Gemeenteblad van 's-Hertogenbosch

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
's-HertogenboschGemeenteblad 2021, 79291Verordeningen



Verordening bomen, water en groen ’s-Hertogenbosch 2021

Behorende bij de Visie ’s-Hertogenbosch groen en klimaatbestendig

 

De gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch in zijn openbare vergadering van 9 maart 2021;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 26 januari 2021, registratienummer 10714347;

gelet op de Gemeentewet, de Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer;

besluit vast te stellen de Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Afdeling 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

De bijlage bij deze verordening bevat begrippen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

Afdeling 1.2 Toepassingsbereik

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

Deze verordening geeft regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving specifiek wat betreft het vellen van beschermde houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater en het verplicht realiseren van groen in het geval van verhardingstoename.

Hoofstuk 2 Doelen

Artikel 2.1 Doelen van de verordening

  • 1.

    Het doel van deze verordening is het stellen van regels over houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater en het verplicht realiseren van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken en bepaalde houtopstanden te beschermen.

  • 2.

    Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels:

    • a.

      het beschermen van de veiligheid;

    • b.

      het beschermen van de gezondheid;

    • c.

      het beschermen van het milieu;

    • d.

      het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;

    • e.

      het behoud van het cultureel erfgoed;

    • f.

      het beschermen van de biodiversiteit;

    • g.

      het beheer van watersystemen;

    • h.

      het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • i.

      het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen;

    • j.

      het beheer van natuurlijke hulpbronnen;

    • k.

      het beheer van natuurgebieden;

    • l.

      de instandhouding van beschermde houtopstanden.

Hoofdstuk 3 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Afdeling 3.1 Algemene bepalingen

Artikel 3.1 Bevoegdheid college wijzigingen aanwijzingen

Het college is bevoegd de in dit hoofdstuk weergegeven aanwijzingen, zoals opgenomen op de in bijlage 2 en bijlage 3 bij deze Verordening opgenomen Bomenkaart en Groenkaart te wijzigen.

Afdeling 3.2 Aanwijzingen voor het vellen van houtopstanden

Artikel 3.2 Aanwijzing monumentale houtopstanden

De beschermde monumentale houtopstanden zijn aangewezen als ‘monumentale houtopstanden’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.

Artikel 3.3 Aanwijzing waardevolle houtopstanden

De beschermde waardevolle houtopstanden zijn aangewezen als ‘waardevolle houtopstanden’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.

Artikel 3.4 Aanwijzing houtopstanden binnen Structuren

De Structuren zijn aangewezen als ‘Structuren’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.

Artikel 3.5 Aanwijzing houtopstanden binnen Sfeervlakken

De Sfeervlakken zijn aangewezen als ‘Sfeervlakken’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening.

Artikel 3.6 Aanwijzing begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming

De begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming is aangewezen als ‘begrenzing bebouwde kom’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening. Binnen deze begrenzing zijn de regels over houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing.

Afdeling 3.3 Aanwijzingen gebieden voor het verplicht realiseren van groen

Artikel 3.7 Aanwijzing gebieden groennorm

De gebieden voor het verplicht realiseren van groen in het geval van verhardingstoename en waarvoor een groennorm geldt zijn aangewezen op de Groenkaart, zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze Verordening.

Hoofdstuk 4 Regels voor activiteiten

Afdeling 4.1 inleidende bepalingen

Artikel 4.1 Op wie van toepassing

Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald.

Artikel 4.2 Algemene aanvraagvereisten vergunning of verzoek om ontheffing

Een aanvraag voor een vergunning of een verzoek om ontheffing en de daarbij behorende gegevens en bescheiden worden ingediend bij het college via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier.

Artikel 4.3 Algemene weigeringsgronden

  • 1.

    Het college weigert een vergunning of ontheffing in ieder geval indien de activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling.

  • 2.

    Het college kan een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren als:

    • a.

      dat naar hun oordeel nodig is in het belang van de doelen van deze verordening, zoals opgenomen in artikel 2.1, lid 2.

    • b.

      niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gestelde vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen.

Afdeling 4.2 het vellen van beschermde houtopstanden

Artikel 4.4 Toepassing en doel van deze afdeling

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het vellen, doen vellen of laten vellen van beschermde houtopstanden.

  • 2.

    Het doel van de regels in deze afdeling over het vellen van beschermde houtopstanden is het behouden en beschermen van monumentale houtopstanden, waardevolle houtopstanden, beschermde houtopstanden gelegen binnen Structuren en beschermde houtopstanden gelegen binnen Sfeervlakken.

Artikel 4.5 Vergunningplicht monumentale en waardevolle houtopstanden

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college op de Bomenkaart aangewezen monumentale houtopstanden of waardevolle houtopstanden te vellen, te doen vellen of te laten vellen.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan houtopstanden met achterstallig onderhoud;

    • e.

      het vellen van houtopstanden op openbaar terrein in eigendom van de gemeente, wanneer dat gebeurt ter vervanging van beplanting die verloren is gegaan of dreigt te gaan.

Artikel 4.6 Vergunningplicht houtopstanden binnen Structuren en Sfeervlakken

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college de volgende houtopstanden te vellen, te doen vellen of te laten vellen:

    • a.

      in Structuren staande houtopstanden met een minimale stamomtrek van 0,35 meter gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld;

    • b.

      in Sfeervlakken staand houtopstanden met een minimale stamomtrek van 1 meter gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de volgende houtopstanden:

    • a.

      houtopstanden die ook zijn aangewezen als monumentale of waardevolle houtopstanden, waarvoor op grond van artikel 4.5 van deze verordening al een vergunningplicht geldt;

    • b.

      in Sfeervlakken staande houtopstanden, indien deze zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Deze uitzondering geldt niet voor:

      • 1.

        houtopstanden die staan in erven en tuinen;

      • 2.

        houtopstanden die een zelfstandige eenheid vormen van minder dan 10 are;

      • 3.

        houtopstanden die bestaan uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen gerekend over het totaal aantal rijen.

    • c.

      fruitbomen en windschermen om boomgaarden, behoudens het vellen van hoogstambomen;

    • d.

      fijnsparren, niet ouder dan 20 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    • e.

      kweekgoed;

    • f.

      uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:

      • 1.

        ten minste eens per 10 jaar worden geoogst;

      • 2.

        bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantings-eenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter, en zijn aangelegd na 1 januari 2013.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan houtopstanden met achterstallig onderhoud;

    • e.

      dunning;

    • f.

      het vellen van in Sfeervlakken staande houtopstanden in eigendom van de gemeente;

    • g.

      houtopstanden waar voor het vellen ook een omgevingsvergunning nodig is voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of voor het uitvoeren van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheers-verordening, exploitatieplan, omgevingsplan of voorbereidingsbesluit is bepaald;

    • h.

      het vellen van houtopstanden op openbaar terrein in eigendom van de gemeente, wanneer dat gebeurt ter vervanging van een houtopstand die verloren is gegaan of dreigt te gaan.

Artikel 4.7 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

  • 1.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een aanduiding van de te vellen houtopstand op een kaart, foto of tekening;

    • b.

      de redenen voor het vellen van de houtopstand;

    • c.

      beantwoording van de vraag of en zo ja op welke wijze het vrijkomende hout van de te vellen houtopstand duurzaam wordt hergebruikt;

    • d.

      de mogelijkheid tot herbeplanten, en als het voornemen tot herbeplanten bestaat, de locatie daarvan, het aantal en de soorten.

  • 2.

    Het college kan verplichten dat bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een Bomeneffectanalyse wordt overgelegd.

Artikel 4.8 Beoordelingsregels omgevingsvergunning monumentale houtopstanden

Een omgevingsvergunning voor het vellen van een monumentale houtopstand wordt door het college alleen verleend indien alternatieven voor behoud zijn onderzocht en:

  • a.

    indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding van de monumentale houtopstand niet langer verantwoord is ter voorkoming van door tak- of stambreuk veroorzaakt letsel of schade, ter voorkoming van onrechtmatige hinder of dat de houtopstand aan vervanging toe is, of

  • b.

    een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale houtopstand of de levensverwachting van de monumentale houtopstand minder dan 5 jaar is.

Artikel 4.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning waardevolle houtopstanden

Een omgevingsvergunning voor het vellen van een waardevolle houtopstand wordt door het college alleen verleend indien alternatieven voor behoud zijn onderzocht en:

  • a.

    indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding van de waardevolle houtopstand niet langer verantwoord is ter voorkoming van door tak- of stambreuk veroorzaakt letsel of schade, ter voorkoming van onrechtmatige hinder of dat de houtopstand aan vervanging toe is, of

  • b.

    een algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de waardevolle houtopstand of een zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard opweegt tegen duurzaam behoud van de waardevolle houtopstand of de levensverwachting van de waardevolle houtopstand minder dan 5 jaar is.

Artikel 4.10 Beoordelingsregels omgevingsvergunning houtopstanden binnen Structuren of Sfeervlakken

Een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden binnen Structuren of Sfeervlakken kan door het college worden geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

  • a.

    natuurwaarden van de houtopstand;

  • b.

    landschappelijke of stedenbouwkundige waarden van de houtopstand;

  • c.

    cultuurhistorische waarden van de houtopstand;

  • d.

    beeldbepalende waarden van de houtopstand;

  • e.

    dendrologische waarden van de houtopstand;

  • f.

    waarden van de houtopstand voor de leefbaarheid;

  • g.

    waarden van de houtopstand voor de bijdrage aan het klimaat en klimaatadaptie.

Artikel 4.11 Bijzondere voorschriften omgevingsvergunning vellen van houtopstanden

  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. In het betreffende voorschrift wordt bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 2.

    Indien het ter plaatse niet mogelijk is om te herplanten kan aan een omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage dient te worden gestort in het Bomenfonds. De geldelijke bijdrage kan worden vastgesteld op grond van de boomwaarde of de vervangingswaarde.

  • 3.

    Aan een omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere vergunningen of toestemmingen zijn verleend of ruimtelijke plannen zijn vastgesteld en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

Artikel 4.12 Bijzondere intrekkingsgrond omgevingsvergunning vellen houtopstanden

Het college kan een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand in ieder geval intrekken indien binnen een termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning daarvan geen gebruik is gemaakt.

Afdeling 4.3 Het lozen van grondwater en hemelwater

Artikel 4.13 Toepassing en doel van deze afdeling

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op alle lozingen van grondwater op de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening en het lozen van hemelwater voor de handelingen waarvoor in artikel 4.15 een verbod is opgenomen.

  • 2.

    Het doel van de regels in deze afdeling over het lozen van grondwater en hemelwater is het voorkomen van overlast door hevige neerslag en het tegengaan van verdroging als gevolg van klimaatverandering.

Artikel 4.14 Verbod op het lozen van grondwater

  • 1.

    Het is verboden grondwater te lozen op de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening.

  • 2.

    Het college kan als beheerder ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van lozen van het grondwater kan worden gevergd.

Artikel 4.15 Verbod op het lozen van hemelwater

  • 1.

    Het is verboden om bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein.

  • 2.

    De perceeleigenaar heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarvoor geldt dat:

    • a.

      bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m² of meer, de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 60 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken;

    • b.

      bij het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van minder dan 500 m², de te realiseren hemelwatervoorziening minimaal 10 mm per m² toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken.

  • Deze verplichting geldt niet indien voor de betreffende oppervlakte aan nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding, een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van 25 mm per m².

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid geldt dat indien een perceel is aangesloten op drukriolering de eigenaar van het betreffende perceel de verplichting heeft het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken.

  • 4.

    Indien voor het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding een vergunning voor een andere activiteit is benodigd, worden bij de aanvraag voor die vergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een berekening van de wateropgave;

    • b.

      een situatietekening van de hemelwatervoorziening.

  • 5.

    De hiervoor bedoelde hemelwatervoorziening dient uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe verharding of vernieuwde bestaande verharding gerealiseerd te zijn. Aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van het college als beheerder te worden uitgevoerd.

Artikel 4.16 Ontheffing verbod op het lozen van hemelwater

  • 1.

    Het college kan als beheerder op aanvraag ontheffing verlenen van de verboden en verplichtingen als bedoeld in artikel 4.15, indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de perceeleigenaar een overzicht van de redenen waarom niet aan artikel 4.15 kan worden voldaan.

  • 3.

    Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage, indien op het eigen perceel niet kan worden voldaan aan de minimale bergingseis voor hemelwater.

Artikel 4.17 Kwaliteit te lozen hemelwater

Het is verboden het afstromende hemelwater als bedoeld in artikel 4.15 te verontreinigen door het afspoelen of uitlogen van gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen.

Artikel 4.18 Afstemming met regels andere overheden

Indien regelgeving van andere overheden strengere eisen stelt aan het lozen van hemelwater en grondwater dan gelden de regels van die overheden in plaats van de regels in deze verordening.

Afdeling 4.4 Het verplicht realiseren van groen

Artikel 4.19 Toepassing en doel van deze afdeling

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het verplicht realiseren van groen in geval van het realiseren van nieuwe verharding, waarvoor in artikel 4.20 een verbod is opgenomen.

  • 2.

    Het doel van de regels in deze afdeling over het verplicht realiseren van groen is het komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene leefomgeving.

Artikel 4.20 Groennorm

  • 1.

    Het is verboden meer dan 500 m2 nieuwe verharding te realiseren zonder daarbij te voldoen aan de groennorm die geldt voor een bepaald gebied, zoals opgenomen op de Groenkaart in bijlage 3 van deze Verordening, en te voldoen aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen in bijlage 4b van deze Verordening.

  • 2.

    De groennorm wordt ingevuld aan de hand van de kwantitatieve groenscore, zoals opgenomen in bijlage 4a van deze Verordening. De kwalitatieve biodiversiteitsscore wordt bepaald aan de hand van bijlage 4b van deze Verordening.

  • 3.

    Het college is bevoegd de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen op de in bijlage 4a en bijlage 4b bij deze Verordening te wijzigen.

Artikel 4.21 Ontheffing groennorm

  • 1.

    Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in artikel 4.20 indien redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de groennorm of de minimaal te behalen kwalitatieve biodiversiteitscore.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een ontheffing geeft de aanvrager een overzicht van de redenen waarom niet aan de groennorm of de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore kan worden voldaan.

  • 3.

    Aan de te verlenen ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage.

 

Hoofdstuk 5 beheer en onderhoud

Afdeling 5.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen

Artikel 5.1 Instandhoudingsplicht beschermde houtopstanden

Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is als bedoeld in afdeling 4.2 in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

  • a.

    overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

  • b.

    een Bomeneffectanalyse op te stellen en aan te bieden aan het college.

Artikel 5.2 Herplantplicht beschermde houtopstanden

  • 1.

    Indien een beschermde houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is als bedoeld in afdeling 4.2 zonder omgevingsvergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door hen te stellen termijn. Daarbij wordt eveneens bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 2.

    De verplichting als bedoeld in het eerste lid kan worden opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is.

  • 3.

    Indien het ter plaatse niet mogelijk is om te herplanten kan het college verplichten dat een geldelijke bijdrage dient te worden gestort in het Bomenfonds. De geldelijke bijdrage kan worden vastgesteld op grond van de boomwaarde of de vervangingswaarde.

  • 4.

    Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 5.3 Onderhoud, beheer en instandhouding hemelwatervoorziening

  • 1.

    De eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van zijn hemelwatervoorzieningen.

  • 2.

    Het is verboden een gerealiseerde hemelwatervoorziening te verwijderen, onvoldoende te beheren of onderhouden.

  • 3.

    Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing in geval een hemelwatervoorziening wordt veranderd of vervangen, mits het totale bergend vermogen van de hemelwatervoorziening niet afneemt en de kwaliteit van de voorziening beter of vergelijkbaar is.

Artikel 5.4 Onderhoud, beheer en instandhouding groenmaatregelen

  • 1.

    De eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van maatregelen ter invulling van de groennorm en de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore, als bedoeld in artikel 4.20 van deze Verordening.

  • 2.

    Het is verboden gerealiseerde maatregelen ter invulling van de groennorm en de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore te verwijderen, onvoldoende te beheren of onderhouden.

  • 3.

    Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing in geval een maatregel wordt veranderd of vervangen, mits de kwaliteit van de verandering beter of vergelijkbaar is.

Afdeling 5.2 overige bepalingen houtachtigen

Artikel 5.5 Bestrijding van boomziekten

  • 1.

    Indien zich op een terrein één of meer houtachtigen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      de houtachtige te vellen;

    • b.

      conform de richtlijnen van het college de gevelde houtachtige direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2.

    Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een grondslag voor het opleggen van een last onder bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van de aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

  • 3.

    Het is verboden zonder vergunning van het college de gevelde houtachtige of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een soort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

Artikel 5.6 Bescherming gemeentelijke houtachtigen

Het is verboden om houtachtigen, die eigendom van de gemeente ‘s-Hertogenbosch zijn, te beschadigen, te bekladden, te vellen of te beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of in opdracht van ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.

Artikel 5.7 Afstand tot de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

 

Hoofdstuk 6 Procesregels

Artikel 6.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De artikelen 6.2 tot en met 6.4 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 6.2 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag om ontheffing, tenzij in een andere wettelijke regeling een andere beslistermijn is gesteld of afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is verklaard.

  • 2.

    Het college kan de beslistermijnen eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Dit besluit wordt bekendgemaakt binnen de beslistermijn.

  • 3.

    Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking deelt het college het besluit mee op dezelfde wijze als is kennisgenomen van de aanvraag.

Artikel 6.3 Voorschriften

  • 1.

    Het college kan aan een omgevingsvergunning of ontheffing voorschriften verbinden.

  • 2.

    Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 6.4 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden

Het college kan de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien:

  • a.

    de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • b.

    veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten;

  • c.

    de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften niet zijn of worden nageleefd;

  • d.

    de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd;

  • e.

    van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  • f.

    de vergunninghouder dit verzoekt.

 

Hoofdstuk 7 handhaving

Afdeling 7.1 Strafbaarstelling

Artikel 7.1 Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften wordt, voor zover niet al bij of krachtens de wet strafbaar gesteld, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. Ook kan overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

Afdeling 7.2 Toezicht en handhaving

Artikel 7.2 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

  • a.

    de ambtenaren aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering;

  • b.

    de toezichthouders WABO van de afdeling Vergunningverlening Toezicht en Handhaving;

  • c.

    de medewerkers van de afdeling Stadstoezicht die zijn belast met toezicht en handhaving openbare ruimte;

  • d.

    de andere bij besluit van het college aangewezen personen of groep van personen.

 

Hoofdstuk 8 overgangsrecht

Artikel 8.1 Overgangsbepaling

  • 1.

    Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of een verzoek om ontheffing op grond van een verordening bedoeld in artikel 9.1 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag of verzoek is beslist, worden daarop de bepalingen van de verordeningen bedoeld in artikel 9.1 toegepast.

  • 2.

    Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 9.2 is ingekomen binnen de voordien geldende bezwaar- en beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordeningen bedoeld in artikel 9.1.

  • 3.

    Vergunningen of ontheffingen verleend op grond van de verordeningen bedoeld in artikel 9.1 gelden als vergunningen of ontheffingen op grond van deze verordening.

 

Hoofdstuk 9 slotbepalingen

Artikel 9.1 Intrekking bestaande verordeningen

De Bomenverordening ’s-Hertogenbosch 2010 en de Verordening hemelwater en grondwater ’s-Hertogenbosch 2017 worden, tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze verordening, ingetrokken.

Artikel 9.2 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 9.3 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening Bomen, Water en Groen ’sHertogenbosch 2021.

 

 

Bijlage 1: Begripsbepalingen

 

Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

Het vellen van beschermde houtopstanden & overige bepalingen houtachtigen

bebouwde kom: bebouwde kom vastgesteld in het kader van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming;

beschermde houtopstand: houtopstanden die als zodanig zijn aangewezen op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening en voor het vellen op grond van deze verordening een vergunningplicht geldt;

bomeneffectanalyse : een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een bestaande houtopstand;

Bomenfonds: gemeentelijke voorziening ter financiering van herplant van houtopstand;

boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente Richtlijn van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch;

dendrologische waarde: deze waarde houdt verband met de botanische waarde van bomen, heesters en in het algemeen houtachtige planten;

dunning : het vellen uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van na dunning overblijvende houtopstand;

hakhout: één of meer houtopstanden, vanuit landschappelijk of cultuurhistorisch oogpunt aangeplant als hakhout, die na periodiek terugkerend vellen, opnieuw op de stronk uitlopen;

herplant : in het kader van deze verordening of op grond van andere wettelijke voorschriften herplanten van houtopstand;

houtachtige: een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas;

houtopstand: één of meer bomen of hakhout;

kandelaberen: het tot op de hoofdtakken snoeien van de houtopstand;

knotten: het afzagen van de kroon van de houtopstand;

maaiveld: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse;

monumentale houtopstand: beschermde houtopstand die als zodanig is aangewezen op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze verordening;

sfeervlak: de op de Bomenkaart aangewezen sfeervlakken, waarin beschermde houtopstanden aanwezig zijn.

structuren: de op de Bomenkaart aangewezen structuren, waarin beschermde houtopstanden aanwezig zijn.

vellen: vellen, doen vellen of laten vellen. Dit is rooien, kappen, of verplanten of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume of het wortelgestel, met inbegrip van voor de eerste keer kandelaberen of knotten. Dit is ook het verrichten van handelingen, zowel boven als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

vervangingswaarde: de kosten die gemaakt moeten worden om het bevoegd gezag voorgeschreven vervangende groen te realiseren.

 

Het lozen van hemelwater en grondwater

beheerder: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch;

bestaande verharding: verharding die is aangelegd voor de inwerkingtreding van deze verordening;

bouwwerken: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

drukriolering: systeem van leidingen waarbij (afval)water wordt verpompt;

eigen perceel: het perceel waarop een verandering van het verharde oppervlak plaatsvindt;

gemengd riool: een riool bedoeld voor de afvoer van zowel afval- als hemelwater;

groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak, die een bepaalde waterbergende capaciteit beschikt;

grondwater: water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of ondergrond staat;

hemelwatervoorziening: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

infiltratie: het proces waarbij hemelwater wegzakt in de bodem;

lozen: het zich ontdoen van afstromend hemelwater of grondwater;

nieuwe verharding: verharding, niet van tijdelijke aard, die wordt aangelegd na de inwerkingtreding van deze verordening en wat leidt tot toename van het verhard oppervlak;

perceeleigenaar: degene op wiens perceel het hemelwater valt of onder wiens perceel zich het grondwater bevindt;

riolering: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

verhard oppervlak: oppervlakte voorzien van verharding;

verharding: wegen, bestrating, daken en overige bouwwerken die de infiltratie van hemelwater ter plaatse belemmeren;

vernieuwen: het vervangen of wijzigen van bestaande verharding.

 

Het realiseren van groen

bouwwerken: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Hertogenbosch;

nieuwe verharding: verharding, niet van tijdelijke aard, die wordt aangelegd na de inwerkingtreding van deze verordening en wat leidt tot toename van het verhard oppervlak;

verharding: wegen, bestrating, daken en overige bouwwerken.

 

Bijlage 2 Bomenkaart

 

Bijlage 3 Groenkaart

 

Bijlage 4a: Kwantitatieve groenscore

 

Bijlage 4b: Kwalitatieve biodiversiteitscore

 

Toelichting bij de “Verordening Bomen, Water en Groen ’s-Hertogenbosch 2021

 

Algemene toelichting

Deze verordening bestaat uit een drietal onderdelen, namelijk bomen, water en groen en behoort bij de visie ’s-Hertogenbosch Groen en Klimaatbestendig. In de verordening worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden (bomen), het lozen van hemelwater en grondwater en het realiseren van groen. Het doel van het stellen van de regels in deze verordening is het beperken van de gevolgen van klimaatverandering. Door de gevolgen van klimaatverandering wordt de gemeente ’sHertogenbosch namelijk kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Verder is sprake van achteruitgang van de biodiversiteit. Ook is het doel van het stellen van de regels in deze verordening het beschermen van bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn. Met de regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en wordt een meer groene en blauwe inrichting van de stad, wijken en dorpen juridisch ook geborgd.

Wat betreft het onderdeel bomen (houtopstanden) is aangesloten bij het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen dragen bij aan een betere wateropvang, leveren schaduw, een hogere luchtvochtigheid en dragen daarmee bij aan verkoeling. Ook dragen bomen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving en zijn bepaalde houtopstanden waardevol voor onze leefomgeving. Daarom zijn in deze verordening regels opgenomen om bepaalde categorieën houtopstanden te beschermen. Voor deze categorieën houtopstanden geldt onder meer een vergunningplicht. Zonder een vergunning mogen deze houtopstanden niet worden geveld.

Wat betreft het onderdeel water zijn in deze verordening regels opgenomen voor het lozen van grondwater en hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen door extreme neerslag toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het onder meer van belang dat voldoende waterberging op eigen terrein wordt gerealiseerd. Daarom is in deze verordening onder meer de verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te verwerken, waarbij een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit moet worden gerealiseerd.

Wat betreft het onderdeel groen is in deze verordening per gebied een groennorm vastgelegd. Groen biedt een oplossing voor het extremer weer: het zorgt voor verkoeling door betere wateropvang en het leveren van schaduw en een hogere luchtvochtigheid. Ook draagt groen bij aan een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Het doel van het opnemen van een groennorm in deze verordening is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene omgeving.

Voor de opbouw en structuur van de verordening is zoveel mogelijk vooruitgelopen op de Omgevingswet. Uiteindelijk worden de regels uit deze verordening namelijk verwerkt in het omgevingsplan. Dit samen met de regels van bestemmingsplannen, andere gemeentelijke verordeningen en diverse gedecentraliseerde rijksregels (bruidsschat) die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarom is voor de opbouw en structuur al zoveel mogelijk aangesloten bij het Casco omgevingsplan van de VNG en is de benadering activiteitgericht.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Voor de leesbaarheid is ervoor gekozen om de begrippen niet in de verordening zelf op te nemen, maar in een bijlage bij de verordening. In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar deze bijlage.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik

In dit artikel wordt het toepassingsbereik van deze verordening bepaald. In deze verordening zijn regels opgenomen over activiteiten in de fysieke leefomgeving specifiek wat betreft het vellen van houtopstanden, het lozen van grondwater en hemelwater en het verplicht realiseren van groen in geval van verhardingstoename.

 

Hoofdstuk 2 Doelen

Artikel 2.1 Doelen van de verordening

Lid 1

Dit lid geeft het algemene doel van deze verordening. Het doel van deze verordening is het stellen van regels over houtopstanden, het lozen van hemelwater en grondwater en het verplicht realiseren van groen in geval van verhardingstoename. Door de gevolgen van klimaatverandering, waaronder het extremer wordend weer, wordt de gemeente ’s-Hertogenbosch kwetsbaar voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. Door het stellen van regels in deze verordening kunnen de gevolgen van klimaatverandering beter worden opgevangen en worden bepaalde categorieën houtopstanden, die voor de gemeente van belang zijn, beschermd.

Lid 2

Dit lid geeft de overkoepelende doelen van de regels in deze verordening aan. Daarvoor is aangesloten bij artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet aangevuld met het doel “instandhouding van beschermde houtopstanden”.

 

Hoofdstuk 3 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Afdeling 3.1 Inleidende bepalingen

Artikel 3.1 Bevoegdheid college wijzigingen aanwijzingen

In hoofdstuk 3 van de verordening zijn regels opgenomen die strekken tot het aanwijzen van onderdelen van de fysieke leefomgeving, voor zover deze van belang zijn voor het bepalen van het toepassingsbereik van andere delen van deze verordening. De aanwijzingen zelf zijn te vinden op de Bomenkaart en de Groenkaart, zoals opgenomen op de Bomenkaart (bijlage 2) en de Groenkaart (bijlage 3) bij de verordening. De regels over de aanwijzingen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de verordening. De aanwijzingen komen ambtelijk tot stand.

Het doel van de aanwijzingen voor het vellen van houtopstanden is om een onderscheid te maken in de vier categorieën houtopstanden, die op grond van deze verordening worden beschermd. Dat zijn monumentale houtopstanden, waardevolle houtopstanden en beschermde houtopstanden binnen Structuren en beschermde houtopstanden binnen Sfeervlakken. Daarnaast is een aanwijzing opgenomen voor de begrenzing van de bebouwde kom in de Wet natuurbescherming. Het doel van de aanwijzingen van gebieden van het realiseren van groen is om op de Groenkaart een percentage voor de groennorm op te nemen.

In artikel 3.1 is de bevoegdheid opgenomen dat het college de gegeven aanwijzingen in hoofdstuk 3 van de verordening, zoals opgenomen op de Bomenkaart en de Groenkaart, kan wijzigen. Dit betekent dat bijvoorbeeld het toevoegen of verwijderen van een aanwijzing voor een monumentale houtopstand of het aanpassen van de groennorm in een bepaald gebied geen raadsbesluit vergt, maar een collegebesluit. In dit collegebesluit moet worden gemotiveerd om welke reden bijvoorbeeld een houtopstand wordt toegevoegd of verwijderd op de Bomenkaart of de groennorm op de Groenkaart wordt gewijzigd. Het is de bedoeling om de aanwijzingen op de Bomenkaart en Groenkaart in principe iedere twee jaar te evalueren en te actualiseren.

Afdeling 3.2 Aanwijzingen voor het vellen van houtopstanden

Artikel 3.2 Aanwijzing monumentale houtopstanden

In dit artikel worden de beschermde monumentale houtopstanden op de Bomenkaart aangewezen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de verordening. Het belangrijkste criterium voor het aanwijzen van een houtopstand als monumentale houtopstand is de omvang. Bomen met een omtrek groter dan 2 meter krijgen een monumentale status als ze op minimaal één kwaliteitskenmerk uitzonderlijk scoren. Deze kwaliteitskenmerken betreffen beeldkwaliteit, cultuurhistorie, soort, groeivorm of verschijning en snoeivorm. Voor een nadere omschrijving van deze kwaliteitskenmerken wordt verwezen naar het Bomenbeleidsplan 2017. Bomen met een omtrek kleiner dan 2 meter kunnen ook een monumentale status krijgen als ze minimaal op twee kwaliteitskenmerken uitzonderlijk scoren. Ook hakhout uit hakhoutgebieden kan als monumentale houtopstand worden aangewezen. Als uitgangspunt geldt dat indien een houtopstand eenmaal is aangewezen als monumentale houtopstand de aanwijzing in principe niet meer wordt verwijderd.

Artikel 3.3 Aanwijzing waardevolle houtopstanden

In dit artikel worden de beschermde waardevolle houtopstanden op de Bomenkaart aangewezen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de verordening. Bomen met een omtrek van meer dan 2 meter en minimaal één bijzonder kwaliteitskenmerk hebben kunnen worden aangewezen als waardevolle houtopstand. Bomen met een omtrek minder dan 2 meter kunnen ook worden aangewezen als waardevolle houtopstand, indien de boom op minimaal twee kwaliteitskenmerken bijzonder scoort.

Deze kwaliteitskenmerken betreffen beeldkwaliteit, cultuurhistorie, soort, groeivorm of verschijning en snoeivorm. Voor een nadere omschrijving van deze kwaliteitskenmerken wordt verwezen naar het Bomenbeleidsplan 2017. Daarnaast kan een boom ook als waardevolle houtopstand worden aangewezen als deze een belangrijke meerwaarde heeft voor een ontwerp of beleving van de openbare ruimte. Ook een boom die is ingepast bij een ruimtelijke ontwikkeling of een boom die ter compensatie van een ruimtelijke ontwikkeling is aangeplant kunnen worden aangewezen als waardevolle houtopstand.

Artikel 3.4 Aanwijzing houtopstanden binnen Structuren

De Structuren zijn aangewezen als ‘Structuren’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening. Het gaat daarbij om Structuren langs hoofdwegen en andere lijnvormige Structuren door de gemeente die de eerste indruk vormen voor bezoekers van de stad, het meest intensief worden gebruikt door de eigen bewoners en in de huidige situatie en waardevolle (oude) Structuur vormen. Op de Bomenkaart zijn Structuren aangewezen die van waarde zijn door hun locatie, waaronder bijvoorbeeld de binnenstad. Het wensbeeld van Structuren is een solide raamwerk van houtopstanden in lijnen die samen het visitekaartje van de gemeente vormen. Niet alle houtopstanden binnen de aanwijzing ‘Structuren’ zijn beschermd. Welke houtopstanden binnen de Structuren beschermd zijn volgt uit afdeling 4.2 van de verordening. Voor een nadere omschrijving van de Structuren wordt verwezen naar het Bomenbeleidsplan 2017.

Artikel 3.5 Aanwijzing houtopstanden binnen Sfeervlakken

De Sfeervlakken zijn aangewezen als ‘Sfeervlakken’ op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze Verordening. Sfeervlakken zijn gebieden waar houtopstanden bepalend zijn voor de beleving van het gebied. Houtopstanden binnen Sfeervlakken maken deel uit van het functionele groen en kunnen met name als inrichtingselement worden gezien. Niet alle houtopstanden binnen de aanwijzing ‘Sfeervlakken’ zijn beschermd. Welke houtopstanden binnen de Sfeervlakken zijn beschermd volgt uit afdeling 4.2 van de verordening. Voor een nadere omschrijving van de Sfeervlakken wordt verwezen naar het Bomenbeleidsplan 2017.

Artikel 3.6 Aanwijzing begrenzing bebouwde kom Wet natuurbescherming

In dit artikel wordt de begrenzing van de bebouwde kom aangewezen, als bedoeld in artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming. Deze begrenzing is overeenkomstig de in het Bomenbeleidsplan 2017 opgenomen begrenzing. Binnen deze begrenzing zijn de regels over houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. De Wet natuurbescherming ziet namelijk alleen op de bescherming van bepaalde categorieën houtopstanden buiten de bebouwde kom.

Afdeling 3.3 Aanwijzingen voor het realiseren van groen

Artikel 3.7 Aanwijzing gebieden groennorm

In dit artikel worden de gebieden voor het realiseren van groen en waarvoor een groennorm geldt op de Groenkaart aangewezen, zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze verordening. De groennorm is een gebiedsafhankelijke norm (percentage) en mede afhankelijk van de keuzes die ter plaatse zijn gemaakt over de dichtheid van een gebied. Zo is de groennorm dus afhankelijk van de ligging en het type bebouwing. De groennorm geldt zowel voor privaat als openbaar gebied. De groenpercentages zijn gebaseerd op onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam. In dit onderzoek, dat is uitgevoerd bij steden vergelijkbaar met ’s-Hertogenbosch, zoals bijvoorbeeld Haarlem en Breda, is voor verschillende wijktypologieën een groenpercentage bepaald. Het groenpercentage dat normaal is voor een wijktypologie hanteren we als ondergrens voor het percentage groen dat minimaal moet worden gerealiseerd. Voor de wijkindeling is aansluiting gezocht bij de wijkindeling, zoals gehanteerd door de hogeschool Amsterdam en gebruikt door de klimaateffectatlas (www.klimaateffectatlas.nl). In deze Verordening zijn de gebieden met een vergelijkbaar wijktypologie en percentage gecomprimeerd tot vijf gebiedstypes waaraan percentages zijn verbonden.

 

Het gaat om de volgende vijf gebiedstypes met bijbehorende percentages:

  • Bedrijventerreinen: 10%

De bedrijventerreinen in ‘s-Hertogenbosch bestaan vooral uit kantoren en logistieke bedrijven. Deze zijn grotendeels volgebouwd en verhard. Hoewel vergroening hier zeker een wens is, wordt vooralsnog voor bedrijventerreinen een beperkte norm van 10% gehanteerd.

  • Brede binnenstad: 15%

De historische binnenstad en de Spoorzone vormen samen de Brede Binnenstad. In beide is de bebouwingsdichtheid het hoogst. De ruimte is er schaars. Daarom wordt een beperkte norm van 15% gesteld.

  • Stedelijk woonmilieu: 35%

Het stedelijk woonmilieu bevindt zich binnen de ring en bestaat vooral uit naoorlogse woonwijken, sommigen binnen de typologie van de tuinstad, anderen in die van de bloemkoolwijken. De groennorm in deze woonwijken is 35%.

  • Groenstedelijk woonmilieu: 40%

De groen-stedelijke woonmilieus bevinden zich buiten de ring en omvatten de bebouwing van Rosmalen en de nieuwbouwwijken sinds de jaren ’90. Hier is de groennorm wat hoger dan in de wijken binnen de ring, namelijk 40%.

  • Dorpse en landelijke woonmilieus: 40%

De dorpen binnen de gemeente (Bokhoven, Engelen/Haverleij, Empel, Vinkel en Nuland) bieden een landelijk woonmilieu. Ook hier is de groennorm 40%.

  • Buitengebied: 50%

Het buitengebied functioneert als een groenblauwe eenheid ten opzichte van de stad. Landschappelijke inpassing is onderdeel van de ontwikkeling van een (stedelijke) functie. Dit is maatwerk. Om het groene karakter van het buitengebied te waarborgen wordt een norm van 50% gesteld.

 

Hoofdstuk 4 Regels voor activiteiten

Afdeling 4.1 Inleidende bepalingen

Artikel 4.1 Op wie van toepassing

In dit artikel is bepaald op wie hoofdstuk 4 van toepassing is (normadressaat). Dit betreft degene die de betrokken activiteit, bijvoorbeeld het vellen van een beschermde houtopstand, verricht of laat verrichten.

Artikel 4.2 Algemene aanvraagvereisten vergunning of verzoek om ontheffing

Dit artikel bepaalt de procedure voor de indiening van een aanvraag voor een vergunning of een verzoek om een ontheffing. Daarvoor wordt gebruikt gemaakt van de vastgestelde procedure met bijbehorende digitale formulieren. Op een aanvraag of verzoek zijn de regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Indien een aanvraag op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt gedaan wordt deze ingediend via het Omgevingsloket Online. Dit betreft bijvoorbeeld een aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand. Uit artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) volgt namelijk dat indien een gemeentelijke verordening een vergunning voor het vellen van een houtopstand vereist, voor deze activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo is vereist.

Artikel 4.3 Algemene weigeringsgronden

In dit artikel zijn algemene weigeringsgronden opgenomen. In het eerste lid is opgenomen dat het college een vergunning of ontheffing in ieder geval weigert, indien de activiteit in strijd is met deze verordening of een andere wettelijke regeling. In het tweede lid is vervolgens opgenomen dat het college een vergunning of ontheffing kan weigeren indien dat nodig is in het belang van de doelen van deze verordening of niet wordt voldaan aan de in de verordening opgenomen vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen. Naast deze algemene weigeringsgronden kunnen er voor activiteiten ook specifieke weigeringsgronden gelden. Deze specifieke weigeringsgronden zijn bij de activiteiten zelf opgenomen.

Afdeling 4.2 Het vellen van beschermde houtopstanden

Artikel 4.4 Toepassing en doel van afdeling 4.2 “het vellen van beschermde houtopstanden”

In dit artikel is het toepassingsbereik en het doel van afdeling 4.2 “het vellen van beschermde houtopstanden” opgenomen.

Lid 1

Het eerste lid bepaalt dat de afdeling van toepassing is op het vellen, doen vellen of laten vellen van beschermde houtopstanden. Wat onder het begrip vellen moet worden verstaan is uiteengezet in bijlage 1 bij de verordening. Vellen is elke wijze van het te gronde richten van een houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij snoeien, of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Ook maatregelen die een ingrijpende wijziging zijn, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan twintig procent van het kroonvolume, vallen onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip vellen.

Lid 2

In het tweede lid is toegelicht wat het doel is van deze afdeling. Het doel is het behouden en beschermen van de vier beschermde categorieën houtopstanden. Dit betreft monumentale houtopstanden, waardevolle houtopstanden, beschermde houtopstanden gelegen binnen Structuren en beschermde houtopstanden binnen Sfeervlakken. Het vellen van houtopstanden kan ook gevolgen hebben voor beschermde flora en fauna in de betreffende houtopstand. Aan de regels voor het verstoren van deze beschermde flora en fauna moet ook worden voldaan. Mogelijk dat ook een omgevingsvergunning is vereist voor deze activiteit. Deze regels zijn geregeld in de Wet natuurbescherming en na inwerkingtreding van de Omgevingswet, in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.5 Vergunningplicht monumentale en waardevolle houtopstanden .

De monumentale en waardevolle houtopstanden die in stand moeten blijven, zijn aangewezen op de Bomenkaart, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de verordening. Voor deze houtopstanden geldt een verbod om ze zonder omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk te vellen. Dit verbod is opgenomen in het eerste lid. In het tweede lid zijn de uitzonderingen opgenomen op dit verbod. Zo geldt het verbod niet indien houtopstanden die geheel of gedeeltelijk moeten worden geveld op grond van de Plantenziektenwet. In dat geval is het vellen geboden om verdere verspreiding van ziekten te voorkomen. Ook indien het college de rechthebbende een aanschrijving heeft gestuurd kan de houtopstand zonder omgevingsvergunning worden geveld. Dat gaat bijvoorbeeld om gevallen waarin de houtopstand een acuut gevaar oplevert voor de omgeving. Ook is geen omgevingsvergunning benodigd indien sprake is van het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud of het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud. Dit geldt ook voor het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan houtopstand met achterstallig onderhoud. Bij deze drie onderdelen is het gedeeltelijk vellen gericht op het duurzame behoud van de houtopstand. Het gedeeltelijk vellen (snoeien) is namelijk nodig voor de instandhouding van de beschermde houtopstand. Overigens is de eerste keer knotten of kandelaberen wel vergunningplichtig.

Artikel 4.6 Vergunningplicht houtopstanden binnen Structuren en Sfeervlakken

Binnen de aanwijzingen ‘Structuren’ en ‘Sfeervlakken’ zijn niet alle houtopstanden beschermd. De houtopstanden die door deze verordening worden beschermd, zijn in het eerste lid van dit artikel benoemd. Binnen de aanwijzing ‘Structuren’ geldt een vergunningplicht voor een houtopstand met een minimale stamomtrek van 0,35 meter gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld. Binnen de aanwijzing ‘Structuren’ geldt een vergunningplicht voor een houtopstand met een minimale stamomtrek van 1 meter gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld. Voor deze houtopstanden geldt een verbod om ze zonder omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk te vellen. In het tweede en derde lid van dit artikel zijn de uitzonderingen op dit verbod opgenomen. Zo geldt het verbod op grond van dit artikel niet indien de houtopstanden ook zijn aangewezen als monumentale of waardevolle aangewezen houtopstand. Monumentale en waardevolle houtopstanden kunnen namelijk ook gelegen zijn binnen Structuren of Sfeervlakken. Voor de monumentale en waardevolle houtopstanden geldt dan de vergunningplicht op grond van artikel 4.5 van de verordening, waarvoor een zwaarder beschermingsregime geldt. Voor de overige in dit lid genoemde uitzonderingen is aangesloten bij artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming. De in het derde lid opgenomen uitzonderingen komen grotendeels overeen met de uitzonderingen zoals opgenomen in artikel 4.5 van de verordening: zie ook de toelichting bij dit artikel. Verder geldt het verbod niet voor velling van beschermde houtopstanden binnen de aanwijzing ‘Sfeervlakken’, indien deze houtopstanden in eigendom zijn van de gemeente. Voor deze houtopstanden wordt de afweging om wel of niet te vellen, die hetzelfde is als de afweging voor beschermde houtopstanden, gemaakt in een interne procedure. Ook geldt het verbod niet indien voor de betreffende houtopstand ook een omgevingsvergunning voor het vellen benodigd is op grond van bijvoorbeeld het bestemmingsplan. Twee vergunningprocedures voor dezelfde houtopstand wordt bij deze categorie houtopstanden niet als noodzakelijk gezien en leidt tot een onevenredige toename van de administratieve lasten. Eveneens geldt het verbod niet indien sprake is van het vellen van houtopstanden op openbaar terrein in eigendom van de gemeente, wanneer deze houtopstand verloren is gegaan of dreigt te gaan.

Artikel 4.7 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

In dit artikel zijn de bijzondere aanvraagvereisten opgenomen die gelden bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand. Zo moet iedere te vellen houtopstand worden aangeduid op een kaart, foto of tekening. Ook moeten de redenen voor het vellen van de houtopstand worden aangegeven. Deze redenen worden betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Daarbij geldt in zijn algemeenheid dat hoe groter de waarde van de houtopstand is, hoe zwaarder het belang van de aanvraag moet zijn bij het vellen van de houtopstand. Verder moet in de aanvraag worden aangegeven of en zo ja op welke wijze het vrijkomende hout van de te vellen houtopstand duurzaam wordt hergebruikt. Dit om meer inzicht te krijgen over het hergebruiken van het vrijkomend hout en of dit op een duurzame wijze plaatsvindt.

In het tweede lid van dit artikel is opgenomen dat het college kan verplichten dat bij de aanvraag een Bomeneffectanalyse wordt overgelegd. De Bomeneffectanalyse is een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur, voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling. De Bomeneffectanalyse betreft een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een bestaande houtopstand. Dit betreft bijvoorbeeld de bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen, kabels en leidingen. Houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling. Vaak is dit ongewenst en onbedoeld, omdat de gevolgen voor de bomen te laat zijn beoordeeld, waardoor ze niet ingepast zijn of (onherstelbaar) beschadigd. De Bomeneffectanalyse waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven voorafgaand aan een ruimtelijke ontwikkeling. Niet bij iedere ruimtelijke ontwikkeling wordt een Bomeneffectanalyse gevraagd. Het gaat met name om ruimtelijke ontwikkelingen, die een bedreiging vormen voor meerdere waardevolle bomen. De resultaten van de Bomeneffectanalyse kunnen dan worden meegenomen in de besluitvorming.

Artikel 4.8 Beoordelingsregels omgevingsvergunning monumentale houtopstanden

In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van een monumentale houtopstand wordt getoetst. Bij deze beoordeling is van belang dat bij een monumentale houtopstand behoud voorop staat. Monumentale houtopstanden hebben de status extreem behoudingswaardig. Uitgangspunt is dan ook dat alles in het werk wordt gesteld om deze houtopstanden zo lang mogelijk in stand te houden en te behouden. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een monumentale houtopstand wordt dan ook slechts bij uitzondering verleend. Dit is op deze wijze ook vastgelegd in de beoordelingsregels. Zo moet bij de beoordeling altijd alternatieven voor behoud van de houtopstand zijn onderzocht. Indien alternatieven niet mogelijk zijn kan de omgevingsvergunning voor het vellen van een monumentale houtopstand slechts in twee gevallen worden verleend. Ten eerste kan de omgevingsvergunning worden verleend indien sprake is van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek of indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding van de houtopstand niet langer verantwoord is. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een houtopstand in zodanige conditie is dat sprake is van gevaarzetting met een risicovolle kans op schade of letsel door tak- of stambreuk. Ten tweede kan de omgevingsvergunning bij uitzondering worden verleend als sprake is van een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang dat opweegt tegen het behoud van de monumentale houtopstand of de levensverwachting van de houtopstand minder dan 5 jaar is. Onder zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang wordt bijvoorbeeld verstaan ontwikkelingen die het niveau van de maatschappelijke voorzieningen in een gebied verhogen, ontwikkelingen die het realiseren van sociaal beleid ondersteunen of die het behoud of de ontwikkeling van kwetsbare functies of delen van de fysieke leefomgeving ondersteunen.

Artikel 4.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning waardevolle houtopstanden

In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van een waardevolle houtopstand wordt getoetst. Bij deze beoordeling is van belang dat bij een waardevolle houtopstand behoud voorop staat, net zoals bij een monumentale houtopstand. Ook bij waardevolle houtopstanden is het uitgangspunt dat alles in het werk wordt gesteld om deze houtopstanden zo lang mogelijk in stand te houden en te behouden. Een omgevingsvergunning voor het vellen van een waardevolle houtopstand wordt dan ook slechts bij uitzondering verleend. Dit is op deze wijze ook vastgelegd in de beoordelingsregels. Zo moet bij de beoordeling altijd alternatieven voor behoud van de houtopstand zijn onderzocht. Indien alternatieven niet mogelijk zijn kan de omgevingsvergunning voor het vellen van een waardevolle houtopstand slechts in twee gevallen worden verleend. Ten eerste kan de omgevingsvergunning worden verleend indien sprake is van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek of indien naar boomdeskundige maatstaven instandhouding van de houtopstand niet langer verantwoord is. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een houtopstand in zodanige conditie is dat sprake is van gevaarzetting met een risicovolle kans op schade of letsel door tak- of stambreuk. Ten tweede kan de omgevingsvergunning bij uitzondering worden verleend als sprake is van een algemeen maatschappelijk belang of een zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard dat opweegt tegen het behoud van de waardevolle houtopstand of de levensverwachting van de houtopstand minder dan 5 jaar is. In tegenstelling tot monumentale houtopstanden hoeft het bij een waardevolle houtopstand niet te gaan om een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang, maar om een algemeen belang. Daarnaast mag bij de beoordeling ook een individueel belang worden meegewogen, maar dit moet dan wel om een zwaarwegend individueel belang gaan, dat niet van tijdelijke aard is.

Artikel 4.10 Beoordelingsregels omgevingsvergunning houtopstanden binnen Structuren of Sfeervlakken

In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen waaraan een aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand binnen Structuren of Sfeervlakken wordt getoetst. Ook hiervoor geldt dat terughoudend moet worden omgegaan met het vellen van deze beschermde houtopstanden: behoud van deze houtopstanden staat voorop. Zo kan het wegvallen van houtopstanden binnen Structuren bijvoorbeeld tot een uitholling van de structuur of een verarming van het beeld. De waarde van de Structuren ligt niet alleen in de afzonderlijke bomen, maar ook in het complete ensemble dat een verzameling van Sfeerhoutopstanden vormt. Voor sfeerhoutopstanden geldt dat deze als een inrichtingselement kunnen worden gezien en van grote waarde zijn voor onder meer voor de beleving van inwoners. Ook zullen de toekomstige sfeerhoutopstanden in een later stadium ook kunnen uitgroeien tot waardevolle en monumentale houtopstanden. Tegenover het uitgangspunt van behoud van deze houtopstanden staat het belang bij het vellen van deze houtopstanden. Zo gaat het binnen Structuren vaak om een dynamische omgeving, waar regelmatig maatregelen plaatsvinden waarvoor houtopstanden moeten wijken. Verder kan het voor sfeerhoutopstanden voorkomen dat deze niet meer zijn functie vervult, ernstige overlast veroorzaakt of niet meer aan de gewenste kwaliteitseisen voldoet. Ook komt het voor dat een sfeerhoutopstand niet meer past in een gewijzigde situatie als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling of herinrichtingsplan.

Bij iedere beoordeling moet een gedegen afweging worden gemaakt tussen de waarden van de beschermde houtopstand en het belang van de aanvrager bij het vellen van de beschermde houtopstand. Dit is op deze wijze ook vastgelegd in dit artikel. Een omgevingsvergunning voor het vellen van deze beschermde houtopstand kan worden geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op grond van één of meer van de (huidige of toekomstige) waarden van een houtopstand. Het gaat daarbij om de natuurwaarden, landschappelijke of stedenbouwkundige waarden van de houtopstand. Natuurwaarden kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn indien in de houtopstand zeldzame plant- of diersoorten leven. Maar onder natuurwaarden valt ook de bijdrage van een houtopstand aan de biodiversiteit. Zo kan de houtopstand zelfstandig of in groter verband een belangrijke rol spelen voor flora en fauna. Landschappelijke waarden zijn bijvoorbeeld aan de orde bij houtopstanden die een grote rol spelen in de beleving van het landschap. Ook cultuurhistorische en de beeldbepalende waarden van de houtopstand spelen bij de afweging een rol. De beeldbepalende waarde is de waarde die een houtopstand heeft voor de visuele beleving van de omgeving. Zo zorgen beschermde houtopstanden voor verfraaiing van de omgeving en creëren rust. Een houtopstand kan zo beeldbepalend zijn dat deze door zijn leeftijd en verschijning onvervangbaar is voor het karakter van de omgeving. Ook kunnen houtopstanden cultuurhistorische waarden hebben, dat wil zeggen dat de houtopstand of de standplaats belangrijk is door zijn geschiedenis. Eveneens spelen de dendrologische waarden van de houtopstand een rol bij de afweging. Daarbij valt te denken aan de situatie dat een houtopstand van een zeldzame soort of variëteit is. Tot slot spelen de waarden van de houtopstand voor de leefbaarheid en de bijdrage aan het klimaat en klimaatadaptie een belangrijke rol bij de afweging tussen behoud en velling. Wat betreft het klimaat en klimaatadaptie valt bijvoorbeeld te denken aan de bijdrage van de houtopstand aan infiltratie, schaduwwerking, verdamping, bodemvorming en temperatuurregulatie. Voor een nadere uiteenzetting van de waarden wordt verwezen naar bijlage 1 van het Bomenbeleidsplan 2017.

Artikel 4.11 Bijzondere voorschriften omgevingsvergunning vellen van houtopstanden

In dit artikel zijn bijzondere voorschriften opgenomen, die aan een omgevingsvergunning voor het vellen van een beschermde houtopstand kunnen worden verbonden.

Lid 1

In het eerste lid is uiteengezet dat het voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn moet worden herplant. De omvang van herplant wordt zoveel mogelijk bepaald in relatie tot de waarde en omvang van te vellen houtopstand. Uiteindelijk moet herplant leiden tot een houtopstand met dezelfde waarde als de boom die is verwijderd. In het betreffende voorschrift worden de eisen uiteengezet waaraan de herplant moet worden voldoen. Dit betreft onder meer het aantal houtopstanden, de minimale maat, de soort, de aanduiding van de locatie van de herplant, de termijn waarbinnen de herplant moet plaatsvinden en terugmeldingsplicht en de instandhoudingplicht van de herplant. Voor nadere informatie over het herplanten wordt onder meer verwezen naar tabel 4 in het Bomenbeleidsplan 2017.

Lid 2

In dit lid is bepaald dat indien het niet mogelijk is om te herplanten aan een omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden dat als compensatie een geldelijke bijdrage moet worden gestort in het Bomenfonds. Het Bomenfonds is een gemeentelijke voorziening ter financiering van herplant van houtopstand. Deze geldelijke bijdrage kan worden vastgesteld op grond van de boomwaarde of de vervangingswaarde.

Lid 3

Het derde lid bepaalt dat aan een omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat het vellen van een houtopstand pas op een later moment mag plaatsvinden. Het gaat dan om velling op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie. Dit latere moment is dan als andere vergunningen of toestemmingen voor de betreffende ontwikkeling zijn verleend of ruimtelijke plannen zijn vastgesteld en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende is gewaarborgd is. Hiermee wordt voorkomen dat een ontwikkeling uiteindelijk niet kan of mag plaatsvinden en in de tussentijd wel al de houtopstanden zijn geveld, waardoor sprake is van een onherstelbare situatie.

Artikel 4.12 Bijzondere intrekkingsgrond omgevingsvergunning vellen houtopstanden

In dit artikel is voor het college een bijzondere intrekkingsgrond opgenomen voor een verleende omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand. Het college kan een dergelijke omgevingsvergunning in ieder geval intrekken indien binnen een termijn van één jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning daarvan geen gebruik is gemaakt. Deze termijn heeft te maken met onder meer het broedseizoen. Soms mag in het broedseizoen niet worden geveld bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van nesten van beschermde dierensoorten. De termijn van één jaar omvat alle seizoenen en is daarom redelijk te achten. Het gaat hier om een bevoegdheid van het college en niet om een verplichting.

Afdeling 4.3 Het lozen van grondwater en hemelwater

Artikel 4:13 Toepassing en doel van deze afdeling

In dit artikel is het toepassingsbereik en het doel van afdeling 4.3 “het lozen van grondwater en hemelwater” opgenomen.

Lid 1

Op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer heeft de gemeenteraad de bevoegdheid om, in het belang van de bescherming van het milieu, bij verordening regels stellen over het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in de riolering. Dit artikel geeft de grondslag voor het opnemen van regels voor het lozen van grondwater en hemelwater in deze verordening. Het gaat hier om een bevoegdheid, niet om een plicht. Dit betekent dat gemeenten niet verplicht zijn om regels voor het lozen van grondwater en hemelwater op de riolering te hebben. Met deze regels wordt het gemeentelijk hemelwaterbeleid verankerd.

Lid 2

Het doel van de regels in deze afdeling over het lozen van grondwater en hemelwater is het voorkomen van overlast door hevige neerslag en het tegengaan van verdroging als gevolg van klimaatverandering. Door de klimaatverandering neemt de kans op onder meer wateroverlast en overstromingen toe, maar ook de kans op langdurige periodes van droogte. Om schade aan gebouwen, infrastructuur, bomen en beplanting te voorkomen is het belangrijk om rekening te houden met deze extreme neerslag en langdurige droogte. Daarbij is het onder meer van belang dat er zowel op particulier terrein als in openbaar terrein voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Concreet doel van de regels in deze afdeling is om via een doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater bij te dragen aan een klimaatbestendige stad. Dit draagt tevens bij aan het tegengaan van verdroging.

Artikel 4.14 Verbod op het lozen van grondwater

In dit artikel is het verbod neergelegd om grondwater te lozen naar de gemeentelijke riolering of een gemeentelijke hemelwatervoorziening. Dit verbod geldt voor de gehele gemeente. Dit geldt nadrukkelijk ook voor grondwater in de vorm van spuiwater van Warmte Koude Opslag (WKO), bronneringswater en werkwater van WKO. Het is voor het college als beheerder mogelijk om ontheffing te verlenen van dit verbod, indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van lozen van het grondwater kan worden gevergd. Dit geldt dus ook voor lozing van spuiwater van WKO, bronneringswater en werkwater van WKO. Daarbij vindt in ieder geval een toetsing plaats aan de capaciteit van de riolering ter plaatse.

Artikel 4.15 Verbod op het lozen van hemelwater

Algemeen

De eigenaar van een perceel is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het verwerken van hemelwater dat op zijn terrein komt. Op grond van deze zorgplicht ligt er pas een taak voor de gemeente als de eigenaar van het perceel zich in alle redelijkheid het hemelwater kan verwerken op eigen terrein. De basis voor het verbod om hemelwater te lozen op de riolering is in de Wet milieubeheer gesteld en uitgewerkt in het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het Groen Blauwbeleid.

In zijn algemeenheid geldt als regel dat het hemelwater niet op de riolering mag worden geloosd. Dit houdt veelal in dat het op eigen terrein moet worden verwerkt. Het op eigen terrein verwerken van hemelwater mag overigens niet leiden tot overlast op naburige percelen. Indien hemelwater wordt verwerkt op een naburig perceel is altijd schriftelijke toestemming van de eigenaar van dat perceel noodzakelijk. In de methode van verwerken is de ‘ontdoener’ vrij. De voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater is:

  • 1.

    Hergebruik

Hemelwater kan worden hergebruikt in een grijswatersysteem voor bijvoorbeeld het doorspoelen van toiletten, planten bewateren, voor koeling, voor schoonmaak van bedrijfswagens. Daarbij is minimalisering van de risico’s voor de volksgezondheid een vereiste.

  • 2.

    Infiltratie

Infiltratie is het in de bodem laten zakken van hemelwater. Daarmee herstelt de natuurlijke situatie zich en wordt het grondwater aangevuld. De mogelijkheden voor infiltratie zijn afhankelijk van de lokale situatie. Van belang zijn daarbij met name de grondwaterstand, de doorlatendheid van de bodem, eventuele bodemverontreiniging en de aanwezigheid van beschermde houtopstanden. Op sommige locaties is extra infiltratie van water zeer wenselijk voor natuur, groen, tuinen of landbouw. Bovengrondse infiltratie kan de vorm krijgen van bijvoorbeeld een verlaging in het maaiveld, een zaksloot of wadi. Vanuit deze laagtes infiltreert het water in de bodem.

  • 3.

    Bovengronds vasthouden (bergen)

Bergen is het tijdelijk vasthouden van hemelwater, om het vervolgens vertraagd af te voeren. Zodra het waterpeil in het oppervlaktewaterwater na een regenbui gezakt is, kan het water uit de waterberging vertraagd daarop worden geleegd. Bovengronds bergen kan in (extra) oppervlaktewater, in regentonnen, in groenzones, wadi’s, op waterpleinen en op groene daken. Groene toepassingen zoals wadi’s of groene daken dragen tegelijk ook bij aan andere ambities: meer groen, meer biodiversiteit, invangen fijnstof en een koelende werking op de stad. Bovengronds vasthouden/bergen heeft de voorkeur boven ondergronds bergen vanwege de zichtbaarheid en de bereikbaarheid voor onderhoud en inspectie.

  • 4.

    Ondergronds vasthouden (bergen)

Ondergrondse maatregelen zijn bijvoorbeeld in IT-rioolbuizen (lekke rioolbuizen), bergingskelders, infiltratiekratten of grindkoffers.

  • 5.

    Afvoeren

Het afvoeren van het hemelwater is in principe de laatste keuze. In sommige gevallen is dit de enige mogelijkheid. In andere speciale gevallen kan afvoeren wenselijk zijn om het water in een specifieke plas of waterloop aan te vullen en te verversen. Dit wordt locatiespecifiek beoordeeld.

  • 6.

    Combinaties

Vanzelfsprekend zijn combinaties van de genoemde mogelijkheden voor de verwerking van hemelwater, waarbij dezelfde prioriteitsvolgorde geldt.

Lid 1

In dit lid is het verbod voor het lozen van hemelwater op de riolering of openbaar terrein neergelegd. Het verbod geldt indien sprake is van het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding, waaronder ook het wijzigen van bestaande verharding wordt verstaan. Het gaat dus niet om bestaande situaties, maar in situaties waar een wijziging plaatsvindt. Verder is van belang dat het niet gaat om situaties van tijdelijke aard, bijvoorbeeld de aanleg van tijdelijke verharding voor bouwstraten of voor tijdelijke evenementen. Onder verharding wordt verstaan: wegen, bestrating, daken en overige bouwwerken die de infiltratie van hemelwater ter plaatse belemmeren. Het verbod heeft ook betrekking op bijvoorbeeld particuliere tuinen en bedrijfspercelen.

Lid 2

In dit lid is de verplichting voor de perceeleigenaar om het hemelwater op eigen terrein te verwerken nader uitgewerkt. Het gaat daarbij om het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in twee situaties, waarbij als criterium geldt een oppervlakte van meer of minder dan 500 m2:

  • a.

    het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van 500 m2 of meer

  • In dit geval moet een hemelwatervoorziening worden gerealiseerd, die minimaal 60 mm hemelwater per m2 toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken.

  • b.

    het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding met een oppervlakte van minder dan 500 m2

  • In dit geval moet een hemelwatervoorziening worden gerealiseerd, die minimaal 10 mm hemelwater per m2 toename verhard oppervlak of vernieuwing bestaand verhard oppervlak kan verwerken.

Klimaatverandering zorgt voor steeds vaker steeds heviger buien en langdurige droogte. Bovendien wordt de stad steeds compacter. Om overlast en schade als gevolg hiervan te beperken is het van belang dat hemelwater zoveel mogelijk lokaal wordt opgevangen. Met de norm van 60 mm per m2 sluiten we aan bij de norm van de Brabantse waterschappen. Voor kleinere ontwikkelingen is deze norm meestal redelijkerwijs een te grote inspanning in verhouding tot het doel van het verbod. Daarom is in die gevallen 10 mm hemelwater per m2 voldoende. Hiermee draagt deze voorziening wel bij aan het tegengaan van droogte, omdat de meeste buien niet groter zijn dan 10 mm.

Een uitzondering op de verplichting is opgenomen voor de situatie dat een groen dak wordt gerealiseerd. Het aanleggen van groene daken wordt gestimuleerd, omdat deze daken meerdere voordelen hebben. Zo zijn groene daken goed ter bestrijding van de hitteproblematiek en zorgen groene daken voor een betere opname van het hemelwater. Groene daken beschikken dus over een bergingscapaciteit voor hemelwater. Op het moment dat een groen dak wordt gerealiseerd met een minimale bergingscapaciteit van minimaal 25 mm per m2 dak geldt de verplichting tot het realiseren van een hemelwatervoorziening met een bergingscapaciteit van 60 mm of 10 mm per m2 niet.

Verder geldt dat bij elke ingreep dat de aanwezige totale hoeveelheid waterberging niet mag af nemen. Als bijvoorbeeld bij een ruimtelijke ontwikkeling in een plangebied dus meer waterberging aanwezig was, dan moet dit behouden blijven of vervangen worden. Daarbovenop moet de opgave voor hemelwaterberging worden gerealiseerd.

 

Voor het ontwerp van de hemelwaterberging geldt dat deze de mogelijkheid heeft voor beheer en onderhoud. Er geldt een maximale leeglooptijd van 48 uur.

Lid 3

In dit lid is een afwijking opgenomen van de verplichtingen uit het tweede lid voor drukriolering. Indien een perceel is aangesloten op drukriolering heeft de eigenaar van het perceel namelijk de verplichting het hemelwater volledig op eigen terrein te verwerken. Drukriolering heeft namelijk onvoldoende capaciteit om hemelwater te verwerken. Daarom mag op drukriolering alleen afvalwater worden aangesloten. Dit geldt ook bij extreme neerslag: ook in die situatie mag hemelwater niet worden geloosd op drukriolering.

Lid 4

Dit lid bepaalt dat indien voor het realiseren van nieuwe verharding of het vernieuwen van bestaande verharding ook een vergunning voor een andere activiteit is benodigd bij de aanvraag een aantal gegevens en bescheiden verstrekt, die betrekking hebben op de wateropgave. Het gaat dan bijvoorbeeld om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. Het gaat dan om de volgende gegevens:

  • a.

    een berekening van de wateropgave;

  • b.

    een situatietekening van de wateropgave.

Op deze manier kan voorafgaand worden getoetst of aan de verplichtingen voor het lozen van hemelwater wordt voldaan.

Lid 5

In dit lid is vastgelegd dat een hemelwatervoorziening uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van de nieuwe of vernieuwde verharding gerealiseerd moet zijn. Daarnaast is in dit lid bepaald dat aansluiting van de hemelwatervoorziening op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, volgens de eisen van het college als beheerder moeten worden uitgevoerd. Door de beheerder wordt dus de wijze van (technisch) aansluiten aangegeven. Dit kan zowel gaan om een bovengrondse als een ondergrondse voorziening. Indien de hemelwaterafvoerleiding moet worden aangesloten op de gemeentelijke riolering of hemelwatervoorziening, biedt artikel 6.18, vierde lid, van het Bouwbesluit de mogelijkheid aan te geven wat de ligging, hoogte en diameter is ter plaatse van de perceelgrens. Op grond van het Bouwbesluit kunnen echter geen eisen worden gesteld aan de aansluiting op gemeentelijke voorzieningen in de openbare weg, vandaar dat dit in dit artikel is geregeld. Bijvoorbeeld bij een aansluiting op een gemengd riool geldt dat een terugloopvoorziening moet worden aangebracht.

Artikel 4.16 Ontheffing verbod op het lozen van hemelwater

Lid 1

Op grond van dit artikel kan het college als beheerder op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod om hemelwater te lozen en de verplichting om een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit te realiseren. Het college kan deze ontheffing verlenen indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod. Dit vloeit mede voort uit artikel 10.32a, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daaruit vloeit voort dat geen gebruik wordt gemaakt van het verbod tot het lozen, indien van degene bij wie afvloeiend hemelwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd. Een afwijking of ontheffing moet worden afgewogen in het proces van de omgevingsvergunning en/of watertoets en waterparagraaf. Daarvoor kan er om een nader onderzoek worden gevraagd. Bijvoorbeeld het aantonen dat infiltratie niet mogelijk is met onder meer representatief bodemonderzoek of infiltratieonderzoek. Of aantonen dat er bijvoorbeeld ruimtegebrek is of dat er nadelige effecten op de omgeving kunnen ontstaan. Als voorbeeld kan worden gedacht aan de aanwezigheid van grondwaterverontreiniging in de nabijheid, die door infiltratie kan worden geplaatst. Indien een ontheffing is verleend door het bevoegd gezag voor lozing op de (gemengde) riolering, dan vervalt deze zodra een gemeentelijke hemelwatervoorziening is aangelegd. Vanaf dat moment moet de perceeleigenaar treffen om het hemelwater op dat nieuwe stelsel te lozen en niet meer op de (gemengde) riolering.

Lid 2

Dit lid bepaalt dat bij de aanvraag om een ontheffing de perceeleigenaar een overzicht geeft van de redenen waarom niet de verplichting om een hemelwatervoorziening met een bepaalde capaciteit te realiseren.

Lid 3

In dit lid is vastgelegd dat aan een ontheffing voorschriften kunnen worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op uitstel van de plicht tot het realiseren van een hemelwatervoorziening tot het niet aansluiten op de riolering of het treffen van een alternatieve (tijdelijke) voorziening of een zuiverende voorziening. Ook kunnen deze voorschriften betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage aan de gemeente, indien op het eigen perceel niet kan worden voldaan aan de minimale bergingseis voor hemelwater.

Artikel 4.17 Kwaliteit te lozen hemelwater

Algemeen

In dit artikel is het verbod opgenomen om het afstromende hemelwater te verontreinigen door het afspoelen of uitlogen van gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen. De ontdoener heeft een zorgplicht ten aanzien van de (goede) kwaliteit van het af te voeren en te infiltreren hemelwater. De verwerking van het hemelwater mag daarom niet leiden tot verontreiniging van het ontvangende medium, zoals bijvoorbeeld de bodem, het grondwater en oppervlaktewater. Aangenomen mag worden dat het hemelwater van voldoende kwaliteit is als het afstroomt over niet-afspoelende en niet-uitlogende materialen en er geen verontreinigende activiteiten op deze oppervlakken plaatsvinden. Verontreinigende activiteiten zijn bijvoorbeeld autowassen, besproeiing met onkruidbestrijdende middelen, lozing van verfmiddelen (bijvoorbeeld kalk) of lekkage van oliën. De gemeente ontraadt hemelwater en grondwater dat in contact is geweest met zink, koper of lood zonder zuiverende randvoorziening (zoals bodemverrijking) of bronmaatregel (zoals coaten of vervangen dakgoot) direct naar de bodem af te voeren.

Zuivering

Het kan nodig zijn om ter plaatse een filter toe te passen. Met beheersmaatregelen (vervangen vulmateriaal, afvoeren verontreinigd vulmateriaal) moet voorkomen worden dat een verontreiniging doorslaat naar de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater. Na de voorziening kan het water in bodem (als grondwater) of op oppervlaktewater worden geloosd. Vanzelfsprekend hebben maatregelen aan de bron de voorkeur.

Bodemverontreiniging

De mogelijke reeds aanwezige verontreiniging van de bodem moet altijd goed worden nagegaan door de lozer van het hemelwater. Bij het zonder beperkingen toestaan van het lozen van afvloeiend hemelwater is er van uitgegaan, dat in de praktijk tijdens het afvloeien van het hemelwater enige verontreiniging bijna onontkoombaar is. De oppervlakken waarover het hemelwater afvloeit zijn immers niet volledig schoon en afhankelijk van het materiaal waarmee het hemelwater in aanraking komt, vindt vaak enige mate van afspoeling of uitloging plaats. In de meeste gevallen leidt deze echter niet tot een zodanige verontreiniging van het hemelwater, dat het lozen in de bodem verboden moet worden. Indien er wel sprake is van een grote verontreiniging, dan is het vaak mogelijk om door het treffen van preventieve maatregelen de verontreiniging terug te brengen en daarmee het hemelwater alsnog rechtstreeks in het milieu te brengen.

Artikel 4.18 Afstemming met regels andere overheden

In dit artikel is de afstemming met regels van andere overheden geregeld. Indien regelgeving van andere overheden strengere eisen stelt aan het lozen van hemelwater en grondwater dan gelden de regels van die overheden in plaats van de regels in deze verordening. Dit gaat bijvoorbeeld om de regels van de waterschappen of van de provincie.

Regels waterschappen in de Keur

De regels van de waterschappen zijn neergelegd in de Keur. In de meeste gevallen zijn de waterschappen bevoegd gezag over het oppervlaktewater. Voor lozing op het oppervlaktewater en de wijze waarop dit wordt uitgevoerd, evenals voor bouwwerken op of langs waterlopen zijn regels vastgelegd in de Keur. Zo is voor de afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater meestal een goedkeuring, melding of vergunning van het waterschap op basis van de Keur. De gemeente ’s-Hertogenbosch ligt in het beheergebied van de waterschappen Aa en Maas en (voor een klein deel) De Dommel. Ook in de Keur is hemelwaterbeleid opgenomen. Daar waar de regels in de Keur strenger zijn gaan deze voor op de regels in deze verordening.

Regels provincie Interim Omgevingsverordening

Binnen door de provincie aangewezen zones, zoals het grondwaterwingebied en bijbehorende beschermingszones en boringsvrije zones, gelden mogelijk aanvullende of strengere regels voor de verwerking van hemelwater en grondwater. Dit is vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening. Hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Daar waar de regels in de Interim Omgevingsverordening strenger zijn gaan deze voor op de regels in deze verordening.

Regels rijksoverheid Bouwbesluit

Over de riolering en de aansluiting van bouwwerken op de openbare riolering staan ook regels in het Bouwbesluit 2012. De regels in deze verordening zijn aanvullend en niet in strijd met het Bouwbesluit. Indien dit wel het geval zou zijn, gaat echter het Bouwbesluit voor. Zo moet op grond van het Bouwbesluit in principe in alle gevallen de hemelwaterafvoer en de afvoer van stedelijk afvalwater gescheiden tot aan de erfgrens te worden aangelegd, als het niet op eigen terrein wordt verwerkt. Pas op de erfgrens mag de koppeling van de twee afvoeren plaatsvinden. Indien later alsnog een gemeentelijke hemelwatervoorziening wordt aangelegd, kan daarop de hemelwaterafvoer eenvoudig worden aangesloten. De ligging van de gemeentelijke riolering en hemelwatervoorzieningen kan opgevraagd worden bij de gemeente.

Regels rijksoverheid Activiteitenbesluit

Voor inrichtingen zijn in het Activiteitenbesluit regels opgenomen voor het lozen van hemelwater en grondwater op de riolering. De regels uit het Activiteitenbesluit gelden aanvullend op de regels in deze verordening.

Afdeling 4.4 Het verplicht realiseren van groen

Artikel 4.19 Toepassing en doel van deze afdeling

In dit artikel is het toepassingsbereik en het doel van afdeling 4.4 “het verplicht realiseren van groen” opgenomen.

Lid 1

In het eerste lid is uiteengezet dat deze afdeling betrekking heeft op het verplicht realiseren van groen in geval van het realiseren van nieuwe verharding, waarvoor in artikel 4.20 een verbod is opgenomen. Onder verharding wordt verstaan: wegen, bestrating, daken en overige bouwwerken.

Lid 2

Het tweede lid bepaalt het doel van de regels over het verplicht realiseren van groen en het opnemen van een groennorm in deze regels. Het doel is om te komen tot een klimaatadaptieve, biodiverse en groene leefomgeving.

Artikel 4.20 Groennorm

In dit artikel is de groennorm verder uitgewerkt.

Lid 1

In het eerste lid is de groennorm in de vorm van een verbod vastgelegd. Het verbod houdt in dat het verboden is om meer dan 500 m2 nieuwe verharding te realiseren zonder daarbij te voldoen aan de groennorm die geldt voor een bepaald gebied, welke is opgenomen op de Groenkaart (bijlage 3) en aan de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore (bijlage 4b). Het gaat om het realiseren van nieuwe verharding en dus niet om bestaande situaties. Verder is van belang dat het verbod geen betrekking heeft op situaties van tijdelijke aard, zoals bijvoorbeeld de aanleg van tijdelijke verharding voor bouwstraten of voor tijdelijke evenementen. Dit volgt uit de in bijlage 1 opgenomen definitie van nieuwe verharding.

Lid 2

Het tweede lid geeft uitleg over hoe de groennorm moet worden ingevuld. De groennorm wordt ingevuld aan de hand van de kwantitatieve groenscore, zoals opgenomen in bijlage 4a van de Verordening. Aan deze kwantitatieve groenscore moet worden voldaan. Eveneens moet worden voldaan aan de kwalitatieve biodiversiteitscore, zoals opgenomen in bijlage 4b van deze Verordening. Met beide scoresystemen worden de doelen bereikt waarvoor wij als gemeente staan: het vergroenen van de omgeving en het toepassen van biodiversiteitsmaatregelen om biodiversiteit te stimuleren. Hieronder is een nadere uitleg van de scoresystemen opgenomen.

Kwantitatieve groenscore

Met de kwantitatieve groenscore wordt de groennorm kwantitatief ingevuld. In bijlage 4a is een scoresysteem opgenomen voor deze kwantitatieve groenscore. Bij het realiseren van meer dan 500 m2 nieuwe verharding moet worden voldaan aan de voor het gebied geldende groennorm, die is opgenomen op de Groenkaart in bijlage 3 bij de Verordening. Met de kwantitatieve groenscore kan worden getoetst of voldaan wordt aan deze groennorm. Met het scoresysteem kan worden aangetoond of en op welke wijze bij het realiseren van meer dan 500 m2 nieuwe verharding wordt voldaan aan de groennorm. Het uitgangspunt is dat indien niet wordt voldaan aan de groennorm het plan, het project, de ontwikkeling of het initiatief wordt aangepast totdat er wel kan worden voldaan.

Het scoresysteem betreft een detailberekening en kan worden gebruikt bij een inrichtingsschets, een stedenbouwkundig plan, een landschappelijk inpassingsplan, een bouwtekening of een concrete situatietekening. In het scoresysteem moeten de te hanteren oppervlakten ingevuld worden, te verdelen over bebouwing, verharding, halfverharding en aandeel groen en water. Onder het oppervlak groen en water wordt alles verstaan wat niet verhard (versteend) is. Ook spelen aanvullende elementen een rol in het scoresysteem. Dit betreft het aanleggen van een groen dak of een groene gevel en de kroonprojectie van bomen. In bijlage 4a van de Verordening is een nadere toelichting opgenomen over het scoresysteem voor de kwantitatieve groenscore met bijbehorende onderdelen.

Bij sommige plannen, projecten, initiatieven of ontwikkelingen die zich in de beginfase bevinden of nog niet concreet zijn uitgewerkt is niet mogelijk om het gedetailleerde scoresysteem, zoals in bijlage 4a van deze Verordening is opgenomen, in te vullen. Voor deze initiatieven en ontwikkelingen is een apart, losstaand scoresysteem ontwikkeld. Dit scoresysteem is minder gedetailleerd dan het scoresysteem in deze Verordening. Met dit minder gedetailleerde scoresysteem kan in een vroeg stadium bij de ontwikkeling en uitwerking van initiatieven en ontwikkelingen worden getoetst of uiteindelijk kan worden voldaan aan de groennorm. Dit speelt bijvoorbeeld ook een rol bij de onderbouwing van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van bijvoorbeeld bestemmingsplannen en op termijn omgevingsplannen. Dit minder gedetailleerde scoresysteem maakt geen onderdeel uit van deze Verordening, omdat in de Verordening moet worden uitgegaan van een concrete norm met bijbehorende verbodsbepaling. Het minder gedetailleerde scoresysteem is dan ook alleen een hulpmiddel. Initiatiefnemers kunnen het minder gedetailleerde scoresysteem opvragen bij de afdeling Leefomgeving van de gemeente.

Kwalitatieve biodiversiteitscore

Met de kwalitatieve biodiversiteitscore wordt de groennorm niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief ingevuld. De biodiversiteitscore waardeert inspanningen om te zorgen voor meer biodiversiteit en een hogere kwantitatieve groenscore dan de norm aangeeft. De mogelijkheden om op kwaliteit te scoren zijn overigens niet overal in de stad gelijk. Als er meer ruimte is voor tuinen, openbaar groen en nieuwbouw is het eenvoudiger om kwaliteit te realiseren dan in een hoog stedelijke omgeving met monumentale gebouwen.

In bijlage 4b van de Verordening is het scoresysteem opgenomen voor de kwalitatieve biodiversiteitscore. Voor het bepalen van de biodiversiteitscore is een aantal regels opgesteld op grond waarvan punten behaald kunnen worden met een maximum van 13 punten. Voor nieuwe ontwikkelingen is de minimale score gesteld op 8 punten. Bij nieuwe ontwikkelingen kan namelijk relatief eenvoudig worden ingespeeld op maatregelen ter voldoening aan de kwalitatieve biodiversiteitscore.

In het scoresysteem voor de kwalitatieve biodiversiteitscore wordt een onderscheid gemaakt in de volgende vier onderdelen:

- onderdeel A – groenscore boven de groennorm

- onderdeel B – behoud van natuur en nieuwe natuur

- onderdeel C – inheemse soorten

- onderdeel D – natuurinclusief bouwen.

In bijlage 4b van de Verordening is een nadere toelichting opgenomen over het scoresysteem voor de kwalitatieve biodiversiteit met bijbehorende onderdelen.

Lid 3

In dit lid is het college de bevoegdheid gegeven om de kwantitatieve groenscore en de kwalitatieve biodiversiteitscore te wijzigen, indien daartoe aanleiding bestaat. Omdat de scoresystemen nieuw zijn kan het voorkomen dat het toetsen van concrete initiatieven en aanvragen daaraan aanleiding geven om de scoresystemen te herzien of aan te vullen. Daarom is opgenomen dat het college bevoegd is om de scoresystemen te wijzigen.

Artikel 4.21 Ontheffing groennorm

Lid 1

Op grond van dit artikel kan het college op aanvraag ontheffing verlenen van de groennorm of de kwalitatieve biodiversiteitscore. Het college kan deze ontheffing verlenen indien redelijkerwijs niet aan de groennorm of de kwalitatieve biodiversiteitscore kan worden voldaan. Het kan namelijk voorkomen dat bij een ontwikkeling de groennorm of de kwalitatieve biodiversiteitscore niet wordt gehaald en dat daar goede redenen voor zijn. Dit kan bijvoorbeeld bij inbreidingen in intensief bebouwde gebieden aan de orde zijn. In deze gevallen moet worden gekeken wat er binnen het plan- of projectgebied extra gedaan kan worden in de vorm van innovatievere manieren van groen. Dit betreft bijvoorbeeld dakgroen, muurgroen of plantenbakken. Daarnaast moet het deel dat niet gerealiseerd kan worden in het plan- of projectgebied daarbuiten gerealiseerd worden. Dit kan door de initiatiefnemer worden uitgevoerd of door de gemeente op kosten van de initiatiefnemer.

Lid 2

Dit lid bepaalt dat bij de aanvraag om een ontheffing de aanvrager een overzicht geeft van de redenen waarom niet aan de groennorm of de kwalitatieve biodiversiteitscore kan worden voldaan.

Lid 3

In dit lid is vastgelegd dat aan een ontheffing voorschriften kunnen worden verbonden. Deze voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op uitstel van de plicht tot het realiseren van groen ter voldoening aan de groennorm. Ook kunnen deze voorschriften betrekking hebben op het voldoen van een geldelijke bijdrage aan de gemeente, indien niet kan worden voldaan aan de groennorm.

 

Hoofdstuk 5 Beheer en onderhoud

Afdeling 5.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen

Artikel 5.1 Instandhoudingsplicht beschermde houtopstanden

In dit artikel is een instandhoudingsplicht opgenomen voor de beschermde houtopstanden waarop het verbod tot vellen van toepassing is. Op het moment dat een beschermde houtopstand in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd kan het college de verplichting opleggen om voorzieningen te treffen waardoor de bedreiging wordt weggenomen en/of een Bomeneffectanalyse op te stellen.

Artikel 5.2 Herplantplicht beschermde houtopstanden

In dit artikel is de herplantplicht geregeld voor beschermde houtopstanden waarop het verbod tot vellen van toepassing is. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat indien een beschermde houtopstand wordt geveld zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend de verplichting kan worden opgelegd om te herplanten. Deze verplichting kan worden opgelegd aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen voorzieningen bevoegd is. Indien herplant niet mogelijk is in het derde lid geregeld dat het college kan verplichten dat een geldelijke bijdrage kan worden vastgesteld op grond van de boomwaarde of de vervangingswaarde. De boomwaarde betreft de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente Richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen. De vervangingswaarde betreft de kosten die gemaakt moeten worden om het bevoegd gezag voorgeschreven vervangende groen te realiseren. Degene aan wie de verplichting tot herplanten of geldelijke bijdrage is opgelegd is verplicht daaraan te voldoen, evenals zijn rechtsopvolger (vierde lid).

Artikel 5.3 Onderhoud, beheer en instandhouding hemelwatervoorziening

In dit artikel zijn regels opgenomen wat betreft het onderhoud, beheer en de instandhouding van de hemelwatervoorziening. Het eerste lid regelt dat de eigenaar verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van zijn hemelwatervoorzieningen. Het verbod om een gerealiseerde hemelwatervoorziening te verwijderen, onvoldoende te beheren of onderhouden is neergelegd in het tweede lid. Dit verbod is niet van toepassing op een verandering van de hemelwatervoorziening, mits het totale bergend vermogen van de voorziening niet afneemt en de kwaliteit van de hemelwatervoorziening beter of vergelijkbaar is (derde lid).

Artikel 5.4 Onderhoud, beheer en instandhouding groenmaatregelen

In dit artikel zijn regels opgenomen wat betreft het onderhoud, beheer en de instandhouding van de groenmaatregelen, die zijn getroffen om aan de groennorm en de minimale kwalitatieve biodiversiteitscore te voldoen. Het eerste lid regelt dat de eigenaar verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van de groenmaatregelen. Het verbod om gerealiseerde groenmaatregelen te verwijderen, onvoldoende te beheren of onderhouden is neergelegd in het tweede lid. Dit verbod is niet van toepassing op een verandering van de maatregel, mits de kwaliteit van de verandering beter of vergelijkbaar is (derde lid).

Afdeling 5.2 Overige bepalingen houtachtigen

Artikel 5.5 Bestrijding van boomziekten

In dit artikel zijn regels opgenomen in verband met de bestrijding van boomziekten. In het eerste lid is opgenomen dat indien zich op een terrein een houtachtige bevindt die een gevaar oplevert van verspreiding van een boomziekte en vermeerdering van ziekteverspreiders het college met een aanschrijving de verplichting kan opleggen om de houtachtige te vellen. Het niet voldoen aan deze aanschrijving biedt een grondslag voor het opleggen van een last onder bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden voor risico en rekening van de aangeschreven door of namens de gemeente kunnen worden verricht (tweede lid). In het derde lid is het verbod neergelegd om zonder vergunning de gevelde houtachtige voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een soort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

Artikel 5.6 Bescherming gemeentelijke houtachtigen

In dit artikel is het verbod opgenomen om houtachtigen in eigendom van de gemeente te beschadigen, te bekladden, te vellen of te beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten. Dit geldt indien dit plaatsvindt door of in opdracht van ambtenaren van de gemeente ter uitoefeningen van de hun opgedragen boomverzorgende taak. Georganiseerd onderhoud aan bomen waarvoor toestemming is gegeven vanuit de gemeente valt dus niet onder dit verbod. Schade aan gemeentelijke houtachtigen kan leiden tot een privaatrechtelijke vordering tot schadevergoeding.

Artikel 5.7 Afstand tot de erfgrenslijn

In artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek zijn regels opgenomen inzake het plaatsen van beplanting bij de erfgrens. Het artikel geeft afstanden van de grenslijn, die voor bomen, heesters en heggen minimaal moet worden aangehouden. Voor bomen geldt op grond van dit artikel een afstand van 2 meter en voor heesters en heggen een afstand van 0,5 meter. Het is echter mogelijk om in een gemeentelijke verordening een kleinere afstand toe te laten. In artikel 5.7 van de verordening is een dergelijke kleinere afstand opgenomen. Dit betekent dat voor bomen een afstand van 0,5 meter geldt (gerekend vanaf het midden van de voet van de boom) en voor heesters en heggen de afstand nihil bijdraagt.

 

Hoofdstuk 6 Procesregels

Artikel 6.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

In dit artikel is de verhouding van de opgenomen procesregels tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geregeld. Deze verordening kent een vergunningplicht die op grond van de Wabo als omgevingsvergunning moet worden behandeld, namelijk de vergunning voor het vellen van beschermde houtopstanden. Hiervoor gelden dan de regels uit de Wabo en de daaruit voortvloeiende regelgeving en niet de in dit hoofdstuk opgenomen procesregels. De procesregels uit dit hoofdstuk zien dus alleen op de aanvragen om ontheffingen te verlenen voor hemelwater en de groennorm.

Artikel 6.2 Beslistermijn

In dit artikel zijn regels opgenomen over de beslistermijn. In het eerste lid is vastgelegd dat het college binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag of het verzoek om ontheffing beslist. Dit geldt niet indien de uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedure, als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, van toepassing is verklaard. Dan geldt een beslistermijn van 6 maanden. De beslistermijn van 8 kan eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd (tweede lid). De beslistermijn gaat in op het moment dat een volledige, ontvankelijke aanvraag of verzoek om ontheffing is ingediend. Indien de aanvraag of het verzoek niet volledig is krijgt de aanvrager hiervan bericht van het college met het verzoek om de aanvraag aan te vullen, als bedoeld in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Het derde lid van dit artikel gaat in op de bekendmaking.

Artikel 6.3 Voorschriften

In dit artikel is geregeld dat het college aan een omgevingsvergunning of ontheffing voorschriften kan verbinden. Deze voorschriften kunnen bijzondere verplichtingen of beperkingen inhouden. Bijvoorbeeld bijzondere verplichtingen voor de vergunninghouder of ontheffinghouder of beperkingen naar plaats of naar tijdsduur. Aan wie een voorschrift is opgelegd is verplicht daaraan te voldoen, alsmede zijn rechtsopvolger.

Artikel 6.4 Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden

In dit artikel zijn algemene wijzigings- en intrekkingsgronden opgenomen om een vergunning of een ontheffing te wijzigen of in te trekken. Het gaat hier om een bevoegdheid voor het college, niet om een verplichting. Als algemene wijzigings- en intrekkingsgronden zijn onder meer genoemd veranderde omstandigheden, het niet naleven van de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of indien binnen een bepaalde termijn geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning of de ontheffing. Naast deze algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kunnen ook specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden gelden. Deze specifieke gronden zijn dan opgenomen in hoofdstuk 4 bij de activiteiten zelf.

 

Hoofdstuk 7 Handhaving

Afdeling 7.1 Strafbaarstelling

Artikel 7.1 Strafbepaling

In dit artikel is de strafbepaling voor deze verordening opgenomen. Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Overeenkomstig dit artikel uit de Gemeentewet is de strafbepaling in deze verordening geformuleerd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften.

Afdeling 7.2 Toezicht en handhaving

Artikel 7.2 Toezichthouders

In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 van de Awb). Deze toezichthouders zien toe op naleving van de geboden en verboden van deze verordening.

 

Hoofdstuk 8 Overgangsrecht

Artikel 8.1 Overgangsbepaling

In dit artikel is een overgangsbepaling opgenomen. Met deze bepaling wordt onder meer duidelijkheid gegeven over de vraag of het oude recht of het nieuwe recht van toepassing is op ingediende aanvragen om een vergunning of verzoeken om een ontheffing en op beroeps- en bezwaarzaken.

Lid 1

In het eerste lid is uiteengezet dat indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of een verzoek om ontheffing is ingediend en daarop nog niet is beslist, op die aanvraag wordt beslist op grond van de Bomenverordening 2010 ’s-Hertogenbosch en de Verordening hemelwater en grondwater ’s-Hertogenbosch 2017.

Lid 2

In het tweede is bepaald dat op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift ingekomen binnen de bezwaar- en beroepstermijn wordt beslist op grond van de Bomenverordening 2010 ’s-Hertogenbosch en de Verordening hemelwater en grondwater ’s-Hertogenbosch 2017.

Lid 3

Dit lid bepaalt dat op grond van de oude verordeningen verleende vergunningen en ontheffingen gelden als vergunningen of ontheffingen op grond van deze verordening.

 

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 9.1 Intrekking bestaande verordeningen

Dit artikel bepaalt dat de oude verordeningen, te weten De Bomenverordening ’s-Hertogenbosch 2010 en de Verordening hemelwater en grondwater ’s-Hertogenbosch 2017, worden ingetrokken. Deze intrekking vindt tegelijkertijd plaats met de inwerkingtreding van deze verordening.

 

Artikel 9.2 Inwerkingtreding

In dit artikel is de inwerkingtreding van deze verordening geregeld. De verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 9.3 Citeertitel

Dit artikel bepaalt de citeertitel van deze verordening: “Verordening Bomen, Water en Groen ’sHertogenbosch 2021”.