Gemeenteblad van Barneveld

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BarneveldGemeenteblad 2021, 311088beleidsregel



Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Beleidsregels Hogere Waarden Wet geluidhinder Barneveld 2009

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;

 

gelet op de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder;

besluit:

 

vast te stellen de Beleidsregels Hogere Waarden Wet geluidhinder Barneveld 2009

 

1. INLEIDING

Op 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder gewijzigd. De wijzigingen hebben onder andere betrekking op:

  • schrappen van overbodige artikelen, zoals trillingen;

  • invoering van Lden;

  • verandering definitie dove gevel;

  • invoering Besluit geluidhinder decentralisatie bevoegdheden vaststelling hogere grenswaarden.

Voor de gemeente heeft de grootste verandering betrekking op de decentralisatie van bevoegdheden tot het vaststellen van hogere grenswaarden. Met deze decentralisatie moet de gemeente zelf het hogere waarde besluit nemen in afstemming met de Ruimtelijke Ordening procedure. Daarnaast houdt deze wijziging ook in dat criteria veranderen, waaronder een hogere waarde kan worden verleend. Dit geeft aan de ene kant beleidsvrijheid, maar er kunnen zo ook ongewenste geluidhinder situaties gaan ontstaan.

 

Om deze ongewenste situaties niet te laten ontstaan is er behoefte aan een geluidbeleidsregel met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden.

Beleidsregels

De beleidsregels geven het kader waarbinnen zoveel mogelijk nieuwbouw op de meer geluidsbelaste locaties mogelijk wordt maar waarbij tevens de toekomstige bewoners worden beschermd tegen een te grote geluidsbelasting ten gevolge van weg- en spoorwegverkeer of een industrieterrein. De voorkeursvolgorde ter bescherming van een te hoge geluidsbelasting is hierbij bron-, overdracht- en ontvangermaatregelen met daarbij geluidsisolerende maatregelen aan de woning, bouwen met een geluidsluwe zijde, eisen aan het gebouw (zoals zoveel mogelijk verblijfsruimten aan de geluidsluwe zijde).

 

Daarnaast zijn er beleidsregels opgenomen voor de situaties waarin sprake is van cumulatie van geluidsbelasting van meer dan één van de drie bronnen (wegen en/of spoorwegen en/of industrieterrein). Daarbij wordt de uitkomst van de wettelijk voorgeschreven bepalingsmethode gebruikt als input om te berekenen welke isolerende maatregelen nodig zijn om de wettelijke binnenwaarde (Bouwbesluit 2003) te behalen.

 

Bij het vaststellen van hogere waarden Wgh gaat het meestal om een ambtshalve procedure maar het kan ook gaan om een procedure die start met een verzoek van een daartoe in het Bgh aangewezen externe instantie, zoals de (spoor)wegbeheerder of een woningbouwcorporatie. Bij een ambtshalve procedure is er geen verzoek van een externe instantie maar is de eerste aanleiding bijvoorbeeld een bouwinitiatief, een bestemmingsplanprocedure of een wegreconstructie.

2. UITGANGSPUNTEN

In dit hoofdstuk worden de wettelijke mogelijkheden geschetst en worden de mogelijkheden beschreven, die voor de gemeente Barneveld in een beleidsregel kunnen worden vastgelegd.

 

2.1. Wat is er gewijzigd?

Wettelijk kader

Voor het vaststellen van zogeheten hogere grenswaarden is de Wet geluidhinder (Wgh) en het Besluit geluidhinder (Bgh) relevant. Hierin worden o.a. de bevoegdheden en de systematiek van voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare grenswaarde geregeld. Binnen deze bandbreedte heeft het bevoegd gezag (in casu de gemeente Barneveld) de vrijheid tot het voeren van beleid.

 

Het belangrijkste artikel is artikel 110 a van de Wgh. Dit artikel geeft aan wie bevoegd gezag is en onder welke mogelijkheden en criteria er een hogere waarde mag worden afgegeven. Het belangrijkste daarbij is dat er sprake moet zijn van bepaalde belangenafwegingen, en als deze afweging niet wordt gemaakt, er dan geen hogere waarde mag worden afgegeven.

ARTIKEL 110A

  • 1.

    Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn indien ten behoeve van een activiteit in meer dan één gemeente een hogere waarde voor de bij of krachtens de wet genoemde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting dient te worden vastgesteld, burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wier grenzen deze activiteit zal worden uitgevoerd bevoegd een hogere waarde vast te stellen.

  • 3.

    De in het eerste en tweede lid bedoelde waarde kan ambtshalve of op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden vastgesteld.

  • 4.

    De vaststelling van de in het eerste en tweede lid bedoelde waarde vindt plaats volgens bij algemene maatregel van bestuur gestelde regels.

  • 5.

    Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidsgevoelige terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.

  • 6.

    Indien artikel 110f van toepassing is geven burgemeester en wethouders slechts toepassing aan het derde en vierde lid voorzover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

  • 7.

    Wanneer het besluit, bedoeld in het eerste lid, benodigd is in verband met de aanleg of wijziging van een hoofdspoorweg of de aanleg of reconstructie van een weg in beheer bij het Rijk of een provincie of de vaststelling of wijziging van een zone rond een industrieterrein dat als industrieterrein van regionaal belang is aangewezen bij provinciale verordening krachtens de Wet milieubeheer of de Wet ruimtelijke ordening, zijn gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de weg of spoorweg dan wel het industrieterrein van regionaal belang is gelegen bevoegd tot vaststelling van de hogere waarde. Het tweede tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het tweede en zesde lid in plaats van «burgemeester en wethouders» moet worden gelezen «gedeputeerde staten» en in het tweede lid in plaats van «gemeente» telkens moet worden gelezen: provincie.

In de belangenafweging dienen ook eventueel mogelijk te treffen maatregelen te worden overwogen.

Bij de keuze van de maatregelen dient te worden uitgegaan van de maatregelvolgorde Bron – Overdracht – Ontvanger. Hieruit volgt dat eerst moet worden onderzocht of bronmaatregelen toepasbaar zijn. Indien bronmaatregelen niet mogelijk zijn vanwege bezwaren (zie toelichting bij § 2.2. Criteria en Bijlage 2 van financiële, landschappelijke, stedenbouwkundige of verkeers-, of vervoerskundige aard, moet voor afscherming worden gekozen. Pas als blijkt dat afscherming stuit op de eerdergenoemde bezwaren, kan er teruggevallen worden op de laatste mogelijkheden, namelijk het treffen van gevelmaatregelen of het onttrekken aan de bestemming. Het afgeven van een hogere waarde is dan ook niet vanzelfsprekend.

Wijziging dosismaat

Voor wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai wordt met de wetswijziging overgestapt op de Europese dosismaat Lden. In de Wet wordt de nieuwe dosismaat Lden aangeduid met "dB", de oude dosismaat Letm wordt als voorheen aangeduid met "dB(A)". Beide dosismaten zijn "A-gewogen", dat wil zeggen overeenkomend met de gevoeligheid van het menselijk oor.

 

De geluidbelasting in Lden wordt bepaald als gemiddelde op jaarbasis over de dag-, avond- en nachtperiode, in plaats van de hoogste van de drie (bij wegverkeer twee) etmaalperioden.

Uit onderzoek is gebleken dat in Nederland de verdeling van de verkeersintensiteiten over het etmaal, binnen een zekere bandbreedte, constant is. Daarmee komt de geluidbelasting in dB in getalswaarde gemiddeld 2 dB lager uit dan voorheen in dB(A). Om de nieuwe dosismaat zo beleidsneutraal mogelijk in te voeren, zijn daarom in de nieuwe Wet geluidhinder ook alle normen met 2 dB verlaagd. Een voorkeursgrenswaarde die in de oude Wet 50 dB(A) was, is nu dus 48 dB geworden.

 

Overigens is de dag-avond-nachtverhouding van de verkeersintensiteiten niet voor alIe wegen en spoorwegen hetzelfde. Het conversieverschil is dus niet altijd 2 dB. Volgens artikel 110h van de nieuwe Wet geluidhinder wordt een geldende hogere waarde (uitgedrukt in dB(A)) omgerekend in een nieuwe waarde (uitgedrukt in dB) volgens een methode die wordt vastgelegd in een Ministeriële Regeling. Deze methode houdt in dat de conversie niet leidt tot een feitelijke versoepeling of aanscherping van die hogere waarde. Als bijvoorbeeld in een concreet geval de omrekening van Letm in Lden leidt tot een 3 dB lagere getalswaarde, wordt de hogere waarde met 1 dB verlaagd. Deze omrekenmethode geldt niet voor woningen waarvoor de voorkeurswaarde van kracht is. Voor industrielawaai is, met uitzondering van de bepaling betreffende de geluidskartering o.b.v. de Europese richtlijn Omgevingslawaai, Lden niet ingevoerd, er wordt als voorheen gewerkt met de dosismaat Letm in dB(A).

Ontheffingsgronden

In de Wet geluidhinder en de diverse uitvoeringsbesluiten van voor 1 januari 2007 waren redelijk veel criteria opgenomen, waaronder de zogeheten hogere grenswaarden verleend konden worden. De enige criteria die nu nog in de geluidhinder wet- en regelgeving zijn (zie kader artikel 110a, lid 5 en toelichting in bijlage 2) opgenomen zijn o.a.: als er bezwaren zijn van landschappelijke en verkeerskundige aard dan kan een hogere waarde worden verleend. Binnen deze kaders heeft de gemeente Barneveld de vrijheid tot het invullen van eigen beleid.

Bevoegdheden

Tot 1 januari 2007 was in bijna alle gevallen de provincie Gelderland bevoegd tot het vaststellen van hogere grenswaarden. Gemeenten zijn tegenwoordig bevoegd tot het vaststellen van hogere grenswaarden, behalve als het gaat om de aanleg of wijziging van een spoorweg, rijksweg of provinciale weg, bij het nemen van een spoorweg- of tracébesluit en bij de vaststelling of wijziging van een geluidszone rondom een regionaal industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder.

Procedure koppeling met Wro

De procedure tot het vaststellen van een hogere grenswaarde moet gevoerd worden volgens afdeling 3.4 van de Awb. Hierbij moet het ontwerpbesluit gelijktijdig ter visie worden gelegd met het ontwerpbestemmingsplan. Dit is ook te bevelen bij het nemen van een projectbesluit.

 

2.2. Wat kan er nu?

De gemeente kan voor het vaststellen van de maximale geluidbelasting nadere (beleids)regels stellen op een aantal onderdelen. Voor de gemeente Barneveld kan dat op de volgende onderdelen.

Dove gevel (aantal)

De Wgh kent reeds enkele jaren het begrip "dove gevel", dat is een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en welke een zekere geluidwering dient te bezitten. Ingeval een geluidgevoelige bestemming van een dergelijke gevel is voorzien, behoeft voor die gevel niet te worden getoetst aan de grenswaarden van de Wgh.

Met de wijziging van de Wgh wordt het begrip "dove gevel" verruimd. Er mag nu ook sprake zijn van een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidgevoelige ruimte. De toelichting op de wetswijziging noemt een nooduitgang als voorbeeld.

Begrip (dove) gevel volgens Wgh

Artikel 1

gevel: bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak.

Artikel 1b

In afwijking van artikel 1 wordt onder een gevel in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan:

  • a.

    een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede

  • b.

    een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

In het gemeentelijke beleid wordt voorgesteld om per geluidgevoelige bestemming in principe maximaal 1 dove gevel toe te staan. Een uitzondering hierop zijn situaties zoals een eind- of hoekwoning. In deze situaties mogen maximaal 2 dove gevels aanwezig zijn. Tevens wordt voorgesteld om toe te staan dat deze dove gevels mogen zijn voorzien van een geluidgedempte ventilatievoorziening (zoals een suskast) en van te openen delen die niet direct grenzen aan een geluidgevoelige binnenruimte (zoals een voordeur van een appartementencomplex met gemeenschappelijke verkeersruimte).

 

Daarnaast wordt voorgesteld dat indien een dove gevel wordt toegestaan, de geluidgevoelige bestemming een geluidluwe zijde moet hebben met een bruikbare buitenruimte.

(extra) Geluidgevoelige bestemmingen

Geluidgevoelige bestemmingen zijn volgens de geluidhinder wet- en regelgeving o.a. woningen, scholen en medische centra.

 

Voorgesteld wordt om naast de al volgens de wet- en regelgeving aangewezen geluidgevoelige bestemmingen, één extra bestemming (hierin is de gemeente Barneveld niet uniek) aan te wijzen die als geluidgevoelig moeten worden beschouwd. Hiervoor wordt gedacht aan de geluidgevoelige vertrekken van kinderdagverblijven Hierbij moet wel worden gerealiseerd dat kan leiden tot kosten voor de gemeente, omdat dit verder gaat dan de wet- en regelgeving regelt. Deze geluidgevoelige vertrekken zijn de, als slaapvertrekken te gebruiken, ruimten. Hierbij is aansluiting gezocht met de geluidgevoelige ruimten van o.a. woningen.

Cumulatie van geluid

In de meeste gevallen wordt de geluidbelasting veroorzaakt door één geluidbron. Soms wordt een woning (of andere geluidsgevoelige bestemming) echter door meerdere bronnen belast, bijvoorbeeld door wegverkeer én railverkeer. Als deze cumulatie aan de orde is heeft de Wet geluidhinder (art. 110f Wgh en art. 1.5 Bgh) bepaald dat er geen sprake mag zijn van een onaanvaardbare geluidsbelasting.

 

Voorgesteld wordt om voor de beoordeling van onaanvaardbare geluidsbelasting de onderstaande voorwaarden op te nemen:

 

De gemeente Barneveld is van oordeel dat er geen sprake is van een onaanvaardbare geluidhinder indien voldaan wordt aan de volgende drie punten:

  • Per geluidbron moet voldaan worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, zoals toelaatbaar volgens de Wet geluidhinder.

  • Bij de realisatie van een geluidgevoelig gebouw, moet voldaan worden aan de eisen uit het Bouwbesluit ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van de gevels, waarbij voor de geluidbelasting wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting overeenkomstig de methode van het "Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006", bijlage l, hoofdstuk 2.

  • Er moet minimaal 1 geluidluwe gevel zijn ten gevolge van alle geluidbronnen.

Voorwaarden hogere waarden

De gemeente Barneveld zet zich in voor een leefbare woonsituatie, ook op locaties met een hoge geluidbelasting. Deze leefbaarheid wordt bewerkstelligd door voorwaarden te verbinden aan het verlenen van hogere waarden. De voorwaarden leggen de initiatiefnemer of de beheerder een inspanning op voor een leefbare woonomgeving als compensatie voor het bouwen in een lawaaiige situatie. De voorwaarden bij het verlenen van een hogere waarde kunnen zijn:

  • Geluidluwe gevel

    De woning heeft ten minste één gevel met een lager (luw) geluidniveau:

    • Het geluidniveau op deze gevel is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde voor elk van te onderscheiden geluidsbronnen;

    • Voor de centrumgebieden van Barneveld en Voorthuizen de hogere waarde minus 10 dB.

  • Buitenruimte

    Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidluwe zijde.

Criteria

Met de wijziging van de Wgh verkrijgen gemeenten meer beleidsvrijheid om binnen het grenswaardenregime van de Wgh (tussen voorkeursgrenswaarde en ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting) te opereren. In de gemeente Barneveld is tot op heden echter gebleken dat de uitvoeringspraktijk van de oude Wgh en bijbehorende algemene maatregelen van bestuur niet tot problemen heeft geleid. Het is mogelijk gebleken zowel goede ruimtelijke ordening te bedrijven en tegelijkertijd aan de doelstellingen t.a.v. het voorkomen en beperken van geluidhinder te voldoen. Een beperkte verruiming van het aantal mogelijke situaties en ontheffingscriteria is niettemin wel gewenst.

 

In bijlage 1 is een schematisch overzicht opgenomen van de mogelijke situaties, grenswaarden en ontheffingscriteria (zie ook de toelichting in bijlage 2) zoals die voor woningen kunnen worden vastgesteld met een beleidsregel. Voor andere geluidgevoelige objecten en bestemmingen zal het overzicht nader worden uitgewerkt.

Toelichting overwegingen van vervoerskundige aard

  • 1.

    het vervoer van personen en/of goederen d.m.v. openbaarvervoer, m.a.w. de geluidsbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde als gevolg van (noodzakelijk) openbaar vervoer op de weg;

  • 2.

    het vervoer van personen en/of goederen d.m.v. speciaal hiervoor bestemd vervoer (zoals transport van auto's met speciale vrachtwagens of goederentreinen via een speciaal hiervoor bedoelde/aangelegde weg of spoorlijn).

Toelichting overwegingen van landschappelijke aard

Dit criterium kan worden gebruikt wanneer afschermende maatregelen een aantasting van het landschap betekenen. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden dat: als er maatregelen genomen moeten worden in het landschap er soms ook mogelijkheden zijn om die maatregelen in het landschap in te passen, bijvoorbeeld door aanleg van een landschappelijke beplanting, eventueel in combinatie met de te nemen maatregelen.

Afwijkingsbevoegdheid

De gemeente Barneveld kan, indien er fundamentele en gemotiveerde bezwaren van stedenbouwkundige, volkshuisvestelijke of milieuhygiënische aard zijn, bij hoge uitzondering besluiten dat de voorgaande voorwaarden (criteria e.d.) niet gelden. Hiertoe neemt zij een motivering op bij het besluit tot het verlenen van een hogere waarde.

3. BELEID VAN DE GEMEENTE BARNEVELD

 

Algemeen

Deze beleidsregels betreft de lokale uitwerking van de bevoegdheid van Burgemeester en Wethouders tot het vaststellen van Hogere Waarden voor geluid ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en een industrieterrein zoals deze is opgenomen in artikel 110a, lid 1 en lid 2 van de Wet geluidhinder.

 

Begrippen

Artikel 1

In aanvulling op de artikelen 1, 1a en 1b van de Wet geluidhinder en de artikelen 1.1 en 1.2 van het Besluit geluidhinder wordt in deze beleidsregels verstaan onder:

  • -

    Bronmaatregel: een maatregel aan de (geluids)bron die een geluidsreductie oplevert;

  • -

    Cumulatie: Het geluid van meerdere (geluids)bronnen beoordeeld op grond van artikel 1.5 van het Besluit geluidhinder;

  • -

    (Geluids)bron: Een (gezoneerde) weg, spoorweg of industrieterrein;

  • -

    Geluidsluwe zijde: De zijde van een gebouw met de laagste geluidsbelasting. Deze geluidsbelasting mag per bron niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde voor die bron;

  • -

    Geluidgevoelige bestemming: In aanvulling op het wettelijk bepaalde, de slaapvertrekken van een kinderdagverblijf;

  • -

    Buitenruimte: Een aan de buitenlucht grenzende open ruimte;

  • -

    HGW: Afkorting voor Hogere Grens Waarde;

  • -

    HGW procedure: De procedure die kan leiden tot de vaststelling van een hogere grenswaarde;

  • -

    Ontvanger: De positie (in plaats en hoogte) waarvoor de geluidbelasting wordt bepaald of beoordeeld;

  • -

    Voorkeurswaarde: De geluidsbelasting vanwege een gezoneerde weg van 48 dB, spoorweg van 55 dB of industrieterrein van 50 dB(A) zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder;

  • -

    Woningen: gebouwen bestemd voor wonen, waaronder bejaarden-, verzorgings- en verpleeghuizen en daarnaast ook de slaapvertrekken van kinderdagverblijven.

Nieuwbouw woning en aanleg weg

Artikel 2

Een HGW procedure wordt gestart indien (zie ook artikel 110a, lid 5 Wet geluidhinder) op basis van akoestisch onderzoek is aangetoond dat de geluidsbelasting niet verlaagd kan worden tot de voorkeurswaarde door:

  • 1.

    Het treffen van bronmaatregelen, of;

  • 2.

    Het treffen van overdrachtsmaatregelen, of;

  • 3.

    Het vergroten van de afstand tussen bron en ontvanger.

Artikel 3

Een HGW procedure voor woningen kan alleen worden gestart indien ten minste aan één van de volgende criteria wordt voldaan:

  • 1.

    De woningen worden gesitueerd als vervanging van bestaande bebouwing.

  • 2.

    De gekozen bouwvorm of situering vervult een doelmatige functie als akoestische afscherming voor bestaande of nieuwe te bouwen geluidgevoelige bestemmingen.

  • 3.

    De woningen een open plaats opvullen tussen bestaande bebouwing.

  • 4.

    Het betreft een grond- of bedrijfsgebonden woning.

  • 5.

    Woningen zijn of worden in de omgeving van een station of halte gesitueerd.

  • 6.

    Woningen zijn in een uitbreidings-, stads- of dorpsvernieuwingsplan opgenomen.

Artikel 4

Een HGW procedure voor een woning kan alleen worden gestart indien deze woning ten minste één geluidsluwe zijde heeft.

Artikel 5

Een HGW procedure wordt alleen gestart indien een verklaring is toegevoegd dat de voorgenomen maatregelen om de geluidsbelasting te verlagen worden toegepast.

Artikel 6

Bij aanleg van een weg moet voldaan worden aan ten minste één van de volgende criteria:

  • 1.

    De weg moet een noodzakelijke verkeers- en vervoersfunctie vervullen.

  • 2.

    De weg moet een zodanig verkeersverzamelfunctie vervullen zodat de geluidsbelasting bij geluidgevoelige bestemmingen langs een andere (bestaande) weg zal dalen.

Artikel 7

Bij een geluidsbelasting groter dan 48 dB vanwege wegverkeer, 55 dB vanwege railverkeer of 50 dB(A)-etmaalwaarde vanwege industrielawaai, moet een woning ten minste één geluidsluwe zijde hebben. De buitenruimte(n) die als verblijfsruimte worden gebruikt moeten aan de geluidsluwe zijde zijn gesitueerd.

Artikel 8

Bij een geluidsbelasting groter dan 53 dB vanwege wegverkeer, 60 dB vanwege railverkeer of 55 dB(A)-etmaalwaarde vanwege industrielawaai, gelden de volgende woningindelingseisen:

  • 1.

    Verblijfsruimten moeten zoveel mogelijk aan de geluidsluwe zijde liggen.

  • 2.

    Ten minste één slaapkamer moet aan de geluidsluwe zijde liggen.

  • 3.

    Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan dient deze gelegen te zijn aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau in de buitenruimte mag niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidsluwe gevel. Deze eis geldt voor maximaal één buitenruimte per woning.

Artikel 9

Het gebruik van de zogenaamde "dove gevel" dient zoveel als mogelijk te worden vermeden. Daar waar dit niet anders kan, zal er voor de betreffende geluidsgevoelige bestemming tenminste altijd één geluidsluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl ernaar gestreefd wordt het aantal "dove gevels" per woning tot maximaal één te beperken.

Artikel 10

Daar waar, in uitzonderlijke gevallen, niet voldaan kan worden aan het gestelde in de artikelen 4, 7, 8 en 11 kunnen burgemeester en wethouders besluiten om geen uitvoering te geven aan het gestelde in deze artikelen.

 

Cumulatie

Artikel 11

Er is geen sprake van een onaanvaardbare geluidhinder indien voldaan wordt aan de volgende drie punten:

  • 1.

    Per geluidbron moet voldaan worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, zoals toelaatbaar volgens de Wet geluidhinder.

  • 2.

    Bij de realisatie van een geluidgevoelig gebouw, moet voldaan worden aan de eisen uit het Bouwbesluit ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van de gevels, waarbij voor de geluidbelasting wordt uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting overeenkomstig de methode van het "Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006".

  • 3.

    Er moet minimaal 1 geluidluwe gevel zijn ten gevolge van alle geluidbronnen.

Artikel 12

Bij cumulatie wordt de vereiste gevelisolatie (= karakteristieke geluidwering volgens Bouwbesluit) berekend met gecumuleerde geluidniveaus. Van deze vereiste gevelisolatie kan zo nodig gemotiveerd worden afgeweken.

 

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 13

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels Hogere Waarden Wet geluidhinder Barneveld 2009.

Artikel 14

Deze beleidsregels treden de dag na publicatie in werking en werken terug tot en met 10 juni 2010.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Barneveld op 8 juni 2010

De secretaris,

De burgemeester