Gemeenteblad van Eemsdelta

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
EemsdeltaGemeenteblad 2021, 61331Beleidsregels



Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Eemsdelta 2021

Burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta

Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang;

Besluit:

de Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Eemsdelta 2021 vast te stellen.

1. Besluit, toepassing, citeertitel beleidsregels en definities

1.1. Besluit

Het Kwaliteitskader VVE 2019 is onderdeel van deze beleidsregels.

 

1.2. Toepassing

Deze beleidsregels zijn van toepassing op de gemeentelijke inzet om:

  • toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang;

  • aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen;

  • te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving;

  • en eventuele preventieve activiteiten.

In de gemeente is mandatering geregeld voor afhandeling van de wet binnen de gemeente. Daarnaast zijn toezichthouders aangewezen bij de GGD en zijn toezichthoudende taken aan de GGD gemandateerd.

Deze beleidsregels zijn van toepassing op alle gastouderbureaus, voorzieningen voor kinderopvang en gastouderopvang binnen de gemeente.

 

1.3. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Eemsdelta 2021'.

 

1.4. Definities

Hieronder vindt u definities van de belangrijkste in dit beleid voorkomende termen. Voor alle (overige) definities wordt aangesloten bij de definities zoals deze zijn gegeven in de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving.

 

Definitie

 

Afwegingsmodel

In het afwegingsmodel worden per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven en voorzien van een hersteltermijn, de hoogte van de bestuurlijke boete en de last onder dwangsom.

Het afwegingsmodel is opgenomen in deze beleidsregels onder 6.6.

Awb

Algemene wet bestuursrecht

College

Het college van burgemeester en wethouders

Gastouderbureau

Een bureau dat bemiddelt tussen ouders en gastouders (zie Wko)

Gemeente

Gemeente Eemsdelta

GGD

GGD Groningen, toezichthouder kinderopvang voor de gemeente.

Kindercentrum

Een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt anders dan gastouderopvang.

Kinderopvangvoorziening

Buitenschoolse opvang op een specifiek adres, dagopvang of peuteropvang op een specifiek adres of een voorziening voor gastouderopvang.

Kwaliteitseisen

De kwaliteitseisen vastgelegd in voorschriften, welke door de houder nageleefd moeten worden, staan genoemd in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving.

LRK

Landelijk Register Kinderopvang

Toezichthouder

De aangewezen toezichthouder van de GGD. De Toezichthouder Kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

Wko

Wet kinderopvang

 

2. Inleiding

2.1. Waarom beleid

Volgens de Wet kinderopvang (Wko) is het college van de gemeente bevoegd tot het vastleggen en het handhaven van beleid. In deze beleidsregels is vastgelegd welk beleid de gemeente voert met betrekking tot de gemeentelijke taken die voortvloeien uit de Wet kinderopvang.

 

Het vastleggen van dit beleid draagt bij aan:

  • het stimuleren van kwalitatief goede kinderopvang;

  • een transparante werkwijze, omdat houders, ouders, toezichthouders en andere belanghebbenden vooraf geïnformeerd worden over de mogelijkheden en bevoegdheden van het college;

  • rechtsgelijkheid, door het vastleggen van beleidsregels die voor iedereen van toepassing zijn;

  • ruimte voor maatwerk in de handhaving, waar nodig en mogelijk.

 

2.2. Wat komt aan de orde

Allereerst wordt de gemeentelijke integrale visie op handhaving in de kinderopvang toegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op de verschillende mogelijkheden binnen het toezicht, waaronder herstelaanbod en risico gestuurd toezicht. Daarna wordt uitgelegd hoe een aanvraag tot exploitatie afgehandeld wordt. Als laatste gaat het college in de beleidsregels in op de verschillende mogelijkheden voor handhaving bij het niet naleven van de kwaliteitseisen. Hierin wordt aangegeven welke strategie gevolgd wordt. Daarbij wordt per niet nageleefde kwaliteitseis bepaald welke handhaving daarop volgt, waarbij het afwegingsmodel richting geeft.

 

In het afwegingsmodel, paragraaf 6.6, is vastgelegd:

  • de maximale hersteltermijn;

  • of er een boete kan worden opgelegd en de hoogte daarvan;

  • de hoogte van een last onder dwangsom.

 

2.3. Landelijke ontwikkelingen

Ontwikkelingen

Op 1 januari 2018 zijn de Wet innovatie kwaliteit kinderopvang (Wet IKK) en (de laatste fase van) de Wet harmonisatie kinderopvang en peuteropvang in werking getreden. Hierdoor en door andere ontwikkelingen waar wij hieronder op ingaan, was het noodzakelijk deze nieuwe beleidsregels voor de handhaving van de Wet kinderopvang vast te stellen. Het is onmogelijk om alle ontwikkelingen binnen de kinderopvang van de afgelopen jaren in deze beleidsregels op te nemen. Een weergave van de ontwikkelingen die de meeste invloed hebben (gehad) op de houders en de gemeente:

 

Wet innovatie kwaliteit kinderopvang

De Wet IKK legt de hoofdpunten van de wijzigingen vast. De nieuwe kwaliteitseisen zijn uitgewerkt in een besluit (Besluit kwaliteit kinderopvang van 23 augustus 2017, geldend vanaf 01-01-2018 ) en een ministeriële regeling. Het besluit gaat over de meeste wijzigingen in de kwaliteitseisen, zoals het pedagogisch beleidsplan, veiligheid- en gezondheidsbeleid, het mentorschap en de pedagogisch beleidsmedewerker. Ook de beroepskracht-kind ratio (BKR) wordt geregeld in het besluit.

De pedagogische kwaliteit is versterkt door een aantal maatregelen, zoals structurele scholing van de pedagogische medewerkers, een betere mix van mbo- en hbo-functies op de werkvloer met onder andere inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker. De opvang van baby’s is verbeterd door meer tijd en aandacht per baby.

 

Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk

De regelgeving van kinderopvang en peuteropvang was al voor een groot deel geharmoniseerd met behulp van eerdere wetten en regelingen. Met de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk is het laatste deel van de harmonisatie verder vorm gegeven. De tot dan toe nog bestaande verschillen tussen de kwaliteitskaders zijn opgeheven bij de totale herijking van de kwaliteitskaders in 2018. Dit heeft tot gevolg dat er vanaf 2018 één nieuw kwaliteitskader geldt voor zowel de peuteropvang als de kinderopvang. Per 1 januari 2018 zijn de peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven en moeten zij hierdoor vanaf dat moment voldoen aan de kwaliteitseisen die gelden voor kindercentra (dagopvang, peuteropvang en buitenschoolse opvang).

 

Streng aan de Poort

Per 1 oktober 2017 zijn de voorlopers van de gemeente Eemsdelta samen met de GGD Groningen gestart met de werkwijze Streng aan de Poort. Voor de houder van een kindercentrum of gastouderbureau betekent dit dat er wat is veranderd. Het gaat om situaties waarin er een aanvraag gedaan wordt voor een houderwisseling, een nieuw gastouderbureau, een nieuw kindercentrum of een verhuizing van een kindercentrum.

Streng aan de Poort houdt in dat een houder vanaf het moment dat het kindercentrum of gastouderbureau geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang meteen moet voldoen aan alle kwaliteitseisen. Het college vraagt daarom de GGD om intensief onderzoek te doen waarbij ook gekeken wordt naar (eventuele) eerdere of andere locaties die de houder heeft en hoe daar aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Als uit het GGD-onderzoek blijkt dat te verwachten is dat een houder, dan wel de locatie - zelfs met hersteltermijnen - niet direct vanaf de start redelijkerwijs aan alle kwaliteitseisen kan voldoen, dan geeft de GGD een negatief advies. Het college zal dan besluiten de locatie niet te registreren en dus kan de locatie niet starten.

 

Naast de registratie in het Landelijk Register Kinderopvang is de houder er verantwoordelijk voor dat alle noodzakelijke vergunningen in orde zijn. Bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor brandveiligheid. Deze stappen moet de houder nemen vóórdat er een aanvraag tot registratie in het Landelijk Register Kinderopvang gedaan wordt.

Zodra bekend is dat een houder een nieuwe locatie wil starten, informeert het college de houder over de benodigde vergunningen. Het aanvragen en verkrijgen van de diverse vergunningen blijft de verantwoordelijkheid van de houder.

Met de invoering van deze werkwijze verandert er niets aan de beslistermijn en/of de procedure voor het beslissen op een aanvraag.

 

Herstelaanbod

Herstelaanbod is een eerste stap in het bevorderen van de naleving. Het is echter geen handhavingsmiddel en het valt ook niet onder ‘lichte handhaving’. Het betreft een informele methode zonder juridische status en is niet opgenomen in wet- en regelgeving. Herstelaanbod kan als werkwijze ingezet worden na onderlinge afstemming hierover tussen gemeente en GGD. We hebben met de GGD Groningen afspraken gemaakt over het invoeren van deze werkwijze.

Bij het herstelaanbod maakt de toezichthouder met de houder afspraken dat binnen een termijn

(maximaal 4 weken) de overtredingen zijn hersteld. De afspraak wordt per mail vastgelegd door de toezichthouder. Na afloop van de termijn volgt een nieuwe beoordeling van de aspecten die niet in orde waren. Als de overtredingen hersteld zijn, volgt er geen handhaving. Als er nog steeds overtredingen zijn, volgt wel handhaving.

 

Gemeentelijke ontwikkelingen

Door de veranderende landelijke regelgeving is het lokale handhavingsbeleid aan verandering onderhevig. Kinderen in de kinderopvang zijn kwetsbaar. Zeker als zij zo jong zijn dat ze zich nog niet verbaal kunnen uiten. De Rijksoverheid zet zich in om de veiligheid in de kinderopvang te verbeteren. De kinderopvang is en blijft daarom volop in beweging. Gezien de vele ontwikkelingen van de afgelopen jaren (zie hoofdstuk landelijke ontwikkelingen) en de aanzienlijke wijzigingen in de wet- en regelgeving was het noodzakelijk deze nieuwe beleidsregels op te stellen. In 2020 hebben de colleges van de voorloper-gemeenten van Eemsdelta afzonderlijk hetzelfde handhavingsbeleid vastgesteld, de Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang 2020. Inhoudelijk is er niets veranderd in deze Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet Kinderopvang Eemsdelta 2021. Om juridische redenen zijn deze opnieuw vastgesteld door het college en de raad van de gemeente Eemsdelta.

 

De Wet kinderopvang (Wko) bepaalt dat gemeenten in dit kader een toezicht- en handhavingstaak hebben. De Inspectie van het Onderwijs controleert jaarlijks of gemeenten hun wettelijke taken op het gebied van kinderopvang goed uitvoeren. Het college van burgemeester en wethouders is op grond van de Wet kinderopvang het bevoegd gezag voor het toezicht op de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang. De GGD is bij wet de aangewezen toezichthouder. Het college heeft de GGD Groningen aangewezen om de kwaliteit van alle kinderopvanglocaties in de gemeente te inspecteren. De GGD controleert in opdracht van het college of kinderopvangorganisaties voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. De Toezichthouder Kinderopvang van de GGD (hierna: de toezichthouder) legt haar bevindingen vast in een rapport en adviseert het college naar aanleiding van deze onderzoeken en brengt een (handhavings)advies uit. Op deze wijze werken de gemeente Eemsdelta en GGD Groningen samen aan kwalitatief goede kinderopvang.

3. Kader, visie, ambitie en speerpunten

3.1. Kader

Aan kinderopvang worden kwaliteitseisen gesteld. Deze kwaliteitseisen staan in de Wet kinderopvang (Wko) en in de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en aanverwante regelingen.

 

De regelgeving stelt kwaliteitseisen aan de volgende onderwerpen (in de rapportages van de GGD ook wel domeinen genoemd):

  • registratie, wijzigingen en administratie;

  • het pedagogisch klimaat;

  • personeel en groepen;

  • veiligheid en gezondheid;

  • accommodatie;

  • ouderrecht.

 

De Wko bepaalt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor toezicht op en handhaving van deze eisen. De GGD is bij wet de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. Het college heeft de directeur Publieke Gezondheid van de GGD aangewezen als toezichthouder.

De Inspectie van het Onderwijs is de tweedelijns toezichthouder en controleert jaarlijks of de gemeente haar wettelijke taken met betrekking tot de registervoering en de uitvoering van het toezicht goed uitvoert.

 

3.2. Visie op handhaving

De gemeente heeft de volgende integrale visie op handhaving. Wanneer geconstateerd wordt dat een kwaliteitseis niet nageleefd wordt, grijpt de gemeente actief in met een handhavingsmaatregel. Feiten en omstandigheden waaronder de overtreding is begaan worden daarbij meegewogen.

Het doel van handhaven is niet om bestraffend op te treden. De gemeente streeft herstel na van de overtreding. De gemeente kan een bestuurlijke boete opleggen indien noodzakelijk.

 

3.3 Ambitie

De gemeente Eemsdelta vindt kwalitatief goede kinderopvang zeer belangrijk. Toezicht en handhaving worden passend ingezet. De gemeente streeft een goede relatie met de houder na en werkt vanuit vertrouwen.

 

De gemeente Eemsdelta wil goede kinderopvang en voorschoolse educatie. Dat wil de gemeente in het belang van kinderen en ouders. Zij moeten erop kunnen rekenen dat de opvang een veilige en gezonde omgeving is waarin het welzijn van het kind centraal staat en waar de ontwikkeling van het kind gestimuleerd wordt. Om dat te realiseren en behouden, hebben ondernemers, ouders, opleidingen, ministerie en gemeente ieder een rol en verantwoordelijkheid.

 

3.4 Speerpunten

De gemeente kan aan bepaalde kwaliteitseisen extra aandacht geven. Dit kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld intensiever toezicht op voorschriften die al onderdeel uitmaken van het onderzoek, maar ook door extra (aanvullende) voorschriften in het onderzoek op te nemen. Op deze wijze krijgt de gemeente een beter beeld van de kwaliteit van de kinderopvang en waar nodig kan handhaving ingezet worden. Zodoende draagt de gemeente bij aan de kwaliteit van de kinderopvang.

 

Hoe zorgvuldig de toezichthouder zijn werk ook doet, het blijft een momentopname. Ook bij een volledige inspectie kan de toezichthouder niet altijd alles beoordelen. De toezichthouder werkt met een vast toetsingskader op basis van de wet. Waar de aandacht tijdens een onderzoek specifiek op wordt gericht, wordt bepaald door een aantal factoren:

 

  • 1.

    Locatie specifieke situatie: niet elk kindercentrum heeft dezelfde risico’s. Zo kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een gedeelde ruimte, van een aanbod van warme maaltijden, van een drukke omgeving etc. Deze situaties brengen eigen risico’s met zich mee, waar de toezichthouder zich in het onderzoek naar veiligheid en gezondheid op zal richten.

  • 2.

    Inspectiehistorie: indien bij een locatie in eerdere jaren bijvoorbeeld vaker is geconstateerd dat er personen zonder VOG worden ingezet, dan zal de toezichthouder dit uitgebreider onderzoeken dan wanneer dit in eerdere jaren nooit is geconstateerd.

  • 3.

    Speerpunten: de GGD kan zich jaarlijks richten op bepaalde speerpunten in de kwaliteit. Deze speerpunten kunnen in overleg met de gemeente worden vastgesteld in het jaarplan, maar kunnen ook afhankelijk zijn van signalen uit het veld. Zo kan een ernstig ongeluk met een campingbedje aanleiding zijn om hier extra aandacht aan te besteden, of kan een salmonella-uitbraak reden zijn om extra aandacht te besteden aan de werkwijze rondom voedselveiligheid. Om te voorkomen dat de focus van de ondernemer zich vooral richt op de speerpunten worden deze niet altijd van te voren kenbaar gemaakt.

4. Toezicht

 

De Toezichthouder Kinderopvang van de GGD komt jaarlijks op alle kindercentra en gastouderbureaus en ziet wat daar in de dagelijkse praktijk gebeurt. Daarnaast onderzoekt de toezichthouder jaarlijks (middels een steekproef van de LRK geregistreerde voorzieningen) een deel van de gastouders. De toezichthouder fungeert daarmee als de ogen en oren van de gemeente. Hij onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en adviseert de gemeente over deze naleving.

 

4.1. Onderzoeken

De toezichthouder van de GGD voert de volgende onderzoeken uit voor de gemeente Eemsdelta:

Onderzoek voor registratie: naar aanleiding van een ingediende aanvraag tot exploitatie onderzoekt de toezichthouder of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden volgens de voorschriften van de Wko en onderliggende regelgeving. In beginsel volgt binnen 10 weken na ontvangst van de aanvraag een besluit.

  • Onderzoek na registratie: binnen 3 maanden na registratie in het LRK vindt een onderzoek plaats (dit onderzoek vindt niet plaats bij voorzieningen voor gastouderopvang).

  • Jaarlijks onderzoek: alle kindercentra en gastouderbureaus worden jaarlijks onderzocht.

  • Onderzoek voorzieningen voor gastouderopvang; Jaarlijks wordt 20% van de voorzieningen voor gastouderopvang onderzocht.

  • Nader onderzoek: naar aanleiding van eerder geconstateerde overtreding(en) en als er een handhavingsmaatregel is ingezet, onderzoekt de toezichthouder, nadat de hersteltermijn is verstreken, of de overtreding is hersteld.

  • Incidenteel onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van onder meer een incident, een signaal, een wijzigingsverzoek van een houder of een onderzoek passend bij de gemeentelijke speerpunten.

 

De bevindingen van de GGD als toezichthouder worden in een inspectierapport vastgelegd. Deze inspectierapporten geven een beeld van de kwaliteit van de voorziening. De rapporten worden openbaar gemaakt in het LRK.

 

4.2. Risicogestuurd en onaangekondigd toezicht

Om een goed beeld te krijgen van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang vinden de onderzoeken (met uitzondering van het onderzoek voor registratie) in principe onaangekondigd plaats. Daarnaast wordt het toezicht op kindercentra en gastouderbureaus die daarvoor in aanmerking komen, risicogestuurd uitgevoerd. Dit betekent meer toezicht waar het nodig is, minder waar het kan. Om hier invulling aan te geven wordt door de toezichthouder een risicoprofiel opgesteld of aangepast na ieder (daarvoor relevant) onderzoek. Aan de hand hiervan wordt een advies aan de gemeente gegeven over de intensiviteit van het daarna volgende toezicht.

 

4.3. Herstelaanbod

De gemeente Eemsdelta en de GGD werken met de werkwijze 'herstelaanbod'. Door te werken met herstelaanbod verwacht de gemeente dat een overtreding sneller beëindigd wordt. Dit komt de kwaliteit van de kinderopvang ten goede en de gemeente hoeft minder handhaving in te zetten.

 

Een herstelaanbod is het aanbod van de toezichthouder kinderopvang aan de houder om binnen de door de toezichthouder gestelde tijd een geconstateerde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport wordt opgesteld.

 

Het herstelaanbod kan aangeboden worden bij alle type voorzieningen, volgend uit een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek of een incidenteel onderzoek. Het wordt niet aangeboden bij een onderzoek voor registratie of bij een nader onderzoek.

 

Een overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod. De toezichthouder beoordeelt of de aard en omstandigheid zich lenen voor herstelaanbod. De periode tot herstel is maximaal 4 weken. De toezichthouder schrijft in het inspectierapport het verloop van het aanbod. De houder is niet verplicht om van het aanbod gebruik te maken.

 

In opdracht van de gemeente Eemsdelta geeft de GGD geen herstelaanbod:

  • bij een herhaling van een overtreding;

  • bij te veel overtredingen;

  • als een hersteltermijn nodig is van langer dan 4 weken;

  • indien de gemeente van oordeel is dat verder gaande maatregelen niet noodzakelijk zijn;

  • als een aanwijzing wordt afgegeven voor een andere overtreding.

De gemeente weegt de oorspronkelijke overtreding en de resultaten van herstelaanbod mee bij haar beslissing om wel of niet te handhaven.

 

De geconstateerde overtreding, het herstelaanbod, de maatregel en het resultaat worden in het inspectierapport beschreven. Als de overtreding naar aanleiding van het herstelaanbod is hersteld, dan zal het college niet handhavend optreden. Indien de overtreding niet of niet volledig is beëindigd na het herstelaanbod, dan kan het college dit – in beginsel – als een verzwarende omstandigheid beschouwen en bepaalde stappen in het herstellende traject overslaan.

 

Het college gaat uit van vertrouwen. Het herstelaanbod is daar op gericht. Met deze vorm van toezicht kunnen houders overtredingen sneller en efficiënter ongedaan maken en voorkomen dat handhaving nodig is, hetgeen in ieders belang is. Tevens komt dit ten goede aan de kinderen in de opvang. Want uiteindelijk hebben wij allemaal hetzelfde doel: een gezonde en veilige omgeving voor onze kinderen. Deze werkwijze kan hieraan meewerken.

 

4.4. Schriftelijk bevel

Indien de toezichthouder tijdens een onderzoek een situatie tegenkomt waarin het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder zelf ingrijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is (zijn) en welke actie(s) de houder moet ondernemen binnen welke termijn.

 

De toezichthouder informeert de gemeente over het opgelegde schriftelijk bevel. Hierdoor is de gemeente tijdig op de hoogte om eventuele vervolgstappen (zoals verlenging van het schriftelijk bevel) te nemen. 

 

5. Aanvraag tot exploitatie

 

In de volgende gevallen spreken we wettelijk gezien van een aanvraag tot exploitatie:

  • nieuwe voorziening

  • houderwijziging

  • verhuizing van een houder

 

In tegenstelling tot een aanvraag voor een nieuwe voorziening en een verhuizing, dient voor een houderwijziging een wijzigingsverzoek ingediend te worden. Met een houderwijziging wordt bedoeld dat een kinderopvangvoorziening van houder verandert.

 

Alle formulieren voor het aanvragen en het doorgeven van wijzigingen zijn te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.landelijkregisterkinderopvang.nl.

 

5.1. Nieuwe voorziening

Een nieuwe kinderopvangvoorziening mag pas in exploitatie genomen worden nadat schriftelijke toestemming is verleend door het college. Een aanvraag voor toestemming dient de houder in bij de gemeente waar de kinderopvangvoorziening staat. De beslistermijn is vastgelegd in de wet en is maximaal tien weken. Deze termijn kan in bepaalde situaties nog verlengd worden. Het is dus van belang dat de houder een aanvraag tijdig voor de gewenste startdatum indient. Een aanvraag wordt ingediend middels een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier, te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.landelijkregisterkinderopvang.nl. Bij het indienen van een aanvraag voor een nieuwe kinderopvangvoorziening worden leges in rekening gebracht. In het besluit waarin toestemming wordt verleend, staat de datum waarop de exploitatie mag starten. Als er toestemming is gegeven, wordt de voorziening vervolgens door de gemeente in het LRK geregistreerd.

 

5.1.1. Illegale kinderopvang

Zonder, of voorafgaand aan de schriftelijke toestemming tot exploitatie mag een kinderopvangvoorziening niet geëxploiteerd worden. Indien dit toch gebeurt, wordt dit ook wel aangeduid met illegale kinderopvang. De gemeente treedt streng op tegen illegale opvang. Illegale opvang is op grond van de Wet op de economische delicten reden voor aangifte bij het Openbaar Ministerie. of het opleggen van een bestuurlijke boete door de gemeente.

 

Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van illegale opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven.

 

5.1.2. Streng aan de Poort

De gemeente wil dat er direct vanaf de start van de exploitatie van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verantwoorde en kwalitatief goede opvang geboden wordt. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de door het gastouderbureau te begeleiden gastouders aan de kwaliteitseisen voldoen. De gemeente laat daarom alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de GGD.

 

De toezichthouder zal bij het onderzoek voor registratie toetsen of er voldoende vertrouwen is dat er vanaf datum van exploitatie kwalitatief goede opvang of begeleiding geboden wordt. Uitgangspunt hierbij is dat al bij de aanvraag tot exploitatie (voor zover mogelijk) alle eisen beoordeeld worden. Aanvullend kan een gesprek met de houder duidelijkheid geven over of hij ‘redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen' zal gaan voldoen. Op basis van dit totale onderzoek vormt de toezichthouder een oordeel over de aanvraag tot exploitatie en stuurt dit naar de gemeente.

 

De gemeente neemt in de beoordeling van de aanvraag de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van de houder en de daarbij behorende handhavingshistorie mee. Voortdurende, ernstige en/of vele overtredingen op deze voorzieningen vormen een indicatie voor de naleving van de kwaliteitseisen op een nieuwe voorziening. Signalen buiten het advies van de toezichthouder kunnen eveneens meewegen in de beoordeling van de aanvraag.

 

De gemeente kijkt, naast de beoordeling op de eisen vanuit de Wet kinderopvang, bij een nieuwe aanvraag ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. De gemeente vindt het van groot belang dat wanneer een kinderopvangvoorziening start met exploiteren ook aan de andere gestelde eisen is voldaan, zoals bijvoorbeeld eisen aan het brandveilig gebruik, de bouw (het gebouw) en de bestemming.

 

5.1.3. Startdatum exploitatie

Op basis van het onderzoek voor registratie neemt de gemeente een beslissing op de aanvraag. In de beslissing op de aanvraag wordt aangegeven vanaf welke datum de exploitatie mag starten op grond van de Wko.

 

5.1.4. Onderzoek na registratie

Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze waarop de kinderen worden opgevangen.

 

5.1.5. Mogelijkheden na afwijzing aanvraag tot exploitatie

Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag te kunnen indienen moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen.

 

5.2. Houderwijziging

Een kindercentrum of gastouderbureau dat wordt overgenomen is veelal al in exploitatie en er worden kinderen opgevangen/bemiddeld. Het is voor de continuïteit daarom van groot belang dat de oude en nieuwe eigenaar samen een overname goed regelen. Een houderwijziging wordt ingediend middels een door de rijksoverheid vastgesteld wijzigingsformulier.

 

De gemeente Eemsdelta hanteert de volgende uitgangspunten bij een overname:

  • Een overname moet worden behandeld als een nieuwe aanvraag. Dat betekent dat ook bij een overname streng wordt getoetst. Naleving van de kwaliteitseisen bij andere kinderopvangvoorzieningen en de handhavingshistorie van de nieuwe houder worden meegewogen.

  • Bij een overname worden leges in rekening gebracht, omdat de overname wordt behandeld als een nieuwe aanvraag met bijbehorend onderzoek.

  • De nieuwe houder heeft redelijkerwijs tijd nodig om eventuele bestaande tekortkomingen op te heffen. Daar wordt rekening mee gehouden.

 

5.3. Verhuizing

5.3.1. Verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang

Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist, wordt dit in behandeling genomen als zijnde een nieuwe aanvraag.

 

Bij de gemeente wordt ingediend:

  • Voor de oude kinderopvangvoorziening een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie (uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft.

  • Voor de nieuwe kinderopvangvoorziening een aanvraag tot exploitatie (inschrijving).

 

5.3.2. Verhuizing van een gastouderbureau

Wanneer een gastouderbureau (GOB) verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een GOB geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres van een GOB wijzigt.

 

Bij de gemeente wordt ingediend:

  • een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres.

 

Indien de verhuizing naar een andere gemeente is, moet het wijzigingsverzoek gestuurd worden naar de huidige gemeente van vestiging. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK), waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.

6. Handhaving

 

Het college is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving en kan een handhavingsbesluit nemen indien is geconstateerd dat de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Dit zal doorgaans blijken uit de inspectierapporten van de GGD. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan echter ook door de gemeente zelf worden geconstateerd. In beide gevallen kan de gemeente handhaven.

 

6.1. Preventie

De gemeente Eemsdelta vindt het van belang om het niet naleven van kwaliteitseisen (zoveel mogelijk) te voorkomen. In dit kader maakt de gemeente het toezicht- en handhavingsbeleid vindbaar voor houders via www.overheid.nl/lokale_wet_en_regelgeving_uitgeb

 

6.2. Maatwerk in handhaving

De gemeente heeft een beginselplicht tot handhaven. De wet- en regelgeving is hiervoor de basis en in dit gemeentelijk beleid wordt hier invulling aan gegeven. Goed handhaven betekent echter ook dat het college oog heeft voor de specifieke situatie van het geval. Individuele omstandigheden --verzwarend of verzachtend– kunnen van invloed zijn op het wel of juist niet afgeven van een maatregel nadat geconstateerd is dat een kwaliteitseis niet is nageleefd. Dat doet recht aan het feit dat niet alle situaties ‘standaard’ zijn. Handhaven is maatwerk.

 

6.2.1. Herstellend en/of bestraffend handhaven

De gemeente Eemsdelta heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven:

  • Herstellend betekent dat de gemeente de houder er toe aanzet de overtreding van een kwaliteitseis op te heffen en opgeheven te houden.

  • Bestraffend betekent dat de gemeente een bestuurlijke boete geeft voor bepaalde overtredingen.

Herstellend en bestraffend kan naast elkaar ingezet worden. In dit beleid is eerder de visie aangegeven op handhaven: het doel van handhaven is niet om bestraffend op te treden. De gemeente streeft herstel na van de overtreding. Bij overtredingen die niet tijdig zijn hersteld, kan er een bestuurlijke boete worden opgelegd. Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om de kosten van een herinspectie in rekening te brengen bij de houder als de gemeente daar aanleiding toe ziet.

 

6.2.2. Escalatieladder

Indien het herstelaanbod van de GGD niet tot herstel leidt, kan de gemeente een handhavingstraject inzetten. In beginsel start een herstellend handhavingstraject met een aanwijzing met een hersteltermijn. Na de hersteltermijn vindt nader onderzoek plaats. Blijkt uit nader onderzoek dat de kwaliteitseis(en) nog niet of niet volledig worden nageleefd en/of is er vrees voor herhaling van de overtreding(en), dan zal er een afweging plaatsvinden over een vervolgstap in de handhaving. Dit is doorgaans het opleggen van een last onder dwangsom.

 

Leidt ook deze stap niet tot (volledige) naleving, dan zal wederom een afweging over een vervolgstap plaatsvinden. In dat geval ligt een exploitatieverbod voor de hand. Het uiterste middel binnen een herstellend traject is het intrekken van de toestemming tot exploitatie.

 

6.2.3. Handhavingsafwegingen

Om te komen tot de uiteindelijke beoordeling van de situatie en de in te zetten handhaving worden meerdere afwegingen gemaakt om te bepalen of en zo ja welke actie nodig is. De beoordeling van deze afwegingen kan leiden tot gemotiveerd afwijken van de reguliere escalatieladder.

 

Voor de herstellende handhaving zijn dit onder andere de volgende afwegingen:

  • Is er herstelaanbod geweest?

  • Wat is de aard van de overtreding?

  • Wat is de ernst van de overtreding?

  • Hoeveel overtredingen zijn er totaal?

  • Betreft het een herhaalde overtreding (recidive)?

  • Wat zijn de omstandigheden waaronder de overtreding begaan is?

  • Is er sprake van factoren buiten de macht van de kinderopvangorganisatie?

 

6.2.4. Hersteltermijn/begunstigingstermijn

De gemeente geeft de houder bij een op herstel gerichte handhavingsmaatregel een termijn om de overtreden kwaliteitseis alsnog na te leven. Dit heet de herstel- of begunstigingstermijn. De hersteltermijn of begunstigingstermijn van een herstellende maatregel is afgestemd op een redelijke tijd die nodig is om de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. Bij de bepaling van de termijn wordt rekening gehouden met de aard en de ernst van de overtreding, waarbij het uitgangspunt is dat de overtreding zo spoedig mogelijk moet worden opgeheven. Zo zullen overtredingen die direct invloed hebben op de kwaliteit van de opvang en daarmee de veilige en gezonde omgeving, of die direct invloed hebben op de ontwikkeling van de kinderen, over het algemeen een korte hersteltermijn kennen.

Als uitgangspunt worden door de gemeente Eemsdelta de volgende termijnen gehanteerd:

  • a.

    maximaal twee weken voor herstel van overtredingen met gevolgen voor de directe veiligheid, gezondheid of pedagogisch welbevinden van de kinderen in de dagelijkse opvangpraktijk;

  • b.

    maximaal twee maanden voor herstel of wijziging van beleidsvoering en administratieve vereisten die redelijkerwijs moeten leiden tot verantwoorde kinderopvang;

  • c.

    maximaal zes maanden voor herstel van andere overtredingen die geen directe gevolgen hebben voor de veilige en gezonde omgeving van de kinderen.

 

De hersteltermijn zal met deze uitgangspunten bij elk handhavingsbesluit aan de hand van de specifieke situatie worden bepaald. De hersteltermijn zal zo kort mogelijk zijn, maar moet lang genoeg zijn om de overtreding daadwerkelijk te kunnen herstellen.

 

6.3. Handhavingsmiddelen

De gemeente kan de volgende herstellende en bestraffende handhavingsmiddelen inzetten:

 

Traject

Handhavingsmiddel

Informeel herstellend

Overleg en Overreding

 

Waarschuwing per brief of per e-mail

Formeel herstellend

Aanwijzing

 

Last onder dwangsom

 

Last onder bestuursdwang

 

Exploitatieverbod

 

Intrekken toestemming tot exploitatie

Formeel bestraffend

Bestuurlijke boete

 

In rekening brengen kosten herinspectie

 

Niet ieder middel is in iedere situatie geschikt om in te zetten. De gemeente kiest altijd het meest passende middel.

 

Hieronder volgt een toelichting op de diverse middelen die de gemeente Eemsdelta zal inzetten.

 

6.3.1. De aanwijzing

De aanwijzing wordt door de gemeente Eemsdelta doorgaans ingezet als eerste stap in het formele handhavingstraject. In een aanwijzing wordt aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder genomen moeten worden. Daarvoor krijgt de houder een hersteltermijn. Afhankelijk van de ernst en/of de gevolgen van de overtreding en de tijd die nodig is om de overtreding te beëindigen zal deze hersteltermijn korter of langer zijn.

 

Na afloop van de hersteltermijn kan de gemeente de GGD opdracht geven om nader onderzoek te doen om te beoordelen of de overtreding van de kwaliteitseis is beëindigd.

 

6.3.2. De last onder dwangsom (LOD)

De last onder dwangsom is een herstelmaatregel die doorgaans wordt gegeven na het niet opvolgen van een aanwijzing. Of indien in het verleden al eerder een aanwijzing voor eenzelfde overtreding is gegeven.

 

Met een last onder dwangsom krijgt een houder wederom de plicht (last) opgelegd om een overtreding van een kwaliteitseis te herstellen binnen een aangegeven (begunstigings-)termijn en daarna hersteld te houden.

Na afloop van de begunstigingstermijn geeft de gemeente de GGD opdracht om te controleren of de houder aan de last heeft voldaan. Wanneer de houder niet of niet op tijd herstelt, verbeurt de dwangsom van rechtswege en moet de houder deze betalen.

 

De gemeente stelt de hoogte van de dwangsom als volgt vast: het bedrag is gelijk aan het bedrag dat in het afwegingsmodel (6.5) staat genoemd als boete.

 

Een dwangsom kan worden opgelegd:

  • Als bedrag ineens.

  • In dat geval wordt er na de begunstigingstermijn eenmalig beoordeeld of wel of niet aan de opgelegde last is voldaan en of de dwangsom dus wel of niet is verbeurd.

  • Per constatering van een overtreding.

  • Hierbij wordt na de hersteltermijn de dwangsom verbeurt elke keer wanneer (door of namens de gemeente) geconstateerd wordt dat de houder de last overtreedt. Er wordt in dit geval wel een maximumbedrag aan de dwangsom gekoppeld. Dit maximum bedrag moet in het besluit zijn opgenomen.

  • Per periode dat de last wordt overtreden.

  • Hierbij wordt na de hersteltermijn per in het besluit aangegeven periode beoordeeld of wel of niet aan de last is voldaan en of deze derhalve is verbeurd of niet. Ook deze vorm is aan een maximum bedrag verbonden. Deze wordt ook in het besluit genoemd. Deze vorm van de last onder dwangsom wordt bij zogenaamde voortdurende overtredingen opgelegd. Dat zijn overtredingen die onafgebroken gedurende een langere periode aanhouden, zoals dat bijvoorbeeld bij een beleidsdocument het geval kan zijn.

 

Het betalen van de dwangsom kan worden voorkomen door tijdig herstellen en hersteld houden van de overtreding.

 

Indien bij herbeoordeling geen overtreding van de betreffende kwaliteitseis meer is geconstateerd, kan de houder waaraan een last onder dwangsom is opgelegd een jaar nadat de last van kracht is geworden, verzoeken om de last op te heffen.

 

6.3.3. Last onder bestuursdwang (LOB)

Bij een last onder bestuursdwang neemt de gemeente bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. De kosten die hierbij gemaakt worden zijn voor rekening van de houder.

 

6.3.4. Het exploitatieverbod

Bij een exploitatieverbod verbiedt de gemeente de houder om de voorziening in exploitatie te nemen of te houden. Dit is een zwaar handhavingsmiddel vanwege de verstrekkende gevolgen voor de houder, de ouders en de kinderen.

 

De gemeente Eemsdelta kan een houder in de volgende gevallen een exploitatie verbod op leggen:

  • Zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is;

  • Indien niet wordt voldaan aan de minimumeisen die volgen uit de Wko.

 

Bij het exploitatieverbod stelt de gemeente een maximale termijn. Dit is geen hersteltermijn zoals eerder in paragraaf 6.2.4. beschreven.

 

Zodra de houder de maatregelen uit het exploitatieverbod of het eventueel daaraan voorafgaande bevel of de aanwijzing heeft opgevolgd, dient hij de gemeente daarover schriftelijk te berichten. De houder geeft in dat bericht een opsomming van de genomen maatregelen waaruit moet blijken dat hij aan de kwaliteitseisen voldoet. De gemeente kan de GGD opdracht geven om naar aanleiding van deze melding op korte termijn te onderzoeken of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wko en onderliggende regelgeving. Hierna informeert de gemeente de houder of het verbod nog blijft gelden.

 

Indien bij het verstrijken van de gestelde termijn de kwaliteitseisen niet voldoende worden nageleefd, volgt het besluit tot intrekken van de toestemming tot exploitatie. De houder kan ook zelf de gemeente verzoeken de gegeven toestemming tot exploitatie in te trekken.

 

6.3.5. Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving

Er zijn verschillende gronden waarop, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan worden ingetrokken:

  • indien is gebleken dat de houder de kinderopvangvoorziening niet langer exploiteert;

  • indien de exploitatie van de voorziening drie maanden na de inschrijving in het LRK niet daadwerkelijk is aangevangen;

  • indien uit een GGD-onderzoek of anderszins is gebleken dat de houder niet of niet langer zal voldoen aan de bij en krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften van de Wet kinderopvang.

 

Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. De gemeente zal in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel inzetten om het doel (herstel) te bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een aanwijzing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben.

 

Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.

 

De gemeente maakt het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten niet bekend wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft.

 

6.3.6. De bestuurlijke boete (hierna: boete)

Een boete bestraft een overtreding die in het verleden is begaan. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een aanwijzing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod. Bij grote overtredingen wordt afgestemd met het Openbaar Ministerie voordat een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

 

Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Het is, in tegenstelling tot de andere hierboven behandelde maatregelen, een punitieve (bestraffende) sanctie. De boete verschilt daarin van de dwangsom. Bij de dwangsom kan het betalen van het bedrag namelijk worden voorkomen door de overtreding tijdig te herstellen en hersteld te houden. Bij de boete is dat niet het geval.

 

Een boete kan door de gemeente Eemsdelta worden opgelegd bij:

  • Het overtreden van de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving;

  • Het niet opvolgen van een bevel of aanwijzing;

  • Niet meewerken aan een verzoek van een toezichthouder of het bewust verkeerd informeren van een toezichthouder;

  • Het starten van de exploitatie, voor de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie.

  • Het niet tijdig melden van wijzigingen van de in het LRK geregistreerde gegevens;

  • Het overtreden van een exploitatieverbod.

 

Hoogte van een boete en grootte van de organisatie

De Wet kinderopvang geeft de gemeente de bevoegdheid om voor een overtreding / het niet naleven van een kwaliteitseis uit de Wko een boete op te leggen van maximaal € 45.000. Voor de hoogte van boetes zijn in het afwegingsoverzicht normbedragen opgesteld.

Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. De gemeente Eemsdelta hanteert daarom vier categorieën waar de boetebedragen op worden afgestemd:

  • 1.

    Grote kinderopvang organisaties: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen die worden bemiddeld.

  • 2.

    Middelgrote kinderopvang organisaties: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen die worden bemiddeld. .

  • 3.

    Kleine kinderopvang organisaties: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen die worden bemiddeld.

  • 4.

    Voorzieningen voor gastouderopvang.

 

Ad 1. Voor een grote organisatie geldt het volledige normbedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel handhaving (zie bijlage).

Ad 2. Voor een middelgrote organisatie is twee derde van het normbedrag de richtlijn.

Ad 3. Voor een kleine organisatie is dat één derde deel.

Ad 4. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is dat één vijfde deel van het normbedrag. Dit geldt niét voor die voorwaarden in het afwegingsmodel waar specifiek gastouder staat vermeld. Daar is de hoogte van de som al afgestemd op deze voorziening.

 

Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.

 

Na bepaling van de categorie en het bijbehorende normbedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk de ernst van het feit, de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval, de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden.

 

Verzachtende en verzwarende omstandigheden

Verzachtende omstandigheden

De gemeente Eemsdelta kan de boete verlagen indien de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Hiervan kan sprake zijn onder andere:

  • Bij het gedeeltelijk niet opvolgen van een aanwijzing;

  • Indien sprake is van factoren buiten de macht van de kinderopvang organisatie.

 

Verzwarende omstandigheden

De gemeente Eemsdelta kan de boete verhogen indien de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Hiervan kan sprake zijn onder andere:

  • Bij herhaling van de overtreding;

  • Als sprake is van slordigheid of nalatigheid;

  • Als de houder geen moeite doet voor herstel.

 

Wanneer er meerdere overtredingen zijn waar een boete voor wordt opgelegd, worden de bedragen bij elkaar opgeteld tot één bedrag. Indien er sprake is van verzwarende omstandigheden, kan de gemeente de kosten voor de herinspectie doorbelasten naar de houder.

 

6.3.7. Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving

Er zijn verschillende gronden waarop, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan worden ingetrokken:

  • indien is gebleken dat de houder de kinderopvangvoorziening niet langer exploiteert;

  • indien de exploitatie van de voorziening drie maanden na de inschrijving in het LRK niet daadwerkelijk is aangevangen;

  • indien uit een GGD-onderzoek of anderszins is gebleken dat de houder niet of niet langer zal voldoen aan de bij en krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften van de Wet kinderopvang;

  • bij ernstige veiligheidsrisico's.

 

Het beëindigen van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. De gemeente zal in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel inzetten om het doel (herstel) te bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een aanwijzing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben.

 

Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het LRK verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet op de economische delicten.

 

De gemeente publiceert het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten (niet wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft).

 

6.4. Handhaving na herstelaanbod

Wanneer er herstelaanbod heeft plaatsgevonden, kan dit van invloed zijn op de handhaving die de gemeente inzet op de overtredingen die primair door de toezichthouder geconstateerd zijn.

 

6.4.1. Herstelaanbod gedaan met positief resultaat

Wanneer een overtreding na herstelaanbod is opgelost, treedt de gemeente Eemsdelta niet handhavend op. De overtreding is immers verholpen.

 

6.4.2. Herstelaanbod aangeboden maar geen (volledig) herstel

Als de overtreding na herstelaanbod niet (volledig) is opgelost,, handhaaft de gemeente in principe conform het reguliere handhavingsbeleid.

 

6.5. Afwegingsmodel

Diversen mbt naleving, registratie en wijzigingen

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete

Last onder dwangsom per constatering

Niet voldoen aan de definitie van kinderopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau.

N.v.t, intrekken toestemming tot exploitatie is aan de orde.

n.v.t.

n.v.t.

Start exploitatie voor ontvangst toestemming college of voor de datum waarop college bepaald heeft dat exploitatie mag aanvangen.

n.v.t.

€ 20.750

€ 20.750

Houder geeft wijziging van in het LRK opgenomen gegevens later door / niet door terwijl dit zou moeten gebeuren zodra de houder bekend is met deze wijziging.

2 maanden

€ 2.000

€ 2.000

Niet nakomen van een vordering tot medewerking van de toezichthouder.

n.v.t.

€ 4.150

€ 4.150

Niet opvolgen van een aanwijzing / bevel.

2 weken

€ 4.000

n.v.t.

Niet opvolgen van exploitatieverbod gegeven opgelegd op grond van art. 1.66 Wko.

n.v.t.

€ 20.750

n.v.t.

Niet nakomen van een afspraak zoals genoemd in 1.67 Wet op het primair onderwijs.

n.v.t.

€ 4.000

n.v.t

 

Praktijk / uitvoering

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete

Last onder dwangsom per constatering

De houder biedt verantwoorde opvang.

2 weken

€ 8.000

€ 8.000

 

 

GO: € 2.000

GO: € 2.000

Het gastouderbureau voldoet aan zijn zorgplicht

2 weken

€ 4.000

€ 4.000

De houder voldoet aan zijn informatieplicht

2 maanden

€ 1.000

€ 1.000

De houder voldoet aan de eisen gesteld aan veilige en gezonde kinderopvang .

2 weken

€ 3.000

€ 3.000

 

 

GO: € 500

GO: € 500

De houder voldoet aan de eisen mbt formatie.

2 weken

€ 5.000

€ 5.000

 

 

GO: € 200

GO: € 200

De houder voldoet aan de eisen mbt stabiliteit (GO: groepsgrootte).

2 weken

€ 3.000

€ 3.000

 

 

GO: € 300

GO: € 300

De houder voldoet aan de eisen mbt de VOG’s en het personenregister kinderopvang.

2 weken

€ 3.000

€ 3.000

 

 

GO: € 500

GO: € 500

De houder voldoet aan de eis mbt de voertaal, taaleis VE en de taaleis BSO.

2 weken

€ 3.000 (voertaal)

€ 2.000

 

 

€ 1.500 (overige)

GO: € 200

 

 

GO: € 200

 

De binnen- en buitenspeelruimtes voldoen aan de eisen.

De VGO voldoet aan de eisen

2 weken

€ 2.000

€ 2.000

 

 

GO: € 200

GO: € 200

De houder voldoet aan het ouderadviesrecht / klachtrecht.

2 maanden (OC)

€ 1.000

€ 1.000

 

6 maanden (klachtr.)

 

 

De houder van het gastouderbureau voert aantoonbaar de kassiersfunctie en de verplicht gestelde gesprekken uit.

2 weken

€ 3.000

€ 3.000

De houder voldoet aan de uren norm voor VE

2 weken

€ 2.000

€ 2.000

De houder gebruikt een VE programma dat voldoet aan de eisen

2 maanden

€ 1.000

€ 1.000 per constatering

 

 

Documenten

Wettelijke bepaling / kwaliteitseis

Maximale hersteltermijn

Bestuurlijke boete

Last onder dwangsom

De houder heeft actuele beleidsdocumenten die volledig zijn en alle verplicht te beschrijven onderwerpen bevatten.

2 maanden

€ 3.000 voor het ontbreken van het document

€ 3.000 het ontbreken van het document

 

 

€ 750 voor iedere (sub)eis waaraan niet is voldaan

€ 750 voor ieder(e) (sub)eis waaraan niet is voldaan

De administratie van de houder bevat alle verplicht op te nemen documenten en is op verzoek van de toezichthouder onverwijld te raadplegen.

2 maanden

€ 3.000 per ontbrekend document

€ 3.000 per ontbrekend document

7. Nadere bepalingen VVE

 

Nadere bepalingen handhaving in relatie tot voorschoolse educatie. Voor de inspectie van kinderopvang locaties waar voorschoolse educatie (VVE) geboden wordt, en de handhaving daarop, geldt het volgende:

 

7.1 VVE

Op een locatie waar VVE geboden wordt, kan het voorkomen dat niet op alle groepen VVE geboden wordt, bijv. wel op de peuteropvang groep(en), maar niet op een kinderdagverblijf groep(en). In dat geval is het VVE deel van het inspectiekader alleen van toepassing op de VVE groepen. De GGD houdt hier rekening mee bij het uitvoeren van inspecties.

 

7.2 Scholingseisen

Onderdeel van de GGD inspectie voor VVE zijn de scholingseisen VVE. Indien niet voldaan wordt aan de VVE scholingseisen door alle pedagogisch medewerkers op de groep, vermeldt de GGD in het inspectierapport of het gaat om een vaste kracht of een invalkracht. Indien het een invalkracht betreft, za de gemeente niet handhaven.

 

7.3 Doelgroepkinderen

Vanaf 1 februari 2020 wordt in de gemeente Eemsdelta 16 uur VVE aangeboden. Het is vanaf 2020 wettelijk verplicht om doelgroepkinderen vanaf 2,5 tot 4 jaar een aanbod voorschoolse educatie van 16 uur per week te doen. Indien het door lage aantallen doelgroep peuters niet realiseerbaar is op 1 locatie, kan de voorschoolse educatie ook op 2 locaties worden aangeboden. De gemeente ziet dit niet als overtreding van de kwaliteitseisen.

8. Slotbepalingen

 

Onder bijzondere omstandigheden kan het college gemotiveerd afwijken van de beleidsregels.

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Eemsdelta 2021’ en treden in werking op 1 maart 2021. Met deze beleidsregels komt het handhavingsbeleid kinderopvang 2020 van de gemeenten Appingedam, Delfzijl en Loppersum te vervallen.