Gemeenteblad van Bloemendaal
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Bloemendaal | Gemeenteblad 2021, 290395 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
---|---|---|---|
Bloemendaal | Gemeenteblad 2021, 290395 | beleidsregel |
Nota Grondbeleid Gemeente Bloemendaal 2013 Gemeente Bloemendaal
Inleiding, achtergronden en uitgangspunten
Zowel de ontwikkelingen als gevolg van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) als die van grondposities binnen de gemeente Bloemendaal maken het vormen van eenduidig grondbeleid noodzakelijk. Het ruimtelijk ontwikkelingsbeleid voor de gemeente Bloemendaal is tot 2023 globaal vastgelegd in de Structuurvisie Bloemendaal. In de Structuurvisie is een aantal uitvoeringsprojecten opgenomen waarbij grondbeleid een belangrijke rol speelt. Deze Nota Grondbeleid is een strategische nota die op hoofdlijnen de kaders schetst voor het grondbeleid van de gemeente Bloemendaal.
Daarnaast is het gewenst kaders op te stellen die voldoen aan het gestelde in het Besluit Begroting en Verantwoording (hierna: BBV).
De uitvoeringsstrategie is afhankelijk van inhoudelijke ontwikkel- en beleidsvisies van de gemeente en hoe de gemeente deze ambities optimaal denkt te kunnen waarborgen. Daarbij zijn marktomstandigheden en het risicoprofiel van ontwikkelingen belangrijke aspecten.
De gemeente Bloemendaal heeft een aantal grondposities, met de daarbij behorende financiële risico’s. Voor de verschillende grondposities zijn projecten belegd. In de jaarrekening legt het college verantwoording af over de realisatie en voortgang van die projecten, maar de mate waarin risico’s worden gelopen komt daarin onvoldoende tot uitdrukking. Toepassing van het hierna volgende beleid zorgt voor tijdige opsporing van die risico’s, het treffen van maatregelen en het vergroten van de controle op de geldstromen. Aan de hand van het voorgestelde beleid kan de gemeenteraad ook effectiever controle uitoefenen op het college. De nota biedt op de diverse taakvelden in het grondbeleid duidelijkheid over de taak- en rolverdeling tussen de raad, het college en het ambtelijk apparaat. De nota heeft overigens geen betrekking op –mogelijke -vervreemding van gemeentelijk woningbezit.
Binnen de gemeente heerst ook onduidelijkheid over de vraag wanneer grondposities ingenomen dienen te worden en wat de (financiële) kaders daarvoor zijn. Deze notitie heeft als doel te voorzien in die behoefte.
In deze nota wordt achtereenvolgens ingegaan op de principes van grondbeleid bij de gemeente Bloemendaal, de wettelijke grondslag, risicobeheersing en aanhaking bij de P&C-cyclus, projectmatig werken in relatie tot het grondbeleid en ten slotte de principes die worden gehanteerd bij de grondexploitatieberekeningen.
Met het vaststellen van de nota Grondbeleid wordt een aantal doelen bereikt:
De nota geeft de hoofdlijnen van het beleid weer. In de nota worden geen gedetailleerde regelingen opgenomen, zoals grondprijzen voor specifieke functies op concrete locaties. Voor het opstellen en actualiseren daarvan dient de nota als leidraad.
De nota biedt als het ware de handreikingen voor het door de Gemeente Bloemendaal te voeren grondbeleid. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen het processuele, het juridische en het financiële kader.
Deze nota is sowieso van toepassing op elk project waarbij de gemeente een (tijdelijke) eigendomspositie wat betreft grond / onroerend goed heeft of wil verwerven en daarmee risico loopt. Bij een faciliterende rol ten aanzien van grondontwikkelingen is het deel van deze nota van toepassing dat daarop betrekking heeft.
Grondbeleid is geen doel op zich, maar een middel om het ruimtelijk, volkshuisvestelijk en economisch beleid op een bestuurlijk en economisch verantwoorde wijze te realiseren.
Hoofdstuk 1: Actief, dan wel passief grondbeleid
Globaal kunnen de overheidsinterventies in de grondmarkt worden ingedeeld in twee categorieën. Enerzijds heeft de gemeente publiekrechtelijke instrumenten om het grondgebruik te beïnvloeden, zoals het bestemmingsplan, en anderzijds kan de gemeente optreden als private partij door zelf grond aan te kopen. In het laatste geval, wanneer de gemeente als private partij grond aankoopt en op die grond de gewenste bestemming realiseert, spreekt men van actief grondbeleid. In het geval dat de gemeentelijke sturingsrol beperkt blijft tot het publiekrecht spreekt men van passief of faciliterend grondbeleid.
Actief grondbeleid vraagt om een goed inzicht in de financiële gang van zaken gedurende de realisatie van het project en een duidelijke visie op de risico’s en het nemen van beheersmaatregelen. In algemene zin kan gezegd worden dat als de gemeente geen grond heeft, dan wel de grond niet te koop is of het risico van een ontwikkeling te groot is in verband met onder meer de financiële haalbaarheid, gekozen kan worden voor het voeren van een passieve grondpolitiek. Daarbij kan alleen gestuurd worden met planologische instrumenten.
De bestemmingsplannen binnen de gemeente Bloemendaal hebben een conserverend karakter, met een accent op het behoud van cultuur en natuur. In zoverre is – anders dan in het recente verleden – thans de algemene teneur het aanhangen van een passief grondbeleid. Daarbij komt ook dat de economische recessie en de verslechterde financiële positie van de gemeente nopen tot het betrachten van terughoudendheid. Thans wordt dan ook gekozen voor een overwegend passief grondbeleid. Uitzondering op de hoofdregel kunnen voorzieningen vormen met een maatschappelijk belang. Onder omstandigheden dienen dergelijke voorzieningen door de gemeente gefaciliteerd te worden. Daarmee wordt bedoeld dat als er geen realisatie mogelijk is zonder interventie van de gemeente, in beginsel op de gemeente de inspanningsverplichting rust een en ander te faciliteren. Het faciliteren hoeft uiteraard niet te bestaan uit het bekostigen van de voorziening. Faciliteren kan bijvoorbeeld ook bestaan uit het medewerking verlenen bij wijzigingen in het bestemmingsplan of het ter beschikking stellen van leegstaande gebouwen. Indien er in een uitzonderlijk geval toch sprake is van financiering/ bekostiging door de gemeente dient een voorstel daartoe voorzien te zijn van gegronde redenen en van een adequate dekking.
Binnen de gemeente bestaat voorts behoefte aan duidelijkheid over de financiële kaders voor projecten. Uitgangspunt is dat voor alle projecten over de totale looptijd onderbouwde exploitatieberekeningen worden gemaakt, welke jaarlijks worden herzien, en in totaliteit ten minste kostenneutraal zijn.
* Deze vorm van verevening dient onderscheiden te worden van de verevening voortvloeiend uit de Grexwet.
Hoofdstuk 2: Wettelijke grondslag
De wettelijke grondslag wordt gevormd door de Grondexploitatiewet en het BBV. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de Grex-wet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de kaders die vanuit het BBV worden gesteld.
Artikel 16 van de BBV acht het wenselijk dat gemeenten met betrekking tot het voeren van grondbeleid in de begroting en jaarrekening een paragraaf grondbeleid opnemen. In deze paragraaf dient inzicht te worden verstrekt op (ten minste) de volgende punten:
De invoering van het BBV, mede in relatie tot het dualisme, verplicht gemeenten om de grondexploitaties bij ruimtelijke ontwikkelingen transparant te maken en te houden. Daarbij dient onder meer inzicht gegeven te worden in de financiële positie, het weerstandsvermogen en risicomanagement. De risico’s, voorvloeiend uit voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, dienen in relatie te worden gebracht met de beschikbare weerstandscapaciteit van de gemeente.
In de Grex-wet staat beschreven hoe met kosten en baten van grondexploitaties omgegaan dient te worden. Dat is het raamwerk voor welke kosten verhaald moeten worden en hoe dat in zijn werk gaat. Vanwege het belang hiervan wordt hieronder in hoofdlijnen op deze wet ingegaan.
De Grondexploitatiewet, vaak afgekort als Grex-wet, is een onderdeel van de Externe link: Wet ruimtelijke ordening die op Externe link: 1 juliExterne link: 2008 in werking is getreden. De Grex-wet biedt Externe link: gemeenten onder meer instrumenten om kosten van de Externe link: planontwikkeling bij grondeigenaren, veelal Externe link: projectontwikkelaars, te verhalen. Daarnaast zijn er zaken geregeld omtrent Externe link: planschade.
Indien sprake is van een bouwplan (art. 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening Bro) en voor de goedkeuring van dit bouwplan een wijziging van een ruimtelijk besluit (bijv. bestemmingsplan) nodig is, is een gemeente conform de Wro verplicht om haar kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Deze kosten zijn limitatief opgenomen in de kostensoortenlijst, die is opgenomen in de artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Er zijn drie soorten manieren voor gemeenten om kosten te verhalen op projectontwikkelaars. Een vrijwillige overeenkomst met een grondeigenaar -een anterieure overeenkomst- is het uitgangspunt van de wet (6.24 Wro). Hierin kunnen beide partijen over alle mogelijke onderwerpen afspraken met elkaar maken. Indien de gemeente met één van de grondeigenaren geen anterieure overeenkomst heeft afgesloten, dient de gemeente een exploitatieplan op te stellen. Nadat een exploitatieplan opgesteld is, kan de gemeente alsnog afspraken maken met een grondeigenaar. In deze posterieure overeenkomst kunnen echter alleen zaken worden behandeld die ook in het exploitatieplan staan vermeld. Toch kan dit voor zowel de gemeente als de grondeigenaar voordelen hebben. Indien de gemeente zelf eigenaar is van de gronden dan worden de kosten verhaald door de uitgifte (verkoop) van gronden.
In het exploitatieplan staat een berekening van de exploitatiebijdrage die de grondeigenaar dient te betalen. Daarnaast kunnen er zaken worden geregeld over bijvoorbeeld woningcategorieën en betalingsvoorwaarden. De kosten die de gemeente mag verhalen zijn dus in het Besluit Ruimtelijke Ordening (Bro) vastgesteld. Dit is een gelimiteerde lijst, dit in tegenstelling tot wat van toepassing was onder de oude regels, en is opgesteld door Externe link: NEPROM en Externe link: VNG. Het exploitatieplan wordt opgesteld door de gemeente en dient door de Externe link: gemeenteraad gelijktijdig goedgekeurd te worden met het bijbehorende ruimtelijk besluit, bijvoorbeeld een Externe link: bestemmingsplan (6.12, lid 4 Wro). Wanneer het project gereed is, dient de gemeente de exploitatiebijdrage te herberekenen met de werkelijk gemaakte kosten (6.20, lid 2 Wro), waarna eventueel maatregelen genomen dienen te worden. De kosten verbonden aan de exploitatie worden uiteindelijk verhaald door aan de te verlenen omgevingsvergunning een voorschrift te verbinden tot het betalen van de exploitatiebijdrage (6.17 lid 1 Wro)
Indien het bedrag van de aan de exploitatie verbonden kosten, verminderd met de door het gemeentebestuur in verband met die exploitatie reeds ontvangen of toekomstig te ontvangen subsidies en bijdragen van derden, hoger is dan het bedrag van de opbrengsten van die exploitatie, mag de gemeente slechts kosten verhalen tot ten hoogste het bedrag van die opbrengsten (artikel 6.16 Wro). Dit betekent dat indien de grondexploitatie een tekort vertoont, de gemeente dus niet alle kosten kan verhalen op de exploitanten en de niet te verhalen kosten voor rekening van de gemeente komen. In het omgekeerde geval dat de totale opbrengsten hoger zijn dan de totale kosten, mag de gemeente ook nooit meer dan de totale kosten verhalen.
Naast genoemd wettelijk kader vormt de Verordening financieel beheer Bloemendaal ex artikel 212 van de Gemeentewet leidraad voor het grondbeleid.
Prijsvorming en waardebepaling
Voor alle partijen is van belang hoe de grondwaarde wordt bepaald. Daarom wordt hieronder nader ingegaan op verschillende methoden hiervoor.
Voor de bepaling van de grondwaarde worden twee hoofdbenaderingen onderscheiden:
De kostprijsbenadering is een rekenmethodiek waarmee op basis van zowel directe als indirecte kosten voor verwerving en bouwrijp maken een grondprijs bij uitgifte wordt bepaald. Er wordt geen positief saldo op de grondexploitatie nagestreefd; een saldo nul is voldoende.
Veelal wordt de grondprijs op basis van de kostprijsbenadering gezien als het minimale bedrag waarvoor grond moet worden uitgegeven om de grondexploitatie sluitend te krijgen. Er is doorgaans sprake van een marktwaardebenadering, die in grote lijnen in de volgende gedaanten voorkomt:
De residuele grondwaarde wordt berekend door de investeringskosten (bouw- en
ontwikkelingskosten) in mindering te brengen op de commerciële waarde (verkoopwaarde ex Btw; vrij op naam prijs).
Deze benadering geniet de voorkeur van de VNG, de ontwikkelaars/bouwers en het
De grondquotebenadering drukt de grondwaarde uit in een percentage van de
opbrengstwaarde van de betreffende ontwikkeling. Deze methode wordt hoofdzakelijk bij
woningbouw in grote bouwopgaven met vaak een wat langere looptijd toegepast. De quote is een afgeleide van een residuele berekening aan de hand van referentieprojecten. De
grondquotemethodiek gaat er van uit dat de verhouding tussen marktwaarde en bouwkosten in projecten vrij stabiel is. De grondwaarde wordt definitief vastgesteld op basis van de eerder in een project bepaalde grondquote, op het moment dat de ontwikkelaar een project in de verkoop brengt en derhalve verkoopprijzen bekend zijn. Schommelingen in de waardeontwikkeling in de plan- en ontwikkelfase (zowel positief als negatief) zijn derhalve van invloed op de vast te stellen grondprijs. Het is een passende methode om in een dynamische markt of vroege planfase grondprijsafspraken te maken. Onderhandelingen op detailniveau in een late ontwikkelfase worden hiermee vermeden.
De vergelijkingswaardemethode bepaalt de grondwaarde door een vergelijking te maken met de grondprijzen van vergelijkbare ontwikkelingen in gemeenten in de naaste omgeving.
Bij verkopen van onroerend goed / uitgifte van kavels moet de gemeente rekening houden met het feit dat er geen ongeoorloofde staatssteun verstrekt mag worden. Dit houdt in dat de verkopen dienen plaats te vinden tegen de geldende marktprijs.
Volgens de Europese Commissie kan de marktprijs alleen maar tot stand komen in een open
De Commissie gaat er van uit dat de marktprijs daarmee objectief bepaalbaar is. In Nederland
worden dus verschillende manieren gebruikt om de grondwaarde te bepalen. De Commissie heeft zich niet uitgesproken welke methode de juiste is voor het vaststellen van de marktwaarde. De keuze is dus aan de partijen om tot een reële marktwaardebepaling te komen.
Het Gerecht van Eerste Aanleg van het Europese Hof van Justitie heeft zich wel uitgesproken over
de eisen die aan een taxatierapport moeten worden gesteld. Deze eisen zijn:
Indien de verkoop door de gemeente plaatsvindt tegen minimaal de waarde die door de onafhankelijke taxatie is vastgesteld, hoeft conform de regelgeving geen melding aan de Commissie te worden gedaan.
Hoofdstuk 3: De financiële beheersing
Grondbeleid en vooral de financiële gevolgen van grondbeleid, hebben hun invloed op de gemeentelijke begroting en het weerstandsvermogen. Hieraan zijn risico’s verbonden die in een vroegtijdig stadium van planontwikkeling en besluitvorming, transparant moeten zijn en vooral zo volledig mogelijk onderdeel van de besluitvorming moeten uitmaken. In dit hoofdstuk zijn de instrumenten beschreven, die bijdragen aan de financiële transparantie en beheersbaarheid.
Bouwgrondactiviteiten worden op een inzichtelijke wijze geadministreerd en beheerd. Deze beheersfunctie wordt ook wel aangeduid als de ‘grondbedrijfsfunctie’. Ook de gemeente Bloemendaal heeft een grondbedrijfsfunctie, die direct is verbonden aan het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingsprojecten. De grondbedrijfsfunctie richt zich alleen op de financiële beheersing van bouwgrondactiviteiten. Opstalexploitaties of investeringsprojecten maken hier geen deel van uit.
De grondbedrijfsfunctie draagt zorg voor bedrijfseconomische optimalisatie bij het ontwikkelen van plannen en het gemeentebestuur wordt geadviseerd over de financieel economische gevolgen van de ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Het grondgebruik wordt zo gehandhaafd, dan wel worden gewenste veranderingen zo in gang gezet, dat dit past binnen de doelstellingen van de gemeente. Dit geldt bij toepassing van zowel actief als passief grondbeleid. Beide toepassingen maken onderdeel uit van de grondbedrijfsfunctie.
De exploitatieopzet is van belang bij besluitvorming over eventuele aankoop, ontwikkeling (ook facilitair) en verkoop van grondcomplexen.
De kosten en opbrengsten van een grondexploitatie worden opgenomen in een exploitatieopzet naar dynamisch model. Dat wil zeggen dat rekening wordt gehouden met prijs- en opbrengststijgingen en met de fasering van de kosten en opbrengsten in de tijd. Het programma en het grondgebruik, gebaseerd op de beleidsmatige en planologische uitgangspunten, vormen de basis voor de exploitatieopzet. Hiermee wordt een financiële raming gegeven van de kosten en opbrengsten van de activiteiten, die nodig zijn voor de productie van bouwrijpe grond. Met een dergelijke grondexploitatie kan worden aangetoond in hoeverre een bestemmingsplan(wijziging) economisch haalbaar is. Ook voor facilitaire projecten wordt een exploitatieopzet opgesteld. Voor kostenverhaal is het ook hier van belang om inzicht te hebben in historische en toekomstige kosten. Een exploitatieopzet bij een facilitair project is over het algemeen minder uitgebreid en complex dan bij projecten onder actief grondbeleid.
Een exploitatieopzet wordt jaarlijks geactualiseerd bij begroting en jaarrekening (deze verplichting vloeit ook voort uit artikel 6.15, lid 1 Wro). Voor zover het significante wijzigingen betreffen, die niet meer tot de normale uitvoeringsdynamiek van een project kunnen worden gerekend, dient de gemeenteraad ten behoeve van de besluitvorming hierover expliciet te worden geïnformeerd.
Bijdragen aan fondsen kunnen onderdeel uitmaken van een exploitatieopzet. Een eventuele bijdrage aan een fonds dient te zijn voorafgegaan door bestuurlijke besluitvorming.
Voor alle projecten binnen de portefeuille van de grondexploitatiefunctie worden onderbouwde exploitatieopzetten gemaakt, die jaarlijks worden herzien. |
In de exploitatieopzetten wordt uitgegaan van jaarlijks vastgestelde parameters voor rente en inflatie. Deze parameters worden in de gebruikelijke planning- en control systematiek van de gemeente Bloemendaal vastgesteld door de gemeenteraad. Daarbij is voor grondexploitaties de debetrente gelijk aan de creditrente.
Reserves en voorzieningen zijn een belangrijk onderdeel in de totale beheersing van de grondexploitaties. Alle financiële consequenties van de activiteiten binnen de grondbedrijfsfunctie worden met elkaar in verband gebracht en vertaald in een meerjarige staat van reserves en voorzieningen. Uitgangspunt is dat binnen de grondbedrijfsfunctie alle mogelijke financiële tegenvallers en negatieve resultaten primair worden gedekt door activiteiten met een voordelig saldo. Conform de geldende voorschriften mag een reserve daarbij nooit een nadelig saldo hebben.
Het stelsel van reserves en voorzieningen van de grondbedrijfsfunctie bestaat uit:
Algemene Reserve Grondexploitatie (ARG)
De ARG is een algemene reserve, waarmee alle positieve en negatieve resultaten van de activiteiten binnen de grondbedrijfsfunctie worden verrekend.
Onttrekkingen aan de ARG kunnen worden gedaan voor:
In de ARG dienen voldoende middelen beschikbaar te zijn om alle noodzakelijke voorzieningen te treffen. De ARG kent een minimale omvang voor het structureel opvangen van conjuncturele risico’s binnen de grondbedrijfsfunctie, het weerstandsvermogen. De minimale omvang wordt jaarlijks in de risicoanalyse grondbedrijfsfunctie berekend. Indien de ARG daarvoor te weinig ruimte biedt, zal het college de gemeenteraad een voorstel doen om de ARG weer op peil te brengen ten laste van de algemene middelen.
Middelen in de ARG, waarvan is vastgesteld dat deze niet nodig zijn om lopende activiteiten binnen de grondbedrijfsfunctie te dekken, kunnen worden aangemerkt als ruimte voor nieuw beleid. Het is aan de gemeenteraad om deze middelen te bestemmen, hetzij aan doelen binnen de grondbedrijfsfunctie (bv. nieuwe projecten), hetzij door deze (geheel of gedeeltelijk) toe te voegen aan de algemene middelen. Het toevoegen van middelen uit de ARG aan de algemene dienst wordt aangeduid als ‘afroming van de ARG’.
Voorzieningen grondbedrijfsfunctie
Een voorziening binnen de grondbedrijfsfunctie dient voor de dekking van een geprognosticeerd verlies bij afsluiting van een complex. De voorziening dient voldoende middelen te bevatten om het gehele verlies te kunnen afdekken. Een dergelijke voorziening wordt gevormd ten laste van de ARG. Mutaties van deze voorziening als gevolg van herberekening gaan eveneens ten laste of ten gunste van de ARG. Voor ieder complex met een geprognosticeerd verlies wordt een afzonderlijke voorziening ingesteld. Jaarlijks wordt op basis van de herziening van de grondexploitatieberekeningen de noodzakelijke omvang van de voorzieningen opnieuw bepaald.
Een eventueel batig saldo van de grondexploitatie wordt bij afsluiting aan de Algemene Reserve Grondexploitaties toegevoegd. Bij voorzienbare tekorten wordt ten laste van deze reserve een voorziening getroffen.
In principe wordt de gehele winst van een grondexploitatie genomen bij afsluiting van de grondexploitatie, tenzij het mogelijk is om op verantwoorde wijze al vooruitlopend op de afsluiting een deel van de winst te nemen.
Voorwaarde is dat er daadwerkelijk sprake moet zijn van gerealiseerde winsten in de
grondexploitatie én dat die uit oogpunt van verantwoorde bedrijfsvoering (rekening houdend met nog te realiseren kosten en opbrengsten) ook kunnen worden genomen.
De vraag kan worden gesteld waarom een gemeente voortijdig winst uit een grondexploitatie zou willen nemen. Het meest veilige is immers om pas ‘af te rekenen‘ als alle kosten en opbrengsten zijn gerealiseerd en de grondexploitatie wordt afgesloten. Er is dan geen sprake meer van risico’s en er kan nauwkeurig worden bepaald hoe groot de winst nu feitelijk is. Het antwoord op die vraag komt voort uit het besef dat met winsten van een grondexploitatie andere verliesgevende grondexploitaties kunnen worden gedekt, op risico’s kan worden geanticipeerd en –in geval van een overschot binnen de grondbedrijfsfunctie- ook andere maatschappelijke doelen kunnen worden gediend. Deze bestedingsbehoeften lopen zelden in de pas met de afsluiting van winstgevende grondexploitaties. Door op een verantwoorde wijze tussentijds winst uit grondexploitaties te nemen, wordt het mogelijk beter in te spelen op de behoefte aan middelen binnen de grondbedrijfsfunctie maar ook aan middelen ten behoeve van andere maatschappelijke doelen. Het onnodig vasthouden van winsten in een grondexploitatie wordt beschouwd als ongewenste reservevorming. De sleutel van de discussie ligt in de verantwoorde wijze waarop winsten kunnen worden uitgenomen. Er dient sprake te zijn van feitelijk gerealiseerde winst, zonder dat toekomstige ontwikkelingen (voor zover in te schatten) deze winst nog teniet kunnen doen. Dit alles om te voorkomen dat de gemeente middelen besteedt die achteraf niet besteed hadden kunnen worden, waardoor in de toekomst financiële problemen kunnen ontstaan. Ook hier gaat het feitelijk om risicobeheersing.
Het beleid omtrent tussentijdse winstneming uit grondexploitaties zal als volgt komen te luiden:
bij grote projecten, die diverse jaren duren, is het op zich denkbaar tussentijds winst te nemen. Het is dan echter wenselijk dat het project is onderverdeeld in duidelijke herkenbare delen. Tussentijdse winstneming is dan mogelijk als een deelproject is afgesloten, de winst op het deelproject is gerealiseerd, en er geen verlies wordt verwacht op andere deelprojecten (of daarvoor voldoende voorzieningen zijn getroffen). Bij een meerjarig project kan tussentijdse winstneming alleen plaatsvinden als tussentijdse prestaties verantwoord zijn te bepalen. Dat is het geval als:
Als aan deze voorwaarden kan worden voldaan, mag de winstneming naar rato van de voortgang van het project plaatsvinden. Zodra bijv. 75% van de voorgecalculeerde verkoopopbrengst is gerealiseerd, zal worden overgegaan tot het naar rato (i.c. 75%) nemen van winst.
Indien er aanleiding bestaat dit beleid omtrent tussentijdse winstneming uit grondexploitaties te wijzigen, zal de gemeenteraad daartoe een onderbouwd voorstel ter vaststelling worden voorgelegd.
Risicomanagement en -beheersing
Grondexploitatie is risicovol. Dit vraagt om adequaat management en beheersing van de risico’s. In het kader van risicomanagement is het van belang te beseffen in welke mate de gemeente zelf een risico kan beïnvloeden. Indien de beïnvloedbaarheid groot is, kan een gerichte strategie worden ingezet om een negatief risico te beperken of zelfs af te wenden. Indien de beïnvloedbaarheid gering is, is monitoring van belang om tijdig over de omvang en het financiële gevolg te kunnen rapporteren. Dit kan leiden tot het bijstellen van ramingen of tot aanpassingen in het plan.
Bij grondexploitaties is een adequate informatievoorziening van belang. Hierdoor kan actief worden gestuurd op risico’s, planning en realisatie.
Met de aankoop van gronden en gebouwen zijn investeringen gemoeid. Gelet op de omvang van de investeringen en de vaak lange looptijd van veel projecten loopt de gemeente hier risico’s. Denk hierbij aan vertraging in de uitvoering en/of afstel van de beoogde doelstellingen van de gemeente waardoor de gemeente geconfronteerd wordt met hogere rentekosten en/of lagere grondopbrengsten. Een transparant beeld van de bedrijfsprocessen en de daaraan verbonden risico’s is onmisbaar voor de bestuurlijke sturing en besluitvorming op grondexploitaties. Om een juist inzicht te krijgen in de mogelijke risico’s binnen een project is het noodzakelijk om voor alle projecten een risicoscan uit te voeren. Op deze wijze kunnen risico’s die gestelde projectdoelen kunnen bedreigen in een vroeg stadium worden onderkend en zo mogelijk worden geëlimineerd, verkleind of worden beheerst. Deze risico’s, en de wijze waarop deze worden beheerst, dienen te worden meegenomen bij de projectopdracht en projectrapportages.
Voor het afleggen van verantwoording gelden in ieder geval de volgende uitgangspunten:
De hierboven beschreven risico’s zullen zich niet tegelijk en over de hele periode in dezelfde omvang voordoen. Per fase zullen de risico’s fluctueren. Bij projecten met een looptijd langer dan vijf jaar wordt een risicomarge aangehouden van 25% van de totale projectkosten. Bij projecten met een looptijd korter dan vijf jaar bedraagt deze risicomarge 15%.
De post onvoorzien zal, als het goed is, per vervolgfase (zie hoofdstuk 4) naar beneden toe kunnen worden bijgesteld, aangezien de kosten steeds nauwkeuriger en met grotere mate van zekerheid kunnen worden begroot naarmate het project vordert, maar zal ten minste 10% van de totale projectkosten blijven bedragen.
Naast het inzetten van de post onvoorzien is het tevens noodzakelijk om regelmatig systematisch onderzoek naar risico’s uit te voeren die de (financiële) haalbaarheid van een project bedreigen én daarbij de formulering en toepassing van maatregelen te bepalen waarmee deze risico’s zo doeltreffend mogelijk kunnen worden beheerst. Een risico wordt in dit kader gedefinieerd als ‘het verschil tussen uitgangspunten en de afwijking op die uitgangspunten die zich gegeven een bepaald reëel scenario op termijn kan voordoen’.
Bij het opstellen van een exploitatieberekening wordt ook een risicoanalyse opgesteld. Zoals gezegd wordt vervolgens jaarlijks ten behoeve van de jaarrekening (dus uiterlijk februari van het opvolgende jaar) of bij een tussentijdse actualisering van de exploitatieberekening de risicoanalyse herzien. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in:
Indien een significant risico zich voordoet, wordt de gemeenteraad hierover expliciet geïnformeerd.
Hoofdstuk 4: Projectmatig werken in relatie tot het grondbeleid
Het realiseren van doelstellingen van het gemeentelijk grondbeleid, de gemeentelijke grondposities en de regie op werkzaamheden die hiermee samenhangen, krijgen thans projectmatig vorm. Naast de ‘lijnverantwoordelijkheid’ van de budgethouder / het afdelingshoofd die in het vorige hoofdstuk aan de orde kwam, is er dus sprake van projectverantwoordelijkheden en –taken. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op projectmatig werken bij de uitvoering van het grondbeleid. De begrote kosten en middelen dienen aan te sluiten bij de reguliere P&C-cyclus.
De Bloemendaalse Methode voor projectmatig werken is leidend. De methode biedt diverse formats en instrumenten voor een projectmatige aanpak. Er wordt gewerkt met de organisatiebrede formats voor een projectopdracht, een plan van aanpak, een voortgangsrapportage en een evaluatierapport. De sturing op het project is altijd belegd in de driehoek van bestuurlijk- en ambtelijk opdrachtgever en de opdrachtnemer (de projectleider). De methode biedt bovendien diverse instrumenten voor gedegen risicomanagement, voor de uitvoering van een krachtenveldanalyse (omgevingsmanagement) en voor het opstellen van een realistische en gedragen projectplanning. Hierdoor is geregeld dat de ontwikkeling en uitvoering van projecten in fasen is verdeeld, waarbij elke fase een door besluitvorming gemarkeerd begin- en eindpunt heeft.
De projectmatige aanpak volgens de Bloemendaalse Methode kent de volgende fasering. Bij iedere fase is onderstreept welk projectdocument bestuurlijk dient te worden vastgesteld. De raad stelt per fase geld ter beschikking.
De verkenning van het idee, probleem of kans leidt tot opstellen en vaststellen van een projectopdracht en vervolgens de project-start-up. De aanschaf van de grond en de realisatie van voorzieningen op die grond kunnen in separate projectopdrachten worden vastgelegd. De (globale) beschrijving van de volgende punten maakt altijd onderdeel uit van de projectopdracht:
De project-start-up vormt het einde van de initiatieffase en het begin van de ontwerpfase. Samen met het projectteam legt de projectleider in een plan van aanpak vast HOE, WAT en WAARMEE het project wordt uitgevoerd. Dit leidt tot besluitvorming over het plan van aanpak. Een belangrijk onderdeel bij de uitvoering van het grondbeleid is een gedegen risicoanalyse, inclusief de beheersmaatregelen.
De realisatie van het plan van aanpak. Periodieke rapportages beschrijven in deze fase de inhoudelijke en financiële voortgang. De voortgangsrapportages beschrijven in ieder geval de volgende punten:
Actiepunten (inclusief hulpvragen).
Er dient op basis van de voortgangsrapportages, als de vastgestelde kaders worden overschreden, tijdig te worden gemeld in de voor- en najaarsnota en / of jaarrekening. Door de afspraak om de voortgangsrapportages aan te leveren tegelijkertijd met de P&C documenten (voor- en najaarsnota) wordt voor de onderbouwing van eventuele overschrijdingen zorg gedragen. Dit betekent dat er voor elk project dat door college en raad als project is gedefinieerd minimaal twee voortgangsrapportages per jaar worden opgesteld in lijn met de P&C-cyclus.
Bij projectmatig werken in algemene zin wordt voor de fasen 2, 3 en 4 door de raad een krediet beschikbaar gesteld welke onderdeel wordt van de reguliere voortgangsrapportages. Bij grondzaken wordt tevens aansluiting gezocht bij de te volgen ruimtelijke procedures.
Vroegtijdige aandacht voor de kaders van het project
Voor de uitvoering van het grondbeleid is het met nadruk van belang voorafgaand aan de project-start-up, door middel van de projectopdracht, duidelijke kaders vast te laten stellen door het college. Deze kaders zijn zowel inhoudelijk als procedureel van aard.
Binnen de procedurele kaders kan de projectleiding in afstemming met de bestuurlijke en ambtelijke opdrachtgever een plan van aanpak opstellen, het project uitvoeren, over de voortgang rapporteren en afronden.
Daarnaast dient bij alle projecten voor de uitvoering van het grondbeleid expliciete besluitvorming plaats te vinden over de inhoudelijke uitgangspunten, bij voorkeur door vaststelling van een programma van eisen. Ook dient er bij grondexploitatieprojecten specifieke aandacht uit te gaan naar de planeconomische randvoorwaarden. Daarbij dient onder andere duidelijk geschetst te worden met welke budgetten en financiële taakstellingen het project te rekenen heeft. Per fase in het planproces dient de opgestelde grondexploitatie geactualiseerd te worden. Tevens dient daarbij een meerjarenprognose te worden gegeven. De diverse fasen in het proces dienen afgesloten te worden met een document dat bestuurlijk wordt vastgesteld. Ten slotte dient -zoals aangegeven- de bijstelling van de geformuleerde uitgangspunten of planning via de voortgangsrapportages verantwoord te worden.
Hoofdstuk 5: Wie is verantwoordelijk
De ambtelijk opdrachtgever (de budgethouder) is eindverantwoordelijk voor de tijdigheid en kwaliteit van de documenten. De projectleider draagt zorg voor de inhoud (input). Overigens worden de voortgangsrapportages door de projectleider opgesteld.
De organisatie wordt zodanig ingericht dat er voldoende controlemechanismen zijn ingebouwd. Er dienen voldoende ‘checks en balances’ te zijn ingebouwd om risico’s beheersbaar te houden.
Hierbij is belangrijk dat de informatievoorziening op orde is en regelmatig voor go/no go besluitvorming wordt teruggekeerd naar bijv. stuurgroep, college of raad. Zie voor de verdere uitwerking hiervan het vorige hoofdstuk projectmatig werken in relatie tot het grondbeleid.
Bijlage: Format t.b.v. ramingen per grondcomplex
Paragraaf 1 : Prognose totale baten en lasten
Paragraaf 2 : hoogte van het door raad ter beschikking gestelde totale krediet, alsmede voor de lopende fase en het resterende saldo van dat krediet.
Paragraaf 3 : Prognose van de begroting baten en lasten per boekjaar, alsmede tot het einde van de looptijd van het project.
Paragraaf 4 : scenarioanalyse m.b.t. grondexploitatie (ook “slecht-weer scenario”)
Paragraaf 5 : inventarisatie van de grootste risico’s, uitgaande van het “slecht-weer scenario”.
Paragraaf 6 : reeds getroffen of nog te treffen beheersmaatregelen om de risico’s het hoofd te bieden.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-290395.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.