Beleidsregels terugvorderen uitkeringen Opsterland 2022

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Opsterland besluiten deze beleidsregels vast te stellen en houden rekening met de volgende bepalingen:

 

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht

  • artikel 54, 58 tot en met 60c en 62 van de Participatiewet

  • artikel 17 en 25 tot en met 31 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

  • artikel 17 en 25 tot en met 31 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de Handhavingsverordening Participatiewet

  • IOAW en IOAZ Opsterland 2015

Hoofdstuk 1: Algemene Bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen en afkortingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet verder worden uitgelegd hebben dezelfde betekenis als in:

    • Participatiewet

    • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)

    • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)

    • Algemene wet bestuursrecht (Awb)

 

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

 

  • 2.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland;

  • 3.

    uitkering: bijstand voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet of de inkomensvoorziening als bedoeld in de IOAW of IOAZ;

  • 4.

    vermogen: totaal van bezittingen en schulden, met uitzondering van schulden die zijn ontstaan door het verwijtbaar niet nakomen van de inlichtingenverplichting;

  • 5.

    beslagvrije voet: dat deel van de uitkering dat nodig is voor de basale kosten van levensonderhoud als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en met toepassing van het besluit van 30 november 2020 (Staatsblad 2020 499);

  • 6.

    bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor het college krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

  • 7.

    fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

  • 8.

    inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 17, eerste en tweede lid, Participatiewet en artikel 13, eerste lid, IOAW en IOAZ;

  • 9.

    Rv: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

  • 10.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2: Wettelijke bevoegdheden

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot:

    • a.

      het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit door artikel 54, derde en vierde lid, van de Participatiewet, artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAW, artikel 17, derde en vierde lid, van de IOAZ;

    • b.

      het terugvorderen van ten onrechte verleende uitkering zoals neergelegd in paragraaf 6.4 van de Participatiewet, paragraaf 5 van de IOAW en paragraaf 5 van de IOAZ.

  • 2.

    De bevoegdheden zoals beschreven in het eerste lid onder a en b gelden voor het college als algemene verplichtingen, behalve de in deze uitvoeringsregels beschreven uitzonderingen, uitgezonderd dringende redenen en uitgezonderd de situatie waarin terugvordering van de kosten van bijstand en de kosten van de inkomensvoorziening in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Hoofdstuk 2: Geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering

Artikel 3: Afzien van terugvordering

  • 1.

    Het college is bevoegd om in individuele situaties af te zien van invordering wanneer de vordering of restant van de vordering minder bedraagt dan € 150,00. En dat het treffen van invorderingsmaatregelen, naar het oordeel van het college, niet doelmatig is.

Artikel 4: Kwijtschelding restant geldschulden

  • 1.

    Het College gaat op verzoek van belanghebbende over tot kwijtschelding van het restant van de vordering in de volgende gevallen:

    • a.

      wanneer de vordering is ontstaan door het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. En de schuldenaar gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichting in maandelijkse termijnen heeft voldaan;

    • b.

      wanneer op grond van artikel 18a van de Participatiewet of artikel 20a IOAW en IOAZ naast de terugvordering een bestuurlijke boete is opgelegd, kan niet eerder tot kwijtschelding worden overgegaan. Is de bestuurlijke boete voldaan? Dan kan er een verzoek ingediend worden;

    • c.

      de onder a genoemde termijn van tien jaar geldt ook voor geldschulden die het gevolg zijn van een eerder verstrekte geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48 tweede lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Participatiewet;

    • d.

      in de overige gevallen: Wanneer de schuldenaar gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichting in maandelijkse termijnen heeft voldaan;

    • e.

      de schuldenaar heeft, in de in onderdelen a tot en met d genoemde gevallen, gedurende de genoemde jaren niet volledig aan zijn betalingsverplichting voldaan, maar heeft alsnog het achterstallige bedrag over die jaren betaald, verhoogd met in rekening gebrachte kosten van invordering.

  • 2.

    Het college kan de geldschuld bij een vordering voor het geheel of voor het restant kwijtschelden in de volgende gevallen:

    • a.

      de schuldenaar heeft gedurende vijf jaar geen betalingen verricht en het is niet aannemelijk dat deze op enig moment aan zijn betalingsverplichting zal voldoen;

    • b.

      de onder a genoemde termijn is tien jaar, indien sprake is van een vordering zoals bedoeld in het eerste lid onder a of onder c;

    • c.

      de schuldenaar lost in één keer een bedrag op de geldschuld af ter hoogte van tenminste 50 procent van het restant van de geldschuld.

  • 3.

    De kwijtschelding op grond van het eerste en tweede lid bestaat niet voor geldschulden die gedekt zijn door een zakelijk recht als pand of hypotheek.

  • 4.

    Het college is niet verplicht om in de in het eerste lid genoemde gevallen tot kwijtschelding over te gaan, als de schuldenaar kan beschikken over vermogen dat gebruikt kan worden of vermogen waarover de schuldenaar binnen een redelijke termijn kan gaan beschikken. Bij de vaststelling van dat vermogen wordt rekening gehouden met het gehele vermogen zonder aftrek van de geldschulden die voor kwijtschelding in aanmerking zouden kunnen komen.

  • 5.

    Het college besluit niet tot kwijtschelding indien belanghebbende in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het verzoek tot kwijtschelding, herhaaldelijk, in ieder geval meer dan 1 keer, verwijtbaar, niet, niet tijdig of niet volledig aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan dan wel aan zijn aflossingsverplichtingen.

Artikel 5 Kwijtschelding bij schuldsituaties

  • 1.

    Het college kan na de totstandkoming van een definitieve schuldregeling in het kader van een minnelijke schuldregeling of in andere gevallen, afzien van verdere betaling of invordering van één of meerdere geldschulden wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is met reden te verwachten dat belanghebbende zijn schulden niet kan aflossen;

    • b.

      Er zijn meer schuldeisers. En er is met reden te verwachten dat een schuldregeling voor geldschulden zonder een besluit over kwijtschelding niet tot stand komt;

    • c.

      de geldschuld naar evenredigheid zal worden voldaan met de geldschulden van de overige schuldeisers van gelijke rang.

  • 2.

    Van kwijtschelding als bedoeld in het eerste lid wordt afgezien voor de hierna genoemde geldschulden:

    • a.

      geldschulden die zijn ontstaan door het verwijtbaar niet nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting;

    • b.

      geldschulden die zijn ontstaan op grond van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, b en c, van de Participatiewet;

    • c.

      geldschulden die gedekt zijn door een zakelijk recht als pand of hypotheek, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

  • 3.

    In afwijking van lid 2 onder a maakt het college gebruik van de bevoegdheid de boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldenregeling zoals omschreven in artikel 18a lid 13 van de Participatiewet. Hierop is de volgende voorwaarde van toepassing waaraan voldaan moet zijn:

    • a.

      het verzoek is ingediend door degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd.

  • 4.

    In afwijking van lid 2 onder a kan toch kwijtschelding worden verleend in geval van vorderingen voortgekomen uit schending inlichtingenplicht, die ontstaan zijn voor 1 januari 2013, wanneer, naast de voorwaarden genoemd in lid 1, minimaal de helft van de oorspronkelijke schuld is of wordt voldaan of belanghebbende minimaal gedurende vijf jaar voorafgaand aan het verzoek volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan.

  • 5.

    Geen kwijtschelding geldlening voor duurzame gebruiksgoederen.

Artikel 6 Schuldregeling

  • 1.

    Is een schuldregelingsovereenkomst getekend? En is de minnelijke procedure in gang gezet voor het bereiken van een schuldregeling als bedoeld in artikel 5, eerste lid? Dan wordt de betaling van de geldschuld tijdelijk opgeschort.

  • Voorwaarde: Binnen 1 jaar na het ondertekenen van de schuldregelingsovereenkomst moet een schuldregeling met overige schuldeisers haalbaar gebleken zijn. In dat geval duurt de opschorting uiterlijk drie jaar. Of wanneer na het ondertekenen van een schuldregelingsovereenkomst een definitieve schuldregeling wordt bereikt.

  • 2.

    Een schuldregeling komt tot stand door een persoon of organisatie die volgens geldende kwaliteitseisen een goede en evenwichtige schuldregeling kan treffen. Bij een minnelijk traject moet aan de schuldeisers een aanbod zijn gedaan waarbij aan de gemeente, in geval van een faillissement van de schuldenaar, ten opzichte van de achtergestelde schuldeisers een dubbel percentage wordt toebedeeld.

  • 3.

    Het college kan in de volgende gevallen het besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, intrekken of wijzigen, indien:

    • a.

      de voorwaarden van de schuldregeling niet of niet dreigen te worden nagekomen;

    • b.

      de schuldregeling tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de schuldenaar.

Hoofdstuk 3: Invordering en betaling

Artikel 7 Algemeen

  • 1.

    Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4: 87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.

  •  

  • 2.

    Het gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten:

    • a.

      de hoogte van (het saldo van) de vordering;

    • b.

      de betalingsverplichting om de vordering volledig te voldoen (voor zover de vordering niet verrekend kan worden);

    • c.

      de datum waarop de betalingsverplichting in gaat;

    • d.

      de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4:87 Awb een betalingsregeling te treffen;

    • e.

      de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 Awb over aanmaning en invordering bij dwangbevel;

    • f.

      de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting tenzij er sprake is van bijzondere onvoorziene omstandigheden.

Artikel 8 Verrekening

Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de Participatiewet en artikel 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ en ongeacht de in artikel 7 genoemde betalingstermijn gaat het college, indien mogelijk, meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een uitkering.

Artikel 9 Uitstel van betaling

  • 1.

    Het college verleent uitstel van betaling wanneer ambtshalve of op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan.

  • 2.

    Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit, verbindt het college aan het verleende uitstel de voorwaarde dat belanghebbende deze aflossingscapaciteit gebruikt ter aflossing van de openstaande schuld.

  • 3.

    Het college verbindt, indien het een fraudevordering betreft, aan de verlening van (verder) uitstel de extra voorwaarde dat belanghebbende, wanneer hij over vermogen beschikt dan wel komt te beschikken, dit vermogen gebruikt ter aflossing van de openstaande schuld.

  • 4.

    Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in het derde lid:

    • a.

      worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten; en

    • b.

      is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de Participatiewet van toepassing.

  • 5.

    Het uitstel wordt ingetrokken indien de belanghebbende de overeengekomen aflossing niet nakomt.

Artikel 10 Terugvordering: bruto of netto

 

  • 1.

    Kan het college niet meer (volledig) gebruik maken van de in de uitkeringsregeling omschreven bevoegdheid tot verrekening van de loonbelasting premies volksverzekeringen en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, met de door het college over die uitkering af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding? Dan wordt het bedrag van de netto terugvordering verhoogd met de buiten de verrekening gebleven loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding. De terugvordering is dan bruto.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid vordert het college niet bruto terug als:

    • a.

      de schuldenaar geen verwijt kan worden gemaakt over het ontstaan van de geldschuld, en;

    • b.

      de schuldenaar geen verwijt kan worden gemaakt over de omstandigheid dat de geldschuld niet volledig is voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan, terwijl het college eerder tot terugvordering had kunnen besluiten.

Artikel 11 Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossing bij belanghebbende met een uitkering

  • 1.

    De hoogte van het aflossingsbedrag voor de belanghebbende met inkomen op bijstandsniveau wordt vastgesteld op:

    • a.

      indien het een geldlening betreft: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag);

    • b.

      indien het een andere vordering betreft: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag), rekening houdend met de beslagvrije voet.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan met een betalingsvoorstel van de debiteur worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt.

  • 3.

    In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting door de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 12 Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en bij een inkomen boven bijstandsniveau

  • 1.

    De aflossingsverplichting voor belanghebbenden met een inkomen boven bijstandsniveau bedraagt:

    • a.

      Indien het een geldlening betreft: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag verhoogd met 35% van het verschil tussen het inkomen inclusief vakantietoeslag en de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.

    • b.

      Indien het een andere vordering betreft: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, verhoogd met 35% van het verschil tussen het inkomen inclusief vakantietoeslag en de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, rekening houdend met de beslagvrije voet.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan met een betalingsvoorstel van de debiteur worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt.

  • 3.

    In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting door de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 4.

    In afwijking van het gestelde in lid 1 wordt de aflossingsverplichting tot maximaal 36 maanden na beëindiging van de uitkering vastgesteld conform artikel 11, indien:

    • a.

      de vordering geen fraudevordering is, en

    • b.

      de uitkering is beëindigd wegens uitstroom naar werk, en

    • c.

      de belanghebbende aansluitend aan de beëindiging van zijn uitkering aan zijn

    • d.

      betalingsverplichtingen blijft voldoen.

Artikel 13a Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college

  • 1.

    Het college kan een draagkrachtonderzoek instellen naar de afloscapaciteit van belanghebbende.

  • 2.

    Besluit het college als gevolg van een draagkrachtonderzoek tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsverplichting? Dan ontvangt belanghebbende hiervan een beschikking.

  • 3.

    In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.

Artikel 13b Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting op verzoek van belanghebbende

  • 1.

    Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen. Onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken tot:

    • a.

      wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of

    • b.

      tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende

    • c.

      meent de eerder vastgestelde betalingsverplichting niet te kunnen voldoen.

  • 2.

    Binnen acht weken na ontvangst van dit verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid en deelt dit aan belanghebbende mee.

  • 3.

    Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen.

Hoofdstuk 4: Slotbepalingen

Artikel 14 Kosten

  • 1.

    Het college brengt aan de schuldenaar in overeenstemming met artikel 4:113 Awb de kosten van de aanmaning in rekening.

  • 2.

    Het college brengt de schuldenaar in overeenstemming met artikel 4:120 Awb de kosten van dwangbevel in rekening.

  • 3.

    Wanneer met behulp van een gerechtsdeurwaarder voor het innen van geldschulden op bezittingen van de schuldenaar beslag wordt gelegd, wordt de geldschuld verhoogd met de op de invordering betrekking hebbende kosten.

Artikel 15 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na die van de bekendmaking in het gemeenteblad, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels terugvordering Opsterland 2014.

Artikel 16 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels terugvordering Opsterland 2022

Vastgesteld bij collegebesluit van

Datum vaststelling:

De burgemeester,

De secretaris,

Naar boven