Artikel I
De Verordening Onroerendezaakbelastingen 2007 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3, derde lid, komt te luiden:
- 3.
De waardepeildatum is 1 januari 2021.
B
Artikel 4, eerste lid, sub k, komt te luiden:
- k.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
C
Artikel 5 komt te luiden:
Artikel 5 Belastingtarieven
- 1.
Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt:
- a.
Bij de gebruikersbelasting voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,1151
- b.
Bij de eigenarenbelasting:
- 1º
voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,0420
- 2º
voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,1593
- 2.
Geen belasting wordt geheven indien de heffingsmaatstaf van de onroerende zaak beneden € 11.344,- blijft.
D
Artikel 7, tweede lid komt te luiden:
- 2.
Indien met betrekking tot de aanslagen genoemd in artikel 6, lid 2, een machtiging tot automatische incasso werd afgegeven, moeten de aanslagen worden betaald, respectievelijk worden de aanslagen geïncasseerd in acht gelijke termijnen, waarbij de eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elke volgende termijn één maand later.
E
Artikel 9, derde lid komt te luiden:
- 3.
De datum van ingang van heffing is 1 januari 2022
Artikel II
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
Artikel III
Deze verordening wordt aangehaald als: Vijftiende wijzigingsverordening Verordening Onroerendezaakbelastingen 2007.
Toelichting
Algemeen deel
Op basis van de Verordening Onroerendezaakbelastingen wordt door de gemeente onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) geheven bij de eigenaar van woningen en niet-woningen en bij de gebruiker van niet-woningen, die in de gemeente gelegen zijn. Dit gebeurt op grond van de waarde in het economische verkeer van die onroerende zaken, vastgesteld op een vaste peildatum op grond van de Wet waardering onroerende zaken, de zogenaamde WOZ waarde.
Artikelsgewijze toelichting op de wijzigingen
Artikel I, onderdeel A: Maatstaf van de heffing
De vaststelling van de WOZ-waarde voor de OZB-aanslag vindt plaats door middel van een jaarlijkse waardering, waarbij 1 januari van het voorgaande jaar als prijspeildatum voor de waardering geldt. De in de Verordening genoemde waardepeildatum, genoemd in het derde lid van artikel 3, dient derhalve te worden gewijzigd in 1 januari 2021.
Artikel I, onderdeel B: Vrijstellingen
In art. 4, eerste lid, sub k wordt de verwijzing naar de voorwaarden waaraan een landgoed moet voldoen geactualiseerd van art. 3 van de Natuurschoonwet 1928 naar het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.
Artikel I, onderdeel C: Belastingtarieven
De opbrengsten OZB worden gelijk gehouden ten opzichte van 2021 door het tegengesteld bijstellen van het tarief aan de waardeontwikkeling, behoudens meeropbrengsten van nieuwbouw en inflatiecorrectie die sinds 2019 wordt toegepast.
Artikel I, onderdeel D: Termijnen van betaling
Artikel 6, tweede lid, biedt geen basis tot het afgeven van een machtiging. Door de formulering van art. 7, tweede lid te herzien wordt deze verwijzing gecorrigeerd.
Artikel I, onderdeel E: Ingangsdatum van de heffing
Omdat sprake is van een tijdstipheffing dient deze datum te worden vermeld.