Gemeenteblad van Moerdijk

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
MoerdijkGemeenteblad 2021, 311072beleidsregel



Stookbeleid gemeente Moerdijk 2008

Het college van burgemeester en wethouders, in haar vergadering van 22 januari 2008,

 

gelet op de Gemeentewet, Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 10.2 en artikel 10.63,

tweede lid van de Wet Milieubeheer, artikel 5.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2007.

 

BESLUIT

 

vast te stellen de volgende beleidsregel:

 

STOOKBELEID GEMEENTE MOERDIJK 2008

Slotbepalingen

9. Inwerkingtreding

  • 1.

    De beleidsregel treedt in werking op de eerste dag gelegen na de bekendmaking ervan.

  • 2.

    De beleidsregel wordt bekendgemaakt in huis aan huis blad de Moerdijkse Bode.

  • 3.

    De oude beleidsregel, Stookbeleid gemeente Moerdijk 2006 die betrekking heeft op de APV 2005,wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding.

 

 

10. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Stookbeleid gemeente Moerdijk 2008.

 

 

 

1. Inleiding

Het was geruime tijd in de gemeente Moerdijk in bepaalde situaties toegestaan om afvalstoffen en met

name snoeihout te verbranden. Vanaf 23 mei 2003 is het op basis van de Wet Milieubeheer echter

verboden om afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden. Burgemeester en wethouders kunnen van dit verbod ontheffing verlenen.

 

Het verbranden van afvalstoffen gebeurt zowel door bedrijven als door particulieren. Er is voor gekozen om niet alle verbrandingen van afvalstoffen te verbieden. Deze nota geeft duidelijkheid omtrent de keuzes die de gemeente heeft gemaakt en de afwegingen die daaraan ten grondslag liggen.

 

 

2. Het oude stookbeleid

Voordat de wijziging in de Wet Milieubeheer van kracht werd, gold in de gemeente een algemeen

stookverbod op grond van artikel 5.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening.

 

Er kon onder de volgende omstandigheden een ontheffing worden verleend:

  • Bij met ziekte aangetast hout, als de noodzaak hierbij aanwezig was en er geen andere mogelijkheden waren tot het afvoeren van het hout;

  • Paasvuren, vreugdevuren, kampvuren, oudejaarsvuren;

  • Voor verbranding van landbouwreststoffen op het land of van akkermaalshout, als andere verwerkingsmethoden als volledig onbruikbaar en ondoelmatig waren aan te merken;

  • Het stoken van snoeihout, door agrariërs en particuliere huishoudens.

In verband met het beschermen van de woon- en leefomgeving mocht alleen 300 meter buiten de

bebouwde kom gestookt worden.

3. Problematiek verbranden afvalstoffen

Na vele onderzoeken naar het verbranden van afvalstoffen is duidelijk geworden dat bij het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen (zie pagina 6) vele schadelijke stoffen vrijkomen. De meest schadelijke stoffen die vrijkomen bij afvalverbranding zijn dioxines, PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen), fijn stof en zware metalen. Dit kan allemaal leiden tot lucht-, water- en

bodemverontreiniging en geeft daarnaast ook nog eens overlast door rook, roet, stof, walm en stank.

 

Bij het verbranden van afval buiten inrichtingen komt er nog een aantal problemen naar voren. Een van de belangrijkste problemen is dat de verbranding van afvalstoffen vaak ongecontroleerd plaatsvindt. Er worden dan geen of slechts minimale milieuvoorzieningen getroffen. Een bijkomend probleem is dat bij de verbranding van het afval in de open lucht de verbrandingstemperatuur te laag is om tot een volledige verbranding te komen, hetgeen tot gevolg heeft dat onnodig veel schadelijke stoffen vrijkomen. Tevens gebeurt het vaak dat er bij de verbranding in openlucht andere verontreinigde afvalstoffen op het vuur terechtkomen. Vaak worden brandstoffen gebruikt om onvoldoende droog (snoei-)hout te verbranden, zoals (afgewerkte) olie, dieselolie, verfresten en andere vluchtige stoffen.

 

Het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen druist daarnaast in tegen andere milieudoelstellingen. Op de Ladder van Lansink (zie bijlage 1), waarin de voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalstoffen is beschreven, staat het verbranden van afvalstoffen op de één na onderste sport. Alleen storten of in de bodem brengen van afvalstoffen wordt als nog minder wenselijk gezien.

 

Nadat de verbranding heeft plaatsgevonden blijven er altijd nog vervelende asresten over. In de asresten blijft niet-verbrand materiaal achter, zoals metalen. Daarom is het ook noodzaak dat de

asresten afgevoerd worden. Als de asresten langere tijd blijven liggen komen deze veelal in de bodem of in het water terecht. Er is dan sprake van bodemverontreiniging aangezien de multifunctionaliteit van de bodem verloren gaat.

 

 

5. Uitgangspunten voor het gemeentelijk beleid

a. particulieren

Het is zowel voor particulieren als bedrijven verboden om buiten een inrichting afvalstoffen te verbranden. De Wet milieubeheer maakt daarin geen onderscheid. Er zijn voor de huishoudens voldoende mogelijkheden om hun afvalstoffen aan de daarvoor aangewezen inzamelaars aan te bieden. Daarvoor biedt de gemeente zowel haal- als ook brengmogelijkheden.

 

Het is daarom ook een logisch gevolg dat, ter voorkoming van overlast naar omwonenden, het gewenst kan zijn om het verbranden van afvalstoffen door particulieren te verbieden.

Particulieren wonen immers vaak in de kernen, waar eerder sprake zal zijn van overlast als gevolg van

het verbranden van afvalstoffen.

 

Aan particulieren of niet-inrichtingen wordt dan ook geen ontheffing verleend om afvalstoffen te verbranden. Dit is in overeenstemming met het beleid zoals dat ook op basis van artikel 5.5.1 van de APV in het verleden van toepassing was. Op deze situaties is het verbod van artikel 10.2 Wet milieubeheer van toepassing.

 

Particulieren mogen op basis van bepalingen van de APV wel over gaan tot het branden van kaarsen en fakkels en sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven. Ook vuren voor koken, bakken en braden vallen niet onder het regiem de Wet milieubeheer. In het geval van stoken van hout in vuurkorven en terrashaarden is het verbod van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing, omdat er vanuit wordt gegaan dat in het geval van vuurkorven en terrashaarden hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van houtblokken en briketten, die kant en klaar kunnen worden gekocht. Deze stoffen worden niet gezien als afvalstoffen, zoals bedoeld in artikel 10.2 van de Wet milieubeheer.

 

 

Als het branden in vuurkorven en terrashaarden gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid kan er wel worden opgetreden op grond van artikel 5.5.1 van de APV.

 

b. Paasvuren/kerstboomverbranding en dergelijke

Het branden van een paasvuur is in de gemeente Moerdijk geen traditie. Het betreft het branden van

restanten groenafval en snoeihout met Pasen. Het branden dient geen specifiek doel en heeft slechts een symbolische betekenis.

 

Het past dan ook niet om voor het branden van paasvuren door middel van een ontheffing toestemming te geven en een uitzondering te maken op het verbod om afvalstoffen te verbranden. Dat van een afvalstof sprake is, blijkt uit het feit dat het materiaal betreft waarvan men zich wil ontdoen. Een ontheffing wordt dus niet verleend.

 

De kerstboomverbranding die jaarlijks terugkomt in de gemeente Moerdijk is wel een traditie. Deze

verbranding moet als sfeervuur worden gezien. De opzet van het verbranden is namelijk niet om zich van het hout als zijnde een afvalstof te ontdoen. Het hout is brandstof voor het sfeervuur. Voor zover er overtollig hout aangeleverd wordt, is dit niet ten behoeve van het sfeervuur en moet dit afgevoerd worden naar bijvoorbeeld de milieustraat.

 

Voor vreugdevuren tijdens oudjaar en andere evenementen wordt, rekening houdend met de

uitgangspunten uit deze notitie, steeds een separate beslissing genomen.

 

c. Kampvuren

Het branden van kampvuren komt o.a. voor bij de plaatselijke scoutinggroepen van de gemeente

Moerdijk. Een aantal van deze groepen is aangemerkt als inrichting. Kampvuren worden gezien als sfeervuren. Het doel van het verbranden is namelijk, net zoals bij de kerstbomen het geval is, niet om zich van het hout als zijnde een afvalstof te ontdoen. Het branden van een kampvuur wordt dan ook niet gezien als het verbranden van afvalstoffen. Een ontheffing zoals bedoeld in artikel 10.63 Wet milieubeheer is dan ook niet vereist.

 

Op het branden van dergelijke vuren blijft artikel 5.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van

toepassing. Op basis van het derde lid van de APV kunnen burgemeester en wethouders een ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod om in de open lucht een vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Slechts de in lid 4 onder a tot en met c genoemde weigeringsgronden zijn van toepassing. In het kader van de openbare orde en veiligheid kan handhavend worden opgetreden in het geval zich onveilige situaties voordoen. Het branden van afvalstoffen blijft ook in het geval van een kampvuur verboden. Als dus bij een controle blijkt dat afvalstoffen worden mee verbrand dan wordt alsnog een proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer en de ontheffing op basis van artikel 5.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening.

 

De groepen personen die een kampvuur willen gaan ontsteken dan wel de recreatieondernemers,

moeten een (seizoens-)ontheffing op basis van de APV voor de desbetreffende vuurplaatsen aanvragen. Door middel van borden kan ter plaatse aan de bezoekers van een bepaald recreatiegebied worden gecommuniceerd wat de regels met betrekking tot kampvuren zijn en dat het verbranden van afvalstoffen is verboden.

 

d. Loof en stro

Er moet in het algemeen voor het meest milieuvriendelijke alternatief worden gekozen. In het geval van een loof en stro kan de volgende bewerking worden toegepast. Door een grondkerende bewerking van de ploeg kan grond worden losgemaakt en daardoor zullen lucht en water makkelijker in de bodem worden opgenomen. Door het ploegen kan de grond goed "verweren". Stoppel- en loofresten kunnen vervolgens worden ondergewerkt voor een schoon zaaibed. Het stro zelf is nog van waarde en kan daarom in de vorm van stropakken van de landerijen afgevoerd worden.

 

Het verbranden is geen noodzaak en er bestaan voor de agrariër goede alternatieven voor het

verbranden van loof en stro. Daarom wordt er geen ontheffing verleend voor verbranding.

 

Het branden ter bestrijding van onkruid en het branden van loof met behulp van o.a. een skit-installatie

met de bedoeling om de plant te laten afsterven zoals dat in de biologische landbouw wordt toegepast, wordt niet gezien als het verbranden van afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. Een ontheffing van het college is daarvoor niet vereist.

Het afbranden van slootkanten is overigens zonder meer verboden. Daarvoor wordt dus ook geen

ontheffing verleend.

 

e. Snoei- en sprokkelhout

Het verbranden van snoei- en sprokkelhout afkomstig van het dunnen en vellen van bomen en het rooien

van struiken bij agrariërs in het buitengebied valt onder het verbod van artikel 10.2 van de Wet

milieubeheer. Er zijn goede alternatieven voor het verwijderen van dit hout.

 

f. klein tuinafval/snoeihout

Klein tuinafval en snoeihout kan in de duobak. Maar vooral in het voor- en najaar hebben de meeste

tuinliefhebbers een veel grotere hoeveelheid snoeihout. Daarom houdt de gemeente zes maal per jaar

een inzamelactie op afroep.

Als men snoeihout kwijt wil kan dat opgegeven worden bij de infolijn van de gemeente Moerdijk tot de

vrijdag voorafgaande aan de ophaaldatum voor 12.00 uur. De gemeente haalt alleen het snoeihout op dat aangemeld is.

Enkele voorschriften voor het aanbieden van snoeihout zijn:

  • het snoeihout moeten worden aangeboden op dezelfde plaats als de duobak

  • het snoeihout ligt uiterlijk om 7.30 uur op de aanbiedplaats op de dag dat het snoeihout mag worden aangeboden

  • per huisaansluiting mag maximaal 1 m3 per keer worden aangeboden.

 

Voor agrariërs is dit geen oplossing aangezien zij meestal met veel grotere stapels snoeihout

achterblijven. Daarom moet er op worden gewezen dat er milieuvriendelijke manieren zijn.

Een mogelijkheid zou zijn om tot het versnipperen van snoeihout over te gaan. Het strooisel kan dan

worden gebruikt voor onder andere het “verstevigen”, onkruid bestrijding en het aanduiden van paden in parken, bossen en tuinen. Compostering is een andere mogelijkheid voor de verwerking van snoeihout.

De composteringsbedrijven kunnen hun proces hier dusdanig op afstemmen dat het snoeihout wordt

omgezet tot goede kwaliteit compost

 

g. Ontheffing in geval van ziekte

Een ontheffing wordt verleend voor het verbranden van houtafval afkomstig van een houtsingel of

boomgaard, als door de betreffende agrariër/fruitteler/boomkweker kan worden aangetoond dat vanwege de daarin aanwezige ziekteverschijnselen en het gevaar van verspreiding ervan het vernietigen van het aangetaste hout dan wel de aangetaste planten noodzakelijk is. Een schriftelijke aanzegging van de Plantenziektekundige Dienst is als bewijs daarvoor nodig.

 

De Plantenziektekundige Dienst (PD), een agentschap van het ministerie van LNV, heeft tot taak ziekten en plagen in de plantaardige sector te weren, beheersen en waar nodig (helpen) bestrijden. Doel is een duurzame, concurrerende en veilige land- en tuinbouw te bevorderen en de handel te ondersteunen. Als ziekten en plagen worden voorkomen kan de land- en tuinbouwsector minder afhankelijk worden van (chemische) bestrijdingsmiddelen. De belangrijkste werkzaamheden van de PD zijn opsporing en bestrijding van plantenziektes, inspectie van plantaardig materiaal en producten voor in- en uitvoer, maatregelen ter bestrijding van de ziekten en plagen en planten. In diverse Algemene Maatregelen van Bestuur kunnen deze maatregelen zijn toegesneden op een specifieke situatie.

 

Een voorbeeld van een dergelijke AMvB betreft het Besluit bestrijding bacterievuur 1983. In artikel 8 van dit Besluit is specifiek voorgeschreven dat de directeur van de Plantenziektekundige Dienst een

gebruiksgerechtigde van een terrein kan aanzeggen dat binnen de daarbij aangegeven termijn

maatregelen worden getroffen aangaande de in de aanzegging aangewezen planten. Deze maatregelen kunnen onder meer bestaan uit het geheel of gedeeltelijk verwijderen en vernietigen van de aangewezen planten.

Aan de aanzegging worden voorschriften verbonden welke aangeven op welke wijze gevolg moet worden gegeven aan de opgelegde maatregelen. Uitgangspunt daarbij is dat er rekeninghoudend met de plantengezondheid veilig wordt verwijderd.

Aan dit uitgangspunt kan op verschillende manieren worden voldaan. Het verbranden van planten is een goedkope methode, die het risico op verdere verspreiding daadwerkelijk reduceert en daarom de

voorkeur heeft. In het geval van het afvoeren en storten van planten is sprake van een restrisico wanneer het weghalen niet zorgvuldig genoeg gebeurt of wanneer de stortplaats onvoldoende wordt afgedekt. De Plantenziektekundige Dienst ziet er op toe dat het verwijderen met inachtneming van de

plantengezondheid veilig gebeurt.

 

Ter beperking van de risico’s is besloten dat op basis van een schriftelijke aanzegging van de Directeur van de Plantenziektekundige Dienst waarin sprake is van het geheel of gedeeltelijk verwijderen en vernietigen van de aangewezen planten een ontheffing van het verbod om afval te mogen verbranden, kan worden verkregen. De schriftelijke aanzegging moet met het verzoek om ontheffing aan het college worden aangeboden.

 

h. Ontheffing fruitteelt/boomkwekerijen

Voor fruittelers en boomkwekers geldt niet alleen het gestelde onder het vorige punt. Met name

appelbomen en onderstammen van appelbomen kunnen namelijk aangetast zijn met zogeheten

kankersporen. Deze sporen verspreiden zich gemakkelijk en kunnen zich zelfs via versnipperd besmet

hout over de boomgaard verspreiden.

 

In deze situaties wordt door de Plantenziektekundige Dienst geen aanzegging afgegeven, zodat het

gestelde onder punt g. niet van toepassing is. De kankersporen kunnen alleen uit de bomen worden

weggesneden en weggefreesd. Het risico van verspreiding van deze sporen wordt echter in het geval van de milieuvriendelijkere manier van het versnipperen van aangetast appelhout zodanig groot geacht dat ook in deze situatie een ontheffing wordt afgegeven. Omdat bovengenoemde kankersporen in de fruitteelt veel voorkomen, deze niet preventief te bestrijden zijn en om de handhaving niet frustreren is besloten dat fruittelers/boomkwekers in zijn algemeenheid in aanmerking komen voor een ontheffing op het verbod van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer voor zover het gaat om snoeihout afkomstig van plantmateriaal van de fruitteelt of boomkwekerij.

 

In het meest ernstige geval zal het rooien van een (gedeelte van de) appelboomgaard moeten volgen.

Ook voor het rooien van besmette bomen, waarop al dan niet een herbeplanting volgt, wordt een

ontheffing van het verbod om afvalstoffen te mogen verbranden afgegeven. Rekening houdend met het snoeiseizoen wordt een ontheffing verleend met een geldigheidsduur, die is vastgesteld op de periode van 1 oktober tot 30 april.

 

i. Verbranden van overige afvalstoffen

Zoals eerder al is aangegeven wordt er geen toestemming verleend voor het verbranden van afvalstoffen. Voor 23 mei 2003 was dit ook niet het geval op basis van artikel 5.5.1 van de APV.

 

Aangezien er altijd bijzondere gevallen zijn, heeft een ieder die vanwege bijzondere omstandigheden

denkt dat er geen milieuvriendelijker alternatief is dan verbranden, een mogelijkheid om een verzoek om ontheffing aan het college van burgemeester en wethouders voor te leggen. Ieder verzoek wordt in eerste instantie getoetst aan de uitgangspunten van deze nota. Het verzoek moet worden onderbouwd door aan te geven waaruit de bijzondere en specifieke omstandigheden bestaan. Deze omstandigheden moeten dusdanig zwaarwegend zijn dat na toetsing aan het belang van de bescherming van het milieu tot een ontheffing wordt over gegaan.

 

6. Het verzoek om ontheffing

In artikel 10.64 van Wet milieubeheer is het traject aangegeven, dat moet worden gevolgd in het geval

van het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een ontheffing zoals bedoeld is in artikel 10.63 van de Wet milieubeheer. Van toepassing zijn de bepalingen ten aanzien van vergunningen in de artikelen 8.5 tot en met 8.25 van de Wet milieubeheer.

 

In afwijking van het gestelde in deze artikelen hoeft de uitgebreide voorbereidingsprocedure op grond van de Algemene wet bestuursrecht niet te worden gevolgd.

 

Aanvullende werking APV

Op grond van artikel 10.63, tweede lid Wet milieubeheer kan het college een ontheffing verlenen, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college kan weigeren om een ontheffing te verlenen op grond van milieuhygiënische argumenten.

Artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheden om de vergunning te

weigeren als de openbare orde en veiligheid in het geding zijn. Artikel 5.5.1 vult daarom de Wet

milieubeheer gedeeltelijk aan..

 

De VNG adviseert om niet over te gaan tot het combineren van de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid Wet milieubeheer en de ontheffing op grond van artikel 5.5.1 van de APV. De gronden waarop dit besluit is genomen berust op het feit dat het twee verschillende regelingen zijn. Deze gaan over verschillende besluiten met verschillende afwegingskaders.

De gemeente Moerdijk deelt deze mening niet. Uit het oogpunt van klantvriendelijkheid worden beide

besluiten in één beschikking opgenomen.

 

Aanvraag

Het verzoek wordt gericht aan het college van burgemeester en wethouders t.a.v. afdeling Vergunningen en Handhaving, postbus 4, 4760 AA in Zevenbergen.

 

Leges

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag op grond van artikel 10.63, tweede lid van de Wet

milieubeheer worden geen leges geheven. Dit is overeenkomstig artikel 15.34a van de Wet milieubeheer.

Voor een ontheffing op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening worden wel leges geheven.

 

Ontheffing voor een bepaalde tijd

Volgens het ministerie van VROM is de ontheffing van een wettelijk verbod te zien als een uitzondering op de regel. Het verlenen van een ontheffing voor onbepaalde tijd verhoudt zich hiermee per definitie niet.

Een ontheffing zal derhalve altijd voor bepaalde tijd verleend moeten worden.

Er is gekozen om in de gemeente Moerdijk uit te gaan van een ontheffing voor de duur van de periode

die loopt van 1 oktober tot 30 april. Uitzondering hierop wordt gemaakt voor gevallen waarin sprake is van plantenziekten; hiervoor kan steeds accuut ontheffing worden verleend, zoals in hoofdstuk 4g is

aangegeven.

 

Wel ontheffing, geen vrijstelling

Het is gezien het bovenstaande niet mogelijk om één algemene ontheffing te verlenen voor bijvoorbeeld een grote groep van agrariërs. Het verlenen van een ontheffing is bedoeld voor individuele situaties. Het verlenen van een ontheffing voor een grote groep zou feitelijk neerkomen op een vrijstelling en daartoe biedt artikel 10.63, tweede lid Wet Milieubeheer geen ruimte. Tevens heeft de toenmalige minister van VROM uitdrukkelijk aangegeven dat, hoewel de gemeenten de bevoegdheid hebben om een ontheffing te verlenen van het verbrandingsverbod, met deze bevoegdheid terughoudend moet worden omgegaan.

Het verlenen van één ontheffing aan een grote groep of een vrijstelling is eveneens in strijd met de

terughoudendheid die volgens de wetgever in acht moet worden genomen.

 

Daarnaast is door slechts ontheffingen te verlenen voor éénmalige verbrandingen er een drempel

ingebouwd, waardoor men eerder zal gaan zoeken naar alternatieve verwerkingsmogelijkheden. Ook is bij individuele ontheffingen een betere en efficiëntere handhaving mogelijk, en kunnen verbrandingen beter worden gereguleerd.

 

Voorschriften

Aan een ontheffing worden voorschriften verbonden. De ontheffing geldt gedurende de daarin

aangegeven periode, maar maximaal van oktober tot en met april (uitgezonderd ziekten). Wordt de

ontheffing zodanig laat aangevraagd dat niet voor de gehele periode de ontheffing kan worden afgegeven dan geldt deze voor het resterende deel van de aaneengesloten periode.

 

De volgende set van basisvoorschriften wordt gesteld:

  • Voor ontheffing komt alleen takken- en snoeihout in aanmerking.

  • Het te verbranden takken- en snoeihout moet uitwendig droog zijn.

  • Het verbranden van takken- en snoeihout moet plaatsvinden op een onbrandbare ondergrond;

  • De omvang van de brandstapel mag niet groter zijn dan 50 m3;

  • De aanvrager draagt er zorg voor dat er geen bodemverontreiniging optreedt en daarmee dat artikel 13 van de Wet bodembescherming (zorgplicht) niet wordt overtreden. Voor het aanmaken van het vuur mag geen gebruik worden gemaakt van vloeibare brandstoffen;

  • De verbrandingsresten worden binnen 3 dagen na de verbranding verwijderd en afgevoerd op een verantwoorde wijze;

  • De weersomstandigheden moeten voldoen aan de volgende twee eisen:

  •  Het moet droog weer zijn, dus bij regen of mist mag er geen verbranding plaatsvinden;

  •  De windkracht mag maximaal 5 Beaufort zijn (max. 40 km/h);

  • Er mag alleen gestookt worden op maandag tot en met vrijdag;

  • Er mag geen gevaar, schade, hinder of anderszins overlast voor de omgeving optreden;

  • De houder van de ontheffing moet tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig zijn en moet zorgdragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt;

  • Er moet continu toezicht van een volwassene zijn op het vuur om het overslaan van vuur en ongelukken te voorkomen;

  • De hoogte van de brandstapel in m1 vermenigvuldigd met de factor 6 is de minimale afstand in meters. Binnen deze afstand van het vuur mogen zich geen opstallen, openbare weg, bossages, hoogspanningskabels, bomen, houtwallen of andere houtopstanden en dergelijke bevinden. De minimale afstand is 15 meter (N.B: bij een brandstapel van 1 meter hoogte is de afstand minimaal 15 meter, bij een brandstapel van 5 meter hoogte is de minimale afstand 30 meter);

  • Verbranding mag slechts plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang;

  • Op verzoek van een toezichthoudende ambtenaar (gemeente, politie of brandweer) moet de aanvrager de gemeentelijke ontheffing voor het ontsteken van vuur tonen;

  • Minimaal twee uren voor aanvang van het stoken moet de gemeente Moerdijk daarvan op de hoogte gebracht worden (cluster handhaving, 0168-373600).

 

 

7. Registratie en handhaving

De afdeling Vergunningen en Handhaving registreert alle verzoeken om ontheffing. Tevens verzorgt de afdeling Vergunningen en Handhaving een algemeen overzicht van alle in behandeling zijnde verzoeken om ontheffing en de verleende ontheffingen.

De toezichthouders van de afdeling Vergunningen en Handhaving nemen de handhaving voor hun

rekening. De BOA´s zijn opsporingsbevoegd. Bij het overtreden van de voorschriften kan door hen een proces verbaal worden opgemaakt, waarna het strafrechtelijke handhavingtraject wordt ingezet.

 

De politie heeft een eigen bevoegdheid in deze. Zij wordt apart geïnformeerd over verleende

ontheffingen.

8. Beleidsregels

  • De gemeente Moerdijk verleent geen ontheffing voor het verbranden van afvalstoffen binnen de bebouwde kom van de gemeente Moerdijk. Behoudens in het beleid aangegeven uitzonderingen;

  • De gemeente Moerdijk verleent geen ontheffing voor het verbranden van een paasvuur;

  • De gemeente Moerdijk verleent onder voorwaarden een ontheffing op grond van de APV voor de kerstboomverbranding;

  • De gemeente Moerdijk verleent onder voorwaarden een ontheffing op grond van de APV voor kampvuren die worden aangelegd door plaatselijke scoutinggroepen;

  • De gemeente Moerdijk verleent geen ontheffing voor het verbranden van stro, strostoppels of loofresten. Behoudens het verbranden van onkruid of loof met behulp van een skit-installatie met de bedoeling om de plant te laten afsterven zoals dat in de biologische landbouw wordt toegepast;

  • De gemeente Moerdijk verleent geen ontheffing voor het verbranden van slootkanten;

  • De gemeente Moerdijk geeft per omgaande een ontheffing onder voorwaarden af voor het verbranden van snoei- en sprokkelhout waarvoor de Plantenziektekundige Dienst (PD) een aanzegging heeft afgegeven in het kader van de Plantenziektewet of daarvan afgeleide AMvB´s;

  • De gemeente Moerdijk geeft ter voorkoming van de verspreiding van plantenziekten een ontheffing af die geldt van 1 oktober tot 30 april voor het verbranden van snoei- en sprokkelhout dat afkomstig is van fruitteeltbedrijven en boomkwekerijen;

  • De gemeente Moerdijk verleent geen ontheffing voor een onbepaalde tijd;

  • Het verlenen van een ontheffing is bedoeld voor individuele situaties en niet voor een grote groep.

Vastgesteld in de vergadering van het college d.d. 22 januari 2008,

de gemeentesecretaris , de burgemeester,

A.E.B. Kandel H.W. den Duijn

Bijlage 1 de ladder van Lansink

Voorkeursvolgorde voor de behandeling van rest- en afvalstoffen, in 1979 ontwikkeld door het toenmalige kamerlid Lansink:

1. preventie

 

2. producthergebruik

 

3. materiaalrecycling

 

4. verbranding met energieterugwinning

 

5. verbranding

 

6. storten

Bijlage 2 hoofdpunten brief d.d. 20 december 2004 provinciaal handhavingsoverleg milieu

 

Een van de belangrijkste knelpunten die van gemeentezijde is ingebracht is dat een terughoudend

ontheffingenbeleid op gespannen voet staat met het beleid om groenstroken in het buitengebied te

stimuleren. Als het snoeiafval, wat bij het onderhoud daarvan vrijkomt niet meer verbrand mag worden

zou alternatieve verwerking daarvan voor de eigenaren te hoge kosten met zich meebrengen. In het BPHOM heeft hierover overleg plaatsgevonden en is een beleidskader geformuleerd met betrekking tot het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Daarbij zijn de alternatieve verwerkingsmogelijkheden in beeld gebracht alsmede een indicatie van de kosten.

 

 

Uitgangspunt dient te zijn dat eerst wordt onderzocht of er hoogwaardiger verwerkingsmethoden

voorhanden zijn dan het verbranden van de afvalstoffen buiten inrichtingen. Hoogwaardiger

verwerkingstechnieken zijn:

- Het snoeiafval kan zodanig versnipperd worden dat het als structuurverbeteraar op de bodem kan

worden toegepast op de plaats waar het is vrijgekomen (plantsoenen e.d.). Hierbij dient wel de

kanttekening te worden geplaatst dat deze toepassing in de regel leidt tot versterkte en versnelde

onkruidgroei hetgeen conflicteert met extensief groenonderhoud. Een oplossing is dan om het

versnipperde materiaal naar de biomassacentrale in Cuijk te laten brengen (zie onder derde

mogelijkheid).

- Binnen de provincie Noord-Brabant zijn er voldoende (een dertigtal) composteerinrichtingen waar het

vrijkomende snoeiafval kan worden gecomposteerd. Het aanbieden van snoeiafval bij de inrichting

kost circa € 30,- per ton.

- In de biomassacentrale te Cuijk wordt houtig snoeimateriaal verwerkt tot brandstof. Als

voorbewerking moet het snoeihout wel gechipt worden. Het inhuren van een chipmachine kost tussen

de € 30,- en € 40,- per ton. Indien er meer dan 40 m³ houtchips worden geproduceerd haalt Van

Gansewinkel dit gratis op voor verbranding in de biomassacentrale te Cuijk.

Bijlage 3 stroomdiagram stookontheffing:

 

 

 

 

4. Het juridisch kader

4.1 het begrip “afvalstof”

In artikel 1.1 lid 1 van de Wet milieubeheer is de definitie van afvalstoffen weergeven.

Dit artikel luidt als volgt:

“Afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn

genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”.

 

Bij ministeriele regeling wordt aangegeven welke stoffen, preparaten of andere producten in ieder geval worden aangemerkt als afvalstoffen, als de houder zich daarvan ontdoet, voornemens is zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moet ontdoen. Bij besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en milieubeheer van 28 maart 2002 is de afvalstoffenlijst in de Staatscourant geplaatst. Zowel out afkomstig uit landbouw, tuinbouw en bosbouw als hout dat als huishoudelijk afval kan vrijkomen wordt op basis van deze afvalstoffenlijst als een afvalstof aangemerkt en valt daarmee onder artikel 10.2 van de Wet milieubeheer.

 

4.2. het verbod om afvalstoffen te verbranden in de Wet milieubeheer

Sinds 23 mei 2003 luidt artikel 10.2 van de Wet milieubeheer als volgt:

“1.Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een

inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoelde eerste lid.”

 

Het verbranden binnen een inrichting is toegestaan, mits daarvoor een vergunning is verleend.

 

Artikel 10.63, tweede lid van de Wet Milieubeheer bepaalt dat burgemeester en wethouders ontheffing

kunnen verlenen van het in artikel 10.2 genoemde verbod, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft. Het artikel luidt als volgt:

“Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te verbranden, voor zover het geen gevaarlijke stoffen betreft.”

 

Door te spreken van een ontheffing wordt aangegeven dat alleen in bijzondere gevallen een uitzondering op het algemene verbod kan worden gemaakt. Daarbij moet er wel rekening mee worden gehouden dat een ontheffing alleen mogelijk is wanneer het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen ontheffing verzet. In het kader van dit criterium moeten alle milieubelangen, naast een doelmatig beheer van afvalstoffen dus ook bijvoorbeeld de effecten op lucht, water en bodem, in beschouwing worden genomen en mogen ter voorkoming of ter beperking van deze effecten voorschriften aan de ontheffing verbonden worden.

 

In toelichting op artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer wordt er vanuit gegaan dat de

gemeente overeenkomstig het VNG-standpunt terughoudend zal zijn bij het verlenen van een ontheffing van het verbrandingsverbod. Uitgangspunt blijft dat eerst wordt onderzocht of er hoogwaardiger verwerkingsmethoden, zoals versnippering of composteren, mogelijk zijn.

Aan de woorden “indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet” moet zo invulling worden gegeven dat gemeenten alleen een ontheffing verlenen voor het verbranden van snoeihout als dat vrijkomt bij het onderhoud van cultuurlandschappen.

 

Het branden van kaarsen en fakkels is niet verboden. Het gaat daarbij niet om het verbranden van

afvalstoffen. Het koken, bakken en braden op vuren die zijn opgebouwd uit speciaal daar voor

aangeschafte briketten, houtblokken e.d. is ook niet verboden. Slechts indien er daadwerkelijk

afvalstoffen worden verbrand is het verbod uit artikel 10.2 aan de orde. Ook volgt uit artikel 10.63 van de Wet milieubeheer dat geen ontheffing kan worden verleend voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen.

 

Binnen het kader van de wetgeving is het mogelijk dat het college van burgemeester en wethouders

ontheffing verleent voor alle overige categorieën afvalstoffen op grond van art 10.63 Wet milieubeheer. Hierbij wordt opgemerkt dat is aangegeven dat alleen ontheffing kan worden verleend als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

 

4.3 “buiten een inrichting”

Artikel 10.2 Wet milieubeheer geeft expliciet aan dat het moet gaan om het verbranden van afvalstoffen buiten een inrichting.

 

De Wet milieubeheer verstaat onder een inrichting het volgende:

“Artikel 1.1 lid 1:

Inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen

bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.”

 

In het algemeen kan worden gesteld dat het dus gaat om het verbranden van afvalstoffen buiten een

terrein dat behoort tot een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Op basis van de jurisprudentie behoren de landerijen van de akkerbouw- en veeteeltbedrijven alsmede boomgaarden van de fruitteeltbedrijven niet tot het terrein van de inrichting.

 

In zijn algemeenheid geldt echter dat binnen inrichtingen het verbranden van afvalstoffen niet is

toegestaan. Het verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen is alleen toegestaan, als daarvoor een milieuvergunning is verleend of als de op de inrichting van toepassing zijnde Algemene maatregel van Bestuur dit toelaat.