Beleidsregels minimabeleid en bijzondere bijstand Texel 2020

 

Het college van burgemeester en wethouders van 17 december 2019,

 

gelet op artikel 108 van de Gemeentewet en artikel 35 van de Participatiewet;

gelet op de Verordening terugvordering, invordering en verhaal 2016 van de gemeente Texel,

 

Besluit:

 

Vast te stellen de Beleidsregels minimabeleid en bijzondere bijstand Texel 2020

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

het college

Het college van burgemeester en wethouders van Texel;

de wet

De Participatiewet;

Bijzondere bijstand

De bijstand als bedoeld in artikel 35 van de wet

Individuele inkomenstoeslag

 

De toeslag voor personen als bedoeld in artikel 36 van de wet. Deze toeslag is geregeld in de verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag gemeente Texel 2018;

Individuele studietoeslag

De toeslag voor personen als bedoeld in artikel 36b van de wet. Deze toeslag is geregeld in de verordening individuele studietoeslag en individuele inkomenstoeslag gemeente Texel 2018;

Bijstandsnorm

De norm als bedoeld in de artikelen 19a tot en met 28 van de wet;

Vermogen

Het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet

Inkomen

Het inkomen als bedoeld in artikel 31 lid 2 en artikel 33 lid 5 van de wet

Draagkracht

Het deel van het inkomen, vermogen of andere middelen waarmee rekening wordt gehouden bij bijstandsverlening;

Maatwerk

Het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand is altijd maatwerk. De kosten die voor de ene inwoner noodzakelijk zijn, hoeven dat niet voor de ander te zijn. De bijzondere bijstand wordt primair op grond van de wettelijke bepalingen en deze beleidsregels vastgesteld, maar bij (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die de persoon, zijn sociale omgeving of zijn gezin of kinderen kunnen raken, kan de bijstand worden afgestemd op de individuele situatie;

Voorliggende voorzieningen

Elke voorziening buiten de wet waarop de belanghebbenden aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven (artikel 15 van de wet);

Vergunninghouder

Asielzoeker die een verblijfsvergunning heeft gekregen en in het kader van de taakstelling huisvesting vergunninghouders gevestigd is in de gemeente;

Zelfstandige

Gevestigde zelfstandige ondernemer die minimaal 18 maanden zelfstandige is en voldoet aan de bepalingen genoemd in artikel 1 van het Besluit Bijstandverlening Zelfstandigen 2004.

Artikel 2 Vormen van bijstand

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt - tenzij dat in deze beleidsregels anders is bepaald - om niet verstrekt.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening in de gevallen bedoeld in artikel 48, tweede lid van de wet.

  • 3.

    Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt in beginsel verleend in de vorm van een geldlening.

  • 4.

    Periodieke bijzondere bijstand wordt in beginsel voor 12 maanden verleend. Jaarlijks wordt heronderzoek gedaan naar de noodzaak en de omvang van deze bijstand en naar de in aanmerking te nemen middelen. Herbeoordeling vindt plaats op basis van de op dat moment geldende beleidsregels.

Artikel 3 De aanvraag

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt op aanvraag verstrekt.

  • 2.

    Belanghebbende dient bijzondere bijstand aan te vragen voordat de kosten worden gemaakt.

  • 3.

    Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken, indien:

    • a.

      De aanvrager de aanvraag redelijkerwijs niet vooraf heeft kunnen indienen;

    • b.

      Er bijzondere omstandigheden of dringende redenen zijn om voor reeds gemaakte kosten bijstand te verlenen.

  • 4.

    Het verlenen van bijstand is met terugwerkende kracht mogelijk tot maximaal 12 maanden voor het indienen van de aanvraag.

Artikel 4 Beoordeling van de aanvraag

  • 1.

    De aanvraag om bijzondere bijstand kan worden toegekend indien aan de volgende criteria wordt voldaan:

    • a.

      De kosten doen zich werkelijk voor;

    • b.

      De kosten zijn noodzakelijk;

    • c.

      De kosten vloeien voort uit bijzondere individuele omstandigheden;

  • d.

    Er is geen sprake van een voorliggende voorziening1

Artikel 5 Draagkracht

  • 1.

    Geen draagkracht hebben belanghebbenden die een inkomen hebben tot 120% van de bijstandsnorm en die geen vermogen hebben boven de voor hen geldende vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 wet.

  • 2.

    Indien de belanghebbende een hoger inkomen heeft dan 120% van de geldende bijstandsnorm, als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 29 wet, dan wordt de draagkracht vastgesteld op 35% van het meer-inkomen2

  • 3.

    In afwijking van lid 2 geldt bij algemene kosten van het bestaan3 100% van het meer-inkomen als draagkracht.

  • 4.

    Indien de belanghebbende een hoger vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet, dan wordt de draagkracht vastgesteld op 100% van het meerdere vermogen.

  • 5.

    Indien sprake is van een inkomen boven de 120% kan gedeeltelijk bijzondere bijstand worden toegekend indien de kosten het meerdere vermogen te boven gaan. Bij een volgende aanvraag in hetzelfde draagkrachtjaar worden de kosten geheel vergoed.

  • 6.

    De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag worden niet bij de middelen betrokken. Hiervoor geldt een inkomensgrens van 110%. Beiden zijn in een aparte verordening geregeld.

  • 7.

    Bij een belanghebbende voor wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, zal in het algemeen gesproken geen draagkracht bestaan. Het inkomen waarover de belanghebbende niet kan beschikken mag niet tot het inkomen gerekend worden.

  • 8.

    Een zelfstandige kan ook in aanmerking komen voor de bijzondere bijstand. Het inkomen van een zelfstandige kan worden geschat aan de hand van het inkomen van vorig jaar, een IB (inkomensverklaring) of de huidige boekhouding. Het vermogen verbonden in het bedrijf wordt meegeteld voor zover dit redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden.

  • 9.

    Het college stelt de draagkrachtperiode in beginsel vast op twaalf maanden. De draagkrachtperiode begint op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

     

1 Zoals vastgelegd is in artikel 15, lid 1 van de wet is er ook geen recht op bijzondere bijstand voor kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

2 De berekening van draagkracht laten we aan het volgende rekenvoorbeeld zien: Een (alleenstaande ongehuwde) inwoner heeft bijvoorbeeld een inkomen van € 1600. Wanneer in dit geval het inkomen 120% van de bijstandsnorm € 1300 bedraagt, dan resteert een bedrag van € 300. Dat bedrag van € 300 maal 12 maanden * 35% = € 1260. Dat bedrag gedeeld door 12 maanden is € 105 per maand. Stel bijvoorbeeld dat er bewindvoeringskosten van € 115; per maand dienen te worden betaald en deze inwo-ner vraagt hiervoor bijzondere bijstand aan. Dan wordt de draagkracht van de inwoner bepaald op € 105 en krijgt hij bijzondere bijstand van € 10 per maand.

3 Dat betreft bijvoorbeeld kosten voor woninginrichting, babyuitzet, kosten voor verhuizing, bijzondere bijstand voor kosten levensonderhoud (overbrugging).

Artikel 6 Uitbetaling en terugvordering

  • 1.

    Tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald, wordt de bijzondere bijstand uitbetaald nadat de betalingsbewijzen zijn ingeleverd.

  • 2.

    In situaties waarin de belanghebbende de kosten niet eerst zelf kan betalen, kan de bijstand in overleg en met instemming van de aanvrager rechtstreeks aan de leverancier worden betaald.

  • 3.

    Als blijkt dat de bijzondere bijstand niet is besteed voor het doel waarvoor de bijstand is verstrekt, wordt het recht op de toegekende bijstand ingetrokken en wordt het betaalde bedrag teruggevorderd.

Artikel 7 Bijstand voor jongeren van 18 jaar tot 21 jaar, zelfstandig wonend

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van zelfstandig wonende jongeren wordt verleend indien en voor zover:

    • a.

      de noodzakelijk kosten van bestaan hoger zijn dan de voor de jongere geldende bijstandsnorm;

    • b.

      voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouder(s), omdat:

      • i.

        de middelen van de ouder(s) niet toereikend zijn, of

      • ii.

        de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouder(s) niet te gelde kan maken.

  • 2.

    De jongere bedoeld in het eerste lid wordt in elk geval geacht zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouder(s) niet te gelde te kunnen maken, als de jongere op de ingangsdatum van de bijstandsverlening al 12 maanden of langer zelfstandig woont. In alle andere gevallen dient de noodzaak op grond van individuele omstandigheden te worden beoordeeld. Criteria daarvoor zijn onder meer:

    • a.

      de ouder(s) is/zijn overleden of woont/wonen in het buitenland;

    • b.

      de jongere is in het kader van de Wet op de Jeugdzorg buiten het gezin geplaatst;

    • c.

      er is sprake van een acute crisissituatie, of

    • d.

      er is anderszins sprake van een ernstig verstoorde relatie met de ouder(s).

  • 3.

    Voor de alleenstaande jongere van 18 tot 21 jaar en voor de alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar wordt de bijzondere bijstand vastgesteld op maximaal het verschil tussen de norm als bedoeld in artikel 20, lid 1 sub a van de wet en de norm als bedoeld in artikel 21 sub a van de wet.

  • 4.

    Aan de in een inrichting verblijvende jongere en alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar kan onder de voorwaarden genoemd in het eerste en tweede lid bijzondere bijstand worden verleend overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 van de wet.

Artikel 8 Woonkostentoeslagen

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor woonkosten is mogelijk indien:

    • a.

      De huur boven de huurtoeslaggrens ligt;

    • b.

      Er sprake is van een woning in eigendom.

  • 2.

    Een tijdelijke woonkostentoeslag bij een huurwoning of gehuurde woonwagen kan worden verleend als de huur valt binnen de grenzen van de Wet op de huurtoeslag, maar belanghebbende – door omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen – (nog) geen huurtoeslag krijgt. De tijdelijke woonkostentoeslag bedraagt ten hoogste de huurtoeslag (als deze wel zou zijn toegekend).

  • 3.

    Woonkostentoeslag bij een woning in eigendom.

    • a.

      Voor de kosten van de door belanghebbende zelf bewoonde eigen woning, die blijven binnen de grenzen van de Wet op de huurtoeslag voor huurwoningen met vergelijkbare kosten, kan een toeslag worden verleend ter hoogte van de huurtoeslag die bij een huurwoning met vergelijkbare kosten zou gelden.

    • b.

      De onder a. bedoelde toeslag wordt in beginsel voor maximaal een jaar toegekend met de verplichting dat belanghebbende naar vermogen tracht goedkopere woonruimte te vinden. Verlenging van de periode van een jaar wordt individueel beoordeeld en is afhankelijk van de inspanningen van belanghebbende.

    • c.

      De belanghebbende dient zijn volledige medewerking te geven bij de verkoop van zijn woning. Dit betekent ook dat de belanghebbende de verkoop met een verlies moet accepteren.

  • 4.

    Woonkosten boven de maximale huurprijs.

    • a.

      Als de woonkosten (huur of eigen woning) hoger zijn dan het maximale huurbedrag waarvoor op grond van de Wet op de huurtoeslag toeslag kan worden verleend gelet op de financiële situatie van de belanghebbende, kan een tijdelijke woonkostentoeslag worden verleend.

    • b.

      De onder a. bedoelde toeslag is het verschil tussen de werkelijke woonkosten en het maximale bedrag dat een persoon in gelijke financiële omstandigheden in het kader van de Wet op de huurtoeslag wordt geacht te kunnen bijdragen aan huurlasten.

    • c.

      De onder a. bedoelde toeslag wordt in beginsel voor maximaal een jaar toegekend met de verplichting dat belanghebbende naar vermogen tracht goedkopere woonruimte te vinden. Verlenging van de periode van een jaar wordt individueel beoordeeld en is afhankelijk van de inspanningen van belanghebbende.

Artikel 9 Algemeen- Minimaregelingen

In het volgend hoofdstuk wordt een aantal kostensoorten omschreven om zeker te stellen dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. De opsomming is niet limitatief. Het beoordelen van een aanvraag is altijd maatwerk. In het individuele geval kunnen zich noodzakelijke kosten voordoen die niet in dit hoofdstuk zijn te vinden, maar waarvoor wel, gelet op de uitgangspunten van de wet, bijzondere bijstand moet worden verleend.

Artikel 10 Medische kosten

  • 1.

    De Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn passende en toereikende voorliggende voorzieningen. Kosten die onder deze regelingen vallen, maar waarvoor geen (volledige) vergoeding wordt gegeven, komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 2.

    Het uitgangspunt is dat de belanghebbende adequaat is verzekerd voor ziektekosten, dat wil zeggen een basisverzekering en een aanvullende verzekering die ten minste het niveau heeft van de basis-en aanvullende verzekering in de gemeentelijke collectieve ziektekostenverzekering voor inwoners met een inkomen tot 120% van de voor hen geldende bijstandsnorm.

  • 3.

    Als de belanghebbende zich niet (voldoende) heeft verzekerd, heeft hij slechts aanspraak op de bijzondere bijstand die hij in dat jaar had kunnen krijgen als hij wel was verzekerd overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid.

  • 4.

    Kosten voor tandheelkunde worden in beginsel niet vergoed, de zorgverzekering is een voorliggende voorziening die gezien wordt als toereikend.

  • 5.

    Bijstandsverlening is alleen mogelijk met inachtneming van de artikelen 15, lid 1, en artikel 35 van de wet.

Artikel 11Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Duurzame gebruiksgoederen4 horen naar hun aard tot de incidenteel algemeen voorkomende bestaanskosten. Hierin dient de belanghebbende te voorzien door reservering5 of gespreide betaling. Uitsluitend in geval van bijzondere omstandigheden kan daarom bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen nodig zijn.

  • 2.

    Bij de aanvraag moet men een voorlopige nota laten zien en de afwijzing van de bank om een lening te verstrekken.

  • 3.

    Er kan bijzondere bijstand worden verleend ter hoogte van de kosten van de goedkoopste adequate voorzieningen. Voor de maximale hoogte van deze vergoedingen zijn de NIBUD-regels leidend, er kan maximaal bijzondere bijstand worden verleend ter hoogte van 75% van de NIBUD richtlijnen6.

  • 4.

    Ter beperking van de kosten en ter bevordering van het streven naar hergebruik van goederen, kan de belanghebbende worden verwezen naar alternatieven als de kringloopwinkels of Marktplaats.nl, of de Facebook pagina ‘0222 Wat je maar kwijt wilt’

  • 5.

    De kosten voor een volledige woninginrichting voor vergunninghouders kunnen, voor zover zij voldoen aan de nadere bepalingen in deze beleidsregels, worden gezien als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan die niet kunnen worden voldaan uit het inkomen en vermogen, zoals genoemd in artikel 35 van de wet en het gemeentelijk beleid en komen derhalve in aanmerking voor bijstandsverlening in de vorm van een geldlening7.

  • 6.

    Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verleend in de vorm van een geldlening.

  • 7.

    De aflossingscapaciteit voor een lening als bedoeld in het tweede lid is voor een belanghebbende met een inkomen op bijstandsniveau 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, tenzij de beslagvrije voet met toepassing van dit percentage overschreden wordt.

  • 8.

    Indien en voor zover de aflossingscapaciteit als bedoeld in lid 7 niet voldoende is om de noodzakelijke lening in de daarvoor geldende looptijd van 36 maanden volledig te kunnen aflossen, wordt na deze periode het restant van de lening kwijtgescholden.

  • 9.

    Indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen om niet worden verstrekt. De beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat om de bijstand voor duurzame gebruiksgoederen geheel of gedeeltelijk om niet te verlenen, dient plaats te vinden aan de hand van de omstandigheden, middelen en mogelijkheden van de belanghebbende.

4 Onder duurzame gebruiksgoederen worden verstaan meubels, huishoudelijke apparaten, vloerbedekking en gordijnen. Daarnaast onderhoudskosten zoals verf, behang, kleine reparaties en dergelijke.

5 In het algemeen wordt er van uitgegaan dat men 5% kan sparen van een bijstandsuitkering. Dat wordt echter moelijker naarmate de bijstandsuitkering langer duurt. De inkomenstoeslag is bedoeld als aanvulling op de bijstandsuitkering. Als er vervangingsinvesteringen nodig zijn, mag aangenomen worden dat deze worden betaald van de inkomenstoeslag. Per concreet geval zal telkens de vraag beantwoordt moeten worden of er sprake is van bijzondere omstandigheden, maatwerk is en blijft de hoofdregel.

6 De prijzen in winkels blijken lager te zijn dan de normen die in de Nibudprijzen gids worden gehanteerd. Verder is een ont-wikkeling dat veel goederen aangeschaft kunnen worden via winkels die tweedehands goederen verkopen of via marktplaats.

7 Het college van B&W heeft de bevoegdheid en verantwoordelijkheid om te bepalen of iemand bijzondere bijstand krijgt ter dekking van de kosten van de inrichting van de woning. Het college kijkt dan naar de individuele omstandigheden van het geval.

Bij uitgenodigde vluchtelingen, die op voordracht van de UNHCR naar Nederland komen, moet de gemeente meteen een basaal ingerichte woning opleveren. Deze vluchtelingen komen immers direct naar de gemeente. In dat geval verstrekt de gemeente om praktische redenen de duurzame gebruiksgoederen gratis en in natura. De gemeente kan dit combineren met bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening voor de overige noodzakelijke inrichting. https://vng.nl/files/vng/20160216-bijstand-vergunninghouders.pdf

Artikel 12 Maatschappelijke participatie van volwassenen

  • 1.

    Een belanghebbende van 18 jaar of ouder, die op de datum van de aanvraag een inkomen heeft van maximaal 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming voor de kosten van deelname aan sociaal-culturele, sportieve en educatieve activiteiten.

  • 2.

    De vergoeding bedraagt maximaal € 150,- per 12 maanden per gezinslid.

  • 3.

    Belanghebbende moet de betalingsbewijzen bewaren om de gemaakte kosten bij de gemeente te declareren.

Artikel 13 Maatschappelijke participatie van kinderen

  • 1.

    Kinderen tot 18 jaar, uit een gezin dat op de datum van de aanvraag een inkomen heeft van maximaal 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, kunnen een bijdrage krijgen van maximaal € 300,- per 12 maanden voor deelname aan sociaal-culturele, sportieve en educatieve activiteiten8.

  • 2.

    De aanvrager moet de betalingsbewijzen bewaren om de gemaakte kosten bij de gemeente te declareren.

  • 3.

    Ouders met een inkomen onder de inkomensgrens van 120% kunnen gedeeltelijke kwijtschelding krijgen van de vrijwillige ouderbijdrage van de OSG. Voor deze doelgroep wordt de ouderbijdrage per kind verlaagd naar € 50,- De ouderbijdrage kan de ouder betalen uit het budget voor maatschappelijke participatie van het kind. De OSG scheldt de rest van de ouderbijdrage kwijt.

  • 4.

    Naast de bijdrage uit het eerste lid kunnen kinderen tot 18 jaar een zwemarrangement krijgen voor het halen van hun A en B zwemdiploma.

  • 5.

    Naast de bijdrage uit het eerste en vierde lid kunnen ouders per kind dat les krijgt op de OSG eenmalig een bijdrage krijgen voor de aanschaf van een laptop. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het aanbod van de OSG. Samen met de OSG vergoedt de gemeente 75% van de kosten per laptop, tot een maximum van € 500,- per laptop. 25% van de kosten per laptop komt voor rekening van de ouders zelf.

  • 6.

    Naast de bijdrage uit het eerste, vierde en vijfde lid is er een bijdrage mogelijk van €500,- voor huiswerkondersteuning en andere vormen van onderwijsaanvulling, onder voorwaarde dat de begeleiding wordt gegeven door een professional.

8 De activiteiten betreffen bijvoorbeeld schoolreisjes, ouderbijdragen, museumbezoek, sportactiviteiten

Artikel 14 Collectiviteitskorting premie zorgverzekering

  • 1.

    Als het inkomen niet hoger is dan 120% van de bijstandsnorm en er geen sprake is van vermogen (buiten het maximaal vrij te laten vermogen) kan men deelnemen aan de collectieve zorgverzekering die de gemeente Texel voor inwoners heeft afgesloten.

  • 2.

    Als men al aanvullend verzekerd is en niet kan overstappen naar de collectieve verzekering dan kan men voor het lopende jaar de premie van de aanvullende zorgverzekering vergoed krijgen tot maximaal de premie van de verzekeringsmaatschappij waar de collectieve gemeentepolis mogelijk is.

  • 3.

    De basispremie van de ziektekostenverzekering en het (verplicht en vrijwillig) eigen risico komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 15 Rechtshulp

Het Juridisch Loket verleent gratis rechtshulp zonder dat de toevoeging van een advocaat nodig is. Het Juridisch Loket verstrekt het diagnosedocument voor een advocaat, mocht er een advocaat nodig zijn. Als men een juridische procedure moet voeren en men heeft een minimum-inkomen, kan men een beroep doen op de Wet op de Rechtsbijstand (WRB). De Raad voor Rechtsbijstand stelt vast of een gerechtelijke procedure noodzakelijk is (een ‘toevoeging’). Als dat zo is, moet men een eigen bijdrage betalen. Men kan bijzondere bijstand krijgen voor de eigen bijdrage en griffiekosten. Bij de aanvraag moet de definitieve toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand ingeleverd worden.

Artikel 16 Citeertitel, inwerkingtreding en overgangsbepalingen

  • 1.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels minimabeleid en bijzondere bijstand Texel 2019’.

  • 2.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2020.

  • 3.

    Wanneer door een wijziging van de beleidsregels het recht op periodieke bijzondere bijstand wijzigt en ten nadele van de inwoner, dan kan een overgangsregeling getroffen worden voor de duur van maximaal een half jaar.

Aldus vastgesteld in de vergadering van college van burgemeester en wethouders op 17 december 2019

Naar boven