Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Gemeente Katwijk 2014

In de aanhef van het besluit tot vaststelling van de Algemene Plaatselijke Verordening Katwijk wordt de tekst:

 

“gelet op artikel 147 Gemeentewet en de artikelen 4, eerste tot en met derde lid en 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet”;

 

vervangen door:

 

“gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet, artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 30c, tweede lid van de Wet op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet, artikel 64, tweede lid van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994”;

 

De Algemene Plaatselijke Verordening Katwijk wordt voorts als volgt gewijzigd:

 

  • A.

    Artikel 1:1 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 1:1 Definities

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

    - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de bouwverordening;

    - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994;

    - college: het college van burgemeester en wethouders;

    - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van de Woningwet;

    - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

    - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

    - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

    - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

    - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

    - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

    - zeereep: de direct aan het strand gelegen duinenrij, inclusief de daarbij behorende harde waterkerende constructies en de (ondergrondse) parkeergarage alsmede de hierbij behorende voetpaden die al dan niet direct toegang geven tot het strand.

    Artikel 1:1 Definities

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

    - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de bouwverordening;

    - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994;

    - college: het college van burgemeester en wethouders;

    - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid van de Woningwet;

    - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

    - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

    - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

    - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

    - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen;

    - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

    - zeereep: de direct aan het strand gelegen duinenrij, inclusief de daarbij behorende harde waterkerende constructies en de (ondergrondse) parkeergarage alsmede de hierbij behorende voetpaden die al dan niet direct toegang geven tot het strand.

    Toelichting: de definitie van “bevoegd gezag” is gewijzigd. Daarnaast is er bij de definitie van “voertuig” een ondergeschikte aanpassing doorgevoerd. De reden hiervoor is dat de definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuigen zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990.

     

  • B.

    Het opschrift van hoofdstuk 2 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Hoofdstuk 2. Openbare orde

    Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het opschrift.

     

  • C.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 1 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

    Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het opschrift.

     

  • D.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 2 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 2. Betoging

     

    Toelichting: dit betreft slechts een verwijdering van het opschrift.

     

  • E.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 3 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken

     

    Toelichting: dit betreft slechts een verwijdering van het opschrift.

     

  • F.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 5 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg

    Afdeling 5. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen.

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het opschrift.

     

  • G.

    Artikel 2:11 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

    1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

    2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

    3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

    4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

    5. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Wegenverordening Zuid-Holland 2010, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2016 (AVOI 2016)..

    Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

    1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

    2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

    3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

    4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

    5. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Wegenverordening Zuid-Holland 2010, de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur 2016 (AVOI 2016).

    Toelichting: de wijziging is van (wets)technische aard.

     

  • H.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 6 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 6. Veiligheid op de weg

     

    Toelichting: dit betreft slechts een verwijdering van het opschrift.

     

  • I.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 7 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 7. Evenementen

    Afdeling 3. Evenementen

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling.

     

  • J.

    Artikel 2:24, lid 1, onder b wordt als volgt gewijzigd:

     

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:24 Definities

    1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    a. bioscoop en theatervoorstellingen;

    b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet en artikel 5:22;

    c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

    e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39;

    g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f.

    2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    a. een herdenkingsplechtigheid;

    b. een braderie;

    c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    e. een straatfeest of barbecue;

    f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s

    3. De organisator van een evenement waarvoor krachtens het tweede lid onder f een vergunning vereist is, is niet van slecht levensgedrag.

    4. De burgemeester weigert een vergunning als de organisator van een evenement als bedoeld in het derde lid van slecht levensgedrag is.

    Artikel 2:24 Definities

    1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    a. bioscoop en theatervoorstellingen;

    b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet en artikel 5:22;

    c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

    e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39;

    g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f.

    2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    a. een herdenkingsplechtigheid;

    b. een braderie;

    c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;

    d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    e. een straatfeest of barbecue;

    f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s

    3. De organisator van een evenement waarvoor krachtens het tweede lid onder f een vergunning vereist is, is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag.

    4. De burgemeester weigert een vergunning als de organisator van een evenement als bedoeld in het derde lid van slecht levensgedrag is.

    Toelichting: dit betreft een aanpassing aan de formulering van slecht levensgedrag alsmede een correctie van de verwijzing naar artikel 160 van de Gemeentewet.

     

  • K.

    Artikel 2:25, lid 10 wordt als volgt gewijzigd:

     

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:25 Evenementenvergunning

    10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Artikel 2:25 Evenementenvergunning

    10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Toelichting: dit betreft slechts een redactionele verbetering.

     

  • L.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 8 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

    Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling.

     

  • M.

    Artikel 2:27 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:27 Definitie

    1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, strandpaviljoen of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

    2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

    3. Horecaconvenant: de schriftelijke afspraak tussen de gemeente Katwijk, Koninklijke Horeca Nederland afdeling Bollenstreek, het Openbaar ministerie, de Politie en de bij het convenant aangesloten horecaondernemer, welke als doel heeft beperking van de overlast in het centrum van de gemeente Katwijk en een betere handhaving van de openbare orde.

    Artikel 2:27 Definitie

    1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, strandpaviljoen of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

    2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

    3. Horecaconvenant: de schriftelijke afspraak tussen de gemeente Katwijk, Koninklijke Horeca Nederland afdeling Bollenstreek, het Openbaar ministerie, de Politie en de bij het convenant aangesloten horecaondernemer, welke als doel heeft beperking van de overlast in het centrum van de gemeente Katwijk en een betere handhaving van de openbare orde.

    Toelichting: het waterpijpcafé (ook bekend als shisha-lounge) is zekerheidshalve toegevoegd aan de definitie van “openbare inrichting”.

     

  • N.

    Artikel 2:28, lid 3 en lid 5 worden als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

    1. Het is verboden in door de burgemeester aangewezen gebieden voor (een) daarbij aangewezen categorie(ën) openbare inrichting(en) zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren.

    2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

    3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

    4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

    a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    b. een zorginstelling;

    c. een museum;

    d. een bedrijfskantine of –restaurant of

    e. rouwcentra, begraafplaatsen of crematoria.

    5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.

    Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

    1. Het is verboden in door de burgemeester aangewezen gebieden voor (een) daarbij aangewezen categorie(ën) openbare inrichting(en) zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren.

    2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

    3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de exploitant en de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

    4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:

    a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    b. een zorginstelling;

    c. een museum;

    d. een bedrijfskantine of –restaurant of

    e. rouwcentra, begraafplaatsen of crematoria.

    5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Toelichting: met de voorgestelde wijziging in het derde lid wordt een verbetering aangebracht ten opzichte van de bestaande tekst. De voorgestelde aanpassing van het vijfde lid betreft slechts een redactionele verbetering.

     

  • O.

    Artikel 2:29, lid 12 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:29 Sluitingstijden

    1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers te laten verblijven tussen 02.00 uur en 05.00 uur of aldaar bezoekers toe te laten na 01.00 uur;

    2. Het is verboden openbare inrichtingen van instellingen die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard geopend te hebben tussen 01.00 uur en 05.00 uur of aldaar bezoekers toe te laten na 00.00 uur;

    3. Het is verboden terrassen geopend te hebben of daar bezoekers toe te laten tussen 23.00 uur en 09.00 uur;

    4. Het is verboden openbare inrichtingen die zich op het strand bevinden (strandpaviljoens) geopend te hebben tussen 0.00 uur en 07.00 uur of daar bezoekers toe te laten na 22.30 uur;

    5. Het in het derde lid bepaalde geldt niet voor terrassen bij openbare inrichtingen die zich op het strand bevinden (strandpaviljoens);

    6. Het in het vierde lid bepaalde geldt niet voor openbare inrichtingen die zich op het strand bevinden (strandpaviljoens) indien er in de betreffende inrichting een besloten feest wordt gehouden, met dien verstande dat het dan verboden is om openbare inrichtingen aan het strand (strandpaviljoens) geopend te hebben tussen 01:30 uur en 7:00 uur, of aldaar bezoekers toe te laten na 22:30 uur;

    7. Het is de houder van een horecabedrijf of van een inrichting en instelling die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal culturele of educatieve aard verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven vanaf 31 december, 20.00 uur tot en met 1 januari, 05.00 uur;

    8. Het is de houder van een openbare inrichting verboden gedurende 0:30 uur voorafgaande aan de sluitingstijd alcohol te verstrekken of muziekgeluid ten gehore te brengen;

    9. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste, tweede, derde, vierde, zevende en achtste lid bepaalde;

    10. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor openbare inrichtingen aangesloten bij het horecaconvenant, in de nacht van vrijdag op zaterdag en de nacht van zaterdag op zondag, met dien verstande dat het voor openbare inrichtingen die zijn aangesloten bij het horecaconvenant verboden is om in de nacht van vrijdag op zaterdag en de nacht van zaterdag op zondag bezoekers toe te laten na 01:00 uur;

    11. Het bepaalde in het negende lid geldt niet voor openbare inrichtingen aangesloten bij het horecaconvenant, tenzij deze inrichtingen een collectieve festiviteit als bedoeld in artikel 4:2 of een incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4:3 houden;

    12. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Artikel 2:29 Sluitingstijden

    1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers te laten verblijven tussen 02.00 uur en 05.00 uur of aldaar bezoekers toe te laten na 01.00 uur;

    2. Het is verboden openbare inrichtingen van instellingen die zich richten op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard geopend te hebben tussen 01.00 uur en 05.00 uur of aldaar bezoekers toe te laten na 00.00 uur;

    3. Het is verboden terrassen geopend te hebben of daar bezoekers toe te laten tussen 23.00 uur en 09.00 uur;

    4. Het is verboden openbare inrichtingen die zich op het strand bevinden (strandpaviljoens) geopend te hebben tussen 0.00 uur en 07.00 uur of daar bezoekers toe te laten na 22.30 uur;

    5. Het in het derde lid bepaalde geldt niet voor terrassen bij openbare inrichtingen die zich op het strand bevinden (strandpaviljoens);

    6. Het in het vierde lid bepaalde geldt niet voor openbare inrichtingen die zich op het strand bevinden (strandpaviljoens) indien er in de betreffende inrichting een besloten feest wordt gehouden, met dien verstande dat het dan verboden is om openbare inrichtingen aan het strand (strandpaviljoens) geopend te hebben tussen 01:30 uur en 7:00 uur, of aldaar bezoekers toe te laten na 22:30 uur;

    7. Het is de houder van een horecabedrijf of van een inrichting en instelling die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal culturele of educatieve aard verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven vanaf 31 december, 20.00 uur tot en met 1 januari, 05.00 uur;

    8. Het is de houder van een openbare inrichting verboden gedurende 0:30 uur voorafgaande aan de sluitingstijd alcohol te verstrekken of muziekgeluid ten gehore te brengen;

    9. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste, tweede, derde, vierde, zevende en achtste lid bepaalde;

    10. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor openbare inrichtingen aangesloten bij het horecaconvenant, in de nacht van vrijdag op zaterdag en de nacht van zaterdag op zondag, met dien verstande dat het voor openbare inrichtingen die zijn aangesloten bij het horecaconvenant verboden is om in de nacht van vrijdag op zaterdag en de nacht van zaterdag op zondag bezoekers toe te laten na 01:00 uur;

    11. Het bepaalde in het negende lid geldt niet voor openbare inrichtingen aangesloten bij het horecaconvenant, tenzij deze inrichtingen een collectieve festiviteit als bedoeld in artikel 4:2 of een incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4:3 houden;

    12. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Toelichting: dit betreft slechts een redactionele verbetering.

     

  • P.

    Artikel 2:39, lid 4 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:39 Speelgelegenheden

    1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

    2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

    3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid of

    b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

    4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Artikel 2:39 Speelgelegenheden

    1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.

    2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

    3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid of

    b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

    4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Toelichting: dit betreft slechts een redactionele verbetering.

     

  • Q.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 8A wordt als volgt gewijzigd:

     

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet

    Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging in de nummering en de tekst van het opschrift van de afdeling.

     

  • R.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 9 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf.

    Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling.

     

  • S.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 10 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden

    Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling.

     

  • T.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 11 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

    Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling en een ondergeschikte wijziging van de titel van de afdeling.

     

  • U.

    Artikel 2:57, lid 1, onder b wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:57 Loslopende honden

    1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    b. binnen de bebouwde kom op de weg en in de zeereep als de hond niet is aangelijnd;

    c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

    d. op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of de houder duidelijk doet kennen.

    2. Het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.

    3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod, gesteld in het eerste lid aanhef en onder a niet geldt.

    Artikel 2:57 Loslopende honden

    1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats en in de zeereep als de hond niet is aangelijnd;

    c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;

    d. op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of de houder duidelijk doet kennen.

    2. Het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen.

    3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod, gesteld in het eerste lid aanhef en onder a niet geldt.

    Toelichting: volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet zijn aangelijnd. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor niet-aangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over “aangewezen plaatsen”.

     

  • V.

    Artikel 2:59 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

    1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

    2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

    3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    b. door middel van een stevige leren riem die zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en

    c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

    4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

    Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

    1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

    2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1.50 meter.

    3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en

    c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

    4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

    Toelichting: door middel van de voorgestelde wijziging wordt uitdrukkelijker aangegeven dat de eigenaar of houder van de hond zich moet houden aan een opgelegd aanlijn- en muilkorfgebod. Dit is mede gebeurd op aanwijzing van het Openbaar Ministerie in het kader van de handhaving.

    Het aanlijngebod houdt in dat de lijn een lengte kan hebben van ten hoogste 1,50 meter, in de feitcodes van het Openbaar Ministerie staat “kort aangelijnd”. Om discussie te voorkomen, wordt het woord “kort” toegevoegd aan de bepaling.

     

  • W.

    Artikel 2:63, lid 5 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:63 Duiven

    1. De rechthebbende op duiven is verplicht er voor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het gebod.

    3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.

    4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Artikel 2:63 Duiven

    1. De rechthebbende op duiven is verplicht er voor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het gebod.

    3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.

    4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Toelichting: het betreft een redactionele verbetering.

     

  • X.

    Artikel 2:64 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:64 Bijen

    1. Het is verboden bijen te houden:

    a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven.

    b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.

    2. Het in het eerste lid, aanhef en onder a gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

    3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

    4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverordening Zuid-Holland 2010.

    5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

     

    Artikel 2:64 Bijen

    1. Het is verboden bijen te houden:

    a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin overdag mensen verblijven.

    b. binnen een afstand van 30 meter van de weg.

    2. Het in het eerste lid, aanhef en onder a gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

    3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

    4. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverordening Zuid-Holland 2010.

    5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Toelichting: het betreft een redactionele verbetering.

     

  • Y.

    Artikel 2:65 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:65 Bedelarij

    Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de openbare weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

    Artikel 2:65 Bedelarij

    Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.

     

    Toelichting: het onderhavige verbod zou ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen moeten gelden. Voor openbare plaats geldt dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”. Een voor het publiek toegankelijk gebouw, voor zover een verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats. Eigenaren/exploitanten van stadions enz. kunnen dit zelf reguleren.

     

  • Z.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 12 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

    Afdeling 9. Bestrijding van heling van goederen

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling en een ondergeschikte wijziging in de titel van de afdeling.

     

  • AA.

    Artikel 2:67, lid 4 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

    1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen:

    a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed en

    e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

    2. De burgemeester kan bepalen dat de verplichting als bedoeld in lid 1 tevens of uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden.

    3. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

    4. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

     

    Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

    1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen:

    a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed en

    e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

    2. De burgemeester kan bepalen dat de verplichting als bedoeld in lid 1 tevens of uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden.

    3. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

    4. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Toelichting: het betreft een redactionele verbetering.

     

  • BB.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 13 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 13. Consumentenvuurwerk

    Afdeling 10. Consumentenvuurwerk

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling.

     

  • CC.

    Artikel 2:72, lid 2 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.

    1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.

    2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

     

    Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.

    1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college.

    2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Toelichting: het betreft een redactionele verbetering.

     

  • DD.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 14 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 14. Drugsoverlast

    Afdeling 11. Drugsoverlast

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling.

     

  • EE.

    Het opschrift van hoofdstuk 2, afdeling 15 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

    Afdeling 12. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester

    Toelichting: dit betreft slechts een wijziging van het nummer van de afdeling alsmede een ondergeschikte wijziging in de titel van de afdeling.

     

  • FF.

    Artikel 2:79 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

    1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisadministratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

    2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    a. geluid- of geurhinder;

    b. hinder van dieren;

    c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

    Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

    1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisadministratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

    2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    a. geluid- of geurhinder;

    b. hinder van dieren;

    c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

    Toelichting: omwille van de leesbaarheid is er een komma uit het eerste lid verwijderd.

     

  • GG.

    Het opschrift van hoofdstuk 4, afdeling 1 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

    Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

    Toelichting: dit betreft slechts een ondergeschikte wijziging van de titel van de afdeling.

     

  • HH.

    Artikel 4:6 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 4:6 Overige geluidhinder

    1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.

    4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Artikel 4:6 Overige geluidhinder

    1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.

    4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Toelichting: de wijziging is van technische aard.

     

  • II.

    Artikel 4:13 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

    1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    b. bromfietsen of motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel of

    d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

    2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

    3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

    4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland.

    Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

    1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    b. bromfietsen of motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel of

    d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

    2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

    3. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

    4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland.

    Toelichting: de wijziging in de naam van het artikel is zeer gering van aard.

     

  • JJ.

    Het opschrift van hoofdstuk 5 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

    Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

    Toelichting: dit betreft slechts een ondergeschikte wijziging van het opschrift van dit hoofdstuk.

     

  • KK.

    Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 1 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 1. Parkeerexcessen

    Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod

    Toelichting: dit betreft slechts een ondergeschikte wijziging van de titel van de afdeling.

     

  • LL.

    Artikel 5:2 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

    1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen of

    b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

    2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden of

    b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

    3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen verboden:

    a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

    4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

    1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen of

    b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

    2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden of

    b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

    3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen verboden:

    a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

    4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Toelichting: het betreft een verduidelijking van het vijfde lid van dit artikel.

     

  • MM.

    Artikel 5:3 wordt gewijzigd als volgt:

     

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

    1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

    1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

    Toelichting: het betreft een verduidelijking van het derde lid van dit artikel.

     

  • NN.

    Artikel 5:6 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen

    1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;

    b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

    3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverordening Zuid-Holland 2010 of de Verordening Bescherming Landschap en Natuur.

    4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen

    1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben;

    b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

    3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverordening Zuid-Holland 2010 of de Verordening Bescherming Landschap en Natuur.

    4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Toelichting: het betreft een verduidelijking van het vierde lid van het artikel.

     

  • OO.

    Artikel 5:7 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:7 Reclamevoertuigen

    1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Artikel 5:7 Reclamevoertuigen

    1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.

    2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

    3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Toelichting: het betreft een verduidelijking van het derde lid van het artikel.

     

  • PP.

    Artikel 5:8 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:8 Grote voertuigen

    1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

    2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

    3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

    4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

    5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

    6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Artikel 5:8 Grote voertuigen

    1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

    2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

    3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

    4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

    5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.

    6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Toelichting: het betreft een verduidelijking van het zesde lid van dit artikel.

     

  • QQ.

    Artikel 5:14 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:14 Definitie

    1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

    2. Onder venten wordt niet verstaan:

    a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet of artikel 5:22

    c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

    Artikel 5:14 Definitie

    1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

    2. Onder venten wordt niet verstaan:

    a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet of artikel 5:22

    c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

    Toelichting: het betreft een correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet.

     

  • RR.

    Artikel 5:15, lid 4 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:15 Ventverbod

    1. Het is verboden op of aan het strand te venten.

    2. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

    3. Het is verboden te venten op zondagen en maandagen t/m zaterdag tussen 18.00 en 08.00 uur.

    4. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

    Artikel 5:15 Ventverbod

    1. Het is verboden op of aan het strand te venten.

    2. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

    3. Het is verboden te venten op zondagen en maandagen t/m zaterdag tussen 18.00 en 08.00 uur.

    4. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

    Toelichting: het betreft een ondergeschikte wijziging in de citeertitel van de in lid 4 aangehaalde wet.

     

  • SS.

    Artikel 5:17 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:17 Definitie

    1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

    2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet;

    b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

    Artikel 5:17 Definitie

    1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

    2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet;

    b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

    Toelichting: het betreft een correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet.

     

  • TT.

    Artikel 5:22 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:22 Definitie

    1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.

    2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan:

    a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet;

    b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

    Artikel 5:22 Definitie

    1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.

    2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan:

    a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet;

    b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

    Toelichting: het betreft een correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet.

     

  • UU.

    Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 6 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 6 Openbaar water

    Afdeling 6 Openbaar water en waterstaatswerken

    Toelichting: dit betreft slechts een ondergeschikte wijziging van het opschrift van de afdeling.

     

  • VV.

    Artikel 5:25 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen

    1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

    2. Het college kan van het in lid 1 bepaalde ontheffing verlenen.

    3. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

    b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

    4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.

    5. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

    6. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

    Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen

    1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

    2. Het college kan van het in lid 1 bepaalde ontheffing verlenen.

    3. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

    b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

    4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Vaarwegenverordening Zuid-Holland.

    5. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

    6. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

    Toelichting: verduidelijkt wordt dat het gaat om het uiterlijk aanzien van de gemeente.

     

  • WW.

    Artikel 5:32 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:32 Crossterreinen

    1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

    2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    a. het voorkomen of beperken van overlast;

    b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

    3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

    Artikel 5:32 Crossterreinen

    1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

    2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    a. het voorkomen of beperken van overlast;

    b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

    3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

    Toelichting: er zijn gemeenten met een terrein (in het buitengebied) waar incidenteel een paar uurtjes gecrost wordt met brommers. Het crossen is puur recreatief, dus niet ter voorbereiding op wedstrijden. Om hiertegen te kunnen optreden bij (geluids)overlast wordt het crossen buiten wedstrijdverband aan het eerste lid toegevoegd. Daarnaast is er sprake van een ondergeschikte actualisering van de namen van enkele formele wetten.

     

  • XX.

    Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 8 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 8 Verbod vuur te stoken

    Afdeling 8 Vuurverbod

    Toelichting: dit betreft slechts een ondergeschikte wijziging van het opschrift van de afdeling.

     

  • YY.

    Het opschrift van hoofdstuk 5, afdeling 9 wordt als volgt gewijzigd:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Afdeling 9 Verstrooiing van as

    Afdeling 9 Asverstrooiing

    Toelichting: dit betreft slechts een ondergeschikte wijziging van het opschrift van de afdeling.

     

  • ZZ.

    Artikel 5:36 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 5:36 Verboden plaatsen

    1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    a. verharde delen van de weg;

    b. het strand tussen paal 88.250 en paal 86.000 en de zee nabij de kust tussen deze palen.

    2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asvertrooiing plaatsvindt.

    3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid.

    4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Artikel 5:36 Verboden plaatsen

    1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    a. verharde delen van de weg;

    b. het strand tussen paal 88.250 en paal 86.000 en de zee nabij de kust tussen deze palen.

    2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asvertrooiing plaatsvindt.

    3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid.

    4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

    Toelichting: het betreft een redactionele verbetering van het vierde lid van dit artikel.

     

  • AAA.

    Artikel 6:1 wordt gewijzigd als volgt:

    Bestaande tekst

    Nieuwe tekst

    Artikel 6:1 Sanctiebepaling

    1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de in deze verordening opgenomen artikelen, behoudens het bepaalde in artikel 2:10, vijfde juncto eerste lid, artikel 2:11, artikel 2:12 en artikel 4:11 en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

    2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde juncto eerste lid, 2:11, 2:12 en 4:11.

    3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsrisico’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid van de Wet veiligheidsrisico’s.

    Artikel 6:1 Sanctiebepaling

    1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de in deze verordening opgenomen artikelen, behoudens het bepaalde in artikel 2:10, vijfde juncto eerste lid, artikel 2:11, artikel 2:12 en artikel 4:11 en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

    2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit en artikel 4:11, tweede lid.

    3. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid van de Wet veiligheidsrisico’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid van de Wet veiligheidsrisico’s.

    Toelichting: het betreft een redactionele verbetering van de tekst.

Naar boven