Verordening op de heffing en de invordering van leges fysieke diensten Maastricht 2022

DE RAAD VAN DE GEMEENTE MAASTRICHT,

 

gezien het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 30 november 2021, organisatieonderdeel BCCP-Concernzaken, no.2021.33697;

 

gelet op de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet, en artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

 

BESLUIT VAST TE STELLEN DE VOLGENDE VERORDENING:

 

Verordening op de heffing en de invordering van leges fysieke diensten Maastricht 2022

(Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2022)

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt;

  • b.

    week: een aaneengesloten periode van zeven dagen;

  • c.

    maand: het tijdvak dat loopt van ne dag in een kalendermaand tot en met de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand, met dien verstande dat als de ne dag in een kalendermaand 30 of 31 januari is, de (n-1)e dag in de volgende kalendermaand altijd de laatste dag van de maand februari is;

  • d.

    jaar: het tijdvak dat loopt van de ne dag in een kalenderjaar tot en met de (n-1)e dag in het volgende kalenderjaar;

  • e.

    kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december;

  • f.

    kalendermaand; de periode van de 1e dag van de maand t/m de laatste dag van de maand;

  • g.

    kalenderweek; de periode van maandag tot en met zondag (of een deel daarvan);

  • h.

    Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • i.

    sociaal-culturele instellingen: stichtingen en verenigingen, met inbegrip van Buurtkaders, waarvan uit de statuten een sociale, pedagogische, sportieve, charitatieve, educatieve en/of culturele doelstelling blijkt. Verenigingen en stichtingen met een commercieel doel in de statuten zijn hieronder niet te verstaan;

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten en handelingen (zie artikel 3), een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3. Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.

Artikel 4. Vrijstellingen

  • 1.

    Leges worden niet geheven voor:

    • a.

      diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald;

    • b.

      de raadpleging van kadastrale stukken als bedoeld in artikel 1.8.6 van de tarieventabel ten behoeve van een rijks-, provinciale of gemeentedienst of van een waterschap.

  • 2.

    Op aanvraag, en uiterlijk drie maanden na aanvangsdatum van het evenement, worden geen leges geheven voor bepaalde activiteiten ten behoeve van evenementen van sociaal-culturele instellingen (zie begripsbepalingen art. 1) waarvan de opbrengsten aangewend worden om de continuïteit van de eigen activiteiten te waarborgen. De aanvrager van het evenement dient op het aanvraagformulier aan te geven dat de organisatie en het evenement voldoen aan deze voorwaarden.

  • 3.

    De in het tweede lid bedoelde vrijstelling geldt voor de volgende in de tarieventabel opgenomen bepalingen:

    • a.

      Artikel 1.19 (aanvraag ontheffing geluidshinderverordening)

    • b.

      Artikel 3.1.4 (aanvraag ontheffing als bedoeld in artikel 35 Alcoholwet)

    • c.

      Artikel 3.2.1 (vergunning voor het houden van een evenement, art.3.1 en art.8.1 Evenementenverordening)

    • d.

      Voor een ontheffing in de zin van artikel 4.5.2 APV (kamperen buiten kampeercentrum)

    • e.

      Voor een vergunning in de zin van artikel 2.1.4.1 APV (loopwedstrijd / wielerwedstrijd)

  • 4.

    Op aanvraag, en uiterlijk drie maanden na aanvangsdatum van het evenement, worden geen leges geheven voor bepaalde activiteiten ten behoeve van evenementen georganiseerd door sociaal-culturele instellingen (zie begripsbepalingen art 1) naar rato van dat deel van de netto-opbrengst van het evenement dat naar een goed doel gaat. Hiertoe dient voorafgaand aan het evenement een lijst van commerciële deelnemers te worden overlegd en een beschrijving van het evenement èn een verklaring door de organisatie van het evenement overlegd te worden waaruit blijkt dat de gehele of gedeeltelijke netto-opbrengst naar de goede doelen zullen worden overgemaakt.

  • 5.

    De in het vierde lid bedoelde vrijstelling geldt voor de volgende in de tarieventabel opgenomen bepalingen:

    • a.

      Artikel 1.19 (aanvraag ontheffing geluidshinderverordening)

    • b.

      Artikel 3.1.4 (aanvraag ontheffing als bedoeld in artikel 35 Alcoholwet)

    • c.

      Artikel 3.2.1 (vergunning voor het houden van een evenement, art.3.1 en art.8.1 Evenementenverordening).

    • d.

      Voor een ontheffing in de zin van artikel 4.5.2 APV (kamperen buiten kampeercentrum)

    • e.

      Voor een vergunning in de zin van artikel 2.1.4.1 APV (loopwedstrijd / wielerwedstrijd)

  • 6.

    Leges die betrekking hebben op activiteiten die plaatsvinden in het kader van campagnevoering voor verkiezingen van publiekrechtelijke lichamen, worden niet geheven van de aan verkiezingen deelnemende partijen, mits deze activiteiten niet eerder dan 6 maanden vóór de betreffende verkiezingen plaatsvinden.

  • 7.

    De leges die betrekking hebben op art. 1.19.1 van de tarieventabel, worden niet geheven voor het organiseren van een betoging in de zin van artikel 2.1.2.2.APV.

Artikel 5. Maatstaven van heffing en tarieven

  • 1.

    De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

  • 2.

    Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet.

  • 3.

    Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt, met uitzondering van Titel 2, Hoofdstuk 3.

Artikel 6. Wijze van heffing

De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 7. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 6:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 8. Kwijtschelding

De regelgeving inzake de kwijtschelding is vastgelegd in de Regeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2022.

Artikel 9. Vermindering of teruggaaf

Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst kan worden verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die tarieventabel opgenomen bepaling.

Artikel 10. Overdracht van bevoegdheden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, indien de wijzigingen:

  • a.

    van zuiver redactionele aard zijn;

  • b.

    een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant en het de volgende hoofdstukken of onderdelen van titel 1 van de tarieventabel betreft:

    1. hoofdstuk 16 (kansspelen).

een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.

Artikel 11. Overgangsrecht

De Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2021 van 11 november 2020 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022.

Artikel 13. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2022.

 

Aldus besloten door de Raad der gemeente Maastricht in zijn openbare vergadering van 21 december 2021

De Griffier,

H-J. Bodewitz.

De Voorzitter,

J.M. Penn-te Strake.

1.1 Bijlage 1 bij Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2022

 

Regeling vaststellen bouwkosten ten behoeve van de leges

 

Veiligheid en Leefbaarheid gemeente Maastricht

 

De heffingsambtenaar Veiligheid en Leefbaarheid stelt de navolgende regeling vast over het vaststellen van de hoogte van de bouwkosten ten behoeve van de berekening van de verschuldigde leges voor het in behandeling nemen van een initiatiefverzoek en een aanvraag omgevingsvergunning Wabo met bouwactiviteiten.

 

Vaststellen bouwkosten.

 

De bouwkosten van een bouwwerk zijn de basis waarop de verschuldigde leges voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning Wabo met bouwactiviteiten/initiatiefverzoek worden berekend. Deze bouwkosten dienen op het aanvraagformulier voor een initiatiefverzoek en de omgevingsvergunning door de aanvrager te worden vermeld. Om te kunnen beoordelen of de door aanvrager opgegeven bouwkosten tot een juiste hoogte zijn vermeld, is door een onafhankelijk bureau op basis van bestaande, geactualiseerde gegevens, gegenereerde kengetallen en opgestelde analyses, een tabel (berekening bouwkosten) samengesteld, waarin voor de meest voorkomende gebouwtypes de genormeerde bouwkosten per eenheid zijn weergegeven. Door het hanteren van deze tabel ontstaat een uniforme en voor de burgers transparante methode waarop de opgegeven bouwkosten worden getoetst en definitief vastgesteld.

 

Beslispunten:

 

  • 1.

    De tabel berekening bouwkosten 2022 (Bijlage A) van toepassing te verklaren voor het vaststellen van de bouwkosten van de daarbij behorende gebouwtypes (nieuwbouw en verbouw).

  • 2.

    Bijlage B van toepassing te verklaren bij verbouw.

  • 3.

    Bijlage C van toepassing te verklaren bij de typering van nieuwe woningen.

  • 4.

    Voor gebouwtypes waarin de tarieventabellen niet voorzien, worden de bouwkosten vastgesteld aan de hand van de meest recente uitgave van het taxatieboekje (her)bouwkosten woningen c.q. bedrijfspanden (Vakmedianet Bouwdata) of berekend door een extern bureau, deskundig in het berekenen van bouwkosten. In bijzondere gevallen kunnen afwijkende, gelijkwaardige berekeningsmethodieken worden gehanteerd bij het vaststellen van de bouwkosten.

  • 5.

    De berekening van de bouwkosten op basis van de vastgestelde tarieventabellen geldt als uitgangspunt. Indien de door de aanvrager opgegeven bouwkosten hoger zijn dan de berekening op basis van de vastgestelde tarieventabellen worden de door de aanvrager opgegeven bouwkosten als uitgangspunt genomen voor de vaststelling van de bouwkosten.

  • 6.

    Deze regeling treedt in werking op 01-01-2022.

  • 7.

    De bestaande regeling wordt ingetrokken per datum inwerkingtreding van deze regeling.

 

De Heffingsambtenaar,

 

12 oktober 2021

 

Sandra Houben,

 

Manager Veiligheid en Leefbaarheid,

Gemeente Maastricht.

 

Bijlage A bij Regeling vaststellen bouwkosten ten behoeve van de leges

 

Gemeente Maastricht berekening bouwkosten prijspeil vanaf 2022.

 

 

 

 

Bijlage B bij Regeling vaststellen bouwkosten ten behoeve van de leges

 

De bouwkosten bij verbouw worden berekend op de volgende manier:

 

In eerste instantie worden de kengetallen voor nieuwbouw gehanteerd. Afhankelijk van de aard en omvang van de verbouwingswerkzaamheden wordt op het kengetal van de nieuwbouw en reductie toegepast.

 

Bij een grootschalige verbouwing / renovatie (alleen handhaven casco) bedraagt de restwaarde van het casco 40%. Bij een kleinschalige verbouwing is dit 70%.

 

Bij verbouw wordt de restwaarde in mindering gebracht op de berekende bouwkosten.

 

In de praktijk kan dit als volgt worden toegepast:

 

Alleen de delen berekenen die worden gebouwd en/of verbouwd opvoeren en vervolgens correctie doorvoeren op delen waar verbouwd wordt.

Dus primair opvoeren het totaal van het deel van het gebouw waar bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd, dus deel uitbouw/nieuwbouw en verbouw bestaand gedeelte toevoegen, en vervolgens correctie doorvoeren op delen waar nodig.

 

Voorbeeld:

 

Voor een (vrijstaand) herenhuis met een inhoud van 600m3 van drie bouwlagen met eenzelfde hoogte (dus per laag dezelfde inhoud) wordt vergunning aangevraagd voor het geheel renoveren van het pand waarbij de tweede verdieping volledig wordt gestript tot casco niveau en wordt opgebouwd. De eerste verdieping blijft ongewijzigd. Op de begane grond wordt in de bestaande invulling een aantal wijzigingen doorgevoerd die niet vergunningplichtig zijn (het is geen monument). Aan de woning wordt een uitbouw gerealiseerd van 200 m3 die wel vergunningplichtig is. Boven op de bestaande woning wordt een woonlaag toegevoegd (4e verdieping) van 200 m3.

 

 

 

 

Bijlage C bij Regeling vaststellen bouwkosten ten behoeve van de leges

 

Toepassing standaard en beter bij vaststellen bouwkosten op basis van de door de heffingsambtenaar vastgestelde normbedragen.

 

In de door de heffingsambtenaar vastgestelde normbedragen, die als grondslag dienen voor het vaststellen van de bouwkosten, is onderscheid gemaakt tussen woning standaard en woning beter.

De in de tabel opgenomen normkosten voor woningen standaard kunnen worden toegepast voor in principe alle woningen. Uitsluitend voor bijzondere ontwerpen/constructies die aantoonbaar meer kosten wordt het tarief beter toegepast.

 

Deze bijlage maakt onderdeel uit van de door de heffingsambtenaar vastgestelde regeling.

 

1.2 Bijlage 2 bij Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2022

 

Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012)

Geldend van 01-03-2012 t/m heden

 

Besluit vaststelling Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012)

 

De Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

 

Overwegende dat het wenselijk is de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken te herzien;

 

Besluiten:

 

Vast te stellen de in de bijgaande bijlage 1 vervatte Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012.

 

Deze beschikking zal in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 19 januari 2012

 

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J.W.E. Spies

 

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen

 

Bijlage 1

Tekst van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012)

 

Hoofdstuk I. Algemeen

 

§ 1. Aanduidingen, begripsbepalingen

  • 1.

    Verstaan wordt onder:

    de aannemer: de natuurlijke of rechtspersoon, aan wie het werk is opgedragen;

    de aannemingssom: het bedrag, waarvoor de aannemer zich heeft verbonden het werk tot stand te brengen, de omzetbelasting daarin niet begrepen;

    het bestek: de beschrijving van het werk, de daarbij behorende tekeningen, de voor het werk geldende voorwaarden, de nota van inlichtingen en het proces-verbaal van aanwijzing;

    bouwstoffen: de in het werk te brengen materialen, voorwerpen, onderdelen, installaties of onderdelen daarvan, grond van allerlei soort en dergelijke;

    dag: kalenderdag;

    de opdrachtgever: de natuurlijke of rechtspersoon, die het werk opdraagt;

    de overeenkomst: de tussen opdrachtgever en aannemer tot stand gekomen overeenkomst van aanneming van werk;

    UAV: deze Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012;

    het werk: het uit te voeren werk, technische installatiewerk of de te verrichten levering;

    werkdag: een kalenderdag, tenzij deze valt op een algemeen

    of ter plaatse van het werk erkende, of door de overheid dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst voorgeschreven rust- of feestdag, vakantiedag of andere niet individuele vrije dag.

  • 2.

    Indien in het bestek een afzonderlijke termijn is gesteld, binnen welke een deel van het werk moet worden opgeleverd, wordt voor de toepassing van de §§ 6, vierde lid, 8, 8a, 9, 10, 11, 12, 42 en 44 dat deel als een afzonderlijk werk aangemerkt.

  • 3.

    Indien in het bestek een afzonderlijke termijn is gesteld, binnen welke de uitvoering van het werk tot een bepaalde stand moet zijn gevorderd, voordat de oplevering plaats vindt, is het bepaalde in de §§ 8, 8a, 9 en 42 van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Indien aan de totstandkoming van de overeenkomst geen aanbesteding is voorafgegaan, wordt voor de toepassing van de §§ 2, tweede lid, 6, elfde en dertiende lid, 48, tweede lid, en 49, tweede lid, in plaats van ‘de dag van aanbesteding’ gelezen ‘de dag van de prijsaanbieding van de aannemer’.

  • 5.

    Bij meerjarige onderhoudswerken, opgedragen voor een bepaalde som per jaar wordt, indien sprake is van ‘aannemingssom’ of van ‘termijn van betaling’, bedoeld de aannemingssom per jaar of de termijn van betaling van het betrokken onderhoudsjaar.

 

§ 2. Van toepassing zijnde voorschriften, tegenstrijdige bepalingen

  • 1.

    De bepalingen van de UAV gelden voor zover daarvan in het bestek niet uitdrukkelijk is afgeweken.

  • 2.

    Tot het bestek behoren mede, als waren zij er letterlijk in opgenomen, de op het werk van toepassing verklaarde technische normvoorschriften zoals deze drie maanden voor de dag van aanbesteding luiden.

  • 3.

    Op de overeenkomst is van toepassing het Nederlandse recht.

  • 4.

    Indien onderdelen van het bestek onderling tegenstrijdig zijn, wordt, tenzij een andere bedoeling uit het bestek voortvloeit, de rangorde daarvan bepaald aan de hand van de volgende regels:

    • a.

      een nieuw geschreven of getekend document gaat voor een oud geschreven of getekend document;

    • b.

      de beschrijving gaat voor een tekening;

    • c.

      een bijzondere regeling gaat voor een algemene regeling; met dien verstande, dat regel a gaat voor de regels b en c, en regel b voor regel c.

      Indien toepassing van deze regels geen uitkomst biedt, wordt de tegenstrijdigheid, met inachtneming van de billijkheid, uitgelegd ten nadele van degene door of namens wie het bestek is opgesteld.

  • 5.

    Het in het vierde lid bepaalde laat onverlet de verplichting van de aannemer om de directie te waarschuwen in geval van een klaarblijkelijke tegenstrijdigheid tussen onderdelen van het bestek.

 

Hoofdstuk II. Vertegenwoordiging van partijen

 

§ 3. Directie

  • 1.

    De opdrachtgever is gerechtigd een of meer personen aan te wijzen om als directie op te treden of de directie bij te staan dan wel als zodanig aangewezen personen door anderen te vervangen.

  • 2.

    Indien de opdrachtgever niet een of meer personen wil aanwijzen om als directie op te treden, is hij verplicht hiervan vóór de uitvoering van het werk schriftelijk mededeling te doen aan de aannemer. Indien door het niet aanwijzen of niet vervangen van een of meer personen om als directie op te treden meer van de aannemer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, heeft hij recht op bijbetaling.

  • 3.

    De opdrachtgever geeft van elke aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, indien deze niet reeds in het bestek is gedaan, en van elke wijziging of intrekking daarvan, onverwijld schriftelijk kennis aan de aannemer.

  • 4.

    Zolang en voor zover de opdrachtgever niet schriftelijk aan de aannemer van het tegendeel doet blijken, vertegenwoordigt de directie de opdrachtgever in alle zaken het werk betreffende. In de gevallen echter, waar in de UAV uitdrukkelijk de opdrachtgever is genoemd, is alleen deze bevoegd.

  • 5.

    Indien meer dan één persoon als directie is aangewezen, wordt ieder der aangewezen personen geacht de directie te vertegenwoordigen.

  • 6.

    De directie oefent het toezicht uit op de uitvoering van het werk en op de naleving van de overeenkomst.

  • 7.

    Personen, die zijn aangewezen om de directie bij te staan, binden deze in zoverre het tegendeel niet schriftelijk aan de aannemer is medegedeeld.

  • 8.

    De directie is bevoegd te bepalen, dat door haar aan te duiden werkzaamheden niet mogen worden uitgevoerd dan in tegenwoordigheid van de directie of van door haar aangewezen personen.

  • 9.

    Indien en zolang de opdrachtgever van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, treedt hij daar, waar in de UAV sprake is van de directie, in haar plaats.

 

§ 4. Gevolmachtigde van de aannemer

  • 1.

    De aannemer is te allen tijde gerechtigd één of meer personen aan te wijzen om hem in zaken het werk betreffende te vertegenwoordigen. De aanwijzing door de aannemer van personen die hem in zaken het werk betreffende zullen vertegenwoordigen, moet geschieden met gebruikmaking van een volmacht overeenkomstig Bijlage A van de UAV. Ditzelfde geldt bij wijziging van bedoelde volmacht.

  • 2.

    Een door de aannemer gewaarmerkt afschrift van de volmacht wordt onverwijld aan de directie verschaft.

  • 3.

    De aanwijzing van iedere gevolmachtigde geschiedt voor het werk of voor een bepaald gedeelte ervan.

 

Hoofdstuk III. Algemene verplichtingen van partijen

 

§ 5. Verplichtingen van de opdrachtgever

  • 1.

    De opdrachtgever zorgt er voor, dat de aannemer tijdig kan beschikken:

    • a.

      over de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke toestemmingen, die voor de opzet van het werk volgens het bestek vereist zijn;

    • b.

      over het terrein of het water, waarop of waarin het werk moet worden uitgevoerd;

    • c.

      over de benodigde tekeningen en andere gegevens;

    • d.

      over de verstrekkingen, die de opdrachtgever ingevolge de overeenkomst doet. Indien de aard van het werk hiertoe aanleiding geeft, houdt de directie vóór de aanvang van het werk een bouwbespreking met de aannemer en de leidingbeheerders, waarbij de aannemer wordt ingelicht omtrent de juiste ligging van de zich in of nabij het werk en het werkterrein bevindende ondergrondse kabels en leidingen en waarbij wordt vastgesteld wat daarmee moet geschieden. Indien de directie deze bouwbespreking niet houdt, zal de aannemer vóór de aanvang van het werk om het houden van die bespreking verzoeken. De directie zal aan dit verzoek gevolg geven.

  • 2.

    De opdrachtgever draagt de verantwoordelijkheid voor de door of namens hem voorgeschreven constructies en werkwijzen, daaronder begrepen de invloed die daarop door de bodemgesteldheid wordt uitgeoefend, alsmede voor de door of namens hem gegeven orders en aanwijzingen.

  • 3.

    Indien bouwstoffen of hulpmiddelen, die de opdrachtgever ter beschikking heeft gesteld, gebreken mochten hebben, is de opdrachtgever aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.

  • 4.

    De opdrachtgever is aansprakelijk voor de functionele ongeschiktheid:

    • a.

      van door hem voorgeschreven bouwstoffen;

    • b.

      van bouwstoffen, die bij een door hem voorgeschreven leverancier moeten worden betrokken, tenzij de aannemer een keuzemogelijkheid had met betrekking tot deze bouwstoffen.

  • 5.

    Onder de functionele ongeschiktheid van bouwstoffen wordt verstaan het naar hun aard niet geschikt zijn van deze bouwstoffen voor het doel waarvoor zij blijkens het bestek zijn bestemd.

  • 6.

    (Vervallen).

  • 7.

    Indien wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege hogere eisen aan het werk stellen dan in de overeenkomst is bepaald, zullen wijzigingen van het werk, welke nodig zijn om aan die eisen te voldoen, worden verrekend als meer werk.

  • 8.

    De opdrachtgever zal het aan de aannemer toekomende volgens de in de overeenkomst gestelde regelen voldoen.

  • 9.

    Indien het bouwterrein, de uit het werk komende oude bouwstoffen of de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde bouwstoffen verontreinigd zijn, wordt de aard en de omvang daarvan, voor zover voor de uitvoering van het werk van belang, in het bestek vermeld. De opzet van het werk zal zodanig zijn, dat daardoor schade aan personen, goederen of milieu zoveel mogelijk wordt beperkt.

 

§ 6. Verplichtingen van de aannemer

  • 1.

    De aannemer is verplicht het werk uit te voeren naar de bepalingen van de overeenkomst zonder aanspraak op verrekening, bijbetaling of schadevergoeding te kunnen doen gelden dan in de gevallen, waarin dat bepaaldelijk voorgeschreven of kennelijk bedoeld is. Hij is verplicht al datgene te verrichten, wat naar de aard van de overeenkomst door de wet, de billijkheid of het gebruik wordt gevorderd of tot een behoorlijke aanwending der bouwstoffen behoort.

  • 2.

    De aannemer is verplicht het werk uit te voeren volgens de door de directie te verstrekken en de door haar goed te keuren tekeningen. Hij is verplicht de orders en aanwijzingen op te volgen, die hem door de directie worden gegeven.

  • 3.

    De verplichtingen van de aannemer omvatten mede:

    • a.

      de levering van de nodige bouwstoffen en het verrichten van de nodige werkzaamheden;

    • b.

      de beschikbaarstelling van gereedschap, materieel, hulpmaterialen, hulpstoffen, hulpwerken en andere hulpmiddelen, nodig voor de uitvoering van het werk en het verrichten van de nodige hulpwerkzaamheden;

    • c.

      de betaling van precario, kosten van aansluiting van hulpleidingen en dergelijke.

  • 4.

    Het werk en de uitvoering daarvan zijn voor rekening van de aannemer met ingang van de datum van aanvang of zoveel eerder als de aannemer ingevolge § 7, tweede lid, met het werk begint, tot en met de dag waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd. Onder het werk en de uitvoering daarvan worden mede begrepen de voorbereiding, de aanvoer van bouwstoffen, de uitvoering van hulpwerken, de doelmatigheid en capaciteit van werktuigen en gereedschappen.

  • 5.

    De uitvoering van het werk moet zodanig zijn, dat de totstandkoming van het werk overeenkomstig de volgens § 8, eerste lid, in het bestek voorgeschreven termijn verzekerd is.

  • 6.

    De wijze van uitvoering van het werk moet zodanig zijn, dat voor de opdrachtgever dan wel voor derden geen nodeloze hinder is te duchten. De aannemer dient het werk zodanig uit te voeren, dat daardoor schade aan personen, goederen of milieu zoveel mogelijk wordt beperkt.

  • 7.

    Onvoldoend werk wordt binnen een door de directie in billijkheid te stellen termijn tot haar genoegen door de aannemer verbeterd of vernieuwd. Deze verbetering of vernieuwing geschiedt op kosten van de aannemer, tenzij het onvoldoend werk het gevolg is van een omstandigheid die voor rekening van de opdrachtgever komt.

  • 8.

    De aannemer is aansprakelijk voor schade aan met het werk in verband staande werken van de opdrachtgever en aan andere werken en eigendommen van de opdrachtgever, voor zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en is toe te rekenen aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer, zijn personeel, zijn onderaannemers of zijn leveranciers.

  • 9.

    De aannemer vrijwaart de opdrachtgever tegen aanspraken van derden tot vergoeding van schade, voor zover deze door de uitvoering van het werk is toegebracht en is toe te rekenen aan nalatigheid, onvoorzichtigheid of verkeerde handelingen van de aannemer, zijn personeel, zijn onderaannemers of zijn leveranciers.

  • 10.

    De aannemer zorgt voor de tijdige verkrijging van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke toestemmingen, die hij nodig heeft of wenst, voor zover zij niet behoren tot die, waarvoor de opdrachtgever ingevolge het bepaalde in § 5, eerste lid, sub a zorg draagt.

  • 11.

    De aannemer wordt geacht bekend te zijn met de voor de uitvoering van het werk van belang zijnde wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, voor zover deze op de dag van aanbesteding in werking zijn getreden. De aan de naleving van deze voorschriften en beschikkingen verbonden gevolgen zijn voor zijn rekening.

  • 12.

    De gevolgen van de naleving van voorschriften van bijzondere aard zijn voor rekening van de aannemer, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat hij deze voorschriften niet behoefde te kennen. In dit laatste geval heeft hij aanspraak op bijbetaling.

  • 13.

    De gevolgen van de naleving van wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege, die na de dag van aanbesteding in werking treden, komen voor rekening van de opdrachtgever, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aannemer die gevolgen reeds op de dag van aanbesteding had kunnen voorzien. Indien echter in de overeenkomst bepalingen zijn opgenomen betreffende de verrekening van wijzigingen van lonen en sociale lasten of van prijzen, huren en vrachten, komen de gevolgen daarvan slechts voor rekening van de opdrachtgever, indien en voor zover zulks uit die bepalingen voortvloeit.

  • 14.

    Indien de constructies, werkwijzen, orders en aanwijzingen, bedoeld in § 5, tweede lid, dan wel de bouwstoffen of hulpmiddelen, bedoeld in § 5, derde lid, klaarblijkelijk zodanige fouten bevatten of gebreken vertonen, dat de aannemer in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou handelen door zonder de directie daarop te wijzen tot uitvoering van het desbetreffende onderdeel van het werk over te gaan, is hij voor de schadelijke gevolgen van zijn verzuim aansprakelijk. Het in dit lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de in § 5, vierde lid, en deze paragraaf, zevenentwintigste lid, bedoelde gevallen.

  • 15.

    Indien de aannemer meent, behalve op de aannemingssom, op de vergoeding van de omzetbelasting en op de verrekening ingevolge de §§ 35 tot en met 39, nog andere aanspraken jegens de opdrachtgever te hebben, geeft hij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk aan deze kennis en in elk geval op zodanig tijdstip dat de directie de ter zake nodige gegevens kan verzamelen. Aan het verzamelen van die gegevens verleent de aannemer zijn medewerking. De opdrachtgever of de directie kan van de aannemer nadere inlichtingen verlangen omtrent de door hem kenbaar gemaakte aanspraken.

  • 16.

    De aannemer zorgt voor orde en veiligheid op het werk. Hij zorgt tevens voor een zodanige verlichting, dat een goede uitvoering van het werk gewaarborgd is.

  • 16a.

    Wanneer bij de uitvoering van het werk voorwerpen of stoffen worden aangetroffen, waarvan redelijkerwijs geacht kan worden dat deze schade kunnen toebrengen aan personen, goederen of milieu, brengt de aannemer dit onmiddellijk ter kennis van de directie. Hij neemt terstond, zo mogelijk in overleg met de directie, de door de omstandigheden vereiste veiligheidsmaatregelen.

  • 17.

    De aannemer is verplicht alle onbekwame dan wel ongeschikte personen, die van zijnentwege of vanwege een onderaannemer of leverancier op het werk aanwezig zijn, op verlangen van de directie onverwijld daarvan te doen verwijderen.

  • 18.

    De aannemer moet gedurende de uitvoering van het werk op of in de nabijheid van de plaats, waar het wordt uitgevoerd, aanwezig zijn, tenzij de directie zulks onnodig oordeelt of een gevolmachtigde hem overeenkomstig § 4 vertegenwoordigt.

  • 19.

    De aannemer zorgt er voor, dat bij de uitvoering van het werk, tenzij hijzelf of zijn gevolmachtigde ter plaatse is, steeds een persoon aanwezig is, die de opdracht heeft orders of aanwijzingen van de directie op te volgen en deze onverwijld aan hem of zijn gevolmachtigde over te brengen.

  • 20.

    De aannemer verleent toegang tot het werk en het werkterrein aan de personen, die door de opdrachtgever of de directie tot toegang zijn gemachtigd, voor zover hij daartegen geen redelijke bezwaren heeft.

  • 21.

    Behalve het te werk gestelde personeel en uit anderen hoofde bevoegde personen mag de aannemer andere personen op het werk en het werkterrein toelaten voor zover de opdrachtgever of de directie daartegen geen redelijke bezwaren kenbaar maakt.

  • 22.

    De aannemer zorgt er voor, dat de directie en door de directie aangewezen personen, voor zover fabrieksgeheim zich daartegen niet verzet, vrije toegang hebben tot de terreinen, fabrieken, werkplaatsen en loodsen, zowel van de aannemer als van onderaannemers en leveranciers, waar werkzaamheden ten behoeve van het werk worden verricht of voor het werk bestemde bouwstoffen zijn opgeslagen, teneinde de werkzaamheden respectievelijk de bouwstoffen te inspecteren.

  • 23.

    Indien uit hoofde van fabrieksgeheim vrije toegang als bedoeld in het voorgaande lid niet of niet ten volle kan worden gegeven, moet hiervan kennis worden gegeven:

    • a.

      bij de inschrijving, indien de bevoegdheid tot het verlenen van vrije toegang bij de aannemer berust;

    • b.

      bij de aanvraag tot goedkeuring van de betrokken onderaannemer of leverancier, indien de bevoegdheid bij een van hen berust. Een kennisgeving als bedoeld onder a zal niet worden aangemerkt als een aan de inschrijving verbonden voorwaarde.

  • 24.

    Indien twee of meer personen tezamen een werk hebben aangenomen, zijn zij hoofdelijk voor de gehele uitvoering daarvan aansprakelijk. Zij zijn verplicht een van hen schriftelijk aan te wijzen om hen in alle opzichten te vertegenwoordigen.

  • 25.

    De aannemer mag het werk niet geheel of ten dele aan een ander overdragen zonder schriftelijke goedkeuring van de opdrachtgever.

  • 26.

    De aannemer kan bepaalde onderdelen van het werk in onderaanneming laten uitvoeren, mits voor de keuze van deze onderdelen en van de daarvoor in te schakelen onderaannemers de schriftelijke goedkeuring van de directie is verkregen; deze goedkeuring zal niet mogen worden onthouden op onredelijke gronden. De aannemer blijft niettemin jegens de opdrachtgever voor die onderdelen ten volle verantwoordelijk.

  • 27.

    Indien door of namens de opdrachtgever het inschakelen van een bepaalde onderaannemer of leverancier is of wordt voorgeschreven, is de aannemer voor wat het presteren van die onderaannemer of leverancier betreft jegens de opdrachtgever tot niet meer gehouden dan tot datgene, waartoe de aannemer die onderaannemer of leverancier kan houden krachtens de voorwaarden door deze gehanteerd en zoals deze door de opdrachtgever zijn aanvaard of goedgekeurd. Indien de voorgeschreven onderaannemer of leverancier niet, niet tijdig of niet deugdelijk presteert en de aannemer het redelijkerwijs nodige heeft gedaan om nakoming en/of schadevergoeding te verkrijgen, zal de opdrachtgever de voor de aannemer ontstane meerdere kosten aan hem vergoeden, voor zover deze hem niet zijn vergoed door de onderaannemer of leverancier. Daartegenover zal de aannemer, op eerste verzoek van de opdrachtgever, aan deze zijn vordering op de voorgeschreven onderaannemer of leverancier cederen tot aan het door de opdrachtgever aan hem vergoede bedrag.

  • 28.

    Indien onderdelen van het werk in onderaanneming worden uitgevoerd, zal de aannemer de onderaannemer volledig inlichten omtrent de bepalingen van het bestek, die bij het desbetreffende onderdeel van belang kunnen zijn, en omtrent de wijze van uitvoering.

  • 29.

    Orders en aanwijzingen betreffende die onderdelen zullen door de directie uitsluitend aan de aannemer worden kenbaar gemaakt en zullen door deze aan de onderaannemer worden doorgegeven, tenzij de aannemer na overleg met de onderaannemer schriftelijk verzoekt bedoelde orders en aanwijzingen tevens rechtstreeks aan de onderaannemer mede te delen.

  • 30.

    De aannemer is verplicht ter zake van de overeenkomst in Nederland domicilie te hebben voor zover hij niet reeds in Nederland is gevestigd.

 

Hoofdstuk IV. Aanvang, uitvoeringsduur, oplevering

 

§ 7. Datum van aanvang

  • 1.

    Als datum van aanvang zal worden aangemerkt de vijfde werkdag na de dag waarop de aannemer het werk is opgedragen.

  • 2.

    Tenzij in het bestek anders is bepaald, staat het de aannemer vrij, behoudens bezwaar van de directie, ook vóór de datum van aanvang met het werk te beginnen.

 

§ 8. Uitvoeringsduur, uitstel van oplevering

  • 1.

    De termijn, binnen welke het werk moet worden opgeleverd, wordt in het bestek uitgedrukt:

    • a.

      hetzij in een aantal werkbare werkdagen;

    • b.

      hetzij in een aantal kalenderdagen, -weken of -maanden;

    • c.

      hetzij door een bepaalde dag te noemen.

  • 2.

    Indien een termijn is uitgedrukt in een aantal werkbare werkdagen, worden werkdagen, respectievelijk halve werkdagen, als onwerkbaar beschouwd, wanneer daarop door omstandigheden buiten de aansprakelijkheid van de aannemer gedurende ten minste vijf uren, respectievelijk ten minste twee uren, door het grootste deel van de arbeiders of machines niet kon worden gewerkt.

  • 3.

    Als de oplevering van het werk zou moeten geschieden op een dag die geen werkdag is, geldt de eerstvolgende werkdag als de overeengekomen dag van oplevering.

  • 4.

    De termijn, binnen welke het werk moet worden opgeleverd, kan door de opdrachtgever worden verlengd, hetzij eigener beweging, hetzij op een daartoe strekkend verzoek van de aannemer. Een verzoek van de aannemer om termijnverlenging zal slechts in overweging kunnen worden genomen, indien dit schriftelijk geschiedt en – behoudens ontheffing door de directie – ten minste veertien dagen voor het verstrijken van de termijn bij de directie is bezorgd.

  • 5.

    Indien door overmacht, door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden, of door het door of namens de opdrachtgever aanbrengen van bestekswijzigingen dan wel van wijzigingen in de uitvoering van het werk, niet van de aannemer kan worden gevergd dat het werk binnen de overeengekomen termijn wordt opgeleverd, heeft hij recht op termijnverlenging.

 

§ 8a. Beproeving

  • 1.

    Beproeving van het technische installatiewerk of een of meer onderdelen daarvan vindt plaats, indien dit is overeengekomen. De beproeving geschiedt door de aannemer in aanwezigheid van de directie en dient om vast te stellen of het technische installatiewerk, of het desbetreffende onderdeel daarvan, op het gebied bestreken door de beproeving, voldoet aan hetgeen is overeengekomen voor zover dit op het tijdstip van de beproeving mogelijk is.

  • 2.

    Aannemer en directie stellen in onderling overleg het tijdstip van de beproeving vast. Indien aannemer en directie niet komen tot gemeenschappelijke vaststelling van het tijdstip van de beproeving, stelt de aannemer dit tijdstip vast en geeft van dit tijdstip ten minste acht dagen tevoren schriftelijk kennis aan de directie.

  • 3.

    Ten behoeve van de beproeving stelt de aannemer voor zijn rekening het nodige materieel en het personeel voor de bediening daarvan beschikbaar. De kosten van de voor de beproeving benodigde hoeveelheid water en energie zijn voor rekening van de opdrachtgever.

  • 4.

    Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijf dagen na de beproeving, stelt de aannemer een rapport op waarin het beproevingsresultaat is opgenomen, alsmede, indien zulks is overeengekomen, een meetstaat die de meetresultaten en andere relevante gegevens vermeldt. Door de ondertekening van dit in tweevoud op te maken rapport door de aannemer en de directie staan de resultaten van de beproeving vast. Indien de directie tijdens de beproeving niet aanwezig is geweest, staan de resultaten van de beproeving vast door de enkele vermelding daarvan in het rapport.

  • 5.

    Indien op grond van de beproeving is vastgesteld dat het technische installatiewerk, op het gebied bestreken door de beproeving, niet voldoet aan hetgeen is overeengekomen, zal, nadat de aannemer de nodige verbeteringen heeft aangebracht, de beproeving worden herhaald. Op deze herhaalde beproeving zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in dit geval de kosten voor water en energie, benodigd voor de beproeving, voor rekening van de aannemer zijn.

  • 6.

    Indien op grond van de beproeving is vastgesteld dat het technische installatiewerk, op het gebied bestreken door de beproeving, voldoet aan hetgeen is overeengekomen en het technische installatiewerk ook overigens is voltooid, vindt opneming van het technische installatiewerk plaats zoals bedoeld in § 9.

 

§ 9. Opneming en goedkeuring

  • 1.

    De opneming van het werk geschiedt op schriftelijke, tot de directie gerichte aanvrage van de aannemer, waarin deze mededeelt op welke dag het werk naar zijn oordeel voltooid zal zijn. De directie kan genoegen nemen met een mondelinge mededeling, welke in het dagboek of weekrapport, bedoeld in § 27, wordt aangetekend.

  • 2.

    De opneming geschiedt zo spoedig mogelijk en in de regel binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde dag. De dag en het tijdstip van opneming worden aan de aannemer tijdig en zo mogelijk ten minste drie dagen tevoren schriftelijk medegedeeld. De directie kan verlangen, dat de aannemer of zijn gevolmachtigde bij de opneming tegenwoordig is.

  • 3.

    Nadat het werk is opgenomen, wordt aan de aannemer binnen acht dagen schriftelijk medegedeeld, of het al dan niet is goedgekeurd, in het laatste geval met opgaaf van de gebreken, die de redenen voor de onthouding van de goedkeuring zijn. Wordt het werk goedgekeurd, dan wordt als dag van goedkeuring aangemerkt de dag waarop de desbetreffende mededeling aan de aannemer is verzonden.

  • 4.

    Met toestemming van de aannemer kan, in plaats van de schriftelijke mededeling bedoeld in het vorige lid, worden volstaan met een overeenkomstige aantekening in het dagboek of weekrapport, met vermelding van de datum der aantekening. Alsdan wordt, indien het werk wordt goedgekeurd, als dag van goedkeuring aangemerkt de dag waarop de desbetreffende aantekening is geplaatst.

  • 5.

    Wordt niet binnen acht dagen na de opneming een schriftelijke mededeling, of het werk al dan niet is goedgekeurd, aan de aannemer verzonden dan wel, in het geval bedoeld in het vierde lid, een overeenkomstig aantekening in het dagboek of weekrapport geplaatst, dan wordt het werk geacht op de achtste dag na de opneming te zijn goedgekeurd.

  • 6.

    Geschiedt de opneming niet binnen vijftien dagen na de in het eerste lid bedoelde dag, dan kan de aannemer bij aangetekende brief een nieuwe aanvrage tot de directie richten, met verzoek het werk binnen acht dagen op te nemen. Voldoet de directie niet aan dit verzoek, dan wordt het werk geacht op de achtste dag na de verzending van die brief te zijn goedgekeurd.

  • 7.

    Kleine gebreken, die gevoeglijk vóór een nog volgende betalingstermijn kunnen worden hersteld, zullen geen reden tot onthouding van goedkeuring mogen zijn, mits zij een eventuele ingebruikneming niet in de weg staan. De aannemer is gehouden de in dit lid bedoelde gebreken zo spoedig mogelijk te herstellen.

  • 8.

    Met betrekking tot een heropneming na onthouding van goedkeuring vinden de bovenvermelde bepalingen overeenkomstige toepassing.

  • 9.

    Bij een heropneming zullen andere gebreken dan die, welke overeenkomstig het zevende lid aan de aannemer zijn opgegeven, alleen dan reden tot hernieuwde onthouding van goedkeuring kunnen zijn, indien zij eerst na de voorafgegane opneming aan de dag zijn getreden.

 

§ 10. Oplevering

  • 1.

    Het werk wordt als opgeleverd beschouwd, indien het overeenkomstig het bepaalde in § 9 is of geacht wordt te zijn goedgekeurd. De dag, waarop het werk is of geacht wordt te zijn goedgekeurd, geldt als dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd.

  • 1a.

    Indien in het bestek is voorgeschreven dat de aannemer de opdrachtgever bedienings- en onderhoudsvoorschriften zal verstrekken met betrekking tot het technische installatiewerk, overhandigt hij deze op het tijdstip van ingebruikneming van het technische installatiewerk, of van het desbetreffende onderdeel daarvan, dan wel uiterlijk op de dag waarop het technische installatiewerk als opgeleverd wordt beschouwd. Indien in het bestek is voorgeschreven dat de aannemer de opdrachtgever revisietekeningen met betrekking tot het technische installatiewerk zal verstrekken, overhandigt hij deze uiterlijk drie maanden na de dag waarop het technische installatiewerk als opgeleverd wordt beschouwd.

  • 2.

    Indien de aannemer niet een aanvrage om opneming als bedoeld in § 9, eerste lid, tot de directie heeft gericht, doch de opdrachtgever het werk voltooid acht, kan deze de aannemer zulks schriftelijk mededelen. De vijfde dag na de verzending van deze mededeling geldt dan als dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd.

  • 3.

    De opdrachtgever kan het werk, voordat dit voltooid is, of een al dan niet voltooid onderdeel daarvan, in gebruik nemen of doen nemen mits de ingebruikneming een voldoende voortgang van het werk niet in gevaar brengt. De opdrachtgever gaat hiertoe niet over dan nadat hij dit schriftelijk aan de aannemer heeft medegedeeld en hij deze heeft gehoord en een opneming, dan wel – indien het een technisch installatiewerk betreft – een beproeving en opneming als bedoeld in § 8a van het in gebruik te nemen werk of onderdeel daarvan heeft plaatsgevonden. Indien door de ingebruikneming meer wordt verlangd van de aannemer dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, zal dit worden verrekend als meer werk. Indien door de ingebruikneming schade aan het werk ontstaat komt deze schade niet voor rekening van de aannemer. Door de in dit lid bedoelde ingebruikneming en opneming wordt het werk, dan wel dat onderdeel, niet als opgeleverd beschouwd. Voor technische installatiewerken geldt dat indien in het bestek een onderhoudstermijn als bedoeld in § 11 is voorgeschreven, door de in dit lid bedoelde ingebruikneming de onderhoudstermijn onmiddellijk ingaat na de dag van ingebruikneming.

 

§ 11. Onderhoudstermijn

  • 1.

    Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, gaat deze termijn in onmiddellijk na de dag waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd.

  • 2.

    De aannemer is gehouden gebreken, welke in de onderhoudstermijn aan de dag treden, te herstellen, met uitzondering echter van die, waarvoor de opdrachtgever op grond van § 5, tweede lid de verantwoordelijkheid draagt of waarvoor hij op grond van § 5, derde of vierde lid, aansprakelijk is. Onder de in dit lid bedoelde gebreken vallen niet die gebreken die het gevolg zijn van onjuist of onzorgvuldig gebruik dan wel gekwalificeerd kunnen worden als normaal te verwachten slijtage als gevolg van het feitelijke gebruik.

  • 3.

    Het in het tweede lid bedoelde herstel geschiedt voor rekening van de aannemer, tot genoegen van de directie en binnen een door haar in billijkheid te stellen termijn.

  • 4.

    In de onderhoudstermijn optredende schade aan het werk is voor rekening van de opdrachtgever, met uitzondering echter van die schade, welke het gevolg is van door de aannemer verricht onvoldoend werk. In het laatste geval is het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Indien de aannemer zich desgevraagd verbindt tot herstel van niet voor zijn rekening komende gebreken of schade aan het werk, geschiedt de verrekening daarvan als meer werk.

  • 6.

    Na afloop van de onderhoudstermijn zal het werk wederom worden opgenomen om te constateren, of de aannemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, waarbij wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in § 9.

 

§ 12. Aansprakelijkheid van de aannemer na de oplevering

  • 1.

    Na de dag, waarop het werk overeenkomstig het bepaalde in § 10, eerste of tweede lid, als opgeleverd wordt beschouwd, is de aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk.

  • 2.

    Het in het eerste lid bepaalde lijdt uitzondering indien sprake is van een gebrek:

    • a)

      dat toe te rekenen is aan de aannemer en

    • b)

      dat bovendien ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering dan wel bij de opneming van het werk als bedoeld in § 9, tweede lid, door de directie redelijkerwijs niet onderkend had kunnen worden en waarvan

    • c)

      de aannemer binnen een redelijke termijn na de ontdekking mededeling is gedaan.

  • 3.

    (Vervallen).

  • 4.

    De rechtsvordering uit hoofde van een gebrek waarvoor de aannemer krachtens het tweede lid aansprakelijk is, is niet ontvankelijk indien zij wordt ingesteld na verloop van:

    • a)

      vijf jaren na de in het eerste lid bedoelde dag, of

    • b)

      tien jaren na de in het eerste lid bedoelde dag, indien het werk geheel of gedeeltelijk is ingestort of dreigt in te storten dan wel ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van zeer kostbare voorzieningen.

  • 5.

    Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, treedt voor de toepassing van deze paragraaf de dag na het verstrijken van die termijn in de plaats van de in het eerste lid bedoelde dag en wordt onder opneming van het werk verstaan: de opneming genoemd in § 11, zesde lid.

 

Hoofdstuk V. Wijziging tijdstippen van uitvoering, schorsing, beëindiging in onvoltooide staat

 

§ 13. Wijziging tijdstippen van uitvoering

  • 1.

    De directie is bevoegd:

    • a.

      indien in het bestek een onderhoudstermijn als bedoeld in § 11, eerste lid, is voorgeschreven, de uitvoering van ondergeschikte werkzaamheden tot in die onderhoudstermijn te verschuiven;

    • b.

      bij meerjarig onderhoud de uitvoering van werken, waartoe de aannemer in een bepaald jaar verplicht is, in een ander jaar binnen de duur van dit onderhoud te verlangen.

  • 2.

    Indien het voorafgaande aanleiding tot verrekening geeft, wordt daarvoor overeenkomstig het bepaalde in § 36 een regeling getroffen.

 

§ 14. Schorsing van het werk en beëindiging van het werk in onvoltooide staat

  • 1.

    De opdrachtgever is bevoegd de uitvoering van het werk voor het geheel of voor een gedeelte te schorsen.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen is de directie, hangende de beslissing van de opdrachtgever, voorlopig tot zodanige schorsing bevoegd.

  • 3.

    Gedurende de schorsing is de aannemer verplicht:

    • a.

      in overleg met de directie gepaste maatregelen te nemen ter voorkoming en beperking van schade, die aan het werk zou kunnen ontstaan;

    • b.

      na te laten zowel hetgeen schade aan het werk ten gevolge zou kunnen hebben als hetgeen de latere voortzetting zou kunnen bemoeilijken.

  • 4.

    Voorzieningen, die de aannemer ten gevolge van de schorsing moet treffen, worden als meer werk met hem verrekend. Schade, die de aannemer ten gevolge van de schorsing lijdt, wordt hem vergoed.

  • 5.

    Indien de schorsing langer dan één maand duurt, kan de aannemer bovendien vorderen, dat een evenredige betaling voor het uitgevoerde gedeelte van het werk plaats heeft. Daarbij wordt rekening gehouden met de nog niet verwerkte bouwstoffen, voor zover deze in verband met het bepaalde in § 19 eigendom van de opdrachtgever zijn geworden. Nog niet verwerkte voor keuring gereed zijnde bouwstoffen worden op verzoek van de aannemer eerst nog gekeurd.

  • 6.

    Indien de schorsing van het gehele werk langer duurt dan zes maanden, is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen.

  • 7.

    De opdrachtgever is bevoegd de aannemer op te dragen het werk in onvoltooide staat te beëindigen.

  • 8.

    Wanneer door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden de uitvoering van het werk gedurende meer dan twee maanden ononderbroken is vertraagd, is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen.

  • 9.

    In de gevallen bedoeld in het zesde, zevende en achtste lid zal de opdrachtgever zo spoedig mogelijk na de beëindiging het werk overnemen. De aannemer is tot aan de overneming van het werk door de opdrachtgever gehouden de in het derde lid bedoelde verplichtingen na te komen.

  • 10.

    De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet.

 

Hoofdstuk VI. Werkterrein, reclame

 

§ 15. Werkterrein

  • 1.

    Indien in het bestek oppervlakten van grond of water als werkterrein zijn aangeduid, heeft de aannemer daarover de kosteloze beschikking, zolang de uitvoering van het werk dit nodig maakt. Gebruik van ander terrein of water als werkterrein is voor rekening van de aannemer.

  • 2.

    De directie wijst aan, na overleg met de aannemer, welke gedeelten van het werkterrein in gebruik mogen worden genomen als opslagplaatsen en voor de plaatsing van keten, loodsen, hulpwerken en andere hulpmiddelen.

  • 3.

    De aannemer kan vóór de aanvang van het werk schriftelijk vorderen, dat de toestand van het werkterrein zo goed mogelijk wordt vastgesteld, in welk geval de opneming door de directie in samenwerking met en voor rekening van de aannemer ten spoedigste plaats vindt. Indien daarbij afwijkingen ten opzichte van de in het bestek omschreven toestand aan het licht komen, is het bepaalde in § 29, derde lid, van toepassing.

  • 4.

    Na gebruik en uiterlijk bij de oplevering moet het werkterrein naar genoegen van de directie zoveel mogelijk weder in de oorspronkelijke toestand worden opgeleverd.

 

§ 16. Afsluiting, reclame

  • 1.

    Indien de opdrachtgever afsluiting van het werk en het werkterrein nodig oordeelt, wordt de wijze van afsluiting in het bestek omschreven.

  • 2.

    De opdrachtgever heeft het recht om na overleg met de aannemer op schuttingen en afrasteringen, welke dienen ter afsluiting van het werk of het werkterrein, alsmede elders op het werkterrein of aan het werk reclame of andere kennisgevingen aan te brengen.

  • 3.

    Aan de aannemer is het evenwel toegestaan op een deel van die plaatsen aanduidingen van zijn naam en bedrijf aan te brengen, mits plaats, uiterlijk en afmetingen hiervan door de directie zijn goedgekeurd. Hetzelfde kan door de directie op een door tussenkomst van de aannemer gedaan verzoek aan onderaannemers en leveranciers worden toegestaan.

 

Hoofdstuk VII. Bouwstoffen

 

§ 17. Verwerking van bouwstoffen

  • 1.

    Met inachtneming van § 5, derde en vierde lid, alsmede § 6, zevenentwintigste lid, staat de aannemer in voor de goede hoedanigheid van de bouwstoffen, voor de geschiktheid voor hun bestemming en het voldoen aan de gestelde eisen, alsmede voor de tijdige levering.

  • 2.

    Indien en voor zover in het bestek is bepaald dat bouwstoffen gekeurd moeten worden, mag de aannemer deze niet verwerken voordat deze zijn goedgekeurd.

  • 3.

    De directie kan verlangen, dat goedgekeurde bouwstoffen ook nadat zij zijn verwerkt alsnog worden vervangen, indien daaraan na de keuring nog gebreken worden geconstateerd. Deze vervanging geschiedt voor rekening van de opdrachtgever en wordt als meer werk verrekend, onverminderd het recht van de aannemer op schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn. Indien echter het gebrek redelijkerwijs niet door de directie had kunnen worden onderkend en het gebrek aan de aannemer kan worden toegerekend, komt deze vervanging voor rekening van de aannemer.

  • 4.

    De directie is bevoegd een bewijs van oorsprong van bouwstoffen te verlangen.

  • 5.

    Indien de directie zulks goed vindt, zal de aannemer in plaats van met een fabrieksnaam aangeduide bouwstoffen andere mogen leveren, mits van overeenkomstige hoedanigheid. De directie onthoudt de goedkeuring niet op onredelijke gronden.

 

§ 18. Keuring van bouwstoffen

  • 1.

    Indien en voor zover in het bestek is bepaald dat bouwstoffen door de directie worden gekeurd, worden deze in geval van goedkeuring zo nodig gemerkt. Door de opdrachtgever ter beschikking gestelde bouwstoffen worden geacht te zijn goedgekeurd. Indien voorgeschreven is dat bouwstoffen moeten worden geleverd met een kwaliteitsverklaring afkomstig van een door de Raad voor de Accreditatie erkende certificatie-instelling, wordt in het kader van de keuring volstaan met een uitwendige visuele beoordeling. De kwaliteitsverklaring wordt door de aannemer ter gelegenheid van de beoordeling door de directie aan haar ter beschikking gesteld.

  • 2.

    Ten behoeve van de keuring moeten de monsters en bouwstoffen tijdig op het werk of in de werkplaatsen worden aangevoerd. Zolang de directie zulks nodig oordeelt, blijven door de aannemer ingediende monsters onder haar berusting; zij zijn evenwel voor zijn rekening en blijven voor hem toegankelijk.

  • 3.

    De aannemer verleent bij de keuring, alsmede bij het merken van goedgekeurde bouwstoffen, de nodige hulp en stelt daartoe personeel en eenvoudige hulpmiddelen ter beschikking.

  • 4.

    De aannemer is bevoegd bij de keuring aanwezig te zijn of zich te doen vertegenwoordigen; de directie kan dit van hem verlangen.

  • 5.

    De directie is bevoegd bouwstoffen door derden te doen onderzoeken; de hieraan verbonden kosten zijn voor rekening van de opdrachtgever, behoudens het bepaalde in het zesde lid, onder d.

  • 6.

    Voor rekening van de aannemer komen de kosten van:

    • a.

      het beschikbaar stellen van de voor de keuring nodige bouwstoffen;

    • b.

      het brengen van de bouwstoffen in een voor de keuring geschikte samenstelling en vorm;

    • c.

      de emballage en de verzending van elders te keuren bouwstoffen;

    • d.

      het in het vijfde lid bedoelde onderzoek, indien dit tot afkeuring leidt, tenzij het een bouwstof betreft, in het bestek aangeduid met een fabrieksnaam, of waarvan de leverancier door of namens de opdrachtgever is aangewezen;

    • e.

      de in het twaalfde lid bedoelde herkeuring, indien de deskundige de afkeuring handhaaft.

  • 7.

    De in het vorige lid bedoelde kosten worden zo nodig overeenkomstig § 42, zesde lid, verrekend.

  • 8.

    De keuring geschiedt – ter keuze van de directie – op het werk, in de middelen van vervoer of elders, zo spoedig mogelijk na aanvoer of gereedkoming. Indien, ondanks een door de directie ontvangen schriftelijk verzoek van de aannemer om bouwstoffen te keuren, uiterlijk op een in dat verzoek vermeld redelijk tijdstip de schriftelijke mededeling van de uitslag van de keuring niet door de aannemer is ontvangen, worden die bouwstoffen geacht te zijn goedgekeurd. Onder een schriftelijk verzoek en onder een mededeling als in dit lid bedoeld wordt mede verstaan een aantekening in het dagboek of weekrapport, bedoeld in § 27.

  • 9.

    Verzoekt de aannemer om keuring op een andere plaats dan door de directie is voorgeschreven, dan wordt dat niet geweigerd, indien toestaan niet in strijd is met de belangen van een goede hoedanigheid van het werk en van doeltreffende controle en mits de aannemer de hogere kosten ervan voor zijn rekening neemt.

  • 10.

    Waardevermindering en verlies van voor de keuring gebezigde bouwstoffen worden aan de aannemer niet vergoed.

  • 11.

    Ingeval van afkeuring van bouwstoffen kan zowel de directie als de aannemer vorderen, dat een in onderlinge overeenstemming getrokken monster uit die bouwstoffen tot na de beslechting van het uit die afkeuring mogelijk voortvloeiend geschil wordt bewaard. Deze monsters worden door beiden gewaarmerkt. De bewaring geschiedt op een in onderlinge overeenstemming te bepalen plaats.

  • 12.

    De aannemer heeft de bevoegdheid om ingeval van afkeuring van bouwstoffen herkeuring aan te vragen door een in overeenstemming met de opdrachtgever aan te wijzen deskundige, aan wiens uitspraak partijen ook in een later geschil gebonden zijn.

  • 13.

    Afgekeurde bouwstoffen worden zo spoedig mogelijk afgezonderd en van het werk verwijderd, ook indien zij reeds mochten zijn verwerkt.

 

§ 19. Eigendom van bouwstoffen

  • 1.

    Alle voor het werk bestemde bouwstoffen worden – zonder dat de opdrachtgever daardoor aansprakelijk wordt voor betalingen aan leveranciers of andere rechthebbenden – eigendom van de opdrachtgever, zodra zij zijn goedgekeurd en de aannemer door overlegging van (een) verklaring(en) volgens het bij de UAV behorende bijlage B heeft aangetoond, dat de leveranciers en eventuele andere rechthebbenden afstand doen van alle aanspraken op die bouwstoffen ten behoeve van de opdrachtgever.

  • 2.

    Geen overdracht van eigendom aan de opdrachtgever als bedoeld in het eerste lid wordt geacht te hebben plaats gevonden:

    • a.

      indien een schuldeiser van de opdrachtgever beslag legt op de in het eerste lid bedoelde bouwstoffen;

    • b.

      indien de opdrachtgever failliet wordt verklaard of hem surseance van betaling wordt verleend en het werk door de curator dan wel door de opdrachtgever en diens bewindvoerders niet wordt voortgezet.

  • Het in dit lid bepaalde lijdt nochtans uitzondering met betrekking tot die bouwstoffen, welke de opdrachtgever aan de aannemer heeft betaald.

  • 3.

    Na voltooiing van het werk overgebleven bouwstoffen worden aan de aannemer teruggegeven en als niet geleverd beschouwd, behoudens toepassing van § 36, achtste lid.

 

§ 20. Zorg voor bouwstoffen

De aannemer draagt zorg voor de goedgekeurde en de door de opdrachtgever ter beschikking gestelde bouwstoffen, alsmede voor de uit het werk komende bouwstoffen. Verlies, vermissing of beschadiging van deze bouwstoffen is voor zijn rekening, behoudens het bepaalde in § 44.

 

§ 21. Oude bouwstoffen

  • 1.

    Tenzij het bestek anders bepaalt, blijven de uit het werk komende oude bouwstoffen eigendom van de opdrachtgever.

  • 2.

    (Vervallen).

  • 3.

    (Vervallen).

  • 4.

    De aannemer is niet verantwoordelijk voor de hoedanigheid van uit het werk komende bouwstoffen, voor zover achteruitgang van die hoedanigheid niet aan hem is toe te rekenen.

 

§ 22. Garantie voor een onderdeel

  • 1.

    Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing, tenzij het bestek anders bepaalt.

  • 2.

    Indien in het bestek is vermeld dat één of meer onderdelen van het werk moeten worden gegarandeerd, zal de aannemer op eerste aanzegging van de opdrachtgever zo spoedig mogelijk de tijdens de garantieperiode optredende gebreken voor zijn rekening herstellen. Gebreken in de zin van deze bepaling zijn gebreken, waarvan de opdrachtgever aannemelijk maakt dat die met grote mate van waarschijnlijkheid moeten worden toegeschreven aan een omstandigheid, die aan de aannemer kan worden toegerekend.

  • 3.

    Indien in het bestek is vermeld dat een onderdeel van het werk door een onderaannemer of een leverancier moet worden gegarandeerd, draagt de aannemer zorg voor het verstrekken van de garantie door de onderaannemer of leverancier aan de opdrachtgever. Indien deze garantie niet door de onderaannemer of leverancier wordt verstrekt, wordt een dienovereenkomstige garantie door de aannemer verstrekt.

  • 4.

    Een op grond van deze paragraaf overeengekomen garantie geldt vanaf het gereedkomen of de levering van het gegarandeerde onderdeel gedurende de in het bestek genoemde periode.

 

Hoofdstuk VIII. Hulpmiddelen

 

§ 23. Loodsen en andere hulpmiddelen

  • 1.

    De verplichtingen van de aannemer met betrekking tot het ter beschikking stellen, onderhouden, en verwijderen van loodsen en/of directieverblijf en andere hulpmiddelen worden in het bestek omschreven.

  • 2.

    (Vervallen).

  • 3.

    (Vervallen).

 

§ 24. Hulpmiddelen van de opdrachtgever

  • 1.

    Indien aan de aannemer het gebruik van gebouwen, terreinen en hulpmiddelen van de opdrachtgever is opgedragen of vergund, komen het onderhoud en het herstel, zolang het gebruik duurt, voor rekening van de aannemer.

  • 2.

    Ingeval van verloren gaan door het in het eerste lid bedoelde gebruik, is hij verplicht tot vergoeding van de schade.

  • 3.

    Zodra het in gebruik genomene voor de uitvoering van het werk niet meer nodig is, stelt de aannemer het, zoveel doenlijk in gelijke staat als hij het heeft ontvangen, weer ter beschikking van de opdrachtgever en bergt de hulpmiddelen op door of namens hem aan te wijzen plaatsen op.

 

§ 25. Gezonken materieel

  • 1.

    Indien ten behoeve van het werk in gebruik zijnde hulpmiddelen, zoals vaartuigen en werktuigen, dan wel voor het werk bestemde bouwstoffen gezonken zijn in wateren, welke bij de opdrachtgever in eigendom of beheer zijn, is de aannemer verplicht ze met inbegrip van lading en toebehoren te lichten en te verwijderen.

  • 2.

    Hij is in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, verplicht dadelijk de vereiste aanduiding en verlichting aan te brengen, zo spoedig mogelijk de eerste maatregelen tot lichting, zoals het onderdoor brengen van kettingen, te nemen en de lichting in zo kort mogelijke tijd te voltooien.

  • 3.

    De in de voorgaande leden bedoelde werkzaamheden geschieden op kosten van de aannemer, tenzij het in het eerste lid bedoelde zinken is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening van de opdrachtgever komt.

 

Hoofdstuk IX. Uitvoering

 

§ 26. Algemeen tijdschema, werkplan

  • 1.

    De aannemer stelt zo spoedig mogelijk een op de aard van het werk afgestemd algemeen tijdschema op.

    In dit algemene tijdschema wordt duidelijk aangegeven op welke wijze, in welke volgorde, met welk materieel en met welke hulpmiddelen de aannemer voornemens is het werk en zijn onderdelen uit te voeren alsmede welke tijdsduur hij voor elk onderdeel nodig acht.

    Tevens wordt daarin aangegeven op welke tijdstippen de aannemer ten behoeve van de voortgang van het werk en de volgorde van de onderdelen ervan zal dienen te beschikken over datgene waarvoor de opdrachtgever of de directie volgens de overeenkomst dient te zorgen. Het algemene tijdschema dient te voldoen aan de eisen, die ten aanzien van de uitvoering van het werk in de overeenkomst zijn gesteld, en wordt door de aannemer van een behoorlijke toelichting voorzien.

  • 2.

    De aannemer legt het algemene tijdschema, gedateerd en ondertekend, in tweevoud aan de directie ter goedkeuring over, uiterlijk op de vijftiende werkdag na de dag waarop hem het werk is opgedragen onderscheidenlijk de directie om een algemeen tijdschema heeft verzocht.

  • 3.

    De directie beslist zo spoedig mogelijk omtrent de goedkeuring van het algemene tijdschema en deelt haar beslissing, in elk geval uiterlijk op de tiende werkdag, nadat zij het heeft ontvangen, schriftelijk aan de aannemer mede. De goedkeuring wordt slechts aan het algemene tijdschema onthouden, indien uit de inhoud daarvan blijkt, dat niet aan de uit de overeenkomst voortvloeiende eisen wordt voldaan.

  • 4.

    Ingeval van goedkeuring worden de beide exemplaren van het algemene tijdschema ook door de directie gedateerd en ondertekend, waarna een van de exemplaren aan de aannemer wordt toegezonden. In geval het algemene tijdschema niet wordt goedgekeurd, wordt de aannemer met de redenen hiervan schriftelijk in kennis gesteld. De aannemer legt in dat geval zo spoedig mogelijk, doch binnen tien werkdagen, een nieuw algemeen tijdschema, waarbij met de bezwaren van de directie rekening is gehouden, ter goedkeuring aan de directie over. Ten aanzien van de beslissing op het nieuwe algemene tijdschema is het derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Het algemene tijdschema geldt als een leidraad voor de aannemer en verzwaart de voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet. De goedkeuring door de directie van het algemene tijdschema en daarin onder haar goedkeuring aangebrachte wijzigingen ontheffen de aannemer niet van zijn verplichtingen om het werk naar de uit de overeenkomst voortvloeiende eisen uit te voeren en tijdig te voltooien.

  • 6.

    Indien van de aannemer wordt verlangd, dat hij in plaats van of naast het in deze paragraaf bedoelde algemene tijdschema een gedetailleerd werkplan aan de directie overlegt, wordt zulks, onder vermelding van de aan dit werkplan te stellen eisen, in de overeenkomst vermeld. Voor zover de overeenkomst niet anders vermeldt, is het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid alsdan van overeenkomstige toepassing.

  • 7.

    Wijzigingen door de directie in het goedgekeurde algemene tijdschema of gedetailleerde werkplan aangebracht geven de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien van hem meer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

 

§ 27. Dagboek, lijsten, rapporten, verslagen van bouwvergaderingen

  • 1.

    De directie maakt weekrapporten op. Hierin worden onder meer aantekeningen opgenomen betreffende:

    • de vordering en de stand van het werk;

    • de onwerkbare dagen en het verleende uitstel van oplevering;

    • de aan- en afvoer en goedkeuring van bouwstoffen;

    • de aan- en afvoer van materieel en hulpmiddelen;

    • bestekswijzigingen, meer en minder werk, verwerkte hoeveelheden en stelposten;

    • opneming, goedkeuring en oplevering van het werk;

    • de verstrekking van tekeningen;

    • voorvallen betreffende de veiligheid en/of gezondheid van personen.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde aantekeningen worden telkens uiterlijk op de vijfde werkdag na het verstrijken van de werkweek, waarop zij betrekking hebben, opgenomen in het weekrapport, dat terstond na het opmaken door de directie wordt ondertekend.

  • 3.

    Het door de directie ondertekende weekrapport wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op de vijftiende werkdag na het verstrijken van de werkweek, waarop het betrekking heeft, aan de aannemer ter ondertekening voorgelegd. Aan de aannemer wordt afschrift van de weekrapporten verstrekt.

  • 4.

    Indien de aannemer zich met de inhoud van het weekrapport kan verenigen, tekent hij dit voor akkoord uiterlijk op de vijfde werkdag, nadat het hem is voorgelegd.

  • 5.

    Indien de aannemer zich met de inhoud van het weekrapport niet kan verenigen, ondertekent hij dit eveneens uiterlijk op de vijfde werkdag, nadat het hem is voorgelegd, doch onder toevoeging van een aantekening, waaruit blijkt tegen welke gedeelten en om welke redenen hij bezwaar heeft.

  • 6.

    Ingeval de directie niet alleen weekrapporten opmaakt maar ook een dagboek bijhoudt, is op dit dagboek het bepaalde in het eerste tot en met het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat geen afschrift van het dagboek aan de aannemer wordt verstrekt, tenzij deze daarom verzoekt.

  • 7.

    Indien dit in de overeenkomst is voorgeschreven of na de opdracht door de directie wordt verlangd, verstrekt de aannemer telkens uiterlijk op de vijfde werkdag na het verstrijken van een werkweek een op die week betrekking hebbende, door hem gedateerde en ondertekende lijst, bevattende opgaven omtrent het personeel en voorts zodanige verdere mededelingen als door de directie worden gewenst.

  • 8.

    Indien ten behoeve van het werk buiten het werkterrein werkzaamheden worden verricht, kan de directie vorderen, dat de aannemer daaromtrent uiterlijk op de vijfde werkdag na het verstrijken van een werkweek een door hem ondertekend rapport in tweevoud bij haar indient. In dit rapport worden aantekeningen als in het eerste lid bedoeld en betrekking hebbend op de in voornoemde werkweek verrichte werkzaamheden opgenomen.

  • 9.

    Indien is overeengekomen dat tijdens de uitvoering van het werk bouwvergaderingen worden gehouden, maakt de directie daarvan verslagen. De verslagen worden zo spoedig mogelijk aan de aannemer ter ondertekening voorgelegd. Indien de aannemer zich met de inhoud van het verslag niet kan verenigen, wordt aan het verslag een aantekening toegevoegd waaruit blijkt tegen welke gedeelten en om welke reden hij bezwaar heeft. Het verslag wordt in de daarop volgende bouwvergadering vastgesteld.

 

§ 28. Afbakening, peilingen en opmetingen

De aannemer zal voor zijn rekening:

  • a.

    het werk uitzetten en de vereiste profielen en bakens stellen;

  • b.

    ten behoeve van afbakening, peilingen en opmetingen geschikt personeel en hulpmiddelen, als: roei- en peilboten, meetinstrumenten, bakens, enz., ter beschikking van de directie stellen;

  • c.

    de gedane uitzetting en afbakening in goede staat onderhouden, zolang de directie dit nodig oordeelt.

 

§ 29. Verschillen in afmetingen of in de toestand van bestaande werken en terreinen

  • 1.

    Indien de in de beschrijving van het werk vermelde afmetingen niet overeenkomen met die, voorkomende op de tekening, is de aannemer verplicht de door hem geconstateerde afwijking ter kennis te brengen van de directie, opdat deze, zo zij zulks nodig acht, kan besluiten van de in § 2, vierde lid, bedoelde rangorde af te wijken. Een zodanig besluit van de directie wordt als een bestekswijziging aangemerkt.

  • 2.

    Indien de in het bestek aangegeven afmetingen niet overeenkomen met die, voorkomende in de werkelijkheid, is de aannemer verplicht de door hem geconstateerde afwijking ter kennis te brengen van de directie, teneinde met deze overleg te plegen omtrent hetgeen moet geschieden om, gelet op de afwijking, het werk juist uit te voeren. De gebleken afwijking geeft, afgezien van de verrekening van meer en minder werk, welke uit het bestek mocht voortvloeien, de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien die afwijking van zodanige aard is, dat de gevolgen daarvan redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen.

  • 3.

    Verschillen tussen de tijdens de uitvoering blijkende toestand van bestaande gebouwen, werken en terreinen enerzijds en de in het bestek aangeduide toestand anderzijds geven, afgezien van de verrekening van meer en minder werk, welke uit het bestek mocht voortvloeien, de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien die verschillen van zodanige aard zijn, dat de gevolgen daarvan redelijkerwijs niet voor zijn rekening dienen te komen. Overigens draagt de opdrachtgever de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de door of namens hem verstrekte gegevens. Het in dit lid bepaalde is ook van toepassing indien in het bestek geen toestand of gegevens zijn aangeduid, doch de tijdens de uitvoering blijkende toestand afwijkt van die welke de aannemer redelijkerwijs had mogen verwachten.

 

§ 30. Voorziening in waterkering, waterdoorlaat en verkeer

  • 1.

    De aannemer mag het werk of onderdelen daarvan, waardoor de belangen van waterkering of waterdoorlaat zouden kunnen worden geschaad of stremming of stoornis in of hinder aan of gevaar voor het verkeer te land, te water of door de lucht zou kunnen worden veroorzaakt, slechts uitvoeren, indien en zolang hij met het oog op die belangen de nodige voorzieningen heeft getroffen.

  • 2.

    Onder de in het eerste lid bedoelde voorzieningen worden verstaan: tijdelijke werken, afsluitingen, waarschuwingsborden, kentekens, verlichting en andere veiligheidsmaatregelen, die door wettelijke voorschriften worden vereist of uit anderen hoofde nodig mochten zijn.

  • 3.

    Zolang hinder aan of stoornis in het verkeer te land, te water of door de lucht wordt toegebracht, moet ten behoeve van dat verkeer de nodige hulp worden beschikbaar gesteld.

  • 4.

    De in deze paragraaf bedoelde voorzieningen en hulp zijn voor rekening van de aannemer, met dien verstande, dat dit voor tijdelijke werken van betekenis of maatregelen van ingrijpende aard slechts geldt, indien deze in de overeenkomst zijn omschreven.

 

§ 31. Verband met andere werken

  • 1.

    Indien verschillende werken in elkander grijpen, wordt dit in het bestek vermeld.

  • 2.

    Tenzij in het bestek anders is bepaald, geschiedt de coördinatie van in elkander grijpende werken door de directie.

  • 3.

    De aannemer gedoogt – zonder aanspraak op andere vergoedingen dan de in het volgende lid bedoelde – dat door derden, aan wie de directie zulks toestaat, tegelijkertijd en te zelfder plaatse wordt gewerkt.

  • 4.

    Hij gedoogt, dat daarbij gebruik wordt gemaakt van reeds gemaakt werk en gemaakte hulpwerken. Voor dit gebruik kan de aannemer aanspraak op bijbetaling doen gelden, indien meer van hem wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

 

§ 32. Gevonden voorwerpen

De aannemer is verplicht de vondst van alle voorwerpen, die bij de uitvoering van het werk worden gevonden en die van waarde zijn of uit een historisch of wetenschappelijk oogpunt van belang kunnen zijn, terstond aan de directie te melden en deze voorwerpen zo mogelijk in handen van de directie te stellen, tenzij het bestek anders bepaalt.

 

§ 33. Vermoeden van onvoldoend werk

Indien de directie vermoedt, dat het werk niet aan de bij de overeenkomst gestelde eisen voldoet, is de aannemer verplicht de maatregelen te nemen of te gedogen, die nodig zijn om vast te stellen of zulks al dan niet het geval is. Ingeval het werk niet aan deze eisen voldoet, komen de kosten van bedoelde maatregelen voor rekening van de aannemer. In het tegengestelde geval worden zij, evenals de kosten van herstel, verrekend als meer werk en wordt eventuele schade vergoed.

 

§ 34. Wijzigingen in de uitvoering

Wijzigingen door de directie in de uitvoering van het werk aangebracht geven de aannemer aanspraak op bijbetaling, indien van hem meer wordt verlangd dan redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

 

Hoofdstuk X. Meer en minder werk

 

§ 35. Verrekening van meer en minder werk

  • 1.

    Verrekening van meer en minder werk vindt plaats:

    • a.

      ingeval van bestekswijzigingen (§ 36);

    • b.

      ingeval van afwijkingen van de bedragen van de stelposten (§ 37);

    • c.

      ingeval van afwijkingen van geschatte hoeveelheden (§ 38, tweede lid);

    • d.

      ingeval van afwijkingen van verrekenbare hoeveelheden (§ 39);

    • e.

      in de gevallen waarin verrekening als meer en minder werk in deze UAV of in de overeenkomst is voorgeschreven. In deze gevallen is het bepaalde in par. 36 lid 1a van overeenkomstige toepassing.

  • Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet.

  • 2.

    De verrekening van het meer werk geschiedt door bijbetaling, die van het minder werk door inhouding op de aannemingssom. De opdrachtgever en de aannemer komen overeen op welke wijze – ineens of in gedeelten – en wanneer de verrekening geschiedt van het meer en het minder werk of, indien er zowel van meer als van minder werk sprake is, van het saldo daarvan.

  • 3.

    Indien omtrent wijze en tijdstip van de verrekening van het meer werk niets is overeengekomen, geschiedt deze verrekening ineens na de voltooiing van het meer werk.

  • 4.

    Indien omtrent wijze en tijdstip van de verrekening van het minder werk niets is overeengekomen, geschiedt deze verrekening, met inachtneming van het bepaalde in § 40, zevende lid, ineens bij de eindafrekening van het werk.

  • 5.

    Indien bij de eindafrekening van het werk blijkt, dat het totaal van het reeds verrekende en het nog te verrekenen minder werk dat van het reeds verrekende en het nog te verrekenen meer werk overtreft, heeft de aannemer recht op een bedrag gelijk aan 10% van het verschil van deze totalen. Het in dit lid bepaalde lijdt uitzondering, voor zover het minder werk het gevolg is van een verzoek van de aannemer om minder te mogen uitvoeren dan in de overeenkomst is bepaald.

  • 6.

    Voor de toepassing van het bepaalde in het vijfde lid wordt onder het werk verstaan:

    • a.

      bij aanneming in massa, de werken van de percelen gezamenlijk;

    • b.

      bij meerjarige onderhoudsbestekken de werken van de onderhoudsjaren gezamenlijk.

 

§ 36. Bestekswijzigingen

  • 1.

    Onder bestekswijzigingen worden verstaan wijzigingen in het bestek, het werk of de voorwaarden van uitvoering van het werk.

  • 1a.

    In geval van door de opdrachtgever gewenste bestekswijzigingen kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.

  • 2.

    De directie is bevoegd voor of tijdens de uitvoering van het werk bestekswijzigingen aan te brengen. Indien en voor zover deze bevoegdheid in het bestek aan de opdrachtgever is voorbehouden, is voor deze bestekswijzigingen een door de opdrachtgever aan de aannemer te verstrekken schriftelijke opdracht vereist.

  • 3.

    De aannemer zal aan opdrachten tot bestekswijzigingen gevolg geven, ook indien daardoor de omvang van het werk wordt vermeerderd of verminderd, mits dientengevolge de totalen van de bijbetalingen en inhoudingen elk niet meer bedragen dan 15% van de aannemingssom dan wel het saldo van die bijbetalingen en inhoudingen niet meer bedraagt dan 10% van de aannemingssom.

  • 4.

    Bestekswijzigingen worden verrekend tegen bedragen of prijzen die vóór de uitvoering van die wijzigingen of, indien hun aard dit belet, zo spoedig mogelijk tussen de opdrachtgever en de aannemer worden overeengekomen. Indien de directie overweegt om een bestekswijziging aan te brengen en daartoe de aannemer verzoekt een prijsaanbieding te doen, plegen de directie en de aannemer op verzoek van de aannemer tevoren overleg omtrent de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden, de aannemer aanspraak zal kunnen maken op een redelijke vergoeding van de aan het doen van de prijsaanbieding verbonden kosten.

  • 5.

    Bestekswijzigingen zullen de aannemer schriftelijk worden opgedragen. De aannemer kan genoegen nemen met een overeenkomstige aantekening in het dagboek, het weekrapport of het verslag van de bouwvergadering, welke dan als schriftelijke opdracht zal worden aangemerkt. Het gemis van een schriftelijke opdracht of van een aantekening in het dagboek of weekrapport laat de aanspraken van de aannemer en van de opdrachtgever op verrekening van meer en minder werk onverlet.

  • 6.

    Ten aanzien van bestekswijzigingen zal op verzoek van de directie of van de aannemer een afzonderlijke termijn worden overeengekomen, binnen welke het meer werk zal worden voltooid, hetgeen dan in de schriftelijke opdracht wordt vermeld.

  • 7.

    Bij meerjarige onderhoudsbestekken wordt bij de in het derde lid vermelde totalen van bijbetalingen en van inhoudingen elk onderhoudsjaar op zichzelf beschouwd.

  • 8.

    De opdrachtgever zal de reeds aangevoerde, de blijkens de vrachtbrief afgezonden en de uitsluitend ten behoeve van het werk bestelde bouwstoffen, die tengevolge van bestekswijzigingen niet kunnen worden gebruikt, voor zover deze bouwstoffen aan de gestelde eisen voldoen, overnemen of deswege een billijke schadevergoeding verlenen.

 

§ 37. Stelposten

  • 1.

    Onder stelposten worden verstaan in het bestek als zodanig aangeduide geldbedragen, welke in de aannemingssom zijn begrepen en ten laste waarvan nader in het bestek beschreven uitgaven worden gebracht.

  • 2.

    Indien de som van de uitgaven, die ten laste van een stelpost worden gedaan, hoger of lager blijkt te zijn dan het bedrag van die stelpost, zal de afwijking worden verrekend.

  • 3.

    Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven, die betrekking hebben op de aanschaffing van bouwstoffen, wordt gerekend met prijzen, welke zijn samengesteld uit:

    • a.

      de prijzen op basis van franco levering op of in het vervoermiddel bij het werkterrein;

    • b.

      een aannemersvergoeding van 10% van de onder a bedoelde prijzen.

  • 4.

    (Vervallen).

  • 5.

    Kosten van emballage en de terugzending daarvan komen voor rekening van de aannemer, behalve voor zover die kosten, door de invulling die aan de stelpost wordt gegeven, hoger zijn dan die waarmee de aannemer redelijkerwijs rekening heeft moeten houden.

  • 6.

    De kosten van het in het werk brengen van ten laste van stelposten aangeschafte bouwstoffen zijn in de aannemingssom begrepen en worden niet afzonderlijk verrekend. Deze kosten zullen echter worden verrekend ten laste van de stelpost, waarop ook de aanschaffing van die bouwstoffen wordt verrekend, indien zij betrekking hebben op het in het werk brengen van installaties, zoals liften, centrale verwarming en dergelijke, of voor zover zij door de invulling die aan de stelpost wordt gegeven hoger zijn dan die waarmee de aannemer redelijkerwijs rekening heeft moeten houden.

  • 7.

    De aanschaffing van bouwstoffen, waarvoor stelposten zijn opgenomen, geschiedt door de aannemer volgens nadere opdracht van de directie en, tenzij de directie de aannemer daarin vrijlaat, bij leveranciers die daartoe door haar worden aangewezen.

  • 8.

    Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven, die betrekking hebben op de verrichting van werkzaamheden, wordt gerekend met prijzen, welke zijn samengesteld uit:

    • a.

      de voor de uitvoering nodige kosten, voor zover deze rechtstreeks op de uitvoering betrekking hebben;

    • b.

      een aannemersvergoeding van 10% van de onder a bedoelde kosten. De kosten op de bouwplaats voor algemene inrichting, verzorging en uitvoering worden niet afzonderlijk verrekend, maar worden geacht in de aannemingssom te zijn begrepen, behalve voor zover die kosten, door de invulling die aan de stelpost wordt gegeven, hoger zijn dan die waarmee de aannemer redelijkerwijs rekening heeft moeten houden.

  • 9.

    De verrichting van werkzaamheden als bedoeld in het achtste lid geschiedt volgens nadere opdracht van de directie door de aannemer of door derden, die daartoe door haar worden aangewezen.

  • 10.

    Bij de ten laste van stelposten te brengen uitgaven, die betrekking hebben op het doen van betalingen aan derden, wordt gerekend met bedragen, welke zijn samengesteld uit:

    • a.

      het bedrag van de aan derden gedane betaling, de omzetbelasting daarin niet begrepen;

    • b.

      een aannemersvergoeding van 5% van het onder a bedoelde bedrag.

  • 11.

    Betalingen aan derden, waarvoor stelposten zijn opgenomen, geschieden door de aannemer volgens nadere opdracht van de directie.

  • 12.

    Alvorens een uitgave ten laste van een stelpost te brengen, kan de directie van de aannemer overlegging van bewijsstukken verlangen.

 

§ 38. Hoeveelheden

  • 1.

    Onder verrekenbare hoeveelheden worden verstaan de in het bestek als zodanig aangeduide hoeveelheden; afwijkingen worden verrekend overeenkomstig het bepaalde in § 39.

  • 2.

    Onder geschatte hoeveelheden worden verstaan de met de toevoeging ‘naar schatting’, ‘ongeveer’ of dergelijke aanduidingen in het bestek genoemde hoeveelheden. Een afwijking van een geschatte hoeveelheid wordt verrekend indien en voor zover er sprake is van een afwijking die meer bedraagt dan 10% van die geschatte hoeveelheid, tenzij zulks aanleiding tot onbillijkheid zou geven.

  • 3.

    Afwijkingen van andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde hoeveelheden, welke door de directie worden verlangd of voorgeschreven, worden beschouwd als bestekswijzigingen en verrekend overeenkomstig het bepaalde in § 36.

  • 4.

    Indien in het bestek hoeveelheden bouwstoffen zijn vermeld, worden daaronder verstaan, voor zover niet anders is bepaald, hoeveelheden in het werk gemeten.

  • 5.

    De meting van geleverde of verwerkte bouwstoffen geschiedt door de aannemer ten overstaan van de directie en op door haar goed te keuren wijze.

 

§ 39. Afwijkingen van verrekenbare hoeveelheden

  • 1.

    Indien in het bestek verrekenbare hoeveelheden zijn opgenomen en deze blijken te hoog of te laag te zijn om het werk overeenkomstig de bepalingen van het bestek of de aard van het werk tot stand te brengen, zullen de afwijkingen van deze hoeveelheden worden verrekend tegen verrekenprijzen, die daartoe bij de totstandkoming van de overeenkomst zijn overeengekomen.

  • 2.

    Indien een verrekenprijs voor afwijkingen van een in het bestek opgenomen verrekenbare hoeveelheid te laag of te hoog blijkt te zijn, zal een gewijzigde verrekenprijs tussen de opdrachtgever en de aannemer worden overeengekomen. De herziening zal slechts kunnen plaats vinden, indien meer dan 110% of minder dan 90% van de in het bestek opgenomen verrekenbare hoeveelheid is of zal worden verwerkt.

  • 3.

    Indien overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid een verrekenprijs wordt gewijzigd, wordt de afwijking van de in het bestek opgenomen verrekenbare hoeveelheid verrekend tegen die gewijzigde verrekenprijs; zodanige wijziging leidt echter niet tot wijziging van de aannemingssom.

  • 4.

    Indien voor een bepaalde bouwstof of voor een bepaald soort werk meer dan één verrekenbare hoeveelheid in het bestek is opgenomen en voor die hoeveelheden een zelfde verrekenprijs geldt, wordt voor de toepassing van het bepaalde in het tweede en derde lid het totaal van deze hoeveelheden als de in het bestek opgenomen verrekenbare hoeveelheid beschouwd.

  • 5.

    In de in deze paragraaf bedoelde verrekenprijzen worden geacht begrepen te zijn alle rechtstreeks of zijdelings voor de uitvoering nodige kosten en een aannemersvergoeding. In de aannemersvergoeding worden de algemene kosten van de aannemer en een normale aannemerswinst geacht begrepen te zijn.

 

Hoofdstuk XI. Betaling, omzetbelasting, kortingen, verpanding

 

§ 40. Betaling

  • 1.

    Het ingevolge de overeenkomst aan de aannemertoekomende bedrag is het saldo, gevormd door de aannemingssom, verhoogd onderscheidenlijk verlaagd met hetgeen overigens aan of door hem ter zake van de overeenkomst verschuldigd is.

  • 2.

    Indien de aannemer volgens de overeenkomst recht heeft op betaling in termijnen, heeft met het oog op het verschijnen van een betalingstermijn opneming van het uitgevoerde gedeelte van het werk plaats.

  • 3.

    Bij de opneming, bedoeld in het tweede lid, wordt rekening gehouden met de waarde van goedgekeurde, doch nog niet verwerkte bouwstoffen, voor zover deze krachtens § 19 eigendom van de opdrachtgever zijn geworden.

  • 4.

    Geschiedt de opneming, bedoeld in het tweede lid, niet binnen acht dagen nadat de aannemer daarom heeft verzocht, dan kan de aannemer schriftelijk een nieuwe aanvrage tot de directie richten, met verzoek binnen vier dagen tot opneming over te gaan. Voldoet de directie niet aan dit verzoek, dan wordt de opneming geacht te zijn geschied en wordt het door de aannemer in zijn verzoek opgegeven termijnbedrag uitbetaald overeenkomstig het in het zesde lid bepaalde.

  • 5.

    Indien de directie na een opneming, bedoeld in het tweede lid, nalaat binnen vier dagen nadat de aannemer daarom schriftelijk heeft verzocht, het resultaat van de opneming bekend te maken, wordt het door de aannemer in zijn verzoek opgegeven termijnbedrag uitbetaald overeenkomstig het in het zesde lid bepaalde.

  • 6.

    De uitbetaling van een termijn zal plaats vinden binnen vier weken, nadat bij de opneming, bedoeld in het tweede lid, is gebleken, dat de aannemer recht heeft op betaling van die termijn. Indien in het bestek is bepaald, dat de betaling van een termijn eerst zal geschieden nadat de aannemer een declaratie heeft ingediend, zal de betaling plaats vinden binnen vier weken nadat de declaratie in goede orde bij de directie is ingekomen. De declaratie wordt geacht in goede orde bij de directie te zijn ingekomen indien de directie niet binnen zeven dagen na ontvangst van de declaratie aan de aannemer heeft medegedeeld dat daaraan documenten ontbreken welke nodig zijn ter beoordeling van de juistheid van de declaratie. Indien de directie tegen de inhoud van de declaratie bezwaar heeft, stelt zij de aannemer onder opgave van redenen daarvan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de declaratie, op de hoogte.

  • 7.

    Indien een termijn verschenen is, waarvan het bedrag beïnvloed kan worden door de eindafrekening van het gehele werk, wordt die termijn gesteld op het bedrag, dat de aannemer, gegeven de voortgang van het werk, ontwijfelbaar toekomt en wordt dit bedrag aan hem uitbetaald.

  • 8.

    Indien een termijn nog niet verschenen is, kan de opdrachtgever niettemin, zo daartoe aanleiding bestaat, tot gedeeltelijke betaling daarvan overgaan.

  • 9.

    Indien niet is overeengekomen, dat betaling in termijnen zal geschieden, ontvangt de aannemer, vooruitlopend op de eindafrekening, binnen vier weken nadat het werk is opgeleverd het bedrag, dat hem ontwijfelbaar toekomt.

  • 10.

    Op de betaling van bedragen buiten de aannemingssom of van bedragen buiten de termijnen van de aannemingssom is het bepaalde in het zesde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 11.

    Zo spoedig mogelijk na de oplevering van het werk, of, indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, zo spoedig mogelijk na het verstrijken daarvan, wordt de eindafrekening van het werk opgesteld. Hetgeen reeds is betaald wordt dan in mindering gebracht op hetgeen de aannemer volgens het eerste lid toekomt en het restant wordt hem binnen vier weken betaald. Indien de aannemer bij de eindafrekening een bedrag aan de opdrachtgever verschuldigd blijkt, is hij binnen vier weken tot betaling daarvan gehouden.

  • 12.

    Indien door in gebreke blijven of onvermogen van de aannemer de opdrachtgever het werk geheel of gedeeltelijk uitvoert, of door anderen doet uitvoeren, wordt de betaling opgeschort, totdat zal zijn gebleken, welk bedrag dientengevolge door of aan de aannemer verschuldigd is. Het bepaalde in § 45, eerste en tweede lid, is niet van toepassing over het tijdvak van de opschorting.

  • 13.

    In de in het voorgaande lid bedoelde gevallen heeft de opdrachtgever tevens het recht om voor rekening van de aannemer rechtstreeks aan onderaannemers en leveranciers een billijke vergoeding uit te keren voor de werkzaamheden en leveringen, waarvoor deze nog geen betaling genoten. De opdrachtgever gaat hiertoe niet over dan na de aannemer of diens wettelijke vertegenwoordiger ter zake te hebben gehoord.

 

§ 41. Omzetbelasting

  • 1.

    De ter zake van het werk verschuldigde omzetbelasting is niet begrepen in de tussen opdrachtgever en aannemer overeengekomen of overeen te komen bedragen en prijzen, doch het bedrag daarvan wordt door de aannemer in zijn prijsopgaven afzonderlijk vermeld.

  • 2.

    De opdrachtgever vergoedt de aannemer de ter zake van het werk verschuldigde omzetbelasting.

  • 3.

    De aannemer ontvangt echter geen vergoeding van de ter zake van het werk verschuldigde omzetbelasting voor zover deze van de opdrachtgever wordt geheven.

  • 4.

    De berekening van hetgeen de aannemer ingevolge de overeenkomst toekomt geschiedt met inachtneming van bedragen en prijzen, waarin de omzetbelasting niet is begrepen; de berekening van de door de opdrachtgever aan de aannemer te vergoeden omzetbelasting geschiedt afzonderlijk.

  • 5.

    De vergoeding van omzetbelasting aan de aannemer geschiedt gelijktijdig met de ter zake van het werk aan hem te verrichten betalingen.

 

§ 42. Kortingen

  • 1.

    De opdrachtgever kan wegens te late oplevering van het werk aan de aannemer kortingen op de aannemingssom opleggen. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als dag van oplevering aangemerkt de dag, welke door de aannemer overeenkomstig het bepaalde in § 9, eerste lid, of, ingeval van heropneming na onthouding van goedkeuring, overeenkomstig het bepaalde in § 9, achtste lid, is opgegeven, mits het werk vervolgens is of geacht wordt te zijn goedgekeurd.

  • 2.

    Het bedrag der kortingen wordt in het bestek bepaald. Bij gebreke van zodanige bepaling bedraagt het € 60 per dag.

  • 3.

    Geen korting wordt opgelegd voor na de opleveringstermijn verstreken dagen die geen werkdag zijn. Evenmin wordt korting opgelegd voor de zowel binnen als na bedoelde termijn gevallen dagen, dat de oplevering door overmacht is vertraagd, voor zover daarmede bij een verleende termijnverlenging geen rekening is gehouden. Vertraging in de voortgang van het werk door bedrijfsstoornissen en – indien de opleveringstermijn niet is bepaald in werkbare werkdagen – door onwerkbare dagen, wordt daarbij slechts als overmacht aangemerkt, voor zover die vertraging van ongewone duur is geweest.

  • 4.

    Geen korting wordt opgelegd wegens overschrijding van een termijn, indien en voor zover deze overschrijding het gevolg is van overschrijding van een eerder geëindigde termijn, waarvoor reeds korting is opgelegd, mits de bedoelde termijnen met elkaar in verband staan.

  • 5.

    Kortingen worden verbeurd enkel ten gevolge van het verschijnen van de bepaalde dag, zonder dat deswege een ingebrekestelling nodig is om daarvan te doen blijken.

  • 6.

    Kortingen en andere bedragen, die ingevolge de overeenkomst door de aannemer verschuldigd zijn, worden bij de eerstvolgende betalingstermijn en zo nodig bij volgende termijnen van betaling ingehouden of op andere wijze op de aannemer verhaald.

 

§ 43. Verpanding of cessie door de aannemer aan derden

  • 1.

    De aannemer zal het recht op het saldo, bedoeld in § 40, eerste lid, geheel of gedeeltelijk kunnen cederen of in pand geven.

  • 2.

    Indien een cessie aan de opdrachtgever is betekend, is de aannemer verplicht de akte van cessie aan de opdrachtgever over te leggen, indien deze zulks wenst.

 

Hoofdstuk XIa . Zekerheidstelling, verzekering

 

§ 43a. Zekerheidstelling

  • 1.

    Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing, tenzij het bestek anders bepaalt.

  • 2.

    Met inachtneming van hetgeen in het zevende lid is bepaald, is de opdrachtgever gerechtigd om van de aannemer te bedingen dat deze zekerheid stelt voor de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst; indien door de aannemer zekerheid dient te worden gesteld, geldt het bepaalde in het derde tot en met het zesde lid van deze paragraaf.

  • 3.

    De waarde van de zekerheid is gelijk aan 5% van de aannemingssom en de zekerheid dient te worden gesteld in de vorm van een bankgarantie.

  • 4.

    Indien de opdrachtgever voornemens is de bankgarantie in te roepen geeft hij de aannemer daarvan bij aangetekende brief kennis. De opdrachtgever is gerechtigd de bankgarantie in te roepen, tenzij de Raad van Arbitrage voor de Bouw, in een door de aannemer binnen tien werkdagen na de verzending van de in dit lid bedoelde kennisgeving aanhangig te maken spoedgeschil, in eerste aanleg anders beslist.

  • 5.

    De zekerheid blijft van kracht tot het tijdstip waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd, met dien verstande dat, indien sprake is van kleine gebreken als bedoeld in § 9, zevende lid, de zekerheid van kracht blijft tot het tijdstip waarop de aannemer deze gebreken heeft hersteld. Indien in het bestek een onderhoudstermijn is voorgeschreven, blijft de zekerheid van kracht tot overeenkomstig § 11, zesde lid, is geconstateerd dat de aannemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

  • 6.

    Na de dag waarop het werk als opgeleverd wordt beschouwd, of indien een onderhoudstermijn is voorgeschreven, na afloop van de onderhoudstermijn, is de aannemer gerechtigd vervangende zekerheid te stellen tot een bedrag dat in redelijkheid is gemoeid met herstel van de voor zijn rekening komende gebreken. De opdrachtgever is gehouden de oorspronkelijke zekerheidstelling terug te geven nadat hij met de vervangende zekerheid heeft ingestemd en deze heeft ontvangen.

  • 7.

    De opdrachtgever is niet gerechtigd om van de aannemer te bedingen dat deze zekerheid stelt voor de nakoming van zijn verplichtingen indien is overeengekomen dat de aannemingssom geheel of ten dele wordt ingehouden. Van een zodanige inhouding is sprake indien, de termijn van § 40, zesde lid, eerste zin, buiten beschouwing gelaten, aan de aannemer minder wordt betaald dan overeenkomt met de som der waarden van het werk dat reeds is uitgevoerd en van de goedgekeurde nog onverwerkte bouwstoffen, die eigendom van de opdrachtgever zijn geworden.

  • 8.

    Indien de opdrachtgever hetgeen de aannemer volgens de overeenkomst toekomt, niet of niet tijdig betaalt, of de aannemer gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de opdrachtgever het de aannemer toekomende niet of niet tijdig zal betalen, is de aannemer gerechtigd om van de opdrachtgever genoegzame zekerheid te verlangen. Indien de opdrachtgever in gebreke blijft met het stellen van de door de aannemer verlangde genoegzame zekerheid, is de aannemer bevoegd, hetzij de uitvoering van het werk te schorsen, hetzij het werk in onvoltooide staat te beëindigen. Met betrekking tot de schorsing respectievelijk de beëindiging in onvoltooide staat is het bepaalde in § 14 van overeenkomstige toepassing. Op de in dit lid bedoelde zekerheid is hetgeen in het vierde lid is gesteld van overeenkomstige toepassing.

 

§ 43b. Verzekering

  • 1.

    Tenzij het bestek anders bepaalt, dient de aannemer verzekeringen aan te gaan waarin de opdrachtgever en de directie als mede-verzekerden zijn opgenomen, een en ander voor zover dit naar de aard en de omvang van het werk nodig en gebruikelijk is. De aannemer zorgt ervoor dat de directie ten spoedigste schriftelijk bewijs van het bestaan en de inhoud van vorenbedoelde verzekeringen ontvangt.

  • 2.

    Indien door de opdrachtgever verzekeringen in verband met het werk zijn aangegaan of zullen worden aangegaan, worden de condities en bepalingen daarvan aan het bestek gehecht en zorgt de opdrachtgever ervoor dat de aannemer ten spoedigste schriftelijk bewijs van het bestaan en de inhoud van vorenbedoelde verzekeringen ontvangt.

 

Hoofdstuk XII. Schade aan het werk

 

§ 44. Schade aan het werk

  • 1.

    Onder schade aan het werk in de zin van deze paragraaf wordt verstaan schade aan het geheel of gedeeltelijk door de aannemer ten behoeve van de opdrachtgever gebouwde of gemaakte, aan de hulpwerken, aan de op of bij het werk aangevoerde bouwstoffen en voor het werk noodzakelijke hulpmiddelen. Onder schade aan bouwstoffen wordt tevens verstaan het verlies daarvan.

  • 2.

    Van het ontstaan van schade aan het werk geeft de aannemer zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen een week nadat hem daarvan is gebleken of had kunnen blijken, kennis aan de directie.

  • 3.

    Onverminderd de aansprakelijkheid van partijen krachtens de overeenkomst of de wet is schade aan het werk voor rekening van de aannemer, tenzij deze schade het gevolg is van buitengewone omstandigheden tegen de schadelijke gevolgen waarvan de aannemer in verband met de aard van het werk geen passende maatregelen heeft behoeven te nemen, en het onredelijk zou zijn de schade voor zijn rekening te doen komen.

  • 4.

    Na het ontstaan van schade aan het werk is de aannemer verplicht tijdig de nodige maatregelen tot beperking daarvan te treffen. Bij aanwezigheid van de directie handelt hij daarbij onder haar goedkeuring.

  • 5.

    Schade aan het werk, die is ontstaan tengevolge van het niet nakomen van de in het tweede of vierde lid genoemde verplichting, is voor rekening van de aannemer.

  • 6.

    Schade aan het werk, welke voor rekening van de aannemer is, zal door deze worden hersteld binnen door de directie eventueel te stellen termijnen, tenzij van de aannemer redelijkerwijs niet kan worden verlangd, dat het herstel door hem geschiedt. In dit geval, alsmede indien redelijkerwijs van de opdrachtgever niet kan worden verlangd, dat hij het herstel door de aannemer laat verrichten, kan de opdrachtgever in plaats daarvan een geldelijke vergoeding van de aannemer vorderen.

  • 7.

    Niet voor rekening van de aannemer komende schade aan het werk zal, indien de opdrachtgever daartoe de wens te kennen geeft en dit redelijkerwijs van de aannemer kan worden verlangd, eveneens door deze worden hersteld binnen door de directie eventueel te stellen termijnen. In dit geval wordt het herstel als meer werk verrekend.

 

Hoofdstuk XIII. In gebreke blijven, onvermogen of overlijden van een der partijen

 

§ 45. In gebreke blijven, onvermogen of overlijden van de opdrachtgever

  • 1.

    Indien de opdrachtgever de in gevolge de overeenkomst verschuldigde betalingen niet tijdig verricht en de vertraging niet het gevolg is van een omstandigheid waarvoor de aannemer verantwoordelijk is, heeft deze aanspraak op vergoeding van rente tegen het wettelijk percentage met ingang van de dag, waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden. De rentevordering van de aannemer zal nimmer omvatten rente van rente.

  • 2.

    Indien na verloop van twee weken sedert de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, deze nog niet heeft plaats gevonden en een nadien door de aannemer verzonden schriftelijke aanmaning na verloop van veertien dagen evenmin tot betaling heeft geleid, wordt het in het voorgaande lid bepaalde percentage na het verstrijken van die veertien dagen met 2 verhoogd, en is de aannemer bevoegd, mits hij zulks in de aanmaning heeft vermeld, hetzij de uitvoering van het werk te schorsen tot de opdrachtgever het door hem verschuldigde heeft betaald, hetzij het werk in onvoltooide staat te beëindigen. Met betrekking tot de schorsing respectievelijk de beëindiging in onvoltooide staat is het bepaalde in § 14 van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Het bepaalde in het tweede lid omtrent schorsen en beëindigen in onvoltooide staat is niet van toepassing, indien de vordering van de aannemer betrekking heeft op een bedrag, waaromtrent de opdrachtgever een spoedgeschil aanhangig heeft gemaakt.

  • 4.

    Indien de opdrachtgever in staat van faillissement wordt verklaard, is de aannemer bevoegd de curator te sommeren om binnen acht dagen te verklaren of hij bereid is het werk te doen voortzetten onder zodanige genoegzame zekerheidstelling als de aannemer blijkens de sommatie verlangt. Indien de curator zich bereid verklaart het werk te doen voortzetten, is hij verplicht bij die verklaring de verlangde zekerheid te stellen. Indien de curator niet bereid is het werk te doen voortzetten, is de aannemer gerechtigd het werk in onvoltooide staat te beëindigen. Met betrekking tot de beëindiging in onvoltooide staat is het bepaalde in § 14 van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Ingeval de opdrachtgever onder curatele wordt gesteld, is het bepaalde in het vierde lid van overeenkomstige toepassing. Ingeval de opdrachtgever surseance van betaling wordt verleend of hij met rechterlijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst, is het bepaalde in het vierde lid eveneens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘de curator’ wordt gelezen ‘de opdrachtgever en de bewindvoerder’ onderscheidenlijk ‘de provisionele bewindvoerder of de curator’.

  • 6.

    Ingeval de opdrachtgever overlijdt, is de overeenkomst niet uit dien hoofde ontbonden. Het bepaalde in het vierde lid is alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘de curator’ wordt gelezen ‘de erfgenamen’. Indien de aannemer zulks verlangt, zijn de erfgenamen verplicht één van hen of een derde schriftelijk aan te wijzen om hen in alle opzichten te vertegenwoordigen.

 

§ 46. In gebreke blijven, onvermogen of overlijden van de aannemer

  • 1.

    Ingeval de aannemer de op hem rustende verplichtingen niet nakomt en de opdrachtgever hem deswege in gebreke stelt, zal de ingebrekestelling schriftelijk geschieden en zal de opdrachtgever de aannemer daarbij een redelijke termijn stellen om alsnog zijn verplichtingen na te komen. Reeds voordat de gestelde termijn is verstreken, is de opdrachtgever in dringende gevallen gerechtigd voor rekening van de aannemer zodanige maatregelen te nemen als hij ten nutte van het werk dienstig oordeelt. Indien de aannemer nalatig blijft zijn verplichtingen na te komen, is de opdrachtgever gerechtigd het werk voor rekening van de aannemer te voltooien of te doen voltooien, onverminderd des opdrachtgevers recht op schadevergoeding.

  • 2.

    Ingeval de aannemer voor de uitvoering van het werk te weinig personeel of hulpmiddelen, dan wel hulpmiddelen van onvoldoend vermogen of gebrekkige hulpmiddelen bezigt, waardoor naar het oordeel van de directie ontoelaatbare vertraging in de uitvoering ontstaat, zal de directie de aannemer schriftelijk aanmanen de uitvoering te bespoedigen. Indien de aannemer nalatig blijft, is de directie gerechtigd voor rekening van de aannemer zodanige maatregelen te nemen als zij voor de vlotte totstandkoming van het werk dienstig oordeelt.

  • 3.

    Ingeval de aannemer in staat van faillissement wordt verklaard, is de opdrachtgever bevoegd de curator te sommeren om binnen acht dagen te verklaren of hij bereid is het werk voort te zetten onder zodanige genoegzame zekerheidstelling als de opdrachtgever blijkens de sommatie verlangt. In afwachting van de beslissing omtrent de voortzetting van het werk is de opdrachtgever in dringende gevallen gerechtigd voor rekening van de aannemer zodanige maatregelen te nemen als hij ten nutte van het werk dienstig oordeelt. Indien de curator zich bereid verklaart het werk voort te zetten, is hij verplicht bij die verklaring de verlangde zekerheid te stellen. Indien de curator niet bereid is het werk voort te zetten, is de opdrachtgever gerechtigd het werk voor rekening van de aannemer te voltooien of te doen voltooien, onverminderd des opdrachtgevers recht op schadevergoeding.

  • 4.

    Ingeval de aannemer onder curatele wordt gesteld, is het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing. Ingeval de aannemer surseance van betaling wordt verleend of hij met rechterlijke machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis wordt geplaatst, is het bepaalde in het derde lid eveneens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘de curator’ wordt gelezen ‘de aannemer en de bewindvoerder’ onderscheidenlijk ‘de provisionele bewindvoerder of de curator’.

  • 5.

    Ingeval de aannemer overlijdt, is de overeenkomst niet uit dien hoofde ontbonden. Het bepaalde in het derde lid is alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor ‘de curator’ wordt gelezen ‘de erfgenamen’. Indien de opdrachtgever zulks verlangt, zijn de erfgenamen verplicht één van hen of een derde schriftelijk aan te wijzen om hen in alle opzichten te vertegenwoordigen.

  • 6.

    De opdrachtgever zorgt er voor, dat de kosten, die voor de aannemer voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen in deze paragraaf, binnen redelijke grenzen blijven.

  • 7.

    Ingeval de opdrachtgever overeenkomstig de bepalingen in deze paragraaf maatregelen ten dienste van het werk neemt dan wel het werk zelf voltooit of door derden doet voltooien, is hij gerechtigd daarbij van alle ter beschikking van de aannemer staande hulpmiddelen gebruik te maken of te doen maken.

  • 8.

    De opdrachtgever is verplicht de in het voorgaande lid bedoelde hulpmiddelen in goede staat te onderhouden of te doen onderhouden en deze zo spoedig mogelijk, nadat zij voor de uitvoering van het werk niet meer nodig zijn, weer ter beschikking van de aannemer te stellen. Schade, gedurende de periode van het gebruik aan deze hulpmiddelen toegebracht, is voor rekening van de opdrachtgever, tenzij hij bewijst, dat de schade niet aan hem is toe te rekenen.

 

Hoofdstuk XIV. Kostenverhogende omstandigheden

 

§ 47. Kostenverhogende omstandigheden

  • 1.

    Onder kostenverhogende omstandigheden worden in deze paragraaf verstaan omstandigheden die van dien aard zijn dat bij het tot stand komen van de overeenkomst geen rekening behoefde te worden gehouden met de kans dat zij zich zouden voordoen, die de aannemer niet kunnen worden toegerekend en die de kosten van het werk aanzienlijk verhogen.

  • 2.

    Indien kostenverhogende omstandigheden als bedoeld in het eerste lid intreden heeft de aannemer aanspraak op bijbetaling, in voege als omschreven in het volgende lid en behoudens het bepaalde in het vierde lid.

  • 3.

    Indien de aannemer van oordeel is dat kostenverhogende omstandigheden zijn ingetreden dient hij de opdrachtgever hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte te stellen. Alsdan zal de opdrachtgever op korte termijn met de aannemer overleg plegen omtrent de vraag of kostenverhogende omstandigheden zijn ingetreden en zo ja, in hoeverre de kostenverhoging naar redelijkheid en billijkheid zal worden vergoed.

  • 4.

    De opdrachtgever is gerechtigd om in plaats van toe te stemmen in een vergoeding als bedoeld in het derde lid het werk te beperken, te vereenvoudigen of te beëindigen; alsdan zal het door de opdrachtgever verschuldigde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld.

  • 5.

    Indien in de UAV of elders in de overeenkomst bijzondere voorschriften zijn opgenomen omtrent kostenverhogende of buitengewone omstandigheden, is voor wat de in die voorschriften geregelde gevallen betreft het bepaalde in deze paragraaf niet van toepassing.

 

Hoofdstuk XV. Vastleggen van de toestand, beslechting van geschillen

 

§ 48. Vastleggen van de toestand

  • 1.

    Indien de directie of de aannemer tijdens de loop van het werk de toestand, waarin enig onderdeel van het werk op zeker tijdstip verkeert, of enig ander feit of feitenverloop betreffende de uitvoering of voorbereiding van het werk wenst vast te leggen, kan zij of hij schriftelijk vorderen, dat die toestand gemeenschappelijk wordt opgenomen of dat feit of feitenverloop gemeenschappelijk wordt geconstateerd en in een op te maken en door hen beiden te ondertekenen proces-verbaal wordt beschreven.

  • 2.

    Indien de directie of de aannemer aan de in het eerste lid bedoelde vordering niet voldoet, kan de wederpartij de toestand in een proces-verbaal doen vastleggen overeenkomstig het arbitragereglement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw, zoals dit drie maanden voor de dag van de aanbesteding luidt, onverlet de bevoegdheid van de wederpartij zelf de verlangde opnemingen en constateringen in aanwezigheid van getuigen te verrichten en vast te leggen in een met de getuigen te ondertekenen proces-verbaal. De waardering van het aan dit proces-verbaal toe te kennen bewijs is aan het scheidsgerecht van genoemde Raad overgelaten.

  • 3.

    Het proces-verbaal, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt in tweevoud opgemaakt; één exemplaar is bestemd voor de directie en één voor de aannemer.

 

§ 49. Beslechting van geschillen

  • 1.

    Voor de beslechting van de in deze paragraaf bedoelde geschillen doen partijen uitdrukkelijk afstand van hun recht de tussenkomst van de gewone rechter in te roepen.

  • 2.

    Alle geschillen, welke ook – daaronder begrepen die, welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd – die naar aanleiding van de overeenkomst of van overeenkomsten, die daarvan een uitvloeisel mochten zijn, tussen opdrachtgever en aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig het arbitragereglement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw, zoals dit drie maanden voor de dag van aanbesteding luidt.

  • 3.

    De aannemer, die een geschil betreffende de eindafrekening aan de in het tweede lid genoemde Raad ter beslechting voorlegt, nadat de opdrachtgever zijn definitieve beslissing omtrent de eindafrekening schriftelijk ter kennis van de aannemer heeft gebracht, is niet ontvankelijk in hetgeen hij meer of anders vordert dan die eindafrekening inhoudt, indien hij het geschil aanhangig maakt later dan zes maanden nadat de opdrachtgever bij aangetekende brief de aandacht van de aannemer op deze termijn heeft gevestigd, tenzij de vordering voortvloeit uit een omstandigheid, welke eerst na het verloop van die termijn is gebleken.

  • 4.

    Indien bij een in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis een uitspraak van het scheidsgerecht geheel of gedeeltelijk nietig wordt verklaard, heeft ieder der partijen het recht het geschil, voor zover het dientengevolge onbeslist is gebleven, opnieuw overeenkomstig deze paragraaf te doen beslechten. De vordering is niet ontvankelijk, indien zij bij de in het tweede lid genoemde Raad wordt aanhangig gemaakt later dan drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak. Degene die als scheidsman of secretaris aan de nietig verklaarde beslissing heeft medegewerkt, zal aan de nieuwe behandeling niet mogen medewerken.

  • 5.

    Indien beide partijen in onderling overleg hieraan de voorkeur geven, worden de in het tweede lid bedoelde regelen vervangen door die, gegeven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor Metaalnijverheid en -handel, met dien verstande dat in aanvulling dezer regelen de bepaling geldt, dat scheidslieden niet bevoegd zijn het tussen partijen overeengekomene te wijzigen.

 

§ 50. Voortzetting van het werk

  • 1.

    De aannemer is gehouden, in afwachting van de totstandkoming van een uitspraak in het geschil, opvordering van de directie het werk volgens haar aanwijzingen voort te zetten, tenzij de Raad van Arbitrage in spoedgeschil anders beslist en onverminderd zijn rechten, die uit bedoelde uitspraak voor hem mochten voortvloeien.

  • 2.

    Voor zover de uitkering van enige termijn van betaling vertraging zou ondervinden in verband met een aanhangig geschil, zal de opdrachtgever tot zodanige betaling overgaan als in verband met de stand van het werk en de wederzijdse vorderingen toelaatbaar is. Zodanige betaling zal niet in het geding kunnen worden gebruikt als bewijs van de erkenning door de opdrachtgever van enig recht van de aannemer.

 

 

Bijlage A

 

Volmacht

De ondergetekende(n)

..... 1),

..... 5)

aannemer(s) van .....

..... 2)

Wijst/wijzen als zijn /hun gevolmachtigde aan ..... 3)

die hem/hun in alle opzichten vertegenwoordigt voor alle zaken betreffende .....

..... 4)

....., ..... 20.... 6)

De aannemer(s) ..... 7)

..... , ..... 20.... 6)

Goedgekeurd,

de Directie, ..... 7)

 

  • 1)

    Naam en voornamen van de aannemer of de aannemers, indien hij een natuurlijk persoon is of zij natuurlijke personen zijn of – in andere gevallen – de hiermee overeenkomende gegevens.

  • 2)

    Vermelding van het aangenomen werk.

  • 3)

    Naam en voornamen van de gevolmachtigde.

  • 4)

    Vermelding van het werk of gedeelte ervan alsmede eventuele bijzondere voorwaarden.

  • 5)

    Indien de aannemer zelf gevolmachtigde is van gezamenlijke aannemers, wordt hier ingevoegd: ‘gevolmachtigde van de’.

  • 6)

    Plaats en datum van ondertekening.

  • 7)

    Handtekening van de aannemers(s) c.q. de Directie.

 

 

Bijlage B

 

Ondergetekende

..... 1),

gevestigd te ..... 2),

in aanmerking nemende:

 

  • 1e.

    dat ..... 3),

    gevestigd te ..... 4),

    hierna genoemd ‘de opdrachtgever’, aan

    ..... 5),

    gevestigd te ..... 6),

    hierna genoemd ‘de aannemer’,

    heeft opgedragen:

    ..... 7),

    op welke overeenkomst de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 van toepassing zijn;

  • 2e.

    dat de aannemer voornemens is daarin de in onderstaande

    Lijst van Bouwstoffen vermelde bouwstoffen te verwerken;

    verklaart:

    dat hij/zij afstand doet van alle aanspraken op bedoelde bouwstoffen en deze na de goedkeuring beschouwt als eigendom van de opdrachtgever ingevolge § 19, eerste lid, der Uniforme Administratieve Voorwaarden voormeld.

 

Lijst van Bouwstoffen: 8),

.....)

.....)

.....)

.....)

.....)

.....)

.....)

.....)

.....)

.....)

....., ..... 20.... 9)

..... 10)

 

  • 1)

    Naam van de leverancier van c.q. rechthebbende op de bouwstoffen.

  • 2)

    Volledig adres van deze.

  • 3)

    Naam van de opdrachtgever.

  • 4)

    Volledig adres van deze.

  • 5)

    Naam van de aannemer.

  • 6)

    Volledig adres van deze.

  • 7)

    Korte beschrijving van het werk.

  • 8)

    Opsomming der betrokken bouwstoffen.

  • 9)

    Plaats en datum van ondertekening.

  • 10)

    Handtekening van de leverancier van c.q. rechthebbende op de bouwstoffen.

 

 

 

 

Bijlage 2

 

Wijzigingen in de UAV 2012 ten opzichte van de UAV 1989:

 

  • Paragraaf 1: aan de begripsbepaling van de UAV en van het werk is toegevoegd ‘technisch installatiewerk’. Door integratie van de UAV-TI 1992 was deze toevoeging noodzakelijk geworden.

  • Paragraaf 4: Het formulier A met betrekking tot de vertegenwoordiging van de aannemer bij volmacht wordt verplicht voorgeschreven. Het formulier dient daarmee niet meer louter als voorbeeld.

  • Paragraaf 5 lid 1 en paragraaf 6 lid 10: De begrippen ‘vergunningen, ontheffingen of dergelijke beschikkingen’ zijn vervangen door ‘publiekrechtelijke en privaatrechtelijke toestemmingen’.

  • Paragraaf 5 lid 5: de specifieke bepaling over de aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor de niet of niet tijdige levering van bouwstoffen die bij een voorgeschreven leverancier worden betrokken, dan wel bouwstoffen die door de opdrachtgever zijn voorgeschreven, is vervallen. Hiermee wordt de positie van de voorgeschreven leverancier gelijkgetrokken met die van de voorgeschreven onderaannemer.

  • Paragraaf 5 lid 8 en paragraaf 6 lid 6: de zorg voor veiligheid en milieu is aangescherpt. Deze aanscherping is daarnaast terug te vinden in de toevoeging aan paragraaf 6 van lid 16a dat voorziet in een meldingsplicht voor het aantreffen van voorwerpen of stoffen waarvan redelijkerwijs geacht kan worden dat deze schade kunnen toebrengen aan personen, goederen of milieu.

  • Paragraaf 6 lid 14: ‘Goede trouw’ is vervangen door ‘de eisen van redelijkheid en billijkheid’.

  • Paragraaf 6 lid 26: De zin ‘deze goedkeuring zal niet mogen worden onthouden op onredelijke gronden’ is toegevoegd.

  • Paragraaf 6 lid 27: het woord ‘uitvoeringskosten’ is vervangen door ‘kosten’.

  • Paragraaf 8 lid 4 en 5: De redactie is aangepast om een duidelijk onderscheid te maken tussen de situatie dat een aannemer recht heeft op termijnverlenging en de situatie dat hij bij wijze van gunst om termijnverlenging vraagt.

  • Paragraaf 8a: de beproeving van het technische installatiewerk, afkomstig uit de UAV-TI 1992, is opgenomen.

  • Paragraaf 10: lid 1a is toegevoegd waarin is opgenomen een bepaling betreffende de verstrekking van revisietekeningen en bedienings- en onderhoudsvoorschriften van het technische installatiewerk.

  • Paragraaf 10 lid 3: een uitgebreidere regeling is opgenomen voor de ingebruikname van een werk voordat dit voltooid is dan wel voor de ingebruikname van een al dan niet voltooid onderdeel daarvan. Ten aanzien van het technische installatiewerk is hier een specifieke bepaling opgenomen.

  • Paragraaf 11: bij het herstellen van gebreken door de aannemer is toegevoegd dat hieronder niet vallen die gebreken die het gevolg zijn van onjuist of onzorgvuldig gebruik dan wel gekwalificeerd kunnen worden als normaal te verwachten slijtage als gevolg van het feitelijke gebruik.

  • Paragraaf 12 lid 2: formuleert de aansprakelijkheid van de aannemer na oplevering. Betreft deels een samenvoeging met lid 3 en deels een aanpassing aan het huidige Burgerlijk Wetboek (BW).

  • Paragraaf 12 lid 4: voor de rechtsvordering wordt nu onderscheid gemaakt naar de duur van de aansprakelijkheid voor verborgen gebreken, afhankelijk van de aard van het verborgen gebrek.

  • Paragraaf 17 lid 2: de opdrachtgever is niet langer verplicht bouwstoffen te keuren. In het bestek moet worden bepaald of en in hoeverre bouwstoffen moeten worden gekeurd.

  • Paragraaf 17 lid 3: de formulering over gebreken na de keuring is aangepast met de termen ‘redelijkerwijs niet door de directie had kunnen worden onderkend’ en ‘het gebrek aan de aannemer kan worden toegerekend’.

  • Paragraaf 17 lid 5: is aangevuld met de bepaling dat de directie de goedkeuring voor andere bouwstoffen in plaats van met een fabrieksnaam aangeduide bouwstoffen, mits van overeenkomstige hoedanigheid, niet onthoudt op onredelijke gronden.

  • Paragraaf 18 lid 1: keuring in de vorm van visuele beoordeling is opgenomen indien in het bestek is voorgeschreven dat bouwstoffen moeten worden geleverd met een kwaliteitsverklaring afkomstig van een door de Raad voor de Accreditatie erkende certificatie-instelling. Hiermee wordt aangesloten bij de praktijk.

  • Paragraaf 21: is in overeenstemming gebracht met de Wet milieubeheer door de term ‘niet van waarde zijn’ bij uit het werk komende oude bouwstoffen te schrappen. In het bestek kan worden afgeweken van de hoofdregel dat de uit het werk komende oude bouwstoffen eigendom blijven van de opdrachtgever. Voorts is verwijtbaarheid vervangen door toerekenbaarheid.

  • Paragraaf 22 lid 2: gebreken in relatie tot een garantie over één of meer onderdelen van het werk zijn duidelijker geformuleerd. In afwijking van het advies is niet overgenomen de voorgestelde toevoeging ‘op grond van de U.A.V.’. Een omstandigheid die aan de aannemer kan worden toegerekend kan namelijk bijvoorbeeld zijn gebaseerd op de UAV maar ook op het bestek voor het betreffende werk.

  • Paragraaf 23: de verplichtingen van de aannemer in relatie tot het ter beschikking stellen en onderhouden van loodsen en andere hulpmiddelen zijn algemener geformuleerd en er wordt verwezen naar het omschrijven van de verplichtingen in het bestek. De rest van paragraaf 23 is vervallen. In afwijking van het advies is verder toegevoegd ‘en verwijderen’ en ‘en/of directieverblijf’ in de zin: ‘De verplichtingen van de aannemer met betrekking tot het ter beschikking stellen, onderhouden en verwijderen van loodsen en/of directieverblijf en andere hulpmiddelen worden in het bestek omschreven.’ Ook over het ter beschikking stellen en onderhouden van een eventueel directieverblijf en het verwijderen van de loodsen en andere hulpmiddelen in zijn algemeenheid (inclusief een eventueel directieverblijf) dient in het bestek te worden voorzien. Hiermee wordt een verduidelijking gegeven van de hulpmiddelen waar in het bestek op moet worden ingegaan.

  • Paragraaf 26: opgenomen is dat de aannemer een algemeen tijdschema opstelt en wat daarin moet zijn opgenomen. Hiermee wordt aangesloten bij de praktijk.

  • Paragraaf 27: in de titel is toegevoegd ‘verslagen van bouwvergaderingen’. Uit de rechtspraak blijkt dat, indien is overeengekomen om tijdens de uitvoering van het werk bouwvergaderingen te houden, dit belangrijke stukken zijn.

  • Paragraaf 27 lid 1: is aangescherpt zodat het nu ook voorziet in een verplichting om een aantekening in het weekrapport te maken over voorvallen betreffende de veiligheid en/of gezondheid van personen.

  • Paragraaf 36: lid 1a is toegevoegd die de gevolgen voor de prijs vanwege een door de opdrachtgever gewenste bestekswijziging regelt.

  • Paragraaf 42 lid 2: het bedrag der kortingen is gewijzigd van een bedrag in guldens naar een bedrag in euro‘s.

  • Paragraaf 48: over het vastleggen van de toestand in een proces-verbaal is bepaald, dat het arbitragereglement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw geldt, zoals dit drie maanden voor de dag van de aanbesteding luidt.

Overig: ‘geldsbedragen’ is gewijzigd in ‘geldbedragen’, ‘netto-prijzen’ is gewijzigd in ‘prijzen’, ‘netto-kosten’ is gewijzigd in ‘kosten’, de actuele naam van de Raad van Arbitrage voor de Bouw is opgenomen, ‘krankzinnigengesticht’ is gewijzigd in ‘psychiatrisch ziekenhuis’, ‘is te wijten aan schuld’ en ‘is te wijten aan’ is gewijzigd in ‘is toe te rekenen’, cursivering van de begrippen in paragraaf 1, verwijdering van de definitie van BW uit paragraaf 1, omdat die definitie niet meer in de tekst voorkomt, verwijdering van punten in de definitiebepaling van UAV in paragraaf 1 en overige paragrafen, toevoeging van ‘hij’ in paragraaf 10, derde lid, verwijdering van een tussenstreepje in de tweede zin van paragraaf 26, vierde lid en ‘formulier A’ is gewijzigd in ‘bijlage A’

 

Bijlage 3 Tarieventabel Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2022

 

Tarieventabel behorende bij de ‘Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2022

 

2021 (Bedrag in €)

2022 (Bedrag in €)

Titel 1 Algemene dienstverlening

Hoofdstukken 1 tot en met 7 maken geen deel uit van deze verordening en tarieventabel

Hoofdstuk 8 Vastgoedinformatie

1.8.1

Het tarief voor de raadpleging van de bij de sector ruimte berustende vergunningen, tekeningen en bestemmingsplannen bedraagt, voor ieder kwartier of gedeelte daarvan:

23,05

23,40

1.8.2

Het tarief voor het op verzoek van belanghebbenden verlenen van hulp bij de raadpleging, bedoeld onder 1.8.1, bedraagt, voor elk kwartier of gedeelte daarvan:

23,05

23,40

1.8.3

Het tarief voor het maken van kopieën van tekeningen, vergunningen en bestemmingsplannen bedraagt, voor elk kwartier of gedeelte daarvan:

23,05

23,40

1.8.4

Het tarief voor een afdruk van een straatwandtekening in het kader van het beschermd stadsgezicht bedraagt:

449,20

455,70

1.8.5

Het tarief voor het verstrekken van informatie uit het gemeentelijke beperkingenregister of de gemeentelijke beperkingenregistratie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, dan wel tot het verstrekken van een aan die registratie ontleende verklaring, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, bedraagt:

11,15

11,30

1.8.6

Het tarief voor het verstrekken van informatie uit Kadaster OnLine bedraagt:

7,50

7,60

1.8.7

Het tarief voor een abonnement op lijsten van straatnamen en huisnummeringen bedraagt:

317,65

322,25

1.8.8

Het tarief voor een abonnement op lijsten van ingeschreven bouwactiviteiten bedraagt:

39,15

39,70

Hoofdstuk 10 en 11 maken geen deel uit van deze verordening en tarieventabel

Hoofdstuk 12 Leegstandwet

1.12

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag:

1.12.1

tot het verlenen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van leegstaande woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet

1.12.1.1

voor één woning:

201,25

204,15

1.12.1.2

voor 2 tot en met 10 woningen:

597,85

606,50

1.12.1.3

voor 11 tot en met 25 woningen:

687,55

697,50

1.12.1.4

voor 26 tot en met 50 woningen:

732,35

742,95

1.12.1.5

voor meer dan 50 woningen:

926,65

940,10

1.12.2

tot het verlengen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, negende lid, van de Leegstandwet

186,85

189,55

Hoofdstuk 14 Markten

1.14.1

Het tarief voor het in behandeling nemen van een eerste c.q. nieuw verzoek om op de wachtlijst(en)/sollicitantenlijsten van gegadigde voor de dag- en weekmarkt(en) geplaatst te worden ingevolge de vigerende “Marktverordening Maastricht" bedraagt.

36,50

37,05

1.14.2

Het tarief voor het in behandeling nemen van een verzoek om de inschrijving op de wachtlijst(en) van gegadigden voor de dag- en weekmarkt(en) met een kalenderjaar te verlengen, ingevolge de vigerende “Marktverordening Maastricht" bedraagt:

18,25

18,50

Hoofdstuk 15 Winkeltijden

1.15.1

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing op grond van de vigerende Winkeltijdenwet en/of een ontheffing op grond van de Verordening winkeltijden Maastricht 2015, bedraagt:

37,80

38,35

1.15.2

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen of het overschrijven van een ontheffing voor een avondwinkel op grond van de vigerende Winkeltijdenwet en/of artikel 6 van de Verordening Winkeltijden Maastricht 2015, bedraagt:

118,05

119,75

Hoofdstuk 16 Kansspelen

1.16.1*

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag ter zake een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen en artikel 3 van het speelautomatenbesluit:

1.16.1.1*

voor één kansspelautomaat, voor 4 jaar:

226,00

226,00

(€ 56,50 per kalenderjaar) (wettelijk vastgesteld (maximum)tarief)

1.16.1.2*

voor iedere volgende kansspelautomaat voor 4 jaar:

136,00

136,00

(€ 34,00 per kalenderjaar) (wettelijk vastgesteld (maximum)tarief)

1.16.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen (loterijvergunning)

43,90

44,55

1.16.3

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning en tot het exploiteren of doen exploiteren van een speelgelegenheid als bedoeld in artikel 2 van de vigerende Verordening speelautomatenhallen en speelautomaten Maastricht 2001, exclusief de aanwezigheidsvergunning, bedraagt de beschikking per jaar:

1.421,50

1.442,10

1.16.3.1

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een reeds verleende vergunning, als bedoeld in 1.16.3, bedraagt:

239,10

242,55

1.16.3.2

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot wijziging van een reeds verleende vergunning, als bedoeld in 1.16.3, die een wijziging van de leidinggevende(n) inhoudt, bedraagt voor de eerste leidinggevende:

37,95

38,50

1.16.3.3

voor iedere volgende leidinggevende:

19,00

19,30

*

Wettelijk vastgesteld (maximum)tarief

Hoofdstuk 17 Telecommunicatie

1.17.1

Het tarief ter zake het in behandeling nemen van een melding in verband met het verkrijgen van instemming omtrent tijdstip, plaats en werkwijze van uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet, c.q. een aanvraag als bedoeld in artikel 4 en volgende van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 gemeente Maastricht, bedraagt:

354,50

359,65

1.17.2

Dit tarief wordt, indien het betreft werkzaamheden in tegel-, klinker- en sierbestratingen, alsmede gesloten verhardingen, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met:

1,50

1,50

1.17.3

Dit tarief wordt, indien het betreft werkzaamheden in bermen, groenstroken en dergelijke, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in of op openbare gemeentegrond, per strekkende meter sleuf verhoogd met:

1,50

1,50

1.17.4

Dit tarief wordt, indien met betrekking tot een melding overleg moet plaatsvinden tussen gemeente, andere beheerders van openbare grond en de aanbieder van het netwerk, verhoogd met:

118,10

119,80

1.17.5

De verwijderingsbijdrage als bedoeld in artikel 13 lid 5 van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2016 gemeente Maastricht bedraagt, per strekkende meter kabel:

3,60

3,65

Hoofdstuk 18 Verkeer en vervoer

1.18.1

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toepassing van artikel 9 van de Wegenwet (het onttrekken van een weg aan het openbaar verkeer) bedraagt:

95,55

96,95

1.18.2

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing op grond van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 van de gesloten-verklaring milieuzone, bedraagt:

1.18.2.1

voor een dagontheffing:

29,75

30,20

1.18.2.2

voor een ontheffing voor de duur van maximaal een kalenderjaar:

297,55

301,85

1.18.3

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om vergunning tot het plaatsen - ten behoeve van bouw-, onderhouds- en/of sloopwerk - van bouwmaterialen, werktuigen, keten, loodsen, (rol)steigers in het centrum, (materiaal)containers in het centrum, schuttingen e.d. bedraagt:

88,35

89,65

1.18.3.1

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag die wordt ingediend binnen de formele aanvraag termijn bepaald in artikel 1.3 van de Algemene plaatselijke verordening en - na beoordeling van de ambtenaar - binnen een kortere periode getoetst en behandeld kunnen worden, bedraagt:

1.18.3.1.1

tussen 1 en 3 weken:

135,15

137,10

1.18.3.1.2

binnen 1 week:

182,05

184,70

1.18.3.2

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlenging of wijziging van een al verleende vergunning bedraagt:

43,95

44,60

1.18.3.3

Indien het plaatsen van een opstal een (gedeeltelijke) wegafsluiting noodzaakt, worden bovenvermelde leges verhoogd met:

57,50

58,35

1.18.3.4

Bij het verzoek tot verlenging van een (gedeeltelijke) wegafsluiting:

28,75

29,15

1.18.4

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing op grond van het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens, bedraagt: (vermeerderd met tarief genoemd in artikel 1.18.6, 1.18.7, 1.18.8 en 1.18.11 en 1.18.12 en 1.18.13, 1.18.15)

19,85

20,15

1.18.5

Het tarief voor het in behandeling nemen en/of het verstrekken van een duplicaat van een ontheffing op grond van het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens in verband met een gewijzigd kenteken, verlies, vermissing of diefstal - per ontheffingsbewijs, bedraagt:

19,85

20,15

1.18.6

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing van de Wegenverkeerswet voor het houden van oriëntatieritten, auto‑ rally's bedraagt:

47,50

48,20

1.18.7

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor zover noodzakelijk voor en direct samenhangend met de uitvoering van bijzondere transporten, bedraagt per verzoek, per transport:

57,95

58,80

1.18.8

Het tarief van een ontheffingsbewijs bij een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in Artikel 87 van RVV 1990 bedraagt per kalenderjaar:

63,25

64,15

(Door het bevoegd gezag kan ontheffing worden verleend van de artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 8, 10, 23, eerste lid, 24, 25, 26, 42, 43, 46, 53, 61b, alsmede artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22a, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78, 81 en 98 – waaronder blauwe zone)

1.18.9

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een parkeervergunning zoals bedoeld in de vigerende Verordening Parkeerregulering en Parkeerbelastingen, bedraagt: (vermeerderd met het jaartarief vergunning ingevolge de voormelde verordening)

19,85

20,15

1.18.10

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een parkeervergunning bij een kentekenwijziging of tot het verlenen van een duplicaat als bedoeld in de vigerende Verordening Parkeerregulering en Parkeerbelastingen ten gevolge van verlies, diefstal of vermissing, bedraagt:

19,85

20,15

1.18.11

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot de afgifte van een jaarontheffing voor 'kabelbedrijven' op grond van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 in combinatie met een jaarvergunning voor het parkeren op vergunninghoudersplaatsen en parkeerapparatuurplaatsen als bedoeld in de vigerende "Verordening Parkeerregulering en parkeerbelastingen" voor het verrichten van storingswerkzaamheden aan of op de openbare weg, bedraagt per kalenderjaar:

523,60

531,20

1.18.12

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag inzake exploitatie Toeristisch Vervoer Maastricht bedraagt:

1.18.12.1

voor gemotoriseerd vervoer:

676,65

686,45

Jaarlijks vermeerderd met leges ontheffing RVV

(cf vigerende Beleidsregel Toeristisch Vervoer).

1.18.12.2

voor ongemotoriseerd vervoer:

418,95

425,00

Jaarlijks vermeerderd met leges ontheffing RVV

(cf vigerende Beleidsregel Toeristisch Vervoer).

1.18.13

Het tarief voor het verlenen van een vergunning voor het laden en lossen op betaalde- en vergunninghoudersplaatsen met een maximale parkeerduur van 15 minuten bedraagt per kalenderjaar

805,60

817,30

Maximaal 3 ontheffingen per hotel op grond van de nota “Parkeren bij Hotels”:

Indien geen plaatsen beschikbaar en te beoordelen door gemeente, eventuele aanleg bij nacalculatie.

1.18.14

Het tarief voor de digitale bezoekersregeling bedraagt

19,85

20,15

1.18.15

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen bedraagt:

200,85

203,75

1.18.16

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om verstrekking van een landelijke gehandicaptenparkeerkaart bedraagt,

1.18.16.1

in geval van een standaard, uitgebreid, verkort, afgebroken of vervallen geneeskundig onderzoek: het factuurbedrag onafhankelijke keuringsdienst, vermeerderd met de leges voor de behandeling:

50,65

51,40

1.18.16.2

zonder geneeskundig onderzoek de leges voor de behandeling:

50,65

51,40

1.18.17

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een individuele gehandicaptenparkeerplaats bedraagt, exclusief de kosten voor de aanleg van deze plaats:

279,70

283,75

1.18.18

Het tarief voor het verstrekken van een landelijke gehandicaptenkaart c.q. duplicaat tengevolge van vermissing, diefstal of verlies bedraagt:

28,60

29,00

Hoofdstuk 19 APV en Diversen

Geluid

1.19.1.1

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 2 van de vigerende geluidhinderverordening gemeente Maastricht, bedraagt per dag, per locatie:

139,05

141,05

1.19.1.2

met een maximum van:

552,00

560,00

Terrassen

1.19.2

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het exploiteren van een terras bedraagt:

118,00

119,70

1.19.2.1

Indien ter zake van de aanvraag van een vergunning voor het exploiteren van een terras advies van de welstandscommissie moet worden ingewonnen, wordt dit tarief verhoogd met:

71,60

72,65

1.19.2.2

Het tarief voor een verzoek voor het overschrijven van een terrasvergunning, gedurende de looptijd van bedoelde vergunning, van de geregistreerde exploitant naar de nieuwe exploitant bedraagt:

37,80

38,35

Uitstallingsplan

1.19.3

Het tarief voor het in behandeling nemen van een initiatief uitstallingsplan cf. vigerend uitstallingenbeleid bedraagt:

241,85

245,35

Ligplaatsen

1.19.4

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een ligplaatsvergunning zoals bedoeld in de Verordening Woonschepen Zuid-Willemsvaart 2019 bedraagt:

124,45

126,25

1.19.4.1

Het tarief voor aanpassingen, toevoegingen en weigeringen in lopende vergunningen als bedoeld in 1.19.4 bedraagt:

43,95

44,60

1.19.4.2

Het tarief voor overschrijving van lopende vergunningen als bedoeld in 1.19.4 van de vergunninghouder naar rechtverkrijgende, bedraagt:

43,95

44,60

Vuurwerk

1.19.5

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2.6.2 van de Algemene plaatselijke verordening (het aanwezig houden van vuurwerk voor particulieren) bedraagt per beschikking:

457,65

464,30

Standplaatsen

1.19.6

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het geven van een beschikking voor het verkopen of te koop aanbieden aan de weg (vaste standplaats), als bedoeld in artikel 5.2.3. van de Algemene plaatselijke verordening (inname standplaats), bedraagt: voor het eerste jaar

188,90

191,65

1.19.6.1

Voor de verlenging:

37,80

38,35

1.19.6.2

Voor het wijzigen van de vergunning:

37,80

38,35

1.19.7

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor productinformatie en/of ideële groeperingen (incidentele standplaats), als bedoeld in artikel 5.2.3. van de Algemene plaatselijke verordening (inname standplaats), bedraagt het tarief van de beschikking:

37,80

38,35

Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving / omgevingsvergunning

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

2.1.1.1

Onder de bouwkosten, al dan niet geheel of gedeeltelijk in zelfwerkzaamheid , wordt in deze titel verstaan een raming van de bouwkosten exclusief BTW op basis van het product van de eenheidsprijzen voor het uit te voeren werk en de inhoud c.q. oppervlakte c.q. lengte van het bouwwerk, conform de door de heffingsambtenaar vastgestelde Regeling vaststellen bouwkosten ten behoeve van de leges (zie bijlage 1 bij de Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2022)

Voor bouwwerken die niet passen binnen het regime van vaststelling van bouwkosten op basis van de ‘Regeling vaststellen bouwkosten ten behoeve van de leges’ geldt de aannemingssom exclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), Staatscourant 30 januari 2012, nr. 1567 (zie bijlage 2 bij de Legesverordening fysieke diensten Maastricht 2022), voor het uit te voeren werk, of voor zover deze ontbreekt een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen ten behoeve van de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken, exclusief omzetbelasting, welke als bijlage deel uitmaakt van de door de gemeenteraad vastgestelde verordening

2.1.1.2

Onder een bouwinitiatief principeverzoek/ vooroverleg/ conceptaanvraag wordt verstaan een als zodanig door de verzoeker kenbaar gemaakt plan dat tenminste bestaat uit de bescheiden die nodig zijn voor het beoordelen van de (bouw)activiteit en dan met name op de onderdelen zoals bedoeld in artikel 2.10, lid 1, sub a, c en/of d van de Wabo.

2.1.1.3

Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2.1.2

In deze titel voorkomende begrippen die in de Wabo zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als bij of krachtens de Wabo bedoeld.

2.1.3

In deze titel voorkomende begrippen die niet nader in de Wabo zijn omschreven en die betrekking hebben op activiteiten waarvoor het toetsingskader in een ander wettelijk voorschrift is uitgewerkt, hebben dezelfde betekenis als in dat wettelijk voorschrift bedoeld.

Hoofdstuk 2 Beoordelingbouwinitiatief/ principeverzoek/ vooroverleg/ conceptaanvraag

2.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag:

2.2.1

Tot het houden van vooroverleg in verband met het verkrijgen van een indicatie of een voorgenomen project in het kader van de Wabo een aanvraag ontvankelijk is.

-

-

2.2.2

Tot het beoordelen van een conceptaanvraag om een omgevingsvergunning (principeverzoek):

30%

30%

van de leges zoals deze bij een daadwerkelijke aanvraag om een omgevingsvergunning voor het project zouden worden vastgesteld.

2.2.2.1

Indien voor de behandeling van het onder 2.2.2. genoemde verzoek een advies of, op verzoek van de aanvrager een advies, wordt gevraagd van de welstands- en monumentencommissie bedraagt het tarief zoals vastgesteld in artikel 2.3.1.2.

2.2.2.2

Indien binnen 1 jaar na het verkrijgen van deze beoordeling een op basis van het ingediende bouwinitiatief/principeverzoek een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, wordt: van de op grond van artikel 2.2.2 betaalde leges, uitsluitend de leges bouwactiviteit zoals bedoeld in 2.3.1.1 daarmee verrekend.

90%

90%

2.2.3

De leges voor het in behandeling nemen van een principeverzoek/bouwinitiatief tot het uitsluitend beoordelen of het gebruik past binnen het bestemmingsplan (planologische toets), een bedrag van per locatie:

168,20

170,65

2.2.4

Het tarief voor het in behandeling nemen van een principeverzoek/ bouwinitiatief of medewerking mogelijk is tot afwijking van het vigerende bestemmingsplan (dit in verband met het voornemen een omgevingsvergunning aan te vragen voor een met de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan strijdige activiteit zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, al dan niet in combinatie met een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo), bedraagt:

2.2.4.1

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, van de Wabo (BEOORDELING afwijking) bedragen:

203,80

206,75

Verhoogd met:

2.2.4.2

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 1 van de Wabo (BEOORDELING binnenplanse afwijking) bedragen:

153,95

156,20

2.2.4.3

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 2 van de Wabo (BEOORDELING buitenplanse kleine afwijking of tijdelijke afwijking) bedragen:

307,90

312,35

2.2.5

Het tarief voor het in behandeling nemen van een principeverzoek/ bouwinitiatief of medewerking mogelijk is tot wijziging van het vigerende bestemmingsplan (in verband met het voornemen een omgevingsvergunning aan te vragen voor een met de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan strijdige bouwactiviteit c.q. een verzoek de kaders of randvoorwaarden vast te stellen voor de herontwikkeling van een locatie in afwijking van het geldende bestemmingsplan) bedraagt:

2.532,75

2.569,45

2.2.6

Het tarief voor het in behandeling nemen van een principeverzoek/ bouwinitiatief of medewerking mogelijk is tot wijziging van het vigerende bestemmingsplan (in verband met het voornemen een omgevingsvergunning aan te vragen voor een met de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan strijdige bouwactiviteit c.q. een verzoek de kaders of randvoorwaarden vast te stellen voor de herontwikkeling van een locatie in afwijking van het geldende bestemmingsplan in combinatie met toepassing van artikel 76a van de Wet geluidhinder, in verband met het inwinnen van een milieudeskundig advies en het toekennen van een hogere waarde), bedraagt:

2.961,75

3.004,70

Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

2.3

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project bedraagt: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd.

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

2.3.1.1.1

indien de bouwkosten minder dan € 50.000 bedragen, per € 500 of deel daarvan:

20,30

20,60

waarbij een minimum geldt van:

180,00

182,60

2.3.1.1.2

indien de bouwkosten € 50.000 tot € 250.000 bedragen:

2.027,95

2.057,35

vermeerderd met, voor elke € 500 of deel daarvan, waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 50.000 overstijgt:

19,30

19,60

2.3.1.1.3

indien de bouwkosten € 250.000 tot € 500.000 bedragen:

9.747,15

9.888,50

vermeerderd met, voor elke € 500 of deel daarvan, waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 250.000 overstijgt:

18,40

18,65

2.3.1.1.4

indien de bouwkosten € 500.000 tot € 1.000.000 bedragen:

18.928,10

19.202,55

vermeerderd met, voor elke € 500 of deel daarvan, waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 500.000 overstijgt:

17,50

17,75

2.3.1.1.5

indien de bouwkosten € 1.000.000 tot € 2.500.000 bedragen:

36.465,20

36.993,95

vermeerderd met, voor elke € 500 of deel daarvan, waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 1.000.000 overstijgt:

16,90

17,15

2.3.1.1.6

indien de bouwkosten € 2.500.000 tot € 5.000.000 bedragen:

87.097,60

88.360,50

vermeerderd met, voor elke € 500 of deel daarvan, waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 2.500.000 overstijgt:

16,25

16,50

2.3.1.1.7

indien de bouwkosten € 5.000.000 tot € 10.000.000 bedragen:

168.186,30

170.625,00

vermeerderd met, voor elke € 500 of deel daarvan, waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 5.000.000 overstijgt:

15,65

15,90

2.3.1.1.8

indien de bouwkosten € 10.000.000 of meer bedragen:

325.416,05

330.134,60

vermeerderd met, voor elke € 500 of deel daarvan, waarmee het bedrag aan bouwkosten de € 10.000.000 overstijgt:

15,40

15,60

Welstandstoets

2.3.1.2

Indien ter zake de aanvraag om vooroverleg, een principeverzoek of een omgevingsvergunning het inwinnen van een advies of op verzoek van de aanvrager een advies van de welstands- en monumentencommissie of ambtelijke toetsing voor het onderdeel bouwactiviteiten en voor het onderdeel (onderhoud) monument en slopen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, onder f en/of 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo noodzakelijk is, bedraagt het tarief per behandeling:

2.3.1.2.1

indien de bouwkosten minder dan € 50.000 bedragen:

66,40

67,35

2.3.1.2.2

indien de bouwkosten € 50.000 tot € 250.000 bedragen:

116,80

118,50

2.3.1.2.3

indien de bouwkosten € 250.000 tot € 500.000 bedragen:

204,30

207,25

2.3.1.2.4

indien de bouwkosten € 500.000 tot € 1.000.000 bedragen:

357,50

362,70

2.3.1.2.5

indien de bouwkosten € 1.000.000 tot € 2.500.000 bedragen:

625,65

634,70

2.3.1.2.6

indien de bouwkosten € 2.500.000 tot € 5.000.000 bedragen:

1.094,95

1.110,85

2.3.1.2.7

indien de bouwkosten € 5.000.000 tot € 10.000.000 bedragen:

1.916,15

1.943,95

2.3.1.2.8

indien de bouwkosten € 10.000.000 of meer bedragen:

3.353,20

3.401,80

2.3.1.2.9

Indien de commissie in haar advies tot uitdrukking brengt dat met betrekking tot het bouwplan bemonstering van materialen ter nadere advisering aan de commissie moeten worden voorgelegd, bedraagt het tarief voor het uitbrengen van dit nadere advies:

66,40

67,35

Achteraf ingediende aanvraag

2.3.1.3

Onverminderd het bepaalde in subonderdeel 2.3.1.1 en 2.3.1.2 bedraagt het tarief, indien de in dat subonderdeel bedoelde aanvraag wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de bouwactiviteit: (van de op grond van het betreffende onderdeel verschuldigde leges).

150%

150%

Aanlegactiviteiten

2.3.2

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag ter zake een omgevingsvergunning als bedoeld in art 2.1 lid 1 sub b van de Wabo (ten behoeve van een aanlegactiviteit) een bedrag van

358,00

363,20

Planologisch strijdig gebruik ongeacht of er wel of geen sprake is van een bouwactiviteit

2.3.3

Indien de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, al dan niet in combinatie met een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3.1, en het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

2.3.3.1

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, van de Wabo (BEOORDELING afwijking) bedragen

203,80

206,75

Verhoogd met:

2.3.3.2

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 1 van de Wabo (BEOORDELING binnenplanse afwijking) bedragen

153,95

156,20

2.3.3.3

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 2 van de Wabo (BEOORDELING buitenplanse kleine afwijking of tijdelijke afwijking) bedragen:

307,90

312,35

2.3.3.3.1

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo (BEOORDELING projectbesluit) bedragen: bouwkosten en/of aanlegkosten minder dan € 500.000:

4.650,55

4.718,00

2.3.3.3.2

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo (BEOORDELING projectbesluit) bedragen: bouwkosten en/of aanlegkosten vanaf € 500.000 tot € 2.000.000:

6.519,00

6.613,55

2.3.3.3.3

juncto art. 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wabo (BEOORDELING projectbesluit) bedragen: bouwkosten en/of aanlegkosten meer dan € 2.000.000:

9.314,70

9.449,75

2.3.3.4

De leges voor het in behandeling nemen van een verzoek om planologische toets, om te beoordelen of het gebruik past binnen het bestemmingsplan, een bedrag van per locatie.

168,20

170,65

Beoordeling aanvullende gegevens

2.3.4

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.3 bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van aanvullende gegevens die worden ingediend nadat de in dat onderdeel bedoelde aanvraag al in behandeling is genomen:

48,30

49,00

In gebruik nemen of gebruiken bouwwerken in relatie tot brandveiligheid

2.3.5

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten,

2.3.5.1

voor het ingebruiknemen van een bouwwerk in de zin van artikel 2.2, lid 1 sub a Besluit omgevingsrecht,

2.3.5.1.1

tot maximaal 50 personen:

3.338,65

3.387,05

2.3.5.1.2

voor meer dan 50 personen:

5.416,65

5.495,20

2.3.5.2

voor het ingebruiknemen van een bouwwerk in de zin van artikel 2.2, lid 1 sub b Besluit omgevingsrecht,

2.3.5.2.1

tot maximaal 100 personen:

3.338,65

3.387,05

2.3.5.2.2

voor meer dan 100 personen:

5.416,65

5.495,20

2.3.5.3

Indien de aanvraag zoals bedoeld in de artikelen 2.3.5 tot en met 2.3.5.2.2 gelijktijdig met een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo wordt gedaan (samenloop bouwactiviteit), wordt het in artikel 2.3.5 genoemde tarief verminderd met

75%

75%

2.3.5.4.1

Indien bij de oplevering van de bouwwerkzaamheden blijkt dat het gebruik van een verleende omgevingsvergunning in marginale zin afwijkt:

80%

80%

- uitgangspunten blijven gehandhaafd,

- indeling en gebruik veranderen niet wezenlijk (minder dan 10%)

- compartimentering en brandveiligheidsinstallaties wijzigen niet in concept,

- gelijkwaardigheidsprincipe wijzigt niet, en

- bij administratieve wijzigingen,

en derhalve een nieuwe omgevingsvergunning moet worden verleend, wordt het in de artikelen 2.3.5 tot en met 2.3.5.2.2 genoemde tarief verminderd met:

2.3.5.4.2

Indien het gebruik van de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo wordt het in de artikelen 2.3.5 tot en met 2.3.5.2.2 genoemde tarief verminderd met:

60%

60%

2.3.5.4.3

Het tarief voor een aanvraag zoals bedoeld in 2.5.1 en 2.5.2, die niet rechtstreeks voldoet aan de bepalingen van hoofdstuk 6 en 7 van het Bouwbesluit 2012 en dus uitsluitend kan worden verleend op basis van artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 (gelijkwaardigheid), wordt vermeerderd met:

50%

50%

2.3.6

Activiteiten met betrekking tot monumenten of beschermde stads- of dorpsgezichten

2.3.6.1

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning voor onderhoudswerkzaamheden betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo, een vergunning of ontheffing is vereist, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

78,30

79,45

2.3.6.2

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning voor werkzaamheden betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo, waarvoor de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed geen afzonderlijk advies verstrekt, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

390,15

395,80

2.3.6.3

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning voor werkzaamheden betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo, of artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo, waarvoor aan de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed een afzonderlijk advies verstrekt, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

1.153,85

1.170,60

Achteraf ingediende aanvraag

2.3.6.4

Onverminderd het bepaalde in subonderdeel 2.3.6.1, 2.3.6.2 en 2.3.6.3 bedraagt het tarief, indien de in dat subonderdeel bedoelde aanvraag wordt ingediend na aanvang of gereedkomen van de activiteit met betrekking tot een beschermd monument: Van de op grond van het betreffende onderdeel verschuldigde leges.

150%

150%

2.3.7

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

213,20

216,30

2.3.7.1

Indien het slopen waarvoor een omgevingsvergunning (sloopactiviteit) wordt gevraagd tevens vergunningplichtig is ingevolge art. 2.1 lid 1 sub f, van de Wabo wordt het onder 2.3.6.1 tot en met 2.3.6.3 genoemde tarief eenmalig verhoogd met een bedrag van

213,20

216,30

De in 2.3.7. bedoelde tarieven zijn niet in combinatie van de betreffende onderdelen verschuldigd.

2.3.8

Uitweg/inrit

2.3.8.1

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het maken, hebben, veranderen of veranderen van het gebruik van een uitweg als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

193,95

196,75

Alarminstallatie

2.3.8.2

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het in, op of aan een onroerende zaak hebben van een alarminstallatie die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, waarvoor ingevolge artikel 2.4.16 van de Algemene plaatselijke verordening (alarminstallaties) een vergunning of ontheffing is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

30,15

30,60

Stookverbod

2.3.8.3

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 5.5.1, derde lid van de Algemene plaatselijke verordening (verbod vuur te stoken), bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

66,95

67,90

2.3.9

Kappen

2.3.9.1

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning betrekking heeft op het vellen of doen vellen van houtopstand, waarvoor op grond van de Bomenverordening een vergunning is vereist, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

57,60

58,45

2.3.9.2

Handelsreclame

2.3.9.2.1

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft het verkrijgen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2 lid 1 sub h van de Wabo, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk indien tevens sprake is van de in die onderdelen bedoelde activiteiten:

84,15

85,35

2.3.9.2.2

Indien ter zake de behandeling van een aanvraag als bedoeld in 2.3.10A.1 een advies van de welstandscommissie wordt ingewonnen, wordt het tarief in 2.3.10A.1 genoemde tarief verhoogd met:

42,10

42,70

2.3.10

Projecten of handelingen in het kader van de Wet natuurbescherming (bescherming van een Natura 2000-gebied)

2.3.10.1

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het realiseren van projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats en soorten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming, waarvoor Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg een verklaring van geen bedenkingen dient te geven of te weigeren ingevolge artikel 2.27, lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

2.3.10.2

het van toepassing zijnde tarief zoals opgenomen in paragraaf 2.6 van de vigerende Tarieventabel behorende bij de vigerende Legesverordening van de Provincie Limburg inzake het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor het realiseren van projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats of soorten in of nabij een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming. Dit tarief bedraagt:

2.3.10.2.1

a. Landbouw en overige

2.667,70

2.706,40

2.3.10.2.2

b. Industrie

13.251,70

13.443,85

2.3.10.2.3

c. Infrastructuur

19.869,45

20.157,55

Voor zover deze tarieven door Provinciale Staten van de Provincie Limburg zijn gewijzigd zijn de vigerende tarieven van kracht.

2.3.11

Leges in het kader van de Wet natuurbescherming worden niet geheven voor:

2.3.11.1

Het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning in het kader van projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats of soorten in of nabij een Natura 2000-gebied betrekking hebbende op evenementen en het beheer van een Natura-gebied.

Omgevingsvergunning in twee fasen

2.3.12

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning op verzoek in twee fasen plaatsvindt, als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo, bedraagt het tarief:

2.3.12.1

voor het in behandeling nemen van de aanvraag ter zake een beschikking met betrekking tot de eerste fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de eerste fase betrekking heeft;

2.3.12.2

voor het in behandeling nemen van de aanvraag ter zake een beschikking met betrekking tot de tweede fase: het bedrag dat voortvloeit uit toepassing van de tarieven in dit hoofdstuk voor de activiteiten waarop de aanvraag voor de tweede fase betrekking heeft.

2.3.13

Beoordeling bodemrapport

2.3.13.1

Voor het opstellen van een Programma van Eisen en/of opstellen van een Plan van Aanpak

692,75

702,80

2.3.13.2

Voor de beoordeling van een of meerdere archeologische rapportages

839,70

851,90

2.3.14

Advies

2.3.14.1

Onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wettelijk voorschrift aangewezen bestuursorgaan of andere instantie advies moet uitbrengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld.

2.3.14.2

Indien een begroting als bedoeld in subonderdeel 2.3.14.1 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.

2.3.15

Verklaring van geen bedenkingen

2.3.15.1

Onverminderd het bepaalde in de andere onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het tarief, indien een daartoe bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend, als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo:

205,75

208,75

2.3.15.1.1

indien een ander bestuursorgaan een verklaring van geen bedenkingen moet afgeven: het bedrag van de voorafgaand aan het in behandeling nemen van de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning aan de aanvrager meegedeelde kosten, blijkend uit een begroting die door het college van burgemeester en wethouders is opgesteld.

2.3.15.1.2

Indien een begroting als bedoeld in subsubonderdeel 2.3.15.1.2 is uitgebracht, wordt een aanvraag in behandeling genomen op de vijfde werkdag na de dag waarop de begroting aan de aanvrager ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze vijfde werkdag schriftelijk is ingetrokken.

2.3.16

Duurzame voorzieningen

2.3.16.1

Onder het begrip 'duurzame voorziening' wordt verstaan:

- het plaatsen van isolerend glas;

- het plaatsen van een collector voor warmteopwekking;

- het plaatsen van een collector voor elektriciteitsopwekking.

2.3.16.2

Voor het treffen van duurzame voorzieningen aan bouwwerken worden geen leges bouwactiviteiten zoals bedoeld in 2.3.1.1 geheven.

Hoofdstuk 4 Vermindering (vervallen)

Hoofdstuk 5 Teruggaaf

2.5.1

Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten

2.5.1.1

Als een aanvrager zijn aanvraag ter zake een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouwactiviteiten, als bedoeld in de onderdeel 2.3.1.1, intrekt terwijl deze reeds in behandeling is genomen door de gemeente, bestaat op verzoek van de aanvrager aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt van de op grond van artikel 2.3.1.1 verschuldigde leges:

50%

50%

2.5.1.2

Voor de op grond van de artikelen 2.3.2 t/m 2.3.9 verschuldigde leges wordt geen teruggaaf verleend.

2.5.1.3

Indien voor afgifte van een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1 lid 1 sub d van de Wabo de aanvraag ter zake de omgevingsvergunning wordt ingetrokken wordt op een desbetreffend verzoek van de aanvrager: van de op grond van art. 2.3.5 verschuldigde leges aan de aanvrager gerestitueerd.

50%

50%

2.5.2

Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten

2.5.2.1

Als de gemeente een verleende omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-activiteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1.1, intrekt op aanvraag van de vergunninghouder, dan wel op grond van het feit dat niet binnen de in art. 2.33 lid 2 sub a van de Wabo gestelde termijn na het verlenen van de omgevingsvergunning een aanvang met de bouwwerkzaamheden is gemaakt, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges bouwactiviteit, mits deze aanvraag is ingediend binnen twee jaren na verlening van de vergunning en van de vergunning geen gebruik is gemaakt. De teruggaaf bedraagt van de op grond van artikel 2.3.1.1 (bouwactiviteit) verschuldigde leges:

50%

50%

2.5.3

Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten

2.5.3.1

Als de gemeente een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-activiteiten als bedoeld in de onderdelen 2.3.1.1, weigert, bestaat aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. De teruggaaf bedraagt van de op grond van artikel 2.3.1.1 voor de betreffende bouwactiviteit verschuldigde leges:

50%

50%

2.5.3.2

Onder een weigering bedoeld in onderdeel 2.5.3.1 wordt mede verstaan een vernietiging van de beschikking waarbij de vergunning is verleend bij rechterlijke uitspraak.

2.5.4

Geen teruggaaf legesdeel advies of verklaring van geen bedenkingen

2.5.4.1

Van de leges verschuldigd op grond van de onderdelen 2.3.14 en 2.3.15 wordt geen teruggaaf verleend.

2.5.5

Teruggaaf leges bij melden start en gereedmelding

2.5.5.1

Indien de vergunninghouder op de voorgeschreven wijze voldoet aan de verplichting om de start van de werkzaamheden alsmede de ingebruikname van het bouwwerk te melden, vindt er ten aanzien van de reeds betaalde leges een teruggaaf plaats van:

11,15

11,30

2.5.6

Restitutiebepaling bij weigering omgevingsvergunning Wet natuurbescherming

2.5.6.1

Indien een omgevingsvergunning, die voorziet in projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats en soorten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied, door de Gemeente wordt geweigerd, als gevolg van het weigeren van een verklaring van geen bedenkingen met betrekking tot dit onderdeel door Gedeputeerde Staten van de Provincie Limburg, vindt restitutie door de Gemeente aan de aanvrager plaats van: van de geheven leges van de aanvrager.

75%

75%

2.5.7

Restitutie bij intrekking aanvraag Wet natuurbescherming

2.5.7.1

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning, die voorziet in projecten of andere handelingen met gevolgen voor habitats en soorten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied, door de aanvrager wordt ingetrokken alvorens daarop door de Gemeente is beschikt, vindt restitutie door de Gemeente aan de aanvrager als volgt plaats:

2.5.7.1.1

indien het verzoek tot intrekking is gedaan binnen zes maanden na datum van ontvangst van de aanvraag bij de Gemeente, vindt restitutie door de Gemeente aan de aanvrager plaats van van de geheven leges van de aanvrager.

50%

50%

2.5.7.1.2

indien het verzoek tot intrekking is gedaan zes maanden na datum van ontvangst van de aanvraag bij de Gemeente, vindt restitutie plaats door de Gemeente aan de aanvrager van de geheven leges van de aanvrager.

25%

25%

2.5.8

Tarief als gevolg van het buiten behandeling laten van de aanvraag om een omgevingsvergunning

2.5.8.1

Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van titel 2 op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling wordt gelaten, bedraagt het verschuldigde tarief:

256,00

259,70

2.5.8.2

In afwijking van het gestelde in artikel 2.5.8.1: wanneer het tarief lager is dan € 259,70 is dat lagere tarief verschuldigd.

2.5.9

Tarief als gevolg van gebleken vergunningsvrije activiteit

2.5.9.1

Als bij de behandeling van een aanvraag om omgevingsvergunning blijkt dat de activiteit in zijn geheel vergunningsvrij kan worden uitgevoerd, bedraagt het verschuldigde tarief:

102,40

103,90

2.5.10

Restitutie bij een overeengekomen proefproject volgens Wet kwaliteitsborging (Wkb) voor het technische deel van de activiteit bouwen

2.5.10.1

Wanneer een aanvraag omgevingsvergunning in behandeling is genomen waarbij op voorhand is overeengekomen dat dit een proefproject is in het kader van de Wkb en de toets en uitvoering heeft plaatsgevonden op basis van de regels zoals vastgelegd in de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en wordt afgesloten met een gereedmelding zoals bedoeld in de wet, bestaat aanspraak op restitutie van de reeds betaalde leges bouwactiviteit van:

-

15%

met een maximum van:

-

50.000,00

Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunning (vervallen)

Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging project

2.7

Indien de aanvraag ter zake een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het bouwen in afwijking van een verleende omgevingsvergunning, het bouwwerk waarvoor vergunning is verleend nog niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.25, lid 2 van het Bouwbesluit, gereed is gemeld en nog niet in gebruik is genomen, wordt, voor zover van toepassing, het bedrag van de leges overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2.1.1 vastgesteld, met dien verstande dat als bouwkosten gelden de bouwkosten van het bouwplan waarop de aanvraag betrekking heeft verminderd met de bouwkosten van het bouwplan waarvoor vergunning is verleend.

Het vorenstaande vindt geen toepassing indien de afwijking zodanig is dat in feite van een nieuw bouwplan moet worden gesproken. Van een nieuw bouwplan is in ieder geval sprake indien de gevraagde omgevingsvergunning niet kan worden verleend dan nadat ontheffing is verleend van planologische bepalingen, of indien ter zake de bouwactiviteit tevens een vergunning is vereist als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub f van de Wabo (monumenten).

Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteiten

2.8.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening

2.8.1.1

(bouw)kosten minder dan € 500.000:

8.193,45

8.312,25

2.8.1.2

(bouw)kosten vanaf € 500.000 tot € 2.000.000:

10.061,90

10.207,80

2.8.1.3

(bouw)kosten meer dan € 2.000.000:

12.857,55

13.044,00

2.8.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het wijzigen van een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

2.8.2.1

(bouw)kosten minder dan € 500.000:

4.871,80

4.942,45

2.8.2.2

(bouw)kosten vanaf € 500.000 tot € 2.000.000:

6.117,40

6.206,10

2.8.2.3

(bouw)kosten meer dan € 2.000.000:

7.229,95

7.334,80

Hoofdstuk 9 Bouwvergunning eerste of tweede fase op grond van oude wetgeving (vervallen)

Hoofdstuk 10 Overig

2.10.1

Indien uit hoofde van enig voorschrift publicatie en/of tervisielegging nodig is, wordt voor het publiceren en ter visie leggen van een activiteit het voor die activiteit geldende tarief eenmalig verhoogd met:

129,10

130,95

2.10.2

Voor het in behandeling nemen van een melding tot wijziging van de tenaamstelling van een vergunning, als bedoeld in artikel 2.25 lid 2 Wabo, een bedrag van

22,15

22,45

2.10.3

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een andere, in deze titel niet benoemde beschikking:

43,95

44,60

Hoofdstuk 1 Horeca

3.1

Het tarief bedraagt voor:

3.1.1

het in behandeling nemen van een aanvraag ter zake een vergunning op grond van artikel 3 (en, indien van toepassing, artikel 4) van de Alcoholwet, bedraagt:

571,20

579,50

Het tarief is ook verschuldigd wanneer de beschikking een weigering betreft.

3.1.1.2

het in behandeling nemen van een aanvraag tot de bijschrijving op de DHW/AW-vergunning van een leidinggevende

3.1.1.2.1

voor de eerste leidinggevende:

131,85

133,75

3.1.1.2.2

voor iedere volgende leidinggevende:

43,95

44,60

3.1.2

het in behandeling nemen van een aanvraag ter zake van een vergunning tot het exploiteren van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.2 lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening (droge horecavergunning of vergunning voor afhaalbedrijf) bedraagt:

571,20

579,50

3.1.2.2

het in behandeling nemen van een aanvraag tot bijschrijving op de vergunning van de bedrijfsleider en/of beheerder:

3.1.2.2.1

voor de eerste leidinggevende:

131,85

133,75

3.1.2.2.2

voor iedere volgende leidinggevende:

43,95

44,60

tot een maximum van:

483,35

490,35

3.1.3.3

voor het weigeren van een exploitatievergunning Droge Horeca (APV 2.3.1.2 lid 1) op grond van het bestemmingsplan

131,85

133,75

3.1.4

het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet. Dit artikel geldt tevens voor aanvragen door para-commerciële inrichtingen

18,25

18,50

Hoofdstuk 2 Organiseren evenementen of markten

3.2.1

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een evenement zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Evenementenverordening gemeente Maastricht 2016 (en zoals nadien gewijzigd), met inbegrip van de aanvragen voor het houden van een wedstrijd, niet zijnde de wedstrijden als bedoeld in de WVW 1994, bedraagt per hieruit voortkomende beschikking:

89,75

91,05

3.2.1.1

Indien de behandeling van een aanvraag voor het houden van een evenement een bezoekersaantal groter dan of gelijk aan 500 per dag en/of van drie dagen of meer betreft, bedraagt het tarief per beschikking:

133,95

135,90

3.2.1.2

Het tarief voor de melding - en ná de melding, de annulering - van een evenement in gebouwen met een gebruiksvergunning, bedraagt per beschikking:

73,15

74,20

3.2.1.3

Het tarief voor het wijzigen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor een reeds aangevraagd evenement, indien de aanvraag gewijzigd wordt gedurende de behandeling ervan, bedraagt per gewijzigde beschikking:

89,75

91,05

3.2.1.4

Het tarief voor een vergunning voor wielertoertochten en/of wielerwedstrijden bedraagt per beschikking:

47,50

48,20

3.2.1.5

Eenmalige bijdrage, indien uitvoeringsregeling evenementen van toepassing is:

41,70

42,30

Hoofdstuk 3 Seksbedrijven

3.3.1

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening (seksinrichtingenvergunning) bedraagt:

659,05

668,60

3.3.2

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot de bijschrijving op de vergunning van de bedrijfsleider en/of beheerder bedraagt:

3.3.2.1

voor de eerste leidinggevende:

131,85

133,75

3.3.2.2

voor iedere volgende leidinggevende:

43,95

44,60

tot een maximum van:

483,35

490,35

Hoofdstuk 4 Smart-, headshops

3.4.1

Vervallen

3.4.2

Vervallen

3.4.2.1

Vervallen

3.4.2.2

Vervallen

Vervallen

3.4.3

Vervallen

Hoofdstuk 5 Beleidsregels / toetsingscriteria ontheffingen nachtzaken

3.5

Het tarief voor:

3.5.1

het in behandeling nemen van een aanvraag tot een ontheffing voor het exploiteren van een nachtzaak voor een periode van vijf jaar, of het verlenen van een proefontheffing van 12 maanden, bedraagt:

877,80

890,55

3.5.2

het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlengen van een proeftijd als bedoeld in 3.5.2, bedraagt:

368,10

373,45

3.5.3

het in behandeling nemen van een aanvraag tot een aanpassing in de nachtontheffing, na een wijziging in de ondernemersvorm van de vergunninghouder in de zin van artikel 29, eerste lid, Drank- en horecawet, bedraagt:

239,10

242,55

3.5.4

het in behandeling nemen van een aanvraag tot een verlenging van een vijfjarige vergunning van een nachtzaak, welke zonder nadere advisering en/of werkzaamheden zonder meer verlengd kan worden, bedraagt:

239,10

242,55

Hoofdstuk 6 In titel 1 en 3 niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking

3.6

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een andere, in deze titel niet benoemde vergunning of ontheffing of tot het nemen van een andere beschikking, bedraagt:

43,90

44,55

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 december 2021.

 

De Griffier,

H.J. Bodewitz.

 

De Voorzitter,

J.M. Penn-te Strake.

Naar boven