Gemeenteblad van Leiderdorp

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LeiderdorpGemeenteblad 2021, 61175Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiderdorp houdende regels omtrent de heffing en de invordering van rioolheffing (Verordening rioolheffing 2021)

De raad van de gemeente Leiderdorp;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 november 2020,

 

nr. Z/20/104468/205873;

 

gezien het advies van het Politiek Forum van 7 december 2020;

 

gelet op het bepaalde in artikel 228a van de Gemeentewet;

 

 

b e s l u i t:

vast te stellen de

 

 

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2021

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • b.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

  • c.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater of oppervlaktewater;

  • d.

    woning: een roerende of een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient;

  • e.

    niet-woning: een roerende of een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient.

Artikel 2 Aard van de heffing

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

  • 2.

    Met betrekking tot de belasting bedoeld in het eerste lid, wordt als gebruiker aangemerkt:

    • a.

      degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijk riolering wordt afgevoerd, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen : gebruikersdeel ;

    • b.

      voor de toepassing van onderdeel a, wordt:

      • 1.

        gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

      • 2.

        gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;

      • 3.

        het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4 Voorwerp van de belasting

  • 1.

    Voorwerp van de belasting is een perceel:

  • 2.

    Als perceel wordt aangemerkt:

    • A.

      de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

    • B.

      de roerende zaak welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

    • C.

      een gedeelte van in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • D.

      een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaak of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

    • E.

      het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1.

    De belasting wordt ter zake van niet-woningen geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de laatste aan het einde van het belastingtijdvak voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

  • 2.

    Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen,

      of;

    • b.

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest, kan worden afgelezen.

  • De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 3.

    Indien de belastingplichtige aantoont dat een substantieel deel van de voor de berekening van de belasting in aanmerking te nemen hoeveelheid water niet door middel van de gemeentelijke riolering is afgevoerd, wordt op verzoek van de belastingplichtige voor de berekening van de belasting de hoeveelheid afgevoerd water verminderd met de op ander wijze afgevoerde hoeveelheid water.

  • 4.

    De belasting wordt ter zake van woningen geheven naar een vast bedrag afhankelijk van de omvang van het huishouden.

Artikel 6 Belastingtarieven

  • 1.

    De belasting als bedoeld in artikel 5,lid 4, bedraagt voor een woning:

    • a.

      indien de woning wordt gebruikt door één persoon € 89,86;

    • b.

      indien de woning wordt gebruikt door twee personen € 127,28;

    • c.

      indien de woning wordt gebruikt door meer dan twee personen € 164,70.

  • 2.

    De belasting als bedoeld in artikel 5, lid 1, bedraagt voor een niet-woning:

    voor een hoeveelheid water tot en met 250 m3 € 89,86;

    voor elke m3 water boven de 250 m3 € 1,21.

  • 3.

    Indien het totaalbedrag van een aanslagbiljet waarop verschillende aanslagen zijn verenigd, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat, het bedrag daarvan minder is dan € 5,00 wordt dit bedrag niet geheven.

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van Heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting als bedoeld in artikel 2 is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde betaling als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

Artikel 10 Termijnen en wijze van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen rioolheffing worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede 2 maanden later.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, € 75,00 of meer, doch minder is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in maximaal acht termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Overgangsrecht, Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De “Verordening rioolheffing 2020” van 16 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening rioolheffing 2021.

Vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van Leiderdorp op 14 december 2020,

de griffier,

de heer B.A. Rijsbergen

de voorzitter,

mevrouw L.M. Driessen – Jansen