Gemeenteblad van Barneveld

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BarneveldGemeenteblad 2021, 70846Beleidsregels



Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Barneveld

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;

 

gelet op artikel 1.2.1, sub c van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

 

vast te stellen de Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Barneveld

 

De verantwoordelijkheid voor maatschappelijke opvang ligt bij alle gemeenten. Voor maatschappelijke opvang is tussen Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten afgesproken te werken met centrumgemeenten. De regie voor opvang binnen de Valleiregio ligt bij de centrumgemeente Ede. Tot de Valleiregio behoren de gemeenten: Barneveld, Ede, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel en Wageningen.

 

Deze beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Barneveld is het met deze gemeenten afgesproken kader waarbinnen de gemeente Ede de bevoegdheid tot het beoordelen en toekennen van de maatschappelijke opvang binnen de Valleiregio dient uit te voeren.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    College: college van burgemeester en wethouders van centrumgemeente Ede, alsmede namens de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Barneveld, Ede, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel en Wageningen, welke gezamenlijk zorgdragen voor maatschappelijke opvang;

  • b.

    Regio: een regionaal samenwerkingsverband van gemeenten welke gezamenlijk zorgdragen voor maatschappelijke opvang in de betreffende regio;

  • c.

    Maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, niet zijnde personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld;

  • d.

    Melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • e.

    Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • f.

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • g.

    Woonplaats: de gemeente waarvan de cliënt het jaar voorafgaand aan de melding hoofdzakelijk is ingeschreven als ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen.

Alle andere begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die hierboven niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de daarop gebaseerde regelgeving van gemeente Barneveld en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2. Melding

  • 1.

    Een behoefte aan maatschappelijke opvang kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2.

    In die situaties waarin terstond maatschappelijke opvang noodzakelijk is, beslist het college onverwijld tot verstrekking van een voorziening maatschappelijke opvang in afwachting van de uitkomst van het in artikel 3 bedoelde onderzoek en de aanvraag van de cliënt.

  • 3.

    Indien het college niet onverwijld maatschappelijke opvang kan bieden waar dit wel terstond noodzakelijk is, treft het college maatregelen om onverwijld op een andere wijze of in een andere gemeente of regio tijdig te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

Artikel 3. Onderzoek

  • 1.

    Het college vergewist zich met de cliënt wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid.

  • 2.

    Indien het college vaststelt dat de cliënt, voor het ontstaan van dakloosheid, de woonplaats had in een bepaalde gemeente of regio, niet zijnde de gemeente Ede en de regiogemeenten, en hierover overeenstemming heeft met de bepaalde gemeente of regio, kan het college de uitvoering van het onderzoek overlaten aan de bepaalde gemeente of regio, waarbij bij overdracht van eventuele informatie artikel 4 lid 4 van toepassing is.

  • 3.

    Indien het college de woonplaats van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid niet vaststelt of kan vaststellen, dan wel de uitvoering van het onderzoek niet wenst te laten uitvoeren door de gemeente of regio zoals bedoeld in lid 2 voert het college het onderzoek uit. Dit geldt ook indien het college niet tot overeenstemming komt met de in lid 2 bedoelde gemeente of regio.

  • 4.

    Indien het college het onderzoek zelf uitvoert, kan zij de in lid 2 bedoelde gemeente of regio verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren.

  • 5.

    Het college onderzoekt in welke gemeente of regio een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt.

  • 6.

    Het college betrekt bij dit onderzoek in elk geval de wens van de cliënt. Verder dient het college ook in elk geval bij het onderzoek te betrekken:

    • a.

      of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, en/of bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en/of lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten.

    • b.

      of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten van de cliënt en/of maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt.

  • 7.

    Indien, gedurende het onderzoek, blijkt dat een traject in de maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, dan betrekt het college deze gemeente bij het onderzoek.

  • 8.

    Het onderzoek, zoals bedoeld in lid 3, wordt zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen 2 weken uitgevoerd, tenzij er redenen zijn, buiten de invloed van het college, die dit onmogelijk maken.

  • 9.

    De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in een onderzoeksverslag.

  • 10.

    Indien het college, conform lid 2, de uitvoering van het onderzoek overgedragen heeft aan een bepaalde gemeente of regio, dan vergewist het college zich van de uitkomsten van het onderzoek.

Artikel 4. Overdracht van cliënt en cliëntgegevens

  • 1.

    Indien het college, op grond van het in artikel 3 lid 5 bedoelde onderzoek, van oordeel is dat de kans van slagen van een traject groter is in een andere gemeente of regio, dan neemt het college - in overleg met de cliënt - contact op met die andere gemeente of regio.

  • 2.

    Deelt de andere gemeente of regio het oordeel van het college, zoals bedoeld in lid 1, dan vindt de overdracht van de cliëntgegevens én de cliënt onverwijld plaats. Dit tenzij met de andere gemeente of regio wordt overeengekomen dat het bijdraagt aan de kans van slagen van een traject, dat deze overdracht later plaatsvindt.

  • 3.

    Tot aan het moment van daadwerkelijke overdracht van de cliënt blijft het college maatschappelijke opvang bieden, dan wel blijft het college andere maatregelen treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

  • 4.

    Het college draagt bij de overdracht alle noodzakelijke informatie over de cliënt, waaronder het onderzoeksverslag, over aan de andere gemeente of regio, in overleg met de cliënt.

  • 5.

    Het college maakt met de andere gemeente of regio en de cliënt voorts concrete afspraken over:

    • i.

      de datum van overdracht;

    • ii.

      welke aanbieder de cliënt maatschappelijke opvang, dan wel andere ondersteuning die in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang voorziet, zal bieden in de andere gemeente of regio;

    • iii.

      hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt.

  • 6.

    Indien de cliënt weigert medewerking te verlenen aan de in lid 2 bedoelde overdracht, kan het college overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang.

Artikel 5. Verschil van mening tussen gemeenten

  • 1.

    Bij verschil van mening tussen het college en de andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van maatschappelijke opvang aan de cliënt spant het college zich maximaal in om tot een oplossing te komen.

  • 2.

    Indien het college én de andere gemeente of regio niet tot een oplossing komen, kan het college het geschil voorleggen aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid.

  • 3.

    In afwachting van het oordeel van de in het tweede lid genoemde commissie blijft het college een voorziening maatschappelijke opvang bieden, dan wel op andere wijze voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

  • 4.

    Het college volgt in het geschil het oordeel van de in het tweede lid genoemde commissie.

Artikel 6. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang gemeente Barneveld.

 

Aldus vastgesteld op 2 maart 2021.

Burgemeester en wethouders voornoemd,

W. Wieringa

Secretaris

J.J. Luteijn,

Burgemeester

TOELICHTING

Inleiding

In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) zijn ook de voorzieningen voor maatschappelijke opvang opgenomen.

 

De maatschappelijke opvang is ‘landelijk toegankelijk’. Dat betekent dat een ingezetene van Nederland in aanmerking komt voor een voorziening maatschappelijke opvang (in eerste instantie) te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Op deze manier wordt de veiligheid geborgd voor personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

 

Vanuit het oogpunt van doeltreffendheid en doelmatigheid, maar ook omdat de rijksmiddelen voor maatschappelijke opvang tot in elk geval 1 januari 2021 zijn belegd bij de zogenaamde centrumgemeenten wordt in de praktijk regionaal uitvoering gegeven aan het zorgdragen voor de maatschappelijke opvang, waaronder veelal de toegang daartoe.

 

In onder andere de Valleiregio heeft dat geleid tot het mandateren van o.a. de toegang tot de maatschappelijke opvang aan de centrumgemeente Ede. Door in de beleidsregels telkens te spreken van gemeente (of het regionale samenwerkingsverband van gemeenten welke zorgdraagt voor maatschappelijke opvang) wordt het wettelijk uitgangspunt (elke gemeente verantwoordelijk) verbonden met de regionale praktijk en uitvoering en ontstaat er ruimte voor een adequate toepassing. De beleidsregels belemmert de voortzetting van deze praktijk dan ook niet.

 

Dit laat onverlet dat elke gemeente (al dan niet in samenwerking met andere gemeenten in de betreffende regio) ook in de praktijk er zorg voor draagt dat dakloosheid zo veel mogelijk wordt voorkomen. Elke gemeente heeft immers de verantwoordelijkheid om inwoners die dat nodig hebben uit de eigen gemeente te ondersteunen en hulp te bieden bij het op eigen kracht handhaven in de samenleving.

 

In deze beleidsregels gaat het over hoe te handelen nadat een cliënt zich wendt tot de gemeente voor maatschappelijke opvang. De beleidsregels beschrijven de gewenste stappen van gemeenten bij het toepassen van landelijke toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang. Deze werkwijze is vervolgens schematisch weergegeven in een stroomschema (bijlage II).

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1. Begripsbepalingen

De in de Wmo 2015 opgenomen definities, processen en termijnen zijn kader stellend voor de uitvoering van de landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang. Deze definities, processen en termijnen zijn in deze toelichting en de beleidsregel niet herhaald, tenzij het voor de leesbaarheid en helderheid van belang werd geacht. Door eerst maatschappelijke opvang te bieden en dan te kijken naar ‘waar de meeste kans van slagen is op een succesvol traject’ voldoet de werkwijze aan de wettelijke kaders. Het gaat hier over de landelijke toegankelijkheid van ‘maatschappelijke opvang’, zoals in de Wmo 2015 gedefinieerd. Dit laat overigens wel de ruimte aan gemeenten om op andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan onderdak en begeleiding.

 

Beoogd is met de beleidsregels en bijlagen enerzijds concrete handvatten en anderzijds de gewenste ruimte voor ‘maatwerk’ in de uitvoering te bieden, zoals ook bedoeld in de Wmo 2015. De bruikbaarheid is door een uitvoeringstoets gewaarborgd.

Artikel 2. Melding en (eerste) opvang

Alle gemeenten dragen er (al dan niet in samenwerking met andere gemeenten in de Valleiregio) zorg voor dat personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, zich kunnen melden bij de gemeente voor maatschappelijke opvang. De melding kan worden gedaan door of namens de cliënt.

 

De gemeente tot welke de cliënt zich heeft gewend voor maatschappelijke opvang is in eerste instantie verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang. Gemeenten bieden altijd maatschappelijke opvang als het gaat om personen die de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Maatschappelijke opvang wordt in elk geval geboden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

 

Daarbij is het van belang dat er voldoende maatschappelijke opvang in de gemeente (dan wel binnen de Valleiregio) beschikbaar is, dusdanig dat de maatschappelijke opvang direct kan worden geboden.

 

Tegelijk is de praktijk in een aantal gemeenten dat er een situatie kan ontstaan dat maatschappelijke opvang tijdelijk niet kan worden geboden. Als er door omstandigheden tijdelijk geen plaats in de maatschappelijke opvang kan worden geboden, zoekt de gemeente van melding samen met de cliënt direct een tijdelijk passend alternatief, dusdanig dat de cliënt in elk geval direct (tijdelijk) onderdak en begeleiding wordt geboden.

 

De verantwoordelijkheid voor het bieden van maatschappelijke opvang hoeft niet altijd te betekenen dat in de betreffende gemeente zelf deze maatschappelijke opvang wordt geboden. De maatschappelijke opvang kan ook worden geboden in een gemeente waarmee de betreffende gemeente regionaal samenwerkt in het kader van maatschappelijke opvang, dan wel kan door de betreffende gemeente tijdelijk in een andere regio beschikbaar worden gesteld. Ook kan een alternatief voor maatschappelijke opvang worden geboden, maar in elk geval dusdanig dat wordt voorzien in de geconstateerde ondersteuningsbehoefte aan onderdak en begeleiding. Dit kan dus ook een alternatief zijn welke meer aansluit bij de geconstateerde ondersteuningsbehoefte. N.B. Het gaat in deze fase om de opvang tijdens de onderzoeksperiode.

 

Ook kan de gemeente van melding erin slagen direct (dezelfde dag) tot overdracht van de cliënt te komen naar een andere gemeente of regio, waardoor maatschappelijke opvang kan worden geboden in die andere gemeente of regio.

Artikel 3. Onderzoek

De gemeente van melding gaat vervolgens eerst met de cliënt na wat de woonplaats was van de cliënt voor het ontstaan van dakloosheid. De woonplaats is hierbij de gemeente waar de cliënt het jaar voorafgaand aan de melding hoofdzakelijk is ingeschreven als ingezetene in de zin van de Wet basisregistratie personen. Ingeval de woonplaats niet op grond van de onderdelen Wet basisregistratie personen kan worden vastgesteld wordt de plaats van het werkelijke verblijf van de cliënt op het moment van de melding gehanteerd als ‘woonplaats’.

 

Indien wordt vastgesteld wat de woonplaats was van de cliënt vóór het ontstaan van dakloosheid, wordt de uitvoering van het onderzoek in beginsel overgedragen aan deze gemeente van herkomst (dan wel het regionaal samenwerkingsverband maatschappelijke opvang waartoe de gemeente van herkomst behoort). In beginsel mag van de gemeente van herkomst verwacht worden dat zij hiertoe bereid en in staat is.

 

Indien de woonplaats niet vastgesteld kan worden of er geen overeenstemming is met de gemeente van herkomst voert de gemeente van melding, het onderzoek zelf uit. Dit is ook het geval indien de gemeente van melding het onderzoek niet wenst over te dragen aan de gemeente van herkomst.

 

Indien de gemeente van melding het onderzoek zelf uitvoert, kan zij de gemeente waar de cliënt woonachtig was voor het ontstaan van dakloosheid verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren. Dat kan bijvoorbeeld op basis van de in bijlage I opgenomen onderzoeksvragen. In het belang van een voorspoedig onderzoek mag van de betreffende gemeente verwacht worden dat zij zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen de onderzoeksperiode van 2 weken antwoorden geeft op de gestelde vragen.

 

De gemeente die het onderzoek uitvoert onderzoekt vervolgens met de cliënt in welke gemeente (dan wel in welke regio) een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt. Bij het onderzoek betrekt de gemeente in elk geval de wens van de cliënt. Ook andere factoren die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs van de cliënt en lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten dienen daarbij betrokken te worden. Overigens hoeft het feit dat de cliënt werk, dagbesteding of onderwijs heeft in een bepaalde gemeente (of regio) geen reden te zijn om ook opgevangen te worden in de betreffende gemeente (of regio). Ook hierbij kan reistijd redelijk en acceptabel zijn. Ook dient in het onderzoek te worden betrokken of er factoren zijn in een gemeente (of regio) die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of actuele criminele activiteiten en/of justitiële maatregelen die opgelegd zijn aan de cliënt. De onderzoeksvragen die in het onderzoek gesteld kunnen worden zijn concreet uitgewerkt in bijlage I.

 

In het belang van de cliënt dient het onderzoek zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen 2 weken uitgevoerd te worden. Dit is ook van belang voor de gemeente welke gedurende het onderzoek de cliënt maatschappelijke opvang biedt. Er kunnen redenen zijn waardoor het onderzoek niet afgerond kan worden binnen 2 weken.

 

Indien er – gedurende het onderzoek – een gemeente (dan wel een regio) naar voren komt waarbij een traject in de maatschappelijke opvang mogelijk of waarschijnlijk de grootste kans van slagen heeft, dan wordt deze gemeente betrokken bij het onderzoek. De verantwoordelijkheid voor het onderzoek blijft echter bij de gemeente welke het onderzoek uitvoert. De uitkomsten van het onderzoek worden, door de gemeente vastgelegd in een onderzoeksverslag, zoals de Wmo 2015 ook voorschrijft. Dit onderzoeksverslag kan overigens bondig zijn om administratieve lasten zo veel als mogelijk te voorkomen.

Artikel 4. Overdracht van cliënt en cliëntgegevens

Indien de kans van slagen van een traject groter wordt geacht in een andere gemeente, neemt de gemeente welke het onderzoek uitvoert, contact op met die andere gemeente. Dit gebeurt in overleg met de cliënt, wat niet hoeft te betekenen dat er overeenstemming is met de cliënt.

 

Deelt de gemeente waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht deze conclusie, dan stelt deze gemeente direct maatschappelijke opvang beschikbaar, zodat ‘warme’ overdracht tussen de betrokken gemeenten ook snel kan plaatsvinden. Uitstel van deze overdracht is alleen mogelijk indien de gemeenten overeenkomen dat het bijdraagt aan de kans van slagen van een traject, dat deze overdracht later plaatsvindt.

 

Ook voor de gemeente waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht betekent de verantwoordelijkheid voor het bieden van maatschappelijke opvang niet noodzakelijk dat in de betreffende gemeente (dan wel de regio maatschappelijke opvang waartoe die gemeente behoort) zelf de maatschappelijke opvang wordt geboden. De maatschappelijke opvang kan eventueel ook door de gemeente waar de kans van slagen van een traject het grootst wordt geacht tijdelijk in een andere regio beschikbaar worden gesteld. Ook kan een alternatief voor maatschappelijke opvang worden aangeboden, maar in elk geval dusdanig dat wordt voorzien in de geconstateerde ondersteuningsbehoefte van onderdak en begeleiding van de cliënt.

 

Tot aan het moment dat de overdracht van de cliënt is gerealiseerd blijft de gemeente van melding verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke opvang, dan wel blijft die gemeente verantwoordelijk maatregelen te treffen om op een andere wijze te voorzien in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

 

Bij de ‘warme’ overdracht wordt alle noodzakelijke informatie over de cliënt overgedragen tussen de gemeenten, waaronder het onderzoeksverslag. Dit uiteraard binnen de wet- en regelgeving inzake bescherming van persoonsgegevens en in overleg met de cliënt. De wijze waarop de overdracht plaatsvindt is vormvrij.

 

Ook worden er tussen de gemeenten concrete afspraken gemaakt over de datum van overdracht, welke aanbieder zal voorzien in de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en hoe het vervoer van de cliënt en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt. Dit zodat er, vóór de overdracht, zekerheid is over de wijze waarop in de andere gemeente of regio tegemoet gekomen zal worden aan de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. ‘Warme’ overdracht vindt plaats dusdanig dat de cliënt zo min mogelijk hinder ondervindt hiervan.

 

Verder is belangrijk te onderkennen dat de gemeenten personen zonder vaste woon- of verblijfplaats kunnen inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) op een zogenaamd ‘briefadres’. De gemeente dient in die situatie afspraken te maken met een ’briefadresgever’ (bijvoorbeeld een instelling voor maatschappelijke opvang) of kan zelf optreden als ’briefadresgever’.

 

Indien de cliënt weigert medewerking te verlenen aan de overdracht, kan de gemeente van melding overgaan tot weigering van de aanvraag tot een voorziening maatschappelijke opvang met verwijzing naar de uitkomst van het onderzoek, waarin gemotiveerd kenbaar is gemaakt dat de kans op een succesvol traject groter in een andere gemeente of regio is. Ook kan de gemeente vervolgens het bieden van maatschappelijke opvang beëindigen. Desgewenst kan de cliënt in bezwaar (en daarna eventueel beroep) gaan tegen het besluit van de gemeente.

Artikel 5. Verschil van mening tussen gemeenten

Bij verschil van mening tussen gemeenten proberen de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) onderling tot een oplossing te komen. Als de gemeenten (dan wel de regio’s maatschappelijke opvang waartoe die gemeenten behoren) niet tot een oplossing komen, dan kan het geschil worden voorgelegd aan de commissie geschillen landelijke toegankelijkheid.

 

In afwachting van het oordeel van de commissie wordt dan de maatschappelijke opvang voortgezet bij de gemeente waar maatschappelijke opvang in eerste instantie al werd geboden. Ook kan door die gemeente op andere wijze langer voorzien worden in de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke opvang.

 

De bij het geschil betrokken gemeenten volgen het oordeel van de commissie bij de te nemen gemeentelijke toekenningsbesluiten.

BIJLAGE I: ONDERZOEKSVRAGEN

 

De gemeente (of regio) die het onderzoekt uitvoert, onderzoekt in welke gemeente (of regio) een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt.

 

De volgende aspecten a t/m e dienen in elk geval daarbij aan de orde te komen. Daarbij is van belang dat de onderzoeksresultaten zo veel mogelijk gestaafd worden met feiten (waar mogelijk met schriftelijke bevestigingen) om tot een gemotiveerd besluit te komen.

 

  • a.

    Wens van de cliënt

    • Heeft de cliënt een wens waar (in welke gemeente of regio) hij opgevangen wil worden?

    • Welke argumenten heeft de cliënt waarom een traject in de betreffende gemeente of regio van zijn of haar wens de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt?

  • b.

    Sociaal netwerk

    • Wie behoren tot het sociale netwerk (zijnde personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt) en waar wonen zij?

    • In welke mate is er sprake van een sociaal netwerk, welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt (“ondersteunend netwerk”)? Waaruit bestaat de ondersteuning, nu en in de toekomst? Draagt een traject in een bepaalde gemeente of regio eraan bij dat deze invloed in belangrijke mate wordt benut?

    • In welke mate is er sprake van een sociaal netwerk, welke een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt (“negatief netwerk”)? Welke negatieve invloed heeft dit sociaal netwerk naar verwachting op de cliënt en in welke mate? Draagt een traject in een bepaalde gemeente of regio er naar verwachting aan bij dat deze invloed wordt voorkomen of in belangrijke mate wordt beperkt?

  • c.

    Bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs

    • Is er sprake van bestaand werk en/of dagbesteding en/of onderwijs in een bepaalde gemeente of regio?

    • Zo ja, bij welke werkgever, aanbieder van dagbesteding of onderwijs is dit, en voor hoeveel dagen per week?

    • Per welke datum is cliënt hiermee gestart, en per wanneer eindigt contract, opleiding etc.?

    • In welke mate draagt dit werk/dagbesteding/onderwijs naar verwachting bij aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt en dient de continuïteit zoveel als mogelijk te worden gewaarborgd?

  • d.

    Lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten

    • Is er sprake van lopende hulpverlenings- of ondersteuningstrajecten?

    • Zo ja welke? Wanneer zijn deze trajecten gestart, en met welke frequentie is er contact?

    • Welke aanbieders of zorgverleners zijn daarbij betrokken?

    • Indien het gemeentelijke ondersteuning of hulp betreft: welke gemeente heeft hiertoe een toekenningsbeschikking verleend?

    • In welke mate draagt deze hulpverlening/ondersteuning naar verwachting bij aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt en dient de continuïteit zoveel als mogelijk te worden gewaarborgd?

    • Wat is de visie van de huidige betrokken hulpverlening in welke gemeente een traject in de maatschappelijke opvang de grootste kans van slagen heeft, dat wil zeggen in beginsel het meeste kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie (en daarmee het duurzaam herstel) van de cliënt?

  • e.

    Actuele criminele activiteiten en/of maatregelen

    • Is er sprake van actuele politie- of justitiecontacten in die zin dat er recent sprake was of is van criminele activiteiten? In hoeverre kan dit aangetoond worden? Is cliënt bekend bij een Veiligheidshuis?

    • Draagt een traject in een bepaalde gemeente of regio naar verwachting eraan bij dat criminele activiteiten worden voorkomen of in belangrijke mate worden beperkt?

    • Is er sprake van maatregelen die zijn opgelegd aan de cliënt (justitieel, zoals contact- of gebiedsverboden) waarmee rekening gehouden moet worden?

BIJLAGE II: STROOMSCHEMA LANDELIJKE TOEGANKELIJKHEID MAATSCHAPPELIJKE OPVANG