingsreserves worden ingesteld voor:

  • 1.

    concrete door de raad vast te stellen doelen, in principe binnen vooraf bepaalde tijd te realiseren;

  • 2.

    het afdekken van kosten uit redelijkerwijs niet in te schatten (omvangrijke) financiële risico’s;

  • 3.

    object- of doelsubsidies / bijdragen van derden en soortgelijke middelen waarvan de verplichting tot het doen van de uitgaven zich pas in latere jaren voordoet, maar waarvan de aanwending niet is gebonden of waarop geen terugbetalingsverplichting rust;

  • 4.

    de egalisatie van ongewenste schommelingen, indien de besteding niet dusdanig gebonden is dat de middelen moeten worden teruggegeven als ze niet zijn besteed voor het doel waarvoor ze zijn geheven.

2.4. Wat zijn voorzieningen?

Voorzieningen worden gerekend tot het vreemd vermogen. Een voorziening wordt gevormd als de omvang van de verplichting of het verlies (redelijkerwijs) is in te schatten en het zeker of waarschijnlijk is dat deze zich voordoet. Indien niet aan deze criteria wordt voldaan betreft het een verplichting (omvang bekend, afwikkeling zeker) of een risico dat moet worden opgenomen in de risicoparagraaf (omvang niet in te schatten, kans minder dan waarschijnlijk).

Voorzieningen worden gevormd wegens:

  • 1.

    (verwachte) verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar redelijkerwijs te schatten; 

  • 2.

    op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten;

  • 3.

    kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, maar hun oorsprong vinden in het begrotingsjaar (of eerder) en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren (egalisatievoorziening);

  • 4.

    de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b (investeringen met een economisch nut);

  • 5.

    van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen ontvangen van Europese en Nederlandse overheidslichamen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren.

Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.

2.5. Rentebeleid

In het BBV is expliciet opgenomen dat bespaarde rente kan worden berekend over de reserves en voorzieningen. In de notitie rente (juli 2016) wordt onder andere de renteberekening over het eigen vermogen en voorzieningen behandeld.

De bespaarde rente is een vergoeding voor de inzet van eigen middelen van de gemeente die wordt toegerekend aan de taakvelden. In het geval van een reserve kan er ook voor worden gekozen de rente toe te voegen aan de reserve. In dat geval lijkt de rente meer op een inflatievergoeding die dient om de waarde van het eigen vermogen (de koopkracht) in stand te houden.

Door het toevoegen van de rente aan reserves ontstaat een fictieve rentelast die volgens de commissie BBV leidt tot het (onnodig) opblazen van de programmalasten en ten koste gaat van de eenvoud en transparantie. Hoewel het wettelijk expliciet is toegestaan doet de commissie daarom de aanbeveling geen rente te berekenen over het eigen vermogen. Wanneer er ondanks deze aanbeveling toch voor gekozen wordt mag de vergoeding maximaal het rentepercentage zijn dat door de gemeente over extern aangetrokken financieringsmiddelen wordt vergoed. Wij volgen de lijn van de commissie BBV om geen rente toe te rekenen aan reserves.

Rente toevoegen aan een voorziening is wettelijk niet toegestaan (artikel 45, BBV), uitgezonderd voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd. Aan deze voorzieningen wordt jaarlijks een toevoeging gedaan voor het percentage waartegen de voorziening contant is gemaakt (de disconteringsvoet). De disconteringsvoet is voorgeschreven door de commissie BBV en gelijk aan het maximale meerjarig streefpercentage van de Europese Centrale Bank voor de inflatie binnen de Eurozone. Wij hebben geen voorzieningen tegen contante waarde.

Indien een voorziening tegen contante waarde jaarlijks wordt geactualiseerd waarbij de hoogte direct wordt aangepast wordt de rentetoevoeging feitelijk verdisconteerd in de totale aanpassing.

2.6. Bevoegdheden rondom reserves en voorzieningen

Het instellen en opheffen van reserves is de bevoegdheid van de raad. Dit ligt in de lijn van het budgetrecht van de raad. Toevoegingen en onttrekkingen aan reserves worden via de begroting geautoriseerd door de raad of gedurende het jaar via een raadsvoorstel dat vervolgens in een begrotingswijziging wordt verwerkt. Als stortingen en onttrekkingen niet zijn opgenomen in de (gewijzigde) begroting, mag pas na definitieve bepaling van het resultaat in de jaarrekening gestort of onttrokken worden. Hierover kan de raad dan een apart besluit nemen bij het vaststellen van de jaarrekening. Een storting of onttrekking kan wel afwijken van het geraamde bedrag. In dat geval wordt dit in de toelichting op de jaarstukken aangegeven en verklaard.

Het instellen en opheffen van voorzieningen vloeit voort uit de reguliere exploitatie. Deze hangen samen met een risico waarvoor volgens de voorschriften verplicht een voorziening moet worden gevormd. Deze voorziening wordt daarom getroffen in de jaarrekening voordat het resultaat wordt bepaald. Omdat de vorming van een voorziening geen keuze is, is er geen afzonderlijk raadsbesluit nodig. Hetzelfde geldt voor toevoegingen en onttrekkingen aan voorzieningen.

2.7. Weerstandsvermogen

Het weerstandsvermogen is het verband tussen de weerstandscapaciteit waarover de gemeente beschikt om niet begrote kosten te dekken en de risico’s waarvoor geen dekkingsmaatregelen zijn getroffen. Met de weerstandscapaciteit bedoelen we de aanwezige middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt en kan beschikken om niet begrote kosten, die onverwacht en substantieel zijn, te dekken. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht in hoeverre de gemeente in staat is financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat dit dwingt tot beleidsombuigingen en/of bezuinigingen.

Bij de weerstandscapaciteit wordt onderscheid gemaakt tussen de structurele weerstandscapaciteit en incidentele weerstandscapaciteit. De structurele weerstandscapaciteit zijn middelen die permanent kunnen worden ingezet om (structurele) tegenvallers op te vangen zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van de programma’s. Dit betreft de post onvoorzien en de onbenutte belastingcapaciteit. De onbenutte belastingcapaciteit geeft een indicatie van de mogelijkheden die de gemeente heeft om haar inkomsten via extra belastingopbrengsten te verhogen.

De incidentele weerstandscapaciteit is het vermogen dat beschikbaar is om calamiteiten en andere eenmalige tegenvallers op te kunnen vangen zonder dat dit invloed heeft op de voortzetting van taken op het huidige niveau. Dit betreft het vrije deel van de algemene reserve en de stille reserves.

De risico’s die relevant zijn voor de weerstandscapaciteit zijn de risico’s die niet op een andere manier zijn te ondervangen. In tegenstelling tot bij voorzieningen zijn het voorzienbare onzekerheden waarvan de omvang van het bedrag niet vast staat. Risico’s die zich regelmatig voordoen en die vaak goed meetbaar zijn waardoor een omvang is te bepalen worden hier niet bedoeld. Hiervoor kunnen immers verzekeringen worden afgesloten of voorzieningen worden gevormd. Voorbeelden van risico’s die wel tot de paragraaf weerstandsvermogen horen zijn bedrijfsrisico’s en hangen vooral samen met grondexploitatie, gebiedsuitbreiding, sociale structuur en open-einde regelingen.

Minimaal twee keer per jaar wordt een inventarisatie van de weerstandscapaciteit en de risico’s opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing in de begroting en de jaarrekening. Er zijn geen wettelijke normen voor de minimale hoogte van het weerstandsvermogen en de weerstandscapaciteit.

  3. Indeling reserves & voorzieningen3.1. Algemeen

Dit hoofdstuk bevat de indeling van de reserves en voorzieningen en het beleid voor dotaties en onttrekkingen aan reserves en het rentebeleid. Voor dotaties en onttrekkingen aan voorzieningen hoeft geen beleid gemaakt te worden zoals al bleek uit het kader: dit zijn verplichtingen, hierin is er geen keuzemogelijkheid.

3.2. Algemene reserve

Het doel van de algemene reserve is drieledig:

  • 1.

    de algemene reserve dient als onderdeel van de benodigde weerstandscapaciteit om risico’s af te kunnen dekken die niet zijn afgedekt in de begroting, door verzekeringen of (bestemmingsreserves) zoals die opgenomen zijn in de risicoparagraaf;

  • 2.

    de algemene reserve dient als buffer voor het opvangen van nadelige rekeningresultaten indien blijkt dat begrote kosten en opbrengsten in de jaarrekening leiden tot een nadelig saldo;

  • 3.

    de algemene reserve kan worden ingezet voor het doen van (incidentele) uitgaven voor zover er ruimte is boven het vastgestelde minimumniveau.

In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op een flexibele norm die nodig is voor het weerstandsvermogen. Daaruit vloeit expliciet een nieuwe, flexibele norm voor de hoogte van de algemene reserve voort.

3.3. Bestemmingsreserve of voorziening?

De bestemmingsreserves zijn de bevoegdheid van de raad. De raad kan deze instellen om gelden te reserveren voor een specifiek doel, de bestemming. Dit is echter alleen mogelijk voor zover er niet voldaan wordt aan de definitie van een voorziening. Het vormen van een voorziening is verplicht wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden hiervan volgens de BBV.

De verplichtingen ten aanzien van een voorziening zijn benoemd in het vorige hoofdstuk:

  • 1.

    (verwachte) verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar redelijkerwijs te schatten; 

  • 2.

    op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten.

  • 3.

    in het geval van kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, maar hun oorsprong vinden in het begrotingsjaar (of eerder) en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;

  • 4.

    de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b (investeringen met een economisch nut);

  • 5.

    van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden.

Voor een bestemmingsreserve geldt dat de raad op een later moment alsnog zou kunnen besluiten om gereserveerde middelen niet voor het oorspronkelijke bestedingsdoel in te zetten, maar deze middelen (deels) anders in te zetten. Bij een voorziening kan dit niet zolang de onderliggende verplichtingen bestaan.

Onderhoudsreserves

Er zijn op dit moment nog een beperkt aantal bestemmingsreserves voor onderhoud. Dit zouden voorzieningen moeten zijn als hiervoor in de toekomst onderhoudsplannen worden vastgesteld omdat er sprake is van een gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal jaren. Voorwaarde hiervoor is dat kan worden aangetoond dat de kosten uiteindelijk worden gemaakt. Dit kan alleen door actuele onderhoudsplannen vast te stellen inclusief een financiële vertaling. Dit vormt dan de basis van de onderhoudsvoorziening. Voor zowel de vervanging van lichtmasten als baggeren is op dit moment nog onduidelijk of hiervoor dergelijke plannen volgen of dat gewerkt wordt met het opnemen van een jaarlijkse last in de exploitatie.

Voor een overzicht van de bestemmingsreserves wordt verwezen naar paragraaf 4.2.

Een voorziening is eveneens verplicht voor verkregen middelen van derden die specifiek besteed moeten worden. De twee belangrijkste voorbeelden van gemeentelijke taken waarbij dit aan de orde is, zijn de heffing voor afval en riool.

Voorziening afvalstoffenheffing

Bij de afvalstoffenheffing wordt de benodigde opbrengst bepaald op basis van de verwachte kosten voor het komende begrotingsjaar. De afvalstoffenheffing bestaat uit verschillende componenten; een vast bedrag per huishouden en flexibel bedrag per aanbieding van verschillende soorten afvalstromen. Bij afwijkingen in de verwachte kosten en/of verwachte aantal inworpen/containeraanbiedingen ontstaat een resultaat op de afvalstoffenheffing. Ook de opbrengsten/kosten van de milieustraat zijn onderdeel van de afvalbegroting.

Het tarief voor afvalstoffenheffing mag maximaal kostendekkend worden vastgesteld. Een overschot in de jaarrekening wordt gestort in een voorziening, bij een tekort in de jaarrekening wordt het verschil onttrokken uit de voorziening zolang deze toereikend is. Het is een verplichting voor de gemeente om de gelden die opgebracht worden uit de afvalstoffenheffing uit te geven aan de taken die uit die heffing moeten worden bekostigd. Daarom moet een voorziening worden gevormd als gevolg van middelen die van derden zijn verkregen met een specifiek bestedingsdoel.

Reserve/voorziening onderhoud riolering

Voor riolering geldt net als voor de afvalstoffenheffing dat een eventueel overschot in een begrotingsjaar wordt gestort in een egalisatievoorziening.

De afwijkingen op de lasten van riool kunnen worden veroorzaakt op verschillende componenten. De component bepaalt op grond waarvan een voorziening moet worden gevormd:

  • 1.

    groot onderhoud: het tarief bevat een component voor groot onderhoud. Fluctuaties hierin dienen te worden geëgaliseerd vergelijkbaar met de onderhoudsvoorzieningen (op grond van art. 44 lid 1c). Indien er geen sprake is van een actueel onderhoudsplan kan deze voorziening echter niet vrij vallen maar moet deze worden omgezet in een voorziening vanwege van derden ontvangen gelden met een specifiek bestedingsdoel (op grond van art. 44 lid 2);

  • 2.

    vervangingsinvesteringen: voor vervangingsinvesteringen wordt gespaard via de rioolheffing. Deze bijdragen moeten worden gestort in een voorziening op grond van art. 44 lid 1d: het betreft bijdragen voor vervangingsinvesteringen waarvoor een heffing wordt geheven;

  • 3.

    kapitaallasten: wanneer de kapitaallasten lager zijn bijvoorbeeld omdat investeringen later worden uitgevoerd dan voorzien en hiervoor wel via het tarief een vergoeding wordt ontvangen moet dit in een voorziening worden gestort aangezien het van derden ontvangen middelen betreft met een specifiek bestedingsdoel (art. 44 lid 2).

Bij het Waterplan Heusden 2018 - 2022 is besloten te gaan werken met een spaarvoorziening voor vervangingsinvesteringen. Inmiddels is duidelijk dat er binnen de rioolheffing drie componenten zijn die een eigen behandeling vragen. Dit zijn de componenten ‘sparen’ voor vervanging; ‘egalisatie kosten’ voor groot onderhoud en een stabiele jaarlijkse exploitatie. Om deze componenten afzonderlijk te kunnen monitoren is er voor gekozen om de reeds gevormde voorziening riolering om te vormen naar een voorziening riolering (vervangingsinvesteringen) en een nieuwe voorziening riolering (groot onderhoud) toe te voegen. Daarnaast is voor de exploitatie een egalisatiereserve riolering ingesteld. De nieuwe reserve riolering, met het doel om te zorgen voor een stabiele last in de jaarlijkse exploitatielasten, is gevormd in 2020 bij de vaststelling van de jaarrekening 2019.

3.4. Dotaties en onttrekkingen reserves

Uitgangspunt is dat het instellen en opheffen van reserves bij de begroting of jaarrekening plaatsvindt of door een afzonderlijk raadsbesluit. Mutaties in reserves worden expliciet in de besluitvorming betrokken. Voor zover toevoegingen en onttrekkingen duidelijk binnen de gestelde kaders van de raad vallen en zijn opgenomen in de (gewijzigde) begroting, worden deze mutaties verwerkt in de jaarrekening voor resultaatbestemming.

Door de wijzigingen in het BBV worden met ingang van 2017 de kosten voor overhead separaat opgenomen in de begroting. Deze worden niet in de programma’s verwerkt. Bij het bepalen van het saldo voor diverse taken waar een reserve of voorziening voor wordt aangehouden, zullen deze kosten wel worden betrokken.

3.5. Rentebeleid reserves

In lijn met de notitie rente van de commissie BBV (juli 2016) mag geen rente worden berekend over de reserves.

3.6. Rentebeleid voorzieningen

In lijn met de notitie rente van de commissie BBV (juli 2016) zal er geen rente aan voorzieningen worden toegevoegd.

  4. Reserves en voorzieningen4.1. Algemeen

Op basis van het kader in hoofdstuk 2 en de evaluatie in hoofdstuk 3 wordt in dit hoofdstuk geconcludeerd welke reserves en voorzieningen met ingang van 2022 worden gehanteerd. De algemene reserve blijft uiteraard ook bestaan.

Voor zover reserves gehandhaafd blijven is in bijlage 2 een instellingsbesluit opgenomen waarin de uitgangspunten van de betreffende reserve zijn opgenomen. Dit format wordt ook gebruikt voor instellingsbesluiten van eventuele nieuwe reserves na vaststelling van deze nota.

4.2. Indeling bestemmingsreserves

Huidige bestemmingsreserves:

Gevolg deze nota:

Reserve onderhoud bewegingslokalen schoolgebouwen

Handhaven

Reserve vervanging lichtmasten

Handhaven

Reserve uitvoering baggerplan

Handhaven

Reserve Bovenwijkse voorzieningen

Handhaven

Reserve bijdrage bedrijven Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstaat (GOL)

Handhaven

Reserve sociaal domein

Handhaven

Reserve Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP)

Handhaven

Reserve aandeel verkoopsom Hypotheekfonds Nederlandse Gemeenten (HNG)

Opheffen

Reserve exploitatie riolering

Handhaven

Reserve BCF

Opheffen

Reserve bijzondere projecten vesting Heusden

Opheffen

Reserve uitvoering Cultuurnota

Opheffen

Reserve rood voor groen

Handhaven

Bestemmingsreserve kapitaallasten

Handhaven

Voorgesteld wordt om een viertal reserves op te heffen. Deze reserves hebben (bijna) geen saldi meer en de bestemming waarvoor deze reserves waren ingesteld, is inmiddels afgelopen of gerealiseerd. Het gaat om de volgende reserves:

  • 1.

    Reserve aandeel verkoopsom Hypotheekfonds Nederlands Gemeenten (HNG): Bij de verkoop van het HNG is de verkoopsom in een deposito bij de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG) gestort, waardoor het mogelijk was tot 2020 een winstuitkering te ontvangen. De laatste onttrekking heeft in 2020 plaatsgevonden; daarmee kan de reserve worden opgeheven.

  • 2.

    Reserve BCF: Met ingang van 2003 is het BTW-compensatiefonds (BCF) ingesteld. Vanaf dat moment kan een deel van de BTW waar deze compensabel is worden terugontvangen; anderzijds is de algemene uitkering gemeentefonds destijds verlaagd. Per saldo ontstond er een gat in de exploitatie, maar was er wel een incidenteel voordeel. Het gat in de exploitatie wordt geleidelijk minder door afschrijving van investeringen waar nog BTW inzit. De incidentele voordelen bij de invoering van het BCF zijn in deze reserve gestort. De reserve valt jaarlijks voor een deel vrij op basis van een vast verloop over de jaren. In 2019 heeft de laatste onttrekking plaats gevonden; daarmee kan de reserve worden opgeheven.

  • 3.

    Reserve bijzondere projecten vesting Heusden: De reserve is destijds ingesteld voor een aantal specifieke onderhoudswerkzaamheden in de vesting. Het ging met name om waterwerken, onderhoud kademuren en de stadshaven. In 2016 heeft de laatste onttrekking plaatsgevonden; daarmee kan de reserve worden opgeheven. Toekomstige onderhoudswerkzaamheden zullen worden opgenomen in een beheerplan waaraan conform de BBV voorschriften dan mogelijk een voorziening voor ingesteld moet worden.

  • 4.

    Reserve uitvoering Cultuurnota: In deze reserve resteert nog een minimaal bedrag van € 9.000. Kosten voor cultuur kunnen worden opgenomen in de jaarlijkse begroting. Er is geen reden om voor cultuurbeleid te werken met een reserve.

Voor een drietal reserves was in de vorige nota reserves en voorzieningen aangegeven dat de bestemmingsreserve omgezet zou worden in een voorziening. De aard van deze reserves betreft namelijk onderhoudswerkzaamheden waar een beheer/onderhoudsplan voor opgesteld zou worden.

  • 1.

    Reserve bewegingslokalen (onderwijs): het betreft een beperkt aantal gymlokalen waarvan een beheerplan is opgesteld door Scala. Zij dienen bij ons aanvragen in voor groot onderhoud. Deze systematiek blijft voorlopig gehandhaafd en dat betekent dat de bestemmingsreserve volstaat. Een aantal gymlokalen komen ook te vervallen door voorgenomen nieuwbouw waardoor groot onderhoud voorlopig niet aan de orde is. Dit betreft de gymzalen Wereldwijs en de Wegwijzer in Drunen en de Bussel in Vlijmen. Dan blijven er nog maar een drietal gymlokalen over in beheer van Scala. De gemeentelijke sportzalen zijn onderdeel van het beheerplan gemeentelijke gebouwen en de daaraan gerelateerde voorziening.

  • 2.

    Reserve vervanging lichtmasten: In 2018 is het beleidsplan openbare verlichting vastgesteld. Voor de eerste tranche (circa 2.500, totaal 11.000) zijn de kapitaallasten opgenomen in de begroting. Op dit moment wordt nog gekeken hoe te komen tot een aanbesteding voor een meerjarige vervanging van lichtmasten. Op het moment dat hier duidelijkheid over is, kunnen de meerjarige lasten gekoppeld worden aan de vervangingsopgave en wordt indien nodig een voorziening gevormd.

  • 3.

    Reserve uitvoering baggerplan: op dit moment wordt in intergemeentelijk verband een inventarisatie gedaan naar de baggeropgaven in de diverse gemeenten dat moet resulteren in één gezamenlijk baggerplan. Op basis van de baggeropgave die hieruit voort vloeit, zal een voorziening worden gekoppeld. Voor de middelen beschikbaar in de huidige reserve is het voornemen om deze in te zetten voor het baggeren van de Elshoutse wielen.

4.3. Indeling voorzieningen

Huidige voorzieningen:

Grond voor de voorziening:

Voorziening onderhoud openbare gebouwen

Art. 44 lid 1c

Voorziening onderhoud wegen

Art. 44 lid 1c

Voorziening afvalstoffenheffing

Art. 44 lid 2

Voorziening riolering (vervangingsinvesteringen)

Art. 44 lid 1d en/of lid 2

Voorziening riolering (groot onderhoud)

Art. 44 lid 2

Voorziening erfenis Weimar instandhouding museum

Art. 44 lid 2

Voorziening herstel kerkgebouw voormalige gem. Heusden

Art. 44 lid 2

Voorziening grondexploitaties

Art. 44 lid 1b

Voorziening afwikkeling plannen bouwgrondexploitatie

Art. 44 lid 1b

Voorziening dubieuze debiteuren

Art. 44 lid 1b

Voorziening pensioenen wethouders

Art. 44 lid 1b

Voorziening reparatie-uitkering WW

Art. 44 lid 1b

  5. Weerstandsvermogen5.1. Algemeen

Aangezien geen wettelijke normen zijn opgelegd ten aanzien van de verhouding tussen weerstandscapaciteit en risico’s kan de gemeente dit zelf bepalen. In dit hoofdstuk wordt benoemd wat onderdeel uitmaakt van de weerstandscapaciteit en hoe deze minimaal twee maal per jaar (bij de begroting en de jaarrekening) moet worden berekend. Daarnaast wordt – op basis van de huidige inzichten – vastgelegd welke minimale omvang het weerstandsvermogen, en daarmee de algemene reserve die daar een onderdeel van is, moet hebben.

5.2. Weerstandscapaciteit

De structurele weerstandscapaciteit bestaat uit de post onvoorzien en het totaal van de onbenutte belastingcapaciteit. Hoewel er geen wettelijke maximumnorm is voor de hoogte van de onroerende zaakbelasting (OZB), wordt de onbenutte belastingcapaciteit vaak berekend door het verschil te bepalen tussen de norm voor de gemeentelijke belastingheffing om in aanmerking te komen voor een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds op basis van art.12 Financiële verhoudingswet en de feitelijke belastingheffing door de gemeente. Omdat voor dienstverleningen het uitgangspunt van kostendekkende heffingen geldt, zit de onbenutte belastingcapaciteit uitsluitend in de onroerende zaakbelasting. Naast de artikel 12 norm moet bij het bepalen van de onbenutte belastingcapaciteit ook rekening worden gehouden met politieke haalbaarheid en gewenste maximale stijging.

De incidentele weerstandscapaciteit bestaat uit de algemene reserve en stille reserves.

De algemene reserve is in principe vrij besteedbaar en de belangrijkste component van de incidentele weerstandscapaciteit. De algemene reserve kan alleen voor andere doelen worden ingezet als deze hoger is dan noodzakelijk voor het opvangen van de risico’s. De norm die hiervoor wordt gehanteerd is niet voorgeschreven en komt aan de orde in de volgende paragraaf.

Van stille reserves is sprake wanneer de marktwaarde van bezittingen de boekwaarde daarvan overstijgt. Dit betreft de bezittingen van panden, gronden en deelnemingen. Deze stille reserves mogen alleen meegenomen worden voor zover ze direct verkoopbaar zijn of tot opbrengsten leiden als de gemeente dat zou willen. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met het feit dat niet alle activa gelijktijdig verkocht kan worden.

5.3. Norm weerstandsvermogen

In de voorjaarsnota 2021 is een voorstel gedaan om te komen tot een flexibele minimumnorm voor de Algemene reserve die gekoppeld is aan de benodigde weerstandscapaciteit. De aan te houden buffer in de Algemene reserve kan immers hoger of lager zijn als de omvang van de risico’s wijzigt. In de informatievergadering Bestuur van 14 september 2021 is hierop nog een nadere toelichting gegeven.

Het uitgangspunt voor het bepalen van een ratio/norm blijft dat we een verantwoord en behoedzaam financieel beleid voeren met een robuust weerstandsvermogen om tegenslagen op te kunnen vangen, maar met behoud van ontwikkelperspectief zodat we niet onnodig beslag leggen op gemeentelijke middelen.

In de voorjaarsnota 2021 is voorgesteld gebruik te maken van de normtabel ontwikkeld door Naris (voorheen het Nederlands Adviesbureau Risicomanagement (NAR)). Zij duiden de ratio als volgt:

Ratio Weerstandsvermogen

Betekenis

> 2,0

Uitstekend

1,4 < 2,0

Ruim voldoende

1,0 < 1,4

Voldoende

0,8 < 1,0

Matig

0,6 < 0,8

Onvoldoende

< 0,6

Ruim onvoldoende

Als norm ligt het voor de hand dat de beschikbare weerstandscapaciteit minimaal de omvang heeft van de berekende benodigde capaciteit en de ratio niet onder de 1 komt. We willen immers een gedegen financieel beleid voeren dat minimaal als voldoende wordt beoordeeld. De benodigde buffer in de algemene reserve voor de weerstandscapaciteit kan echter (niet alleen) een maatstaf zijn voor een aan te houden minimumniveau vanwege de twee andere functies die de algemene reserve heeft. Om daarnaast ook ruimte te houden binnen de algemene reserve om tegenvallende jaarrekeningresultaten op te kunnen vangen, is een opslag op de ratio wenselijk. Om te komen tot één minimumniveau voor de algemene reserve is vervolgens de vraag hoe je de minimaal benodigde buffer voor deze twee functies van de algemene reserve kunt vatten in één norm. Het werken met één minimumnorm heeft de voorkeur. Alternatief is om te werken met een dubbele norm, maar dit zorgt alleen maar voor verwarring. Daarom is voorgesteld om de norm te stellen op minimaal 1,4. Daarmee komt de derde functie van de algemene reserve, het doen van incidentele uitgaven, alleen aan de orde indien de ratio minimaal in de categorie ruim voldoende valt oftewel hoger is dan 1,4. Het laatste peilmoment (de betreffende jaarrekening of begroting) is daarbij bepalend waarbij natuurlijk ook gekeken wordt naar het verwachte meerjarig verloop van de algemene reserve op basis van reeds genomen besluiten tot het doen van toevoegingen en onttrekkingen aan/uit de algemene reserve.

In onderstaande scenario’s wordt aan de hand van een grafiek de consequentie voor het minimumniveau van de algemene reserve geschetst bij een minimumnorm van 1,4.

Scenario 1:

Dit is de situatie zoals die afgelopen jaren feitelijk was; de benodigde weerstandscapaciteit bedroeg op basis van de risicoanalyses rond de € 10 mln.

Bij een ratio van 1,4 moet de beschikbare weerstandscapaciteit dan tenminste € 14 mln. bedragen. In grafiek ziet dat er als volgt uit:

De overige bestanddelen van de weerstandscapaciteit bedragen samen € 6 mln. Om te voldoen aan de minimumratio van 1,4, moet de aan te houden buffer vanuit de algemene reserve ten minste € 8 mln. zijn.

 

Scenario2:

Stel de benodigde weerstandscapaciteit stijgt op een volgend peilmoment naar € 12 mln. We gaan er daarbij gemakshalve van uit dat overige bestanddelen van de weerstandscapaciteit niet wijzigen. Dan betekent dit dat de aan te houden buffer in de algemene reserve stijgt naar € 10,8 om de weerstandsratio minimaal op 1,4 te houden zoals weergegeven in onderstaande grafiek.

Op basis van bovenstaande is het voorstel om voor de beschikbare weerstandscapaciteit in relatie tot de benodigde weerstandscapaciteit, en daarmee indirect de flexibele minimale omvang van de algemene reserve, te stellen op ten minste 1,4.

Bijlage 1: Relevante wetsartikelen BBV Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 2

4 Onder de baten en lasten worden ook begrepen de over het eigen vermogen en de voorzieningen berekende bespaarde rente.

Hoofdstuk II. De begroting en de toelichting

Titel 2.3. De paragrafen

Artikel 16

De paragraaf betreffende het grondbeleid bevat ten minste:

e. de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie tot de risico's van de grondzaken.

Titel 2.4. Het overzicht van baten en lasten en de toelichting

Artikel 17

Het overzicht van baten en lasten in de begroting bevat:

d. de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma

Artikel 19

De toelichting op het overzicht van baten en lasten bevat ten minste:

d. een overzicht van de beoogde structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves.

Titel 2.5. De uiteenzetting van de financiële positie en de toelichting

Artikel 20

2 Afzonderlijke aandacht wordt ten minste besteed aan:

d. de stand en het gespecificeerde verloop van de reserves;

e. de stand en het gespecificeerde verloop van de voorzieningen.

Hoofdstuk III. De meerjarenraming en de toelichting

Artikel 23

De toelichting op de meerjarenraming bevat ten minste:

c. een overzicht per jaar van de beoogde structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves;

Hoofdstuk IV. De jaarstukken en de toelichting

Titel 4.4. Het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening en de toelichting

Artikel 27

1 Het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening bevat:

d. de werkelijke toevoegingen en onttrekkingen aan reserves;

Artikel 28

De toelichting op het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening bevat ten minste:

d. een overzicht van de structurele toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves;

Paragraaf 4.5.5. Vaste Passiva

Artikel 41

Onder de vaste passiva worden afzonderlijk opgenomen het eigen vermogen, de voorzieningen en de vaste schulden, met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.

Artikel 42

1. Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het gerealiseerde resultaat volgend uit het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening.

Artikel 43

1 In de balans worden de reserves onderscheiden naar:

a. de algemene reserve;

b. de bestemmingsreserves.

2 Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan provinciale staten respectievelijk de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven.

Artikel 44

1 Voorzieningen worden gevormd wegens:

a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;

b. op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

c. kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren;

d. de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.

2 Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b.

3 Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.

Artikel 45

Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan.

Paragraaf 4.5.7. Toelichting op de balans

Artikel 54

1 In de toelichting op de balans worden de aard en reden van elke reserve en de toevoegingen en onttrekkingen daaraan toegelicht.

2 Per reserve wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven. Daaruit blijken:

a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;

b. de toevoegingen of onttrekkingen uit hoofde van het voorgaande boekjaar;

c. de toevoegingen of onttrekkingen bij het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening;

d. de verminderingen in verband met afschrijvingen op activa waarvoor een specifieke bestemmingsreserve is gevormd;

e. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.

Artikel 55

1 In de toelichting op de balans worden de aard en reden van de voorzieningen, bedoeld in artikel 44 en de wijzigingen daarin toegelicht.

2 Per voorziening wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven. Daaruit blijken:

a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar;

b. de toevoegingen;

c. ten gunste van de rekening van baten en lasten vrijgevallen bedragen;

d. de aanwendingen;

e. saldo aan het einde van het begrotingsjaar.

Hoofdstuk V. Waardering, activeren en afschrijven

Artikel 62

3 In afwijking van het eerste lid moeten de voorzieningen, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder d, in mindering gebracht worden op de investeringen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b.

Artikel 63

7 Passiva worden gewaardeerd tegen de nominale waarde, met uitzondering van voorzieningen die tegen contante waarde zijn gewaardeerd.

8 Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid worden met de boekwaarde van leningen en vorderingen verrekend. 

Bijlage 2: Instellingsbesluiten Reserves 

Bestemmingsreserves na vaststellen deze nota:

Reserve onderhoud bewegingslokalen schoolgebouwen

Reserve vervanging lichtmasten

Reserve uitvoering baggerplan

Reserve bovenwijkse voorzieningen

Reserve bijdrage bedrijven GOL

Reserve sociaal domein

Reserve Integraal Huisvestingsplan onderwijs (IHP)

Reserve exploitatie riolering

Reserve rood voor groen

Bestemmingsreserve kapitaallasten

  • 1.

     

Instellingsbesluit ‘Reserve onderhoud bewegingslokalen schoolgebouwen’ Achtergrond van de reserve

De reserve was oorspronkelijk onderdeel van de reserve onderhoud schoolgebouwen. Vanaf 2015 zijn schoolbesturen wettelijk zelf verantwoordelijk voor het onderhoud. De gemeente is alleen nog verantwoordelijk voor het onderhoud van lokalen voor gymnastiekonderwijs en eventuele calamiteiten aan schoolgebouwen. Voor calamiteiten is in de reguliere exploitatie jaarlijks een bedrag geraamd. De reserve dient alleen nog voor het onderhoud aan bewegingslokalen.

Doel van de reserve

De gemeente is verantwoordelijk voor het onderhoud van gymnastiekonderwijs aan schoolgebouwen. Kosten die hieruit voortvloeien kunnen schommelen. De reserve dient om deze schommelingen op te kunnen vangen.

Dotaties aan de reserve

Het bedrag dat nu in de reserve zit is een restant van het saldo van de voormalige reserve buitenonderhoud scholen. Het buitenonderhoud komt sinds 2015 voor rekening van de schoolbesturen. Voeding voor het onderhoud aan gymnastieklokalen zal, indien nodig, op basis van een nieuw onderhoudsplan plaatsvinden. Dit plan wordt niet opgesteld door de gemeente maar door Scala.

Onttrekkingen aan de reserve

Het saldo tussen de geraamde en de werkelijke kosten wordt verrekend met de reserve.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent geen maximum niveau.

Looptijd van de reserve

De looptijd van de reserve is onbepaald.

  Instellingsbesluit ‘Reserve vervanging lichtmasten’ Achtergrond van de reserve

Voorziening en vervanging op basis van een beheerplan leidt tot de verplichte vorming van een voorziening. Dit vereist echter wel een actueel beheerplan. Voor de vervanging lichtmasten is geen actueel beheerplan, deze wordt op dit moment herzien. Op het moment dat herziening plaatsvindt zal de reserve worden omgezet naar een voorziening die aansluit op het beheerplan.

Doel van de reserve

Het dekken van de kosten van vervanging van de lichtmasten op basis van aanwezige beheerplannen.

Dotaties aan de reserve

Dotatie vindt plaats op basis van het beheerplan en wordt jaarlijks in de begroting vastgesteld. Afhankelijk van de werkelijke uitvoering kan op basis van het saldo van de werkelijke uitgaven de dotatie worden aangepast.

Onttrekkingen aan de reserve

Onttrekking vindt plaats op basis van het beheerplan en wordt jaarlijks in de begroting vastgesteld wanneer in enig jaar hoger uitgaven worden verwacht. Afhankelijk van de werkelijke uitvoering kan op basis van het saldo van de werkelijke uitgaven de onttrekking worden aangepast.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent geen maximum niveau.

Looptijd van de reserve

Einddatum van de reserve is afhankelijk van het herzien van het beheerplan. Op dat moment wordt de reserve omgezet in een voorziening.

  Instellingsbesluit ‘Reserve uitvoering baggerplan’ Achtergrond van de reserve

Bij collegebesluit van 19 juni 2012 is het baggerplan 2012-2022 vastgesteld. Omdat de jaarlijkse onderhoudsbedragen sterk wisselend zijn, wordt in het collegevoorstel de instelling van een onderhouds(egalisatie)reserve geadviseerd. Het formele besluit daartoe dient te worden genomen door de raad, omdat de raad bevoegd is tot het instellen en opheffen van reserves en de bepaling van het doel, de voeding en voorwaarden voor onttrekking. Met het instellingsbesluit als onderdeel van de besluitvorming bij de tweede bestuursrapportage 2012 is dit dan ook geformaliseerd.

Doel van de reserve

Om uitvoering te kunnen geven aan het baggeren van watergangen op basis van baggerplan Heusden 2012-2022 en volgende periodes zijn jaarlijks in de begroting middelen opgenomen. Omdat de jaarlijkse onderhoudsbedragen sterk wisselend zijn, is het noodzakelijk om te beschikken over een reserve.

Dotaties aan de reserve

Voor de uitvoering van het baggerplan is in de meerjarenbegroting jaarlijks een structurele dotatie voorzien ter hoogte zoals opgenomen in het geldende baggerplan.

Onttrekkingen aan de reserve

De jaarlijks benodigde uitvoeringsbedragen zijn momenteel opgenomen in het baggerplan Heusden 2012-2022 en zullen daarna worden opgenomen in de baggerplannen voor de daaropvolgende periodes.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent geen maximumniveau; de omvang is gekoppeld aan de hoogte van het in het baggerplan opgenomen onderhoudsbudget.

Looptijd van de reserve

De looptijd van de reserve is onbepaald.

  Instellingsbesluit ‘Reserve bovenwijkse voorzieningen’ Achtergrond van de reserve

De reserve is ingesteld om de kosten van bovenwijkse voorzieningen af te dekken, die ontstaan naar aanleiding van de ontwikkeling van bouwlocaties. Vooralsnog zijn er alleen bij Geerpark, in samenwerking met Woonveste, afspraken gemaakt over afdrachten aan deze reserve. In de toekomst kunnen er vanuit de nog op te stellen nota kostenverhaal ook vanuit andere plannen (ontwikkelt door derden) toevoegingen aan deze reserve voortkomen.

Doel van de reserve

Om bovenwijkse voorzieningen te realiseren na ontwikkeling van bouwlocaties wordt een afdracht gedaan op basis van het aantal m² uitgeefbare grond. Dit geld wordt bestemd voor specifieke bovenwijkse voorzieningen.

Dotaties aan de reserve

Dotatie vindt plaats per m² uitgeefbare grond ten laste van een grondexploitatie voor zover hiertoe besloten is.

Onttrekkingen aan de reserve

Voor de financiering van vooraf vastgestelde bovenwijkse voorzieningen zullen bedragen onttrokken worden op het moment van uitvoering.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent geen maximum niveau.

Looptijd van de reserve

De looptijd van de reserve is onbepaald.

  Instellingsbesluit ‘Reserve bijdragen bedrijven GOL’ Achtergrond van de reserve

Op 29 oktober 2013 heeft u ingestemd met de bestuursovereenkomst Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (BOK GOL). De totale Heusdense bijdrage in de financiering van de GOL bedraagt € 19, 7 mln. Hiervan zal door de bedrijven middels een verhoging van de OZB € 4 mln. worden bijgedragen. Deze wordt in vijftig jaar geïnd (basis bedrag per jaar € 112.000; om de waardevastheid te bewaren wordt het bedrag jaarlijks geïndexeerd). Afgesproken is dat de gemeente de totale bijdrage die uiteindelijk door de meerjarige OZB verhoging wordt verkregen, voorfinanciert tijdens de uitvoeringsfase van de projecten fase 1. Hoe en in welke vorm is op dit moment nog niet concreet afgesproken. Met het bedrijvenplatform is afgesproken dat de bijdrage van bedrijven vanaf de start van de uitvoering van het eerste project ingaat. Met de aanleg van het Ei van Drunen in 2013 is het eerste project in de uitvoering gestart, waardoor de inning vanaf 2014 is ingegaan. Omdat de betaling aan de provincie van de € 4 mln. nog op zich laat wachten tot de uitvoeringsfase van de overige projecten, worden de ontvangen OZB bijdragen gestort in deze reserve.

Doel van de reserve

Om uitvoering te kunnen geven aan de uitvoering van de projecten fase 1 GOL (zoals opgenomen in de bestuursovereenkomst) draagt het bedrijfsleven vrijwillig bij aan de dekking van de kosten door een vijftig jaarlijkse OZB verhoging. De gemeente zal het totaalbedrag (€ 4 mln.) voorfinancieren. Om de jaarlijkse OZB bijdrage beschikbaar te houden en te kunnen koppelen aan de voorfinanciering door de gemeente, moeten de jaarlijkse OZB bedragen voor dit doel behouden blijven.

Dotaties aan de reserve

Vanaf 2014 wordt de jaarbijdrage (basis € 112.000 in 2014, jaarlijks te indexeren) in de reserve gestort.

Onttrekkingen aan de reserve

Afhankelijk van de nog te kiezen wijze van voorfinanciering zullen de gestorte bedragen worden onttrokken.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent een maximum niveau van € 4 miljoen (basis in 2014) exclusief inflatiecorrectie.

Looptijd van de reserve

Einddatum van de reserve is afhankelijk van de uitvoering van het GOL. De opheffing zal door middel van een raadsbesluit gebeuren.

Instellingsbesluit ‘Reserve sociaal domein’ Achtergrond van de reserve

Met ingang van 1 januari 2015 heeft de rijksoverheid een groot aantal taken binnen het sociaal domein overgeheveld naar de gemeenten. Het gaat hierbij om taken op het gebied van (ondersteuning van) werk en inkomen (Participatiewet), taken op het gebied van jeugdhulp (Jeugdwet) en taken op het gebied van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Wet maatschappelijke ondersteuning). Leidraad bij de transitie is een omvorming van de zorg door het terugbrengen van ondersteuning en zorg naar en dichtbij onze inwoners en hun sociale omgeving. Hierbij wordt gekozen voor een integrale benadering, de zogenaamde 3-D benadering (één huishouden, één plan, één regisseur).

De transitie in het sociaal domein is zo goed als gerealiseerd. De komende jaren ligt de nadruk op de transformatie van het sociaal domein.

Doel van de reserve

De kosten in het sociaal domein worden vanaf 2019 reëel geraamd en maken net als allerlei andere beleidsterreinen onderdeel uit van de reguliere begroting. Gelet op de nog onzekere ontwikkelingen van het kostenverloop en de nog te realiseren transformatie blijft de reserve vooralsnog in stand. Eventuele forse kostenoverschrijdingen ten opzichte van de reële raming die niet binnen de reguliere exploitatie opgevangen kunnen worden en initiatieven om de transformatie vorm te geven worden uit de reserve gedekt.

Dotaties aan de reserve

Tegenover het reëel ramen staat dat een eventuele onderschrijding bij de rekening ten gunste komt van het reguliere begrotingssaldo. Voeding van de reserve vindt dus niet meer plaats.

Onttrekkingen aan de reserve

Wanneer er een nadelig verschil tussen de werkelijke kosten en de reële raming is gedurende het begrotingsjaar, wordt dit bij de jaarrekening ten laste van de reserve gebracht voor zover de reserve hiervoor nog voldoende saldo heeft. Tevens worden initiatieven om de transformatie vorm te geven uit de reserve gedekt. Als de reserve een saldo kent van € 0 wordt een (verdere) overschrijding ten laste van het exploitatieresultaat gebracht.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil. Wanner overschrijdingen groter zijn komen deze ten laste van het exploitatiesaldo.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent geen maximum niveau.

Looptijd van de reserve

De reserve wordt opgeheven bij de jaarrekening zodra de reserve volledig is ingezet om tekorten binnen het sociaal domein op te vangen. Daarna zullen verschillen tussen de begrote en werkelijke uitgaven en inkomsten onderdeel uit gaan maken van het rekeningresultaat dat gemuteerd wordt met de algemene reserve.

Instellingsbesluit ‘Reserve integraal huisvestingsplan onderwijs’ (IHP) Achtergrond van de reserve

Op 11 juli 2017 heeft de raad ingestemd met het Integraal Huisvestingsplan onderwijs. In dit plan zijn

de toekomstig verwachte investeringsuitgaven voor het upgraden, renoveren of nieuwbouw van de

basisscholen binnen de gemeente opgenomen. Het gaat daarbij om forse investeringen waarbij de

investeringsvolumes jaarlijks nogal verschillen. Om te voorkomen dat de exploitatie in jaren nauwelijks

belast wordt en in andere perioden er piekbelastingen drukken op de exploitatie, is het voor een

gelijkmatige druk op de begroting wenselijk om de lasten van het IHP te spreiden over de looptijd van

het plan. Het plan zal periodiek worden geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. Voor het bepalen van

de gemiddelde investeringslast wordt bij actualisatie van het IHP uitgegaan van een periode van 20

jaar. Voor de berekening van kapitaallasten wordt de dan geldende interne rekenrente aangehouden.

Doel van de reserve

Het doel van de reserve is om schommelingen in de exploitatie voor de lasten van investeringen in het basisonderwijs te voorkomen en deze gelijkmatig over de looptijd te verdelen.

Dotaties aan de reserve

De reserve wordt gevoed in jaren dat de werkelijke kapitaallasten van de geplande/werkelijk uitgevoerde investeringen lager zijn dan de gemiddelde jaarlast van het plan.

Onttrekkingen aan de reserve

Er worden bedragen uit de reserve onttrokken in de jaren dat de werkelijke kapitaallasten van de geplande/werkelijke uitgevoerde investeringen hoger zijn dan de gemiddelde jaarlast van het plan.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent geen maximum niveau.

Looptijd van de reserve

De reserve en de gemiddelde last is gekoppeld aan de uitvoeringsduur van het IHP gebaseerd over

looptijd van 20 jaar en de geschatte investeringsvolumes zoals opgenomen als bijlage bij het

vastgestelde plan. Bij de tussentijdse evaluaties van het IHP kan er aanleiding zijn om de

uitgangspunten voor de reserve te herzien dan wel de gemiddelde jaarlast bij te stellen op basis van

de werkelijke investeringsuitgaven dan wel op basis van de nieuwste inzichten van dat moment over upgrading, renovatie of nieuwbouw van schoolgebouwen.

Instellingsbesluit ‘Reserve exploitatie riolering’ Achtergrond van de reserve

De commissie BBV heeft in een notitie Riolering richtlijnen geformuleerd op het terrein van de gemeentelijke rioleringstaak (financiële functie). Bij de richtlijnen wordt aangegeven wat de spelregels zijn voor het vormen van voorzieningen en reserves.

Voor riolering geldt dat een eventueel overschot op de exploitatie (exclusief kosten groot onderhoud rioolstelsel waarvoor een onderhoudsvoorziening beschikbaar is) in een jaar gestort mag worden in een egalisatiereserve. Middelen die via de rioolheffing geïnd zijn moeten voor het rioleringsdoel worden aangewend. In Heusden was sprake van een kostendekkend tarief dat in rekening wordt gebracht voor de reguliere exploitatie van rioleringstaken. Met het vaststellen van het Waterplan 2018-2022 is besloten tot de spaarvariant waarbij een hoger tarief bij de inwoners in rekening gebracht wordt voor afdekking van de toekomstige vervangingsinvesteringen op basis van het waterplan. Dit overschot en de besteding daarvan loopt via de spaarvoorziening Riolering. Naast deze kosten voor sparen en voor groot onderhoud zijn er ook de exploitatiekosten. Bij de verdere uitwerking van het vastgestelde Waterplan en een toets aan de BBV voorschriften is geconstateerd dat niet volstaan kan worden met één spaarvoorziening Riolering, maar dat ook nog één voorziening groot onderhoud riolering en een egalisatiereserve nodig is voor de exploitatiekosten.

2019 is het eerste jaar waarin de werkwijze van het nieuwe Waterplan is verwerkt.

Doel van de reserve

In het meerjarige vastgestelde Waterplan is voor exploitatiekosten (jaarlijks terugkerende lasten van beheer, energie, schoonhouden, administratie, verzekering, enz) een (redelijk) een stabiele lijn opgenomen. Bij realisatie kunnen er afwijkingen ontstaan ten opzichte van de stabiele begroting. Deze afwijkingen in enig jaar in zowel positieve als negatieve zin kunnen geëgaliseerd worden met deze reserve.

Dotaties aan de reserve

Jaarlijks wordt het verloop van de budgetten die onderdeel uitmaken van de exploitatie van de gemeentelijke rioleringstaak gemonitord. Mocht er per saldo aan het eind van een jaar een overschot zijn dan wordt het overschot gestort in de reserve.

Onttrekkingen aan de reserve

Jaarlijks wordt het verloop van de budgetten die onderdeel uitmaken van de exploitatie van gemeentelijke rioleringstaak gemonitord. Mocht er per saldo aan het eind van een jaar een tekort zijn dan wordt dit onttrokken uit de reserve. Indien de reserve een saldo kent van € 0 wordt een (verdere) overschrijding ten laste van het jaarrekeningresultaat gebracht.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent een maximumniveau van € 500.000. Het waterplan wordt iedere vier jaar geactualiseerd. Wanneer het saldo van de reserve op dat moment hoger is dan € 500.000 wordt het meerdere ingezet voor het herijken van de bestanddelen van het waterplan. Dit kan een bijstelling tot gevolg hebben van de uit te voeren werken, de spaarvoorziening of de tarieven. Hierdoor wordt het saldo van de reserve terug gebracht. Dit kan wel betekenen dat het saldo van de reserve tijdelijk boven het maximum uitkomt. Overigens kunnen structurele overschotten evenals tekorten altijd een reden zijn om (de ramingen uit) het waterplan eerder te herzien.

Looptijd van de reserve

De reserve heeft geen einddatum en is gekoppeld aan de uitwerking van het Waterplan 2018- 2022. Bij actualisering van het Waterplan zal bepaald worden hoe om te gaan met deze reserve. Waarbij het de verwachting is dat deze zal blijven bestaan voor egalisatie van baten en lasten in de exploitatie van rioleringstaken.

Instellingsbesluit ‘Reserve Rood voor groen’ Achtergrond van de reserve

In het streekplan 2002 is een rood-met-groenregeling geïntroduceerd die met ingang van juli 2005 wordt toegepast. Uitbreidingslocaties gaan vaak ten koste van het buitengebied. Daarnaast wordt de regeling ook toegepast bij ontwikkelingslocaties in bestaand stedelijk gebied (inbreiding). De gedachte achter de rood met groenregeling is dat er geld gereserveerd wordt om deze aantasting van de ruimte in het buitengebied te compenseren met een kwaliteitsverbetering in het resterende buitengebied.

Doel van de reserve

Reserveren van het geld dat volgens de rood-met-groenregeling beschikbaar moet worden gesteld om de aantasting van de ruimte in het buitengebied te compenseren.

Dotaties aan de reserve

Per bestemmingsplan waarbij sprake is van uitleg of inbreiding wordt een vast bedrag per m² uitgeefbare grond gedoteerd aan de reserve. Op dit moment wordt hiervoor € 5 per m² uitgeefbare grond gehanteerd; de raad is bevoegd dit bedrag tussentijds aan te passen. De dotatie vindt plaats in het jaar nadat de betreffende grond is uitgegeven.

Onttrekkingen aan de reserve

Per bestemmingsplan (voor zover dit bestemmingsplan rode ontwikkelingen mogelijk maakt) wordt aangegeven voor welke groene kwaliteitsverbeteringen deze middelen worden gereserveerd. Onder een kwaliteitsverbetering wordt begrepen alle projecten die zijn gericht op een aantoonbare en uitvoerbare verbetering van structuren of waarden op het vlak van natuur, water, landschap of cultuurhistorie. Ook verbeteringen van de extensieve recreatieve mogelijkheden van de omgeving behoren hiertoe. Ook kan een koppeling worden gelegd met de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones.

Voor de komende jaren is reeds besloten de reserve voor een bedrag van € 1.000.000 in te zetten voor de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL) ter dekking van een deel van de groene projecten die met dit project worden gerealiseerd: de Ecologische Verbindingszone Drongelens Kanaal en de Eco Passage Vlijmen Oost.

Daarnaast is er een ‘Projectenboek groen’ opgesteld. Dit projectboek bevat een veelheid aan ideeën waar de compensatie ‘Rood voor Groen’ kan plaatsvinden. Het is de bedoeling om allereerst een aantal daarvan uit te werken. Voor de concrete uitvoering van projecten kan dan op basis van afzonderlijke besluiten gebruik worden gemaakt van een (gedeeltelijke) bijdrage vanuit de reserve ‘Rood voor Groen’. Ook het Groenstructuurplan kan het beleidskader vormen waaruit acties voortvloeien waarvoor de middelen uit de reserve ingezet kunnen worden ter dekking van te realiseren groenopgaven.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve kent geen maximum niveau.

Looptijd van de reserve

De looptijd van de reserve is onbepaald.

Instellingsbesluit ‘Bestemmingsreserve kapitaallasten’ Achtergrond van de reserve

De investeringen moeten worden geactiveerd en hierop wordt afgeschreven. Dit leidt tot kapitaallasten in de exploitatie. Om (incidentele) baten en eventuele reserves in te kunnen zetten voor investeringen wordt de bestemmingsreserve kapitaallasten gebruikt.

Doel van de reserve

Vanuit de reserve worden de kapitaallasten van specifiek aangewezen investering gecompenseerd in de exploitatie waardoor deze per saldo niet in mindering op het saldo worden gebracht.

Dotaties aan de reserve

Dotaties vinden incidenteel plaats vanuit het jaarrekeningresultaat of vanuit andere reserves bij het beschikbaar stellen van een investeringskrediet. Op dat moment wordt de specificatie van investeringen waarvan de kapitaallasten uit de reserve worden onttrokken aangepast.

Onttrekkingen aan de reserve

Onttrekkingen zijn gelijk aan de kapitaallasten van specifiek aangewezen investeringen.

Minimumstand van de reserve

Het minimale saldo van de reserve is nihil.

Maximumstand van de reserve

De reserve is gelijk aan de boekwaarde van de specifiek aangewezen investeringen.

Looptijd van de reserve

De looptijd van de reserve is onbepaald.

Specificatie van investeringen

De kapitaallasten van de volgende investeringen worden op dit moment onttrokken uit de reserve

(x € 1.000):

Investeringen

Boekwaarde

31-12-2021 [1]

Gemeentewerf Drunen

2.120

Basisschool Olof Palme: uitbreiding

122

Upgrading Die Heygrave

484

Renovatie wielerbaan De Heuvelen

18

Venkantbrug

108

Heidijk

66

Passantensteiger

88

Bez.centrum/Streekarchief

437

Doorontwikkeling Voorste Venne, plafondafwerking

178

Fietsvoorziening Drunen - Elshout

255

Overige investeringen

5

3.881

[1] Betreft de verwachte boekwaarde op moment van opstellen bij de nota, voor de jaarafsluiting 2021.

 

Naar boven