Gemeenteblad van Baarn

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BaarnGemeenteblad 2021, 27183Verordeningen



Verordening fysieke leefomgeving Baarn

RAADSBESLUIT

Openbaar

Zaaknummer 173434

 

Onderwerp: Verordening fysieke leefomgeving Baam

 

De raad van de gemeente Baam

- gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 september 2020

- behandeld in het debat in de raad d.d. 18 november 2020

 

besluit:

1. De Verordening fysieke leefomgeving Baarn vast te stellen. Vastgesteld in de vergadering, op 25 november 2020

 

N.C. Both griffier

 

M.A. Röell voorzitter

 

Inhoudsopgave

 

Verordening fysieke leefomgeving

Hoofdstuk I: Algemene bepalingen

Hoofdstuk II: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Hoofdstuk III: Voorkomen of beperken geluidhinder

Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Hoofdstuk V: standplaatsen

Hoofdstuk VI: openbaar water en waterstaatswerken

Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren

Hoofdstuk VIII: Bomen

Hoofdstuk IX: bodem (bouwverordening)

Hoofdstuk X: Erfgoed

Hoofdstuk XI: Markt

Hoofdstuk XII: Afvoer hemelwater en grondwater

Hoofdstuk XIII: Slotbepalingen

 

Toelichting

Hoofdstuk 1: Algemene toelichting

1:1 Inleiding

1:2 Doel en aanpak inventarisatie verordeningen

1:3 Opzet Verordening fysieke leefomgeving Baarn

Hoofdstuk 2: Toelichting per artikel

Hoofdstuk I: Algemene bepalingen

Hoofdstuk II: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Hoofdstuk III: Voorkomen of beperken geluidhinder

Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Hoofdstuk V: standplaatsen

Hoofdstuk VI: openbaar water en waterstaatswerken

Hoofdstuk VII: Ondergrondse infrastructuren

Hoofdstuk VIII: Bomen

Hoofdstuk IX: bodem (bouwverordening)

Hoofdstuk X: Erfgoed

Hoofdstuk XI: Markt

Hoofdstuk XII: Afvoer hemelwater en grondwater

Hoofdstuk XIII: Slotbepalingen

BIJLAGE

Bijlage 1: Kaart Bebouwde kom Boswet behorende bij raadsbesluit 15RV000112

 

Verordening

De raad van de gemeente Baarn;

heeft het voorstel van het college van burgemeester en wethouders gelezen van 15 september 2020, Team Ontwikkeling ruimte/ omgeving (nr. 173434),

vindt het nodig dat de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving voor Baarn worden gebundeld,

heeft artikel 121, 147, 149, 154, 156 en 229 van de Gemeentewet, artikel 1 Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 5.2 en 5.4 lid 4 Telecommunicatiewet, artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 Monumentenwet 1988, artikel 2.1 en 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 10.32a Wet Milieubeheer gelezen,

besluit vast te stellen:

 

Verordening fysieke leefomgeving Baarn

 

 

HOOFDSTUK I: ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

 

ALGEMEEN

APV: Algemene Plaatselijke Verordening Baarn;

Bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo);

bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

burgemeester en wethouders: Het college van burgemeester en wethouders

gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

 

BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN (HOOFDSTUK II)

openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie – al dan niet ter plaatse - worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis, fastfood- en maaltijd- afhaalpunten of bezorging;

terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid, verstrekt of genuttigd;

 

VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER (HOOFDSTUK III)

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat artikel 3:1 uitsluitend van toepassing is op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

 

BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE (HOOFDSTUK IV)

kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Houtsprokkelen: het verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan wel uitdrogend, dood hout.

 

STANDPLAATSEN (HOOFDSTUK V) 

standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Onder standplaats wordt niet verstaan:

a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de APV

 

OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN (HOOFDSTUK VI)

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

 

ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN (HOOFDSTUK VII)

a. aansluiting het gedeelte van de kabel en/of leiding dat een netwerk verbindt met een fysiek punt waarop een klant de toegang tot een openbaar netwerk wordt geboden;

b. belanghebbenden: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen;

c. breekverbod: verbod voor het uitvoeren van werkzaamheden in de grond;

d. gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 5.2, eerste lid van de Telecommunicatiewet, een publiekrechtelijke vergunning of een privaatrechtelijke overeenkomst;

e. instemmingsbesluit besluit van burgemeester en wethouders: op een aanvraag tot instemming van de voorgenomen werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n;

f. kabels en/of leidingen: een of meer kabels en/of leidingen die onderdeel zijn van een openbaar (elektronisch communicatie-)netwerk, daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;

g. marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt;

h. netbeheerder: degene die als natuurlijk persoon handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon acteert als beheerder van een al dan niet openbaar netwerk;

i. netwerk: samenstel van kabels of leidingen;

j. niet-openbare kabels en/of leidingen: kabels en/of leidingen, dan wel het netwerk waartoe deze behoren, die niet gebruikt worden om openbare, zijnde voor het publiek beschikbare, diensten aan te bieden;

k. openbare gronden: openbare gronden, als genoemd in artikel 1.1, onderdeel aa, van de Telecommunicatiewet;

l. registratiesysteem: digitaal systeem dat de gemeente gebruikt om meldingen en instemmingen van werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n, en alles wat daarmee samenhangt te verwerken;

m. spoedeisende werkzaamheden, zoals hierna genoemd in onderdeel n: werkzaamheden voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het betreffende netwerk is opgetreden;

n. werkzaamheden handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen;

o. werkzaamheden van werkzaamheden, zoals hiervoor genoemd in onderdeel m, van niet ingrijpende aard met een gezamenlijke tracélengte tot vijfentwintig (25) meter en waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst; het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen; het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m².

 

BOMEN (HOOFDSTUK VIII)

bebouwde kom: -bij raadsbesluit in het kader van artikel 4.1 onderdeel a juncto 9.9 eerste lid van de Wet natuurbescherming vastgestelde bebouwde kom;

bomeneffect-analyse: -een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand;

bomenfonds: -gemeentelijke voorziening ter financiering van herplant van houtopstand. Herplant vindt plaats binnen een termijn van vijf jaar na ontvangst van de geldelijke bijdrage in het kader van een compensatieverplichting;

boom: -een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas met een stamomtrek van minimaal 78 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam. In afwijking van deze minimale stamomtrek van 78 cm geldt geen minimale stamomtrek indien het bomen zijn als in artikel 8:6, 8:7, 8:9, 8:10 en 8:11 van deze verordening;

compensatieplan: -overzicht waarin opgenomen: aantal en soort te plaatsen nieuwe houtopstand in het plangebied als vervanging van aantal en soort te kappen houtopstand in hetzelfde plangebied;

houtachtige: -een houtig opgaand en in beginsel overblijvend gewas;

houtopstand: -één of meer bomen of hakhout;

kandelaberen: -het tot op de hoofdtakken snoeien van de houtopstand;

knotten: -het afzagen van de kroon van de houtopstand;

noodkap: -kap van houtopstand binnen 48 uur, die nodig is in verband met grote gevaarzetting voor de directe omgeving.;

perceel: -een bebouwd perceel dat met erf en/of tuin een eenheid vormt. Als meerdere zelfstandige woonadressen binnen één kadastraal perceel vallen, wordt de omvang van het perceel bepaald op basis van het adres van de zelfstandige wooneenheid van de eengezinswoning waarop de houtopstand zich bevindt;

vellen: -betreft vellen, doen vellen of laten vellen. Dit is rooien, kappen, of verplanten of het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van voor de eerste keer kandelaberen of knotten; - betreft het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

 

BODEM (HOOFDSTUK IX)

Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet;

Besluit bouwwerken: het Besluit omgevingsvergunningvrije en lichtomgevingsvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet;

NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm.

Onder bouwwerk wordt mede verstaan: een gedeelte van een bouwwerk;

Onder gebouw wordt mede verstaan: een gedeelte van een gebouw.

 

ERFGOED (HOOFDSTUK X)

gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

stads- en dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden.

 

MARKT (HOOFDSTUK XI)

markt: de door burgemeester en wethouders ingestelde warenmarkt;

standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;

vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;

dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen;

standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt gesteld om te standwerken;

vergunninghouder: degene aan wie door burgemeester en wethouders vergunning is verleend voor het innemen van een standplaats;

marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door burgemeester en wethouders.

 

AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER (HOOFDSTUK XII)

aankoppelen: het aansluiten van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater op een openbaar vuilwaterriool;

afkoppelen: het beëindigen van de afvoer van op verhard oppervlak vallend hemelwater en de afvoer van grondwater naar een openbaar vuilwaterriool, door dit afvalwater te benutten, te infiltreren in de bodem dan wel te brengen in oppervlaktewater;

bestaande bouw: reeds gebouwd bouwwerk;

hemelwater: regenwater, ijzel, sneeuw en hagel;

nieuwbouw: geheel of gedeeltelijk nieuw te bouwen bouwwerk;

openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast.

 

Artikel 1:2 Werkingsgebied

Deze verordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Baarn.

 

Artikel 1:3 Beslistermijn

1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:2, 2:3, 8:1, 10:12 of artikel 10:18 van deze verordening.

 

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

 

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

 

Artikel 1:6 Intrekken of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

e. de vergunninghouder dit verzoekt.

 

Artikel 1:7 Termijnen

1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

 

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

 

 

HOOFDSTUK II: BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN

Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan openbare plaatsen; algemene regel met ontheffingsmogelijkheid

1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 4 strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor uitstallingen, reclameborden en spandoeken.

4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

6.Het verbod is niet van toepassing op:

a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 APV;

b. standplaatsen als bedoeld in artikel 1:1 van deze verordening;

c. terrassen binnen openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1 van deze verordening; en

d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.

 

Artikel 2:2 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2. De vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie Utrecht 2010, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening.

5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

 

Artikel 2:3 Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouder een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. als de uitweg naar het oordeel van burgemeester en wethouders zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. als door de uitweg naar het oordeel van burgemeester en wethouders het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of

d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3. Burgemeester en wethouders kunnen het maken of veranderen van de uitweg verbieden indien

a. het gebruik van de uitweg tot gevolg kan hebben dat kan worden geparkeerd in een voortuin van een woonhuis, of

b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente dat vereist.

4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

 

Artikel 2:4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

 

Artikel 2:5 Openen straatkolken en dergelijke

Het is voor degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

 

Artikel 2:6 Kelderingangen en dergelijke

1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

 

Artikel 2:7 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

a. te roken gedurende een door burgemeester en wethouders aangewezen periode;

b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

2. De verboden uit het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

3.Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

 

Artikel 2:8 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

 

Artikel 2:9 Objecten onder hoogspanningslijn

1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

 

Artikel 2:10 Veiligheid op het ijs

1. Het is verboden:

a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening.

 

 

HOOFDSTUK III: VOORKOMEN OF BEPERKEN VAN GELUIDHINDER:

Artikel 3:1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3:3 gelden niet voor door burgemeester en wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3:148 eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door burgemeester en wethouders per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer gedeelten van de gemeente.

4. Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

6. Bij de aangewezen collectieve festiviteiten mag (tussen 07:00 – 24:00 uur) het equivalent geluidniveau, met een middelingstijd van 1 minuut gemeten in de meterstand Fast veroorzaakt door de inrichting, op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is, maximaal LAeq 80 dB(A), LCeq 93 dB(C) en LAmax 95 dB(A) zijn.

7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden.

8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3:3, uiterlijk om 24.00 uur beëindigd.

 

Artikel 3:2 Kennisgeving incidentele festiviteiten

1. a. Het is een inrichting toegestaan op maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17,2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3:3 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders.

b. Voor inrichtingen, geheel of gedeeltelijk gelegen in een strook van 400 meter aan de westzijde van de Amsterdamsestraatweg, geldt – in afwijking van de vorige zin – een maximum van twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar.

2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal drie dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan burgemeester en wethouders.

3. Burgemeester en wethouders stellen een formulier vast voor het doen van de melding.

4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer burgemeester en wethouders op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

6. Bij een incidentele festiviteit mag het equivalent geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, op de gevels van geluidgevoelige gebouwen voor de dagperiode maximaal 20 dB(A), voor de avondperiode maximaal 25 dB(A) en voor de nachtperiode maximaal 30 dB(A) hoger zijn ten opzichte van de geluidvoorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De volgende geluidnormen gelden.

Festiviteit binnen gebouw van een inrichting

Geluidnormen respectievelijk 7.00 uur tot 19.00 uur /19.00 uur tot 23.00 uur / vrijdag & zaterdag tussen 23.00 uur en 1.00 uur / 23.00 uur tot 7.00 uur en vrijdag- & zaterdagnacht na 01.00 uur

LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

70 dB(A) / 70 dB(A) / 70 dB(A) / 60 dB(A)

LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

83 dB(C) / 83 dB(C) / 83 dB(C) / 73 dB(C)

LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

90 dB(A) / 90 dB(A) / 90 dB(A) / 80 dB(A)

LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

55 dB(A) / 55 dB(A) / 55 dB(A) / 45 dB(A)

LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

68 dB(C) / 68 dB(C) / 88 dB(C) / 58 dB(C)

LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

75 dB(A) / 75 dB(A) / 75 dB(A) / 65 dB(A)

 

Festiviteit op het terrein van een inrichting

Geluidnormen respectievelijk 7.00 uur – 19.00 uur / 19.00 uur – 23.00 uur / 23.00 uur – 7.00 uur

LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

70 dB(A) / 70 dB(A) / 40 dB(A)

LCeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

83 dB(C) / 83 dB(C) / 53 dB(C)

LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

90 dB(A) / 90 dB(A) / 60 dB(A)

7. Bij de beoordeling van muziekgeluiden bedoeld in het zesde lid wordt er geen straffactor (10 dB(A)) voor muziekgeluid en geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Stemgeluiden worden conform de milieuregelgeving buiten beschouwing gehouden.

8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in een gebouw blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

9. Met uitzondering van inrichtingen buiten de bebouwde kom mogen in de buitenruimte van de inrichting tijdens incidentele festiviteiten muzikale activiteiten worden gehouden, mits:

• de dichtstbijzijnde woningen ten opzichte van de erfgrens van de inrichting, of de opstelling van de muziekbron op het terrein van de inrichting, op minimaal 50 meter afstand liggen; en

• de incidentele festiviteit plaatsvindt in de dag- en/of avondperiode (tussen 7.00 en 23.00 uur).

 

Artikel 3:3 Onversterkte muziek

1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder lid 2 opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d van het Besluit geluidhinder;

d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

2. Tabel

Geluidnormen conform het Activiteitenbesluit milieubeheer respectievelijk 7.00 uur - 19.00 uur / 19.00 uur – 23.00 uur / 23.00 uur – 7.00 uur

LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

50 dB(A) / 45 dB(A) / 40 dB(A)

LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting op de gevel(s) van geluidgevoelige gebouwen of op 50 meter afstand van de erfgrens van inrichting, indien er geen woning binnen genoemde afstand aanwezig is.

70 dB(A) / 65 dB(A) / 60 dB(A)

LAeq met een middelingstijd van 1 min gemeten in de meterstand Fast, muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

35 dB(A) / 30 dB(A) / 25 dB(A)

LAmax met muziekgeluiden veroorzaakt door de inrichting in in- en aanpandige gevoelige gebouwen.

55 dB(A) / 50 dB(A) / 45 dB(A)

3. Voor de duur van twintig uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen, zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 3:1 en 3:2 van deze verordening.

 

Artikel 3:3a Geluidhinder in de openlucht

1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

3. Burgemeester en wethouders kunnen terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

a. het maximale geluidsniveau;

b. de situering van geluidsbronnen;

c. de frequentie en tijden van gebruik.

5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de provinciale milieuverordening.

 

Artikel 3:3b Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

 

Artikel 3:3c Geluidhinder door vrachtauto’s

1. Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

 

Artikel 3:3d Routering

1. Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 3:3c, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door burgemeester en wethouders aangewezen weg te rijden.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

 

Artikel 3:4 Overige geluidhinder

1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid.

3. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid nadere regels stellen.

4. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de provinciale milieuverordening.

 

Artikel 3:4a Mosquito

1. Onder een mosquito wordt verstaan een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

2. In afwijking van artikel 3:5 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste een maand verlengen.

 

 

HOOFDSTUK IV: BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

 

PARAGRAAF 1: MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST

Artikel 4:1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

1. Het is verboden op door burgemeester en wethouders in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1:1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2. Burgemeester en wethouders kunnen bij de aanwijzing nadere regels stellen.

3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017.

 

PARAGRAAF 2: KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN

Artikel 4:2 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

a. natuur en landschap; of

b. een stadsgezicht.

 

Artikel 4:3 Aanwijzing kampeerplaatsen

1. Artikel 4.2, eerste lid is niet van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen. 

2. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 4.2, vierde lid.

 

PARAGRAAF 3: BESCHERMING VAN FLORA EN FAUNA

Artikel 4:4 Bescherming gemeentegroen

Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken.

 

Artikel 4:5 Beschermde planten; hout sprokkelen en paddenstoelen plukken

1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd:

a. plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur-, landschaps- of dorpsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen, mossen, paddenstoelen of planten te plukken of bij zich te hebben;

b. bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben.

2. Het is verboden op een, door burgemeester en wethouders, krachtens het eerste lid, aangewezen plaats:

a. de daarbij aangeduide bloemen, paddenstoelen, mossen of planten te plukken, bij zich te hebben; dan wel

b. hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben.

3. Het in dit artikel bepaalde geldt niet:

a. ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel van elders afkomstige bloemen, paddenstoelen, mossen, planten, of hout;

b. indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden;

c. voor zover de Wet natuurbescherming van toepassing is.

4. Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts niet ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap.

5. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

 

 

HOOFDSTUK V: STANDPLAATSEN

Artikel 5:1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats in te nemen of te hebben.

2. Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als:

a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

4. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de dagen, aantallen en locaties van de standplaatsen.

5. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.

6. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

 

Artikel 5:2 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats wordt of is ingenomen.

 

 

HOOFDSTUK VI: OPENBAAR WATER EN WATERSTAATSWERKEN

Artikel 6:1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan burgemeester en wethouders.

3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.

5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale vaarwegenverordening, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of hoofdstuk 7 van deze verordening.

 

Artikel 6:2 Ligplaats vaartuigen

1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van openbaar water.

2. Burgemeester en wethouders kunnen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;

b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening of de provinciale verordening bescherming natuur en landschap.

4. Burgemeester en wethouders kunnen aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.

5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door burgemeester en wethouders gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

 

 

HOOFDSTUK VII: ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUREN

 

PARAGRAAF 1: INLEIDENDE BEPALING

Artikel 7:1 Toepasselijkheid

1. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op werkzaamheden door of namens de netbeheerder in of op openbare gronden binnen de gemeente Baarn.

2. Het bepaalde in dit hoofdstuk geldt niet indien en voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet.

 

Artikel 7:2 Nadere regels

1. Burgemeester en wethouders kunnen ter uitvoering van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

2. Deze nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op:

a. openbare orde en veiligheid;

b. het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden;

c. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen;

d. ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden;

e. de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die dienen te worden verstrekt.

 

PARAGRAAF 2: AANVRAGEN EN MELDEN VAN WERKZAAMHEDEN

Artikel 7:3 Aanvragen en melden

1. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:4, bij burgemeester en wethouders te worden aangevraagd. De aanvraag tot instemming van voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk geldt als melding als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdeel a van de Telecommunicatiewet.

2. In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met burgemeester en wethouders teneinde de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden.

3. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente en/of als er tevens een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager burgemeester en wethouders hiervan op de hoogte.

4. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen drie (3) werkdagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij burgemeester en wethouders.

5. Spoedeisende werkzaamheden dienen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden bij de burgemeester van de gemeente Baarn of bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen één werkdag na de start van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan bij burgemeester en wethouders.

 

Artikel 7:4 Instemmingsvereiste

1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders genomen instemmingsbesluit.

2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een melding vooraf aan burgemeester en wethouders. De gemeenteraad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is.

3.De werkzaamheden dienen binnen één jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden te zijn voltooid.

4. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente.

5. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden is bij extreme weersomstandigheden en/of evenementen burgemeester en wethouders bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van extreme weersomstandigheden is een bevoegdheid van burgemeester en wethouders. De termijn zoals bedoeld in het derde lid wordt automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk één dag voor beëindiging van het breekverbod, zal burgemeester en wethouders de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren.

 

Artikel 7:5 Gegevensverstrekking

1. Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door burgemeester en wethouders vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem.

2. Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, dienen in ieder geval de volgende gegevens te worden verstrekt:

a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder;

b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;

c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen;

d. de vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen;

e. een digitale GBKN tekening (PDF-formaat) met legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven:

1. een opgave van het gewenste tracé;

2. een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen;

f. overtuigende gegevens en inzicht van een ter zake deskundige omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden binnen de beschikbare ruimte, waaruit ook blijkt dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd;

g. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking;

h. de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden;

i. een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen;

3. Voor een melding, als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, dient gebruik te worden gemaakt van de daartoe door burgemeester en wethouders vastgestelde (digitale) formulieren of registratiesysteem. De volgende gegevens dienen daarbij in ieder geval te worden verstrekt:

a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder;

b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegeven van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar;

c. de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets;

d. de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken;

e. de daadwerkelijke startdatum van de werkzaamheden.

 

Artikel 7:6 Voorschriften bij instemmingsbesluit

1. Burgemeester en wethouders kunnen in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid;

c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving;

d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen;

e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten zoals archeologische vondsten.

2. De voorschriften, genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op:

a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden;

b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente Baarn tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld;

c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken.

3. De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden dienen schriftelijk te worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden.

4. Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij burgemeester en wethouders vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen.

 

Artikel 7:7 (Mede)gebruik van voorzieningen

1. Op verzoek van burgemeester en wethouders wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van burgemeester en wethouders aangelegde, voorzieningen indien dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid.

2. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 7:3, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

 

PARAGRAAF 3: OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 7:8 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie

1. Het bepaalde in dit artikel geldt niet indien en voor zover hierin reeds is voorzien in (privaatrechtelijke) schriftelijke afspraken tussen partijen.

2. De netbeheerder is verplicht op aanwijzing van burgemeester en wethouders over te gaan tot het nemen van maatregelen met betrekking tot zijn netwerk, zoals het verplaatsen van kabels en/of leidingen.

3. Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het tweede lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling.

4. Burgemeester en wethouders en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, elkaars schade zoveel mogelijk beperken.

 

Artikel 7:9 Overleg

1. Burgemeester en wethouders organiseren periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente Baarn bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd.

2. In dit overleg worden de plannen van de gemeente Baarn en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en eventueel afgestemd in het kader van de bepalingen van dit hoofdstuk.

 

Artikel 7:10 Niet-openbare kabels en/of leidingen

1. Bij werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen is het bepaalde in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

2. Het eerste lid van dit artikel in dit hoofdstuk houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Baarn met betrekking tot niet-openbare kabels en/of leidingen.

 

Artikel 7:11 Informatieplicht

1. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding dan wel dat een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen.

2. De netbeheerder stelt burgemeester en wethouders in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

 

Artikel 7:12 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid op grond van afweging van de te behartigen belangen en met in acht name van de redelijkheid en billijkheid in incidentele en te motiveren gevallen af te wijken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

 

Artikel 7:13 Termijnen

1. Een beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag.

2. Indien een beschikking niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden gegeven, deelt burgemeester en wethouders dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

 

 

HOOFDSTUK VIII: BOMEN

Artikel 8:1 Kapverbod

1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, houtopstanden te vellen of doen vellen.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

a. een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het bevoegd gezag;

b. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

c. het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan een houtopstand.

3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden als bedoeld in artikel 15 Boswet, namelijk:

a. wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

c. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bedoeld om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bedoelde terreinen;

d. kweekgoed;

e. een houtopstand niet staande in een erf of tuin en gelegen buiten de bebouwde kom, mits deze houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:

- ofwel een grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;

- ofwel bestaat uit rijbeplanting van meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

a. schubconiferen behorend tot de soort:

- Chamaecyparis (schijncypres);

- xCupressocyparis (leylandcypres);

- Platycladus (Japanse levensboom);

- Thuja (levensboom);

- Thujopsis (Hiba cypres).

5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden die staan op percelen kleiner dan 350 m2, mits het perceel niet is gelegen in een beschermd dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35 Monumentenwet 1988.

6. Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bekend gemaakt.

 

Artikel 8:2 Criteria omgevingsvergunning

1. Het bevoegd gezag kan schriftelijk de omgevingsvergunning om te vellen als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, weigeren, verlenen of onder voorschriften of beperkingen verlenen.

2. De omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 8:1 eerste lid, kan worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand.

3. Burgemeester en wethouders stellen beleid vast voor vaststelling van de in het tweede lid genoemde waarden en voor de beoordeling van een aanvraag als in artikel 8:3.

 

Artikel 8:3 Aanvraag

1. De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

2. Het bevoegd gezag kan bepalen dat een compensatieplan en een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project worden overgelegd.

3. In geval van een bouwwerk of technische ingrepen in het terrein binnen de invloedssfeer van de houtopstand kan het bevoegd gezag bepalen dat een Bomeneffect-analyse van alle houtopstand die staat binnen de invloedssfeer van de te vellen houtopstand wordt overgelegd.

 

Artikel 8:4 Intrekking of wijziging

De ontheffing, vergunning of de omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:

a. indien ter verkrijging onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is verleend, is vereist;

c. indien de aan de ontheffing, of vergunning verbonden voorschriften enbeperkingen niet worden nagekomen;

d.indien de houder dit verzoekt.

 

Artikel 8:5 Beperking geldigheidsduur

1. De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in dit hoofdstuk vervalt, indien daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.

2. In het geval het een omgevingsvergunning voor het vellen van meer dan één houtopstand betreft, is de omgevingsvergunning voor alle te vellen houtopstanden slechts drie jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één of meerdere houtopstanden al geveld zijn.

 

Artikel 8:6 Bijzondere voorschriften

1. Aan de omgevingsvergunning kan het voorschrift worden verbonden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

2. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

3. Indien waarden genoemd in artikel 8:2, tweede lid van toepassing zijn, kan aan de omgevingsvergunning tot vellen het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de beschermde houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere ontheffingen, vergunningen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

4. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het Bomenfonds.

5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand.

6. Burgemeester en wethouders stellen beleid vast, voor vaststelling van de in het vierde lid genoemde verplichting.

7. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

 

Artikel 8:7 Herplant-/instandhoudingsplicht bij illegale velling

1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

3. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan de verplichting worden opgelegd dat een geldelijke bijdrage dient te worden gestort, in het Bomenfonds.

4. De verplichting als bedoeld in het derde lid, betreft een geldelijke bijdrage van € 350,00 per gevelde houtopstand.

5. Burgemeester en wethouders stellen beleid vast, voor oplegging van de in het derde lid genoemde verplichting.

6. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

a. overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

b. een bomeneffect-analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag.

7. Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het vierde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

 

Artikel 8:8 Schadevergoeding

Burgemeester en wethouders beslissen op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een omgevingsvergunning tot vellen op grond van artikel 17 van de Boswet.

 

Artikel 8:9 Afstand tot de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en nihil voor heggen en heesters, voorzover het bomen heesters en heggen betreffen die eigendom zijn van de gemeente.

 

Artikel 8:10 Bestrijding van boomziekten

1. Indien zich op een terrein één of meer houtachtigen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

a. de houtachtige te vellen;

b. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtachtige direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

2. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders gevelde houtachtige of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

3. Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

 

Artikel 8:11 Bescherming publieke houtachtigen

1. Het is verboden om houtachtigen, die eigendom van de gemeente Baarn zijn te beschadigen, te bekladden of te beplakken of daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren of anderen ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.

2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een houtachtige als in het eerste lid aan te brengen of anderszins te bevestigen.

3. Burgemeester en wethouders kunnen van het verbod van het tweede lid, ontheffing verlenen.

 

 

HOOFDSTUK IX: BODEM

Artikel 9:1 Bodemonderzoek

1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:

a. de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993);

b. de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.

c. indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.

2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken.

3. Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf 1.2.5 onder e van de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 9:2 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

 

Artikel 9:2 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem

“Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:

a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;

b. voor het bouwen waarvan een reguliere omgevingsvergunning is vereist; en

c. 1. dat de grond raakt, of

2. waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd”.

 

Artikel 9:3 Voorwaarden omgevingsvergunning

In afwijking van het bepaalde in artikel 9:2 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.

 

Artikel 9:4 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

 

 

HOOFDSTUK X: ERFGOED

 

PARAGRAAF 1: ERFGOEDREGISTER

Artikel 10:1 Gemeentelijk erfgoedregister

1. Burgemeester en wethouders houden een door eenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens de bepalingen in dit hoofdstuk onherroepelijk aangewezen cultureel erfgoed (verder: het gemeentelijk erfgoedregister).

2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed.

 

PARAGRAAF 2: AANWIJZING VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE CULTUURGOEDEREN EN VERZAMELINGEN

Artikel 10:2 Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling

1. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed.

2. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als beschermde gemeentelijk verzameling.

3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.

4. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoed of een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.

5. Dit artikel is niet van toepassing op:

a. beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en

b. cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

 

Artikel 10:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

1. Burgemeester en wethouders kunnen een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:2, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 10:2, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan.

2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:

a. beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of

b. beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

PARAGRAAF 3: AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENT

Artikel 10:4 Aanwijzing als gemeentelijk monument

1. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

2. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt de bescherming zich tot dat specifieke deel. In het aanwijzingsbesluit dient dit tot uitdrukking te komen.

3. Dit artikel is niet van toepassing op:

a. rijksmonumenten, en

b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

 

Artikel 10:5 Voornemen tot aanwijzing

1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 10.4 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voeren burgemeester en wethouders overleg over het voornemen met de eigenaar.

 

Artikel 10:6 Voorbescherming

1. De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 10.5 is bekendgemaakt.

2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd.

 

Artikel 10:7 Advies gemeentelijke adviescommissie

1. Burgemeester en wethouders vragen over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 10:4 advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur.

2. De voorzitter en de leden van de adviescommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.

3. De burgerleden en hun plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.

4. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

5. De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen vier weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

 

Artikel 10:8 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

 

Artikel 10:9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

2. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 10:10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

1. Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

PARAGRAAF 4: BESCHERMING GEMEENTELIJK MONUMENT

Artikel 10:11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

 

Artikel 10:12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders een gemeentelijk monument:

a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of

b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of

b. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.

 

Artikel 10:13 Intrekken van de omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid, kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken:

a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;

b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.

 

Artikel 10:14 Weigeringsgronden

1. De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

 

PARAGRAAF 5: RIJKSMONUMENTEN

Artikel 10:15 Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 10:7, eerste lid. Artikel 10:7, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

 

PARAGRAAF 6: GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN

Artikel 10:16 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht

1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.

2. Burgemeester en wethouders zenden het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 10:7, eerste lid. Artikel 10:7, vierde en vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.

4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening kan worden vastgesteld.

7. Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.

8. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

 

Artikel 10.17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht

1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 10:16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 10:16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan.

2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, wordt aangewezen als:

a. beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of

b. beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

 

Artikel 10:18 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning

1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, een bouwwerk te slopen.

2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

3. De artikelen 10:13 en 10:14 zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.

 

PARAGRAAF 7: VANGNET ARCHEOLOGIE

Artikel 10:19 Vangnet archeologie

1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij:

a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wabo is verleend;

b. het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;

c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of

d. met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

 

 

HOOFDSTUK XI: MARKT

Artikel 11:1 Inrichting van de markt; branche-indeling

1. Burgemeester en wethouders bepalen ten aanzien van de markt:

a. het aantal standplaatsen;

b. de afmetingen van de standplaatsen;

c. de opstelling en indeling van de markt;

d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats.

2. Burgemeester en wethouders kunnen voor de markt vaststellen:

a. een lijst met artikelengroepen of branches;

b. een maximumaantal standplaatsen per branche.

 

Artikel 11:2 Nadere regels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in dit hoofdstuk.

 

Artikel 11:3 Standplaatsvergunning

Het is verboden een standplaats op de markt in te nemen zonder vergunning van Burgemeester en wethouders.

 

Artikel 11:4 Vereisten

Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij burgemeester en wethouders.

 

Artikel 11:5 Intrekking vaste standplaatsvergunning

1. Burgemeester en wethouders trekken een vaste standplaatsvergunning in:

a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;

b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het Marktreglement Baarn 2011 de vergunning wordt overgeschreven.

2. Burgemeester en wethouders kunnen een vaste standplaatsvergunning intrekken:

a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 11:5 genoemde vereisten.

3. Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het Marktreglement Baarn 2011 is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.

 

Artikel 11:6 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 11:5 kunnen burgemeester en wethouders een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:

a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of

c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

 

Artikel 11:7 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze:

a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;

b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats;

d. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

 

Artikel 11:8 Onmiddellijke verwijdering

Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kunnen burgemeester en wethouders een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij:

a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt;

b. zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;

c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats.

 

 

HOOFDSTUK XII: AFVOER HEMELWATER EN GRONDWATER

Artikel 12:1 Verbod op aankoppelen in geval van nieuwbouw

1. Het is verboden om bij nieuwbouw in een gebied, aangewezen door middel van een besluit van burgemeester en wethouders en vastgelegd in een gebiedsaanwijzing, op een openbaar vuilwaterriool hemelwater aan te koppelen of grondwater aan te koppelen dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen.

2. De gebiedsaanwijzing treedt in werking een dag na de bekendmaking ervan.

3. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater en grondwater kan worden gevergd, omdat het tot onredelijke hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Een ontheffing wordt aangevraagd middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

4. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

 

Artikel 12:2 Plicht tot afkoppelen in geval van bestaande bouw

1. Het is verboden om bij bestaande bouw in een gebied, aangewezen door middel van een besluit van burgemeester en wethouders en vastgelegd in een gebiedsaanwijzing, in een openbaar vuilwaterriool hemelwater te lozen of grondwater te lozen dat vrijkomt bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen.

2. Burgemeester en wethouders kunnen de wijze bepalen waarop het afkoppelen moet plaatsvinden. Dit kan:

a. op initiatief van de gemeente, waarbij het hemelwater van het openbaar vuilwaterriool wordt afgekoppeld op het terrein van de eigenaar op kosten van de gemeente.

b. op initiatief van de gemeente, waarbij de eigenaar van het terrein zelf op eigen kosten het hemelwater van het openbaar vuilwaterriool afkoppelt.

3. De gebiedsaanwijzing treedt in werking een dag na de bekendmaking ervan. Binnen twaalf maanden na de inwerkingtreding van het besluit dient de afkoppeling te zijn gerealiseerd. Burgemeester en wethouders kunnen deze termijn met ten hoogte twaalf maanden verlengen.

4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot afkoppelen als bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater en grondwater kan worden gevergd, omdat het tot onredelijke hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Een ontheffing wordt aangevraagd middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.

5.Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

 

 

HOOFDSTUK XIII: SLOTBEPALINGEN

Artikel 13:1 Strafbepaling

1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:1, vijfde juncto eerste lid, 2:2, tweede lid, en 2:3, eerste lid. 3. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 8:10, tweede lid en artikel 8:11 eerste en tweede lid gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 4. In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van artikel 12:1 en 12.2 gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

5. Dit artikel is niet van toepassing op de hoofdstukken VII en IX.

 

Artikel 13:2 Toezicht en handhaving

1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering.

2. Het college van burgemeester en wethouders dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk VII de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen. 4. Indien burgemeester en wethouders vaststellen dat de verplichtingen van hoofdstuk VII niet zijn nagekomen, kunnen burgemeester en wethouders besluiten handhavend op te treden danwel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. 5. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid en haar overige wettelijke bevoegdheden is het college bevoegd het instemmingsbesluit in te trekken, danwel de werkzaamheden stil te leggen indien er wordt gewerkt: a. zonder instemmingsbesluit of zonder melding; b. in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit; c. in afwijking van de nadere regels; d. in strijd met het geldende breekverbod.

6. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk X zijn de door burgemeester en wethouders aan te wijzen personen belast. 7. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk XI is de marktmeester belast. 8. Dit artikel is niet van toepassing op hoofdstuk IX.

 

Artikel 13:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens de hoofdstukken II, III, IV, V en VI gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

 

Artikel 13:4 Inwerkingtreding en intrekking

1. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

2. De volgende (delen van) verordeningen en delen uit de APV (vastgesteld in de openbare vergadering van 19 februari 2020) worden ingetrokken:

a. Hoofdstuk 2, afdeling 2 met uitzondering van artikel 2:14 van APV Baarn;

b. Hoofdstuk 4, afdeling 1 APV Baarn;

c. Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6 van APV Baarn met uitzondering van artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21;

d. Hoofdstuk 5, afdeling 4 van APV Baarn;

e. Hoofdstuk 5, afdeling 6 van APV Baarn;

f. Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2015 gemeente Baarn;

h. Bomenverordening gemeente Baarn 2016;

i. Bouwverordening Baarn 2012, artikel 9.1, 2.4.1, 2.4.2 en 10.6;

j. Erfgoedverordening 2010 gemeente Baarn;

k. Marktverordening gemeente Baarn 2011;

l. Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Baarn.

 

Artikel 13:5 Overgangsbepaling

1. Besluiten, genomen krachtens de verordening, genoemd in artikel 13:4, tweede lid, die golden op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

2. De intrekking bedoeld in artikel 13:4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordeningen genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop die nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. 3. Hoofdstuk VII is van toepassing op de kabels en leidingen die aanwezig zijn op het moment dat deze verordening in werking treedt, ongeacht op welke grondslag deze zijn aangelegd. 4. Op aanvragen en meldingen waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen.

 

Artikel 13:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Baarn

 

TOELICHTING

 

Hoofdstuk 1: Algemene toelichting

1:1 Inleiding

Op 1 januari 2022 wordt de Omgevingswet ingevoerd. In het kader van de invoering van deze wet zijn regels uit verordeningen, die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, gebundeld in de Verordening fysieke leefomgeving. Door het bundelen van regels in een nieuwe verordening en deze vast te stellen, zal het na 1 januari 2022 eenvoudiger zijn om regels uit verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in te voeren in het Omgevingsplan van Baarn. Onder de fysieke leefomgeving wordt verstaan: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed.

De gemeente Baarn gaat de invoering van de Omgevingswet – in navolging van de meeste gemeenten – vormgeven langs vier (samenhangende) sporen:

1. Organisatievisie en participatie;

2. kerninstrumenten;

3. veranderopgave;

4. informatievoorziening en processen.

Het spoor kerninstrumenten, heeft betrekking op de zes instrumenten uit de Omgevingswet, waarmee de gemeente de fysieke leefomgeving kan benutten en beschermen. Een van die instrumenten is het omgevingsplan.

Het omgevingsplan bevat straks alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied, zo ook de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving die nu verspreid staan in diverse verordeningen. Gemeenten hebben tot 2029 de tijd om verordeningen om te zetten in een omgevingsplan.

 

1:2 Doel en aanpak inventarisatie verordeningen

De Verordening fysieke leefomgeving is een belangrijke bouwsteen voor het omgevingsplan. Als de Omgevingswet in 2022 in werking treedt heeft de gemeente Baarn alvast een goede voorbereiding voor het maken van een omgevingsplan.

Bij de voorbereiding op de Verordening fysieke leefomgeving heeft de gemeente Baarn gezocht naar onderwerpen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Hieruit is vervolgens een driedeling ontstaan:

 

  • -

    Onderwerpen over de fysieke leefomgeving die plaatsgebonden activiteiten betreffen, moeten worden opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld onderwerpen zoals welstand, bouwverordening, Erfgoedverordening, Bomenverordening en nog een aantal onderdelen uit de APV.

  • -

    Regels over onderwerpen die de (fysieke) leefomgeving betreffen, maar ook een ander motief kennen, kunnen worden opgenomen, maar dat is niet verplicht en waar dit inbreuk zou maken op de taken en bevoegdheden van de burgemeester zelfs niet toegestaan. Andere regels over de (fysieke) leefomgeving die geen plaatsgebonden karakter hebben of regels met een persoonsgebonden of (persoonlijk) gedragsgerelateerd karakter worden evenmin verplicht opgenomen. Voorbeeld is een hondenuitlaatplek: de plek is een onderwerp dat de fysieke leefomgeving betreft en zou opgenomen kunnen worden maar het opruimen van het achtergebleven rommel en het aanlijnen van de honden zijn gedragsregels en zijn niet gericht op de fysieke leegomgeving.

  • -

    verordeningen die niet mogen worden opgenomen: Dit zijn regels waar de beoogde fysieke leefomgeving niet het motief is. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van openbare orde (burgemeestersbevoegdheid), feitelijke handelingen, persoonsgebonden regels, gedragsregels en legesbepalingen.

De gemeente Baarn heeft uit de driedeling gekozen om de minimale omzetting te hanteren. Dit betekent dat de onderwerpen die moeten worden meegenomen daadwerkelijk zijn meegenomen.

Uiteindelijk is de gemeente Baarn tot het volgende resultaat gekomen. De volgende onderdelen zullen terechtkomen in de Verordening fysieke leefomgeving:

  • -

    Vijf onderdelen uit de APV, te weten:

    • 1.

      bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen;

    • 2.

      geluidhinder;

    • 3.

      bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

    • 4.

      standplaatsen; en

    • 5.

      openbaar water en waterstaatswerken.

  • -

    Verordening ondergrondse infrastructuren 2015 gemeente Baarn;

  • -

    Bomenverordening gemeente Baarn 2016;

  • -

    Onderdeel bodem uit de Bouwverordening Baarn 2012;

  • -

    Erfgoedverordening;

  • -

    Marktverordening gemeente Baarn 2011.;

  • -

    Verordening afvoer hemelwater en grondwater gemeente Baarn.

     

1:3 Opzet Verordening fysieke leefomgeving Baarn

De Verordening fysieke leefomgeving Baarn is ingedeeld in 13 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat inleidende bepalingen. Hoofdstuk 2 tot en met 12 bevatten regelingen voor diverse onderwerpen, die eerder in de toelichting zijn genoemd. Hoofdstuk 13 is een slotbepaling met onder andere procedureregels als straf-, overgangs- en slotregels. Hierbij is rekening gehouden met uitzonderingen uit de geïntegreerde regels.

 

Hoofdstuk 2: Toelichting per artikel

Hoofdstuk I: algemene bepalingen

Algemeen

De gebruikte begrippen zijn ongewijzigd geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. De dubbele of overlappende begripsbepalingen waren beperkt.

Begripsbepalingen behorende tot de ondergrondse infrastructuren (hoofdstuk VII)

Aansluiting

Aansluitingen worden door de relatief beperkte omvang van de werkzaamheden uitgezonderd van een aantal algemene regels van hoofdstuk 7 van deze verordening. Daarvoor is een lichter formeel regime van toepassing waarvoor nadere kaders zijn gesteld. Een fysiek punt zoals bedoeld in de definitie is bijvoorbeeld een netwerkaansluitpunt, gasmeter, watermeter of ISRA-punt. Dit betekent dat onder andere huisaansluitingen, zoals bedoeld in de WIBON, aansluitingen voor bedrijfspanden of windmolens ook onder deze definitie vallen.

Breekverbod

In dit hoofdstuk zijn bepalingen over het breekverbod opgenomen die burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft een verbod op te leggen tot uitvoering van werkzaamheden bij extreme weersomstandigheden (bijvoorbeeld wateroverlast, zware sneeuwval of ijzel, strenge vorst) of tijdens evenementen. Dat wil zeggen dat er niet in de grond gegraven mag worden zolang het breekverbod geldt. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek Kabels & Leidingen.

Gedoogplichtige

De gemeentelijke betrokkenheid is vooral gericht op haar rol als beheerder van de openbare gronden. In deze hoedanigheid is de gemeente in het kader van de Telecommunicatiewet gedoogplichtige als het gaat om openbare elektronische communicatienetwerken. Het begrip gedoogplichtige ziet in deze verordening ook op de gemeente indien zij gedoogplichtig is krachtens de Belemmeringenwet Privaatrecht dan wel anderszins leidingen (impliciet) moet gedogen. Te denken valt aan privaatrechtelijk afspraken tussen gemeente en een kabel- en/of leidingeigenaar of indien voor deze een aansluitplicht geldt. Gedoogplichtigen moeten de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen toestaan in en op hun gronden. Onder instandhouding van de kabels en/of leidingen wordt verstaan het hebben, houden en onderhouden van de kabels en/of leidingen. Het gaat daarbij dus niet alleen om het verrichten van onderhouds- en exploitatiewerkzaamheden. Ook het enkel hebben en houden van de kabels en/of leidingen, zonder dat daaraan werkzaamheden worden verricht, geldt als instandhouding.

Instemmingsbesluit

Werkzaamheden als bedoeld in hoofdstuk 7 van deze verordening moeten vooraf (digitaal) gemeld worden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:

· reguliere werkzaamheden;

· werkzaamheden van niet ingrijpende aard;

· spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing.

Voor de reguliere werkzaamheden geldt dat pas gestart mag worden met die werkzaamheden als op basis van een aanvraag een instemmingsbesluit is verleend. De gemeente hanteert in het algemeen een doorlooptijd van acht weken voor het geven van een besluit op aanvragen voor reguliere werkzaamheden.

Voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit noodzakelijk maar kan worden volstaan met een (digitale) melding vooraf. Na melding kan in het algemeen binnen een termijn van enkele werkdagen met de werkzaamheden gestart worden.

Voor spoedeisende werkzaamheden kan het zijn dat schriftelijk of digitaal melden vooraf onmogelijk is. Alleen in dit uitzonderingsgeval is het toegestaan het werk achteraf te melden. In de praktijk dient altijd in ieder geval telefonisch vooraf gemeld te worden. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden omvangrijk zijn geweest of bijvoorbeeld een waterweg hebben gekruist, dient alsnog een instemmingsbesluit te worden aangevraagd volgens de gebruikelijke procedure. Zo kan de gemeente alsnog de aan haar verstrekte relevante informatie verwerken.

Kabels en/of leidingen

Kabels en/of leidingen zijn onderdeel van een openbaar netwerk, daaronder ook begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations, distributie- en/of mutatiepunten. Voorbeelden van kabels en leidingen zijn telecommunicatie- en omroepkabels, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels), gasleidingen, waterleidingen en leidingen ten behoeve van stadsverwarming (transport-, distributie- en dienstleidingen) en kabels en leidingen voor industriële netwerken. Voorbeelden van distributie- of mutatiepunten zijn handholes, afsluiters, brandkranen, lassen, enzovoort. Het begrip kabels en/of leidingen omvat ook lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken (zoals mantelbuizen, kabelgoten, duikers) en beschermingswerken. Het gaat om kabels en/of leidingen die onderdeel uitmaken van openbare netwerken, dus niet om verbindingen die liggen binnen de installatie c.q. het domein van een (eind)gebruiker (producent of een afnemer), of uit gebruik genomen kabels en/of leidingen.

Marktconforme kosten

De gemeente streeft ernaar om het medegebruik van bestaande voorzieningen (van de gemeente zelf of van andere betrokken partijen) te stimuleren. Partijen kunnen worden verplicht daarvan gebruik te maken, met dien verstande dat de te betalen vergoeding marktconform dient te zijn. Hierbij is aansluiting gezocht bij de definitie zoals die in de Telecommunicatiewet wordt gebruikt.

Netwerk

De omschrijving maakt met name duidelijk dat het gaat om het geheel van kabels of leidingen die bestemd zijn voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, bijvoorbeeld de distributie- en transportnetten voor energie (gas, water, elektriciteit) en de elektronische communicatienetwerken (zoals geregeld in en krachtens de Telecommunicatiewet, artikel 1.1. onderdelen e en h).

Netbeheerder

Netbeheerders zijn de beheerders van (niet-)openbare netwerken bestemd voor het transport van water, energie en informatie. Dat zijn dus ook de aanbieders van (niet-) openbare elektronische communicatienetwerken. Vaak zal de netbeheerder in het geval van voorgenomen werkzaamheden de rol van opdrachtgever op zich nemen. Onder een netbeheerder wordt tevens verstaan degene die in eigen naam en voor eigen rekening kabels en/of leidingen ten dienste van een dergelijk netwerk aanlegt, in stand houdt en opruimt, ook indien hij niet zelf dit netwerk of de diensten via dit netwerk dan wel de bijbehorende faciliteiten aanbiedt.

Openbare gronden

Hiertoe worden, conform het in de begripsbepalingen genoemde wetsartikel, gerekend de openbare wegen inclusief trottoirs/voetpaden, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, duikers, tunnels, beschoeiingen en andere werken, evenals wateren inclusief bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn (ook wel openbare ruimte genoemd).

Spoedeisende werkzaamheden

Hiervoor geldt een lichter procedureel regime. De netbeheerder moet duidelijk maken dat dit werk redelijkerwijs geen uitstel kan dulden op grond van de aangegeven belangen.

Werkzaamheden

(Graaf)werkzaamheden in de openbare grond, inclusief het opbreken en herstel van de sleufverharding en sleufloze technieken in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen. Onder instandhouding in de zin van hoofdstuk 7 van deze verordening wordt mede begrepen het nemen van maatregelen, waaronder verplaatsen van de kabels en/of leidingen zoals bedoeld in artikel 7:8 van hoofdstuk 7 van deze verordening en in de Telecommunicatiewet. Onder sleufloze technieken wordt verstaan het maken van een holle ruimte in de grond, met behulp van een (gestuurde) boring of persing, zonder daarbij de omringende grondslag te verwijderen. De regels van hoofdstuk 7 van deze verordening hebben betrekking op mechanische werkzaamheden en handmatige werkzaamheden. Deze laatste zijn vooral van toepassing op werken nabij bomen en andere groenvoorzieningen en bij spoedeisende werkzaamheden of niet ingrijpende werkzaamheden. Hoofdstuk 7 van deze verordening ziet voorts op werkzaamheden in verband met het bevorderen van medegebruik van voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten of geleidingen.

Werkzaamheden van niet ingrijpende aard

Het onderscheid tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard vloeit voort uit artikel 5.4, vijfde lid, van de Telecommunicatiewet. De definitie geeft op hoofdlijnen aan voor welke situaties deze lichtere procedure van toepassing kan zijn. Vaak gaat het om werkzaamheden aan reeds bestaande kabels en/of leidingen en betreft het een beperkte lengte of oppervlakte die niet of nauwelijks het normale gebruik van de openbare gronden beperkt. Daarbij wordt ook mede in de beoordeling betrokken of er rijbanen en andere verhardingen, wateren of groenvoorzieningen gekruist worden of dat boringen noodzakelijk zijn.

Naast aansluitingen tot een bepaalde lengte worden andere niet ingrijpende werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen. Te denken valt aan werkzaamheden die slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht en waarvan de impact relatief beperkt en kortstondig is. Voor deze niet ingrijpende werkzaamheden geldt een verkorte procedure.

Onder deze werkzaamheden vallen ook:

· het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen, zoals buizen ten behoeve van glasvezelkabels (bijvoorbeeld HDPE-buizen) en mantelbuizen;

· het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m².

Een opbreking kan zijn het maken van een montagegat c.q. lasgat ten behoeve van de toegang tot een distributie- of mutatiepunt, het plaatsen van afsluiters, het opgraven van een kabelrol ten behoeve van aansluitingen, het herstellen van kabel- c.q. leidingstoringen of voor inspectiedoeleinden. Het maken van twee montagegaten c.q. lasgaten tegelijk kan onder andere aan de orde zijn bij het inblazen van glasvezelkabels in bestaande HDPE-buizen.

Begripsbepalingen die behoren bij erfgoed (hoofdstuk X)

De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1:1 van deze verordening bevat daarom uitsluitend de begrippen “gemeentelijk monument” en “stads- en dorpsgezichten” waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven.

De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn:

- archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;

- archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument;

- beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat:

a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid, van de Erfgoedwet;

b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de Erfgoedwet; of

c. in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Erfgoedwet, zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt;

- beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid, van de Erfgoedwet;

- cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden;

- cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;

- kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging;

- monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed;

- normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van monumentale waarde;

- rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister;

- rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3, van de Erfgoedwet;

- verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen.

 

Hoofdstuk II: bruikbaarheid en aanzien van de weg

Hoofdstuk 2, afdeling 2 ´bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen´, artikel 2:10, 2:11, 2:12, 2:15, 2:16, 2:17, 2:18, 2:21, 2:22 en 2:23 uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting.

 

Hoofdstuk III: Geluidhinder

Hoofdstuk 4, afdeling 1, ‘voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting’ uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting.

 

Hoofdstuk IV: Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Hoofdstuk 4, afdeling 4, 5 en 6, artikel 4:13, 4:18, 4:19, 4:20 en 4:21 uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting.

 

Hoofdstuk V: standplaatsen

Hoofdstuk 5, afdeling 4 ‘Standplaatsen’ uit de APV Baarn is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Het toepassingsbereik van de regels voor standplaatsen blijft ongewijzigd ten opzichte van de geldende regelgeving. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting.

 

Hoofdstuk VI: Openbaar water en waterstaatswerken

Hoofdstuk 5, afdeling 6 ‘openbaar water en waterstaatswerken,’ artikel 5:24 en 5:25 zijn geheel geïntegreerd uit de APV Baarn. Het toepassingsbereik van de regels voor openbaar water en waterstaatswerken blijft ongewijzigd ten opzichte van de geldende regelgeving. Zij behoeven daarom geen verdere toelichting.

 

Hoofdstuk VII: ondergrondse infrastructuren

Algemeen

De Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI) is in zijn geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. Het doel van deze toelichting is om informatie, aanvulling en nadere uitleg te verstrekken met betrekking tot hoofdstuk 7 van deze verordening, zowel voor gebruik binnen de gemeente als voor de netbeheerders. De actuele versie van de toelichting is steeds bepalend.

Hoofdstuk 7 van deze verordening heeft als doel de regie en coördinatie uniform te regelen met betrekking tot werkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels en/of leidingen in openbare gronden binnen de gemeentegrenzen. Hoofdstuk 7 van deze verordening reguleert de werkzaamheden in de openbare ruimte, waarbij onder andere de (weg)verharding, maar ook bermen en andere groenvoorzieningen worden opgebroken. Hoofdstuk 7 van deze verordening is ook gericht op minimalisatie van overlast en maatschappelijke kosten ten gevolge van werkzaamheden in de openbare ruimte: proactieve regie, meer grip en sturing op werkzaamheden, het waarborgen van bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie tijdens werkzaamheden; uniforme regels en sanctiemogelijkheden en een efficiënt gebruik van de openbare ruimte.

Volgens hoofdstuk 7 van deze verordening wordt iedere aanvraag van elke netbeheerder eenduidig behandeld. Het verschil in wettelijke grondslag voor de diverse kabel- en leidingeigenaren (Telecommunicatiewet e.a.) is geen reden om de aanvragen verschillend te behandelen. Immers, in de praktijk gaat het om dezelfde werkzaamheden. Belangrijk uitgangspunt is dat werkzaamheden alleen in en op de openbare ondergrond mogen worden uitgevoerd na voorafgaande instemming van de gemeente. Voor de aanvraag van een instemmingsbesluit zijn aan de gemeente leges verschuldigd, aangezien de instemming als een dienst van de gemeente aan de netbeheerder is te beschouwen. Voor meldingen in het kader van in en uit gebruik nemen van kabels, niet ingrijpende en spoedeisende werkzaamheden kunnen eveneens leges worden geheven. Aangezien in deze gevallen in de praktijk ook een dienst door de gemeente wordt geleverd, maar een lichtere procedure geldt, zal dit invloed hebben op de hoogte van de legestarieven. Dit leidt op dit punt tot minder leges voor de netbeheerder.

Via nadere regels of beleidsregels (bijvoorbeeld een Handboek Kabels & Leidingen, regeling voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten en een Nadeelcompensatieregeling) kunnen aanvullende voorwaarden, eisen en regels voor de werkzaamheden van de netbeheerder door burgemeester en wethouders worden vastgesteld.

 

Kaders voor de gemeentelijke bevoegdheden en rollen

De gemeentelijke bevoegdheden vloeien voort uit de Gemeentewet, de Belemmeringenwet Privaatrecht, de AWB, de APV, de WIBON, de Telecommunicatiewet en uit contractuele afspraken met netbeheerders. De gemeente is in vele rollen betrokken bij werkzaamheden in de openbare ruimte, onder andere als grondeigenaar, ruimtelijk planner, aanlegger van infrastructuur, verkeersregelaar, bodembeschermer, enzovoorts.

In het belang van de gemeente, burgers, bedrijven en netbeheerders moet een zorgvuldig, uniform en integraal beleid gevoerd worden bij voorbereiding, uitvoering en nazorg van werkzaamheden in openbare gronden. De gemeente heeft hierin een coördinerende rol voor een goed verloop van het integrale proces met betrekking tot de werkzaamheden van alle netbeheerders. Mede doordat de fysieke ondergrond vol raakt met een groot aantal kabels en leidingen, is goede afstemming van werkzaamheden en belangen noodzakelijk. De coördinerende rol van de gemeente is bijvoorbeeld terug te vinden in de artikelen 7:3, 7:4 en 7:5 van deze verordening.

Ondanks de verschillende uitgangsposities van partijen wordt door de gemeente efficiëntie, harmonisering en uniformering van de uitvoering van werkzaamheden nagestreefd. Het opbreken van de openbare ruimte dient tot zo min mogelijk overlast te leiden, met waarborging van veiligheid en bereikbaarheid en voorkoming van verstoring van openbare orde en ondergrondse ordening. Ten aanzien van het ontwerp, voorbereiding, uitvoering en beheer van de werkzaamheden dient voldaan te worden aan de uniforme (uitvoerings-)eisen die door de gemeente zijn vastgelegd in het Handboek Kabels & Leidingen. Voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-, beheer- en degeneratiekosten kunnen burgemeester en wethouders tevens beleidsregels vaststellen.

Artikel 7:2 Nadere regels

Burgemeester en wethouders krijgen de mogelijkheid toegekend door de raad om in voorkomende gevallen nadere regels ter uitvoering van deze verordening vast te stellen. Deze nadere regels kunnen worden opgenomen in onder meer een Nadeelcompensatieregeling, regeling voor de te hanteren tarieven voor onder andere herstel-,beheer- en degeneratiekosten en Handboek Kabels & Leidingen. In bijvoorbeeld het Handboek Kabels & Leidingen kunnen voorwaarden worden opgenomen in verband met onder andere:

· feest- of gedenkdagen en/of beperking van overlast voor belanghebbenden, bijvoorbeeld een winkelier;

· het opstellen van voorschriften op het gebied van markering en afzetting;

· het maken van proefsleuven;

· opruimen van buiten gebruik zijnde kabels en/of leidingen.

Artikel 7:3 Aanvragen en melden

In het artikel wordt aangegeven dat de aanvraag van de voorgenomen werkzaamheden bij burgemeester en wethouders moet worden gedaan. Dat kan bij burgemeester en wethouders of bij de daarvoor gemandateerde ambtenaren.

Voor spoedeisende werkzaamheden, zoals ingeval van storingen, wordt een uitzondering gemaakt. Deze moeten zoveel mogelijk voor aanvang van de werkzaamheden gemeld worden, als dit niet mogelijk is moet dit in ieder geval binnen één werkdag na uitvoering van de werkzaamheden zijn gedaan.

Spoedeisende werkzaamheden dienen bij de burgemeester te worden gemeld dan wel bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. In de praktijk zal de melding veelal plaatsvinden bij de calamiteiten- of piketdienst.

De burgemeester kan besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden als de openbare orde zich verzet tegen de uitvoering van bovengenoemde werkzaamheden. Dit geldt ook als er gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar is.

In dit artikel wordt beschreven dat de voorgenomen werkzaamheden ook betrekking kunnen hebben op openbare gronden van andere gedoogplichtigen dan de gemeente. Omdat de gemeente een coördinerende rol heeft over alle openbare gronden binnen de gemeentelijke grenzen moet voor alle voorgenomen werkzaamheden in openbare grond een aanvraag voor een instemmingsbesluit worden gedaan. Dit geldt dus ook in het geval dat voorgenomen werkzaamheden zich beperken tot bijvoorbeeld openbare gronden van de provincie of het waterschap.

Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat naast het instemmingsbesluit mogelijk ook vergunningen aangevraagd moeten worden voor de voorgenomen werkzaamheden. In het geval zowel een instemmingsbesluit als een vergunning van een al dan niet ander bestuursorgaan dan de gemeente nodig is, heeft de gemeente hierin een coördinerende rol om afstemming te bevorderen.

Als de aanvrager daar om verzoekt kan de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de aanvragen bij andere bestuursorganen nastreven. De aanvrager blijft echter zelf verantwoordelijk voor de afstemming en toestemming van alle betrokken gedoogplichtigen en het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen.

Het is belangrijk dat aanvragers zelf bij het aanvragen van een instemmingsbesluit rekening houden met een eventueel vergunning traject waarop de aanvraag voor het instemmingsbesluit betrekking heeft. Dit kan onnodige vertraging voorkomen bij het afgeven van het instemmingsbesluit omdat het verlenen van een benodigde vergunning eerst afgewacht dient te worden voordat er instemming kan worden verleend.

Artikel 7:4 Instemmingsvereiste

Uitgangspunt is dat werkzaamheden in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij men beschikt over een instemmingsbesluit. De in de Telecommunicatiewet neergelegde verplichting dat instemming van burgemeester en wethouders is vereist, is opgenomen in hoofdstuk 7 van deze verordening en is van toepassing op de werkzaamheden van alle netbeheerders. Daarmee wordt ook voorzien in de toestemming of vergunning die andere kabel- en leidingeigenaren voorheen dienden te hebben voor voorgenomen werkzaamheden in gemeentegrond. Conform het bepaalde in de Telecommunicatiewet geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden.

In dit artikel wordt voor de instemmingsprocedure onderscheid gemaakt tussen reguliere werkzaamheden, werkzaamheden van niet ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden. Niet ingrijpende werkzaamheden zijn werkzaamheden waarvoor gedurende niet meer dan een korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk werkzaamheden worden verricht en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een lengte van de kabels en/of leidingen korter of gelijk aan 25 meter gehanteerd en daarbij mogen geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist. Bij spoedeisende werkzaamheden kan het voorkomen dat, juist vanwege de urgentie, schriftelijk of digitaal melden vooraf onmogelijk is.

De uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden geldt niet als werkzaamheden moeten worden verricht in gebieden die door de gemeenteraad op een vooraf bekend gemaakte kaart zijn aangegeven. Dit betekent dat in gebieden die op deze kaart staan geen spoedeisende werkzaamheden uitgevoerd mogen worden zonder voorafgaand instemmingsbesluit.

Voorbeelden van dergelijke gebieden die op de kaart kunnen staan zijn:

· Risicogebieden als industriegebieden met buisleidingen voor transport met gevaarlijke stoffen;

· Historische stadskernen of historische straten of natuurgebieden;

· Toegangswegen van en naar gebouwen van hulpdiensten, brandweerkazernes, politie, en gemeentelijke gebouwen. De gemeente kan voor toegangswegen naar zulke gebouwen de doorgang altijd vereisen.

In bovenstaande gevallen is het niet aanvaardbaar dat zonder specifiek toezicht van de gemeente wordt gegraven.

Voor werkzaamheden rond de kabels en/of leidingen van de gemeente zelf, zoals de riolering, is om praktische redenen de verordening (en het daarin opgenomen graafverbod) niet van toepassing. Om redenen van effectiviteit en kwaliteit is het wel zeer wenselijk dat waar mogelijk binnen de gemeente afspraken en procedures worden gemaakt om de doelen van deze verordening ook intern zoveel mogelijk na te leven.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een breekverbod in te stellen tijdens door de gemeente vergunde evenementen of als er naar haar oordeel sprake is van extreme weersomstandigheden. Een afweging die hierbij gemaakt wordt is de kans op schade en de omvang hiervan aan de openbare gronden als er gegraven wordt. Het breekverbod wordt op de dag dat dit ingaat, gecommuniceerd naar de betrokken uitvoerende partijen. In ieder geval één dag voor het beëindigen van het breekverbod wordt dit meegedeeld aan de betrokken uitvoerende partijen.

Gedurende het breekverbod mogen er op geen enkele wijze werkzaamheden plaatsvinden in de openbare grond en/of bestrating. In het geval van spoedeisende werkzaamheden is het breekverbod niet van toepassing. Overtreding van het breekverbod leidt tot geheel of gedeeltelijke stillegging van het werk. Een nadere omschrijving van het breekverbod is opgenomen in het Handboek Kabels & Leidingen.

Artikel 7:5 Gegevensverstrekking

In dit artikel is verduidelijkt op welke wijze een aanvraag moet worden gedaan en welke gegevens daarbij verstrekt moeten worden. Het betreft informatie die de gemeente als beheerder van de openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te krijgen in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. Zo dienen in het geval dat een netbeheerder opdracht geeft om de werkzaamheden te laten verrichten en daartoe een externe uitvoerder machtigt, behalve de gegevens van de externe partij ook die van de netbeheerder te worden verstrekt.

De aanvraag moet (digitaal) gebeuren door middel van de door burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren en/of registratiesysteem. Voor aanvragen voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard behoeft slechts een beperkt aantal gegevens verstrekt te worden. Voor reguliere aanvragen dienen meer gegevens verstrekt te worden.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4:5 lid 1 Awb.

Bij de aard van de kabels en/of leidingen gaat het erom of het openbare of niet-openbare kabels en/of leidingen betreft.

Het waarborgen van de blijvende bereikbaarheid van de kabels en/of leidingen kan bijvoorbeeld worden aangetoond door een opgave van de doorsnede van de kabel- en/of leidingsleuf of -goot waarin het ruimtebeslag van de aanwezige en de aan te brengen kabels en/of leidingen gezamenlijk is aangegeven. Indien de aanleg van kabels en/of leidingen (mogelijk) hinderlijke ligging teweeg zal brengen moet aan de gemeente overlegd worden wat de uitkomst is van overleg met andere netbeheerders en welke afspraken inzake de hinderlijke ligging er zijn gemaakt tussen netbeheerders. Indien het beoogde tracé geen ruimte biedt voor de aanleg van nieuwe kabels en/of leidingen dient een alternatief tracé te worden gekozen.

Op grond van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON) is er een elektronisch informatiesysteem waarmee informatie tussen beheerders enerzijds en opdrachtgevers, grondroerders en bestuursorganen anderzijds wordt uitgewisseld. Van de netbeheerders wordt verwacht dat zij hun kabels en/of leidingen zodanig registreren dat steeds inzicht daarin kan worden verkregen door de gemeente.

Er is samenhang tussen de WIBON en hoofdstuk 7 van deze verordening van de gemeente. De WIBON heeft betrekking op het voorkomen van graafschade via een plicht tot zorgvuldig graven én een plicht tot zorgvuldige en tijdige informatie-uitwisseling. De WIBON bepaalt in artikel 35 dat het onverlet laat dat de gemeente in het belang van openbare orde en veiligheid bij verordening voorschriften kan geven over werkzaamheden, waaronder het binden van graafwerkzaamheden aan het hebben van een vergunning (in de zin van hoofdstuk 7 van deze verordening een instemmingsbesluit).

Artikel 7:6 Voorschriften bij instemmingsbesluit

Op grond van hoofdstuk 7 van deze verordening gelden een aantal verplichtingen voor degene die werkzaamheden gaan verrichten. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders aan het instemmingsbesluit aanvullende voorschriften verbinden. In hoofdstuk 7 van deze verordening is geregeld onder welke voorwaarden dit kan en welke soort voorschriften dit zijn. De voorschriften hebben vooral te maken met de wijze van uitvoering en zijn gericht op de (deels wettelijk vastgelegde) belangen die de gemeente geacht wordt te behartigen. Daarnaast kunnen door burgemeester en wethouders lokaal geldende regels van toepassing worden verklaard als die er ten aanzien van de aanleg van kabels en/of leidingen zijn.

In het kader van de ondergrondse ordening kan gedacht worden aan bescherming van reeds in de grond aanwezige werken van bijvoorbeeld de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit. Bescherming van deze werken betekent onder meer het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken. Voorts kan dit (indirect) met zich meebrengen dat deze werken zo min mogelijk worden gehinderd in hun ligging.

Dit artikel benadrukt dat alle belanghebbenden moeten worden geïnformeerd. Hieronder vallen onder andere bewoners van percelen langs het tracé, maar ook de bedrijfsmatige gebruikers, winkeliers en gebruikers van kantoorpanden.

Als burgemeester en wethouders vooraf heeft aangegeven zelf zorg te dragen voor het in oude staat terugbrengen van verhardingen en beplanting dient de netbeheerder de marktconforme kosten daarvan aan de gemeente te vergoeden.

Artikel 7:7 (Mede)gebruik van voorzieningen

Dit artikel heeft als doel om medegebruik zoveel als mogelijk te bevorderen. Op verzoek van een gedoogplichtige dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van reeds aanwezige voorzieningen als deze tegen een marktconforme prijs worden aangeboden. Het doel hiervan is te voorkomen dat onnodig gegraven wordt in gemeentegrond en dat er zo effectief mogelijk gebruik wordt gemaakt van de openbare ruimte bijvoorbeeld door middel van het delen van voorzieningen. Voorzieningen zijn bijvoorbeeld kabelgoten en geleidingen.

Artikel 7:8 Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie

Op het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk op verzoek van de gemeente, zijn de wettelijke regels conform artikel 5.8 van de Telecommunicatiewet van toepassing.

Op het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen die ten dienste staan van een netwerk ten behoeve van water- of energievoorzieningen in of op openbare gronden gelden de geformuleerde bepalingen, in samenhang met eventuele geldende privaatrechtelijke overeenkomsten met de netbeheerder(s) die gerespecteerd worden voor zover deze regelingen niet aanvullend daarop zijn. Een netbeheerder is verplicht maatregelen, waaronder het verplaatsen, te nemen als dat noodzakelijk is voor werken door of vanwege de gemeente. De gemeente zal dus de noodzaak moeten aantonen. De eventuele compensatie van kosten van het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, worden vooralsnog berekend aan de hand van de tussen partijen van toepassing zijnde afspraken, totdat er algemeen geldende regels zijn overeengekomen.

Alle hierboven bedoelde kosten van het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen, op verzoek van de gemeente zijn onvermijdelijke maatschappelijke kosten die zo laag mogelijk gehouden dienen te worden. Dat is een van de redenen waarom op initiatief van de gemeente proactieve regie wordt gevoerd. Hierbij worden de plannen van de gemeente én van de netbeheerders vanuit een lange termijn planning (tot 5 jaar vooruit) zoveel als mogelijk inzichtelijk gemaakt en gemonitord teneinde werkzaamheden zoveel als mogelijk op elkaar af te stemmen en/of te combineren.

Artikel 7:9 Overleg

Ter afstemming van allerlei zaken en het voeren van proactieve regie wordt er regelmatig een periodiek (lange termijn) overleg gepland tussen de gemeente en netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen. Dit gebeurt op initiatief van de gemeente. Het kan ook in samenwerking met andere gemeenten of overheden gebeuren.

Artikel 7:10 Niet-openbare kabels en/of leidingen

Met niet-openbare kabels en/of leidingen worden kabels en/of leidingen bedoeld die niet gebruikt worden om openbare diensten aan te bieden. Een voorbeeld hiervan is een point-to-point glasvezelverbinding tussen twee bankgebouwen als deze (gedeeltelijk) in openbare grond is aangelegd door de bankinstelling zelf. De gemeente gedoogt (onder voorwaarden) kabels en/of leidingen met een publieke of openbare functie in de openbare ruimte. De gemeente kan echter ook aanvragen krijgen van partijen die niet-openbare kabels en/of leidingen wensen aan te leggen. Vanwege het intensieve gebruik van de ondergrondse ruimte en de veiligheidsrisico’s is de tendens dat in het algemeen geen toestemming wordt verleend voor de aanleg van niet-openbare kabels en/of leidingen van particulieren en/of bedrijven. Particulieren die een eigen verbinding wensen, dienen bij voorkeur gebruik te maken van openbare netstructuren. Toch zijn er uitzonderingssituaties en indien de beschikbare (ondergrondse) ruimte het toestaat kan de gemeente onder strikte voorwaarden daarvoor toestemming geven.

Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en/of leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in hoofdstuk 7 van deze verordening van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat waar wordt bedoeld openbare kabels en/of leidingen daar moet worden gelezen niet-openbare kabels en/of leidingen. Dat betekent echter niet dat de gemeente daarmee een gedoogplicht voor deze kabels en/of leidingen heeft.

Artikel 7:11 Informatieplicht

Ten aanzien van kabels (en bijbehorende voorzieningen) ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken is wettelijk voorzien in regels voor de duur van de gedoogplicht. Het is mede daarom van belang om inzichtelijk te hebben of kabels en/of leidingen nog deel uitmaken van een netwerk. Ook gezien de mogelijkheden tot medegebruik van al bestaande voorzieningen.

Netbeheerders dienen burgemeester en wethouders te informeren over het al dan niet in gebruik zijn van bepaalde voorzieningen. Op verzoek van burgemeester en wethouders moeten zij gegevens kunnen overleggen van alle al dan niet in gebruik zijnde kabels en/of leidingen. Het gaat daarbij om gegevens over de status van de kabels en/of leidingen, bijvoorbeeld dat deze (tijdelijk) niet in gebruik zijn, maar op enig moment wel weer in gebruik kunnen worden genomen, of dat deze verlaten worden en op een geschikt moment kunnen worden opgeruimd. De bewijslast van ingebruikname en het in gebruik hebben, ligt bij de netbeheerder.

Wijzigingen kunnen ook optreden door het vervallen van het openbare karakter van gronden. Dit heeft ook gevolgen voor het al dan niet mogen hebben en houden van kabels en/of leidingen in deze gronden.

Burgemeester en wethouders moeten op de hoogte gesteld worden van het feit dat het eigendom wordt overgedragen. Indien eigendom, exploitatie of beheer van de kabel en/of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze verordening die betrekking hebben op de kabel en/of leiding van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder.

Op het eigendom van kabels en leidingen zijn de wettelijke bepalingen van toepassing.

 

Hoofdstuk VIII: Bomen

ARTIKEL 8:1: Kapverbod

Lid 1. Het kapverbod betreft bomen met een minimale stamomtrek van minimaal 78 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. Houtachtigen die hakhout leveren komen vaak niet aan een minimale stamomtrek op deze 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. De stam van hakhout wordt namelijk al op een mindere dikte geknot. Vandaar dat hakhout ook onder het kapverbod valt, zonder dat voldaan moet worden aan een minimale stamomtrek.

Lid 2 onder c. Onder snoeiwerkzaamheden wordt verstaan het plegen van onderhoudsnoei gericht op de instandhouding, waarbij niet meer dan 20% van de volume weggenomen wordt.

Lid 3. Artikel 15 Boswet bevat een regelverbod voor provincies en gemeenten ten aanzien van de in artikel 8:1 derde lid van deze verordening genoemde boomsoorten en categorieën. Het in het eerste lid gestelde velverbod geldt om die reden niet voor houtopstanden als bedoeld in artikel 15 Boswet.

Lid 6. Indien een houtopstand direct gevaar oplevert kan het bevoegd gezag besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen op grond van noodkap, direct in werking treedt. Dit houdt in dat dan direct tot kap overgegaan kan worden. Belanghebbenden hebben dan wel (achteraf) nog steeds de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar. Dit is van belang omdat aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften kunnen zijn verbonden.

ARTIKEL 8:2 Criteria omgevingsvergunning

Lid 3. Burgemeester en wethouders zullen als bevoegd gezag ter invulling van haar beoordelingsbevoegdheid, beleid opstellen.

ARTIKEL 8:3 Aanvraag

Lid 2. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van een project, wordt overlegd. Dat kan een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming, ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en dergelijke, of een ander soort toestemming zijn.

ARTIKEL 8:7 Herplant-/instandhoudingsplicht

De herplant-/instandhoudingsplicht is een bestuurlijke sanctie als in artikel 5:2 eerste lid Awb, maar geen bestraffende sanctie. In artikel 8:7 wordt de mogelijkheid gegeven een beschikking (herstelsanctie) op te leggen die daadwerkelijk landschapsherstel of instandhouding van landschap mogelijk maakt.

ARTIKEL 8:8 Schadevergoeding

Op grond van artikel 17 Boswet dient in de gemeentelijke verordening te staan welk bestuursorgaan is aangewezen, om te beslissen over een te bepalen schadevergoeding.

“Artikel 17 Boswet: Indien de gebruiker of eigenaar van een houtopstand tengevolge van een krachtens provinciale of gemeentelijke verordening genomen besluit, houdende een verbod tot vellen van een houtopstand of een weigering tot ontheffing van een verbod tot vellen van een houtopstand, schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven, kennen de in de provinciale, onderscheidenlijk de gemeentelijke verordening aangewezen organen hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding uit de provinciale, onderscheidenlijk de gemeentekas toe.”

ARTIKEL 8:9 Afstand tot de erfgrenslijn

Gemeentebomen mogen op een afstand van 0,5 meter tot aanliggende percelen staan. Zodoende kunnen ook in trottoirs gemeentebomen staan.

ARTIKEL 8:10 Bestrijding van boomziekten

Lid 2. Het is verboden zonder vergunning van Burgemeester en wethouders gevelde houtachtige of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die een boomziekte als in het eerste lid, kan verspreiden. Een vergunningstelsel is hier op zijn plaats, omdat de raad de situatie niet zozeer bedenkelijk of laakbaar vindt, maar op deze manier toezicht wil houden, op de aanwezigheid van zieke boomdelen. Hiermee wil de raad verspreiding van boomziekten voorkomen.

 

Hoofdstuk IX: bodem

Onderdeel bodem is meegenomen uit de Bouwverordening Baarn 2012. De wetswijzigingen die hebben plaatsgevonden zijn nog niet meegenomen in de huidige versie van de Bouwverordening Baarn. Als gevolg van die wetswijzigingen zullen veel onderdelen uit de Bouwverordening vervallen. Om die reden zijn deze onderdelen niet meegenomen in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Het gaat onder andere over de voor- en achtergevelrooilijn. Het onderdeel welstand blijft wel in de Bouwverordening staan.

 

Hoofdstuk X: Erfgoed

De Erfgoedverordening 2010 gemeente Baarn is geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving. De bepalingen van de Erfgoedverordening zijn aangepast naar een nieuwe versie Erfgoedverordening gebaseerd op de Erfgoedwet.

Artikel 10:1 Gemeentelijk erfgoedregister

Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten of cultuurgoederen.

Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening.

Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen.

Artikel 10:2 Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling

Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of beschermde gemeentelijke verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 10:1 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling.

De aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen.

Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie Hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren.

Artikel 10:3 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m. verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling.

Artikel 10:4 Aanwijzing als gemeentelijk monument

Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.

Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude Erfgoedverordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in hoofdstuk 10 van deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd.

Artikel 10:5 Voornemen tot aanwijzing

Eerste lid

Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.

Tweede lid

De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.

Artikel 10:6 Voorbescherming

Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten).

Artikel 10:7 Advies gemeentelijke adviescommissie

Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg.

De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit. Artikel 10:7 maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de Omgevingswet gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Omgevingswet zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening.

Onder de Omgevingswet (artikel 17.9 van het wetsvoorstel zoals dat op 22 maart 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer) zal een adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Omgevingswet) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Omgevingswet) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Omgevingswet maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze commissie mogelijk.

Artikel 10:9 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Eerste lid

Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.

Tweede lid

De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.

Artikel 10:10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.

Artikel 10:11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd.

Artikel 10:14 Weigeringsgronden

In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo.

Artikel 10:15 Advies omgevingsvergunning rijksmonument

Zie de toelichting bij artikel 10:7. De term “rijksmonument” is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de Monumentenwet 1988).

Artikel 10:16 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht

Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht geldt artikel 11 van de Monumentenwet en van gemeentelijke monumenten artikel 10:11 van deze verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan.

Artikel 10:17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht

Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.

Artikel 10:18 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft de gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven.

Artikel 10:19 Vangnet archeologie

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Gelet op de geldigheidstermijn van een bestemmingsplan van tien jaar, zal dit ook nog enige jaren mogelijk blijven. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen.

Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak.

 

Hoofdstuk XI: markten

De marktverordening gemeente Baarn 2011 is geheel geïntegreerd in de Verordening fysieke leefomgeving Baarn. Er is om die reden geen verdere toelichting nodig.

 

Hoofdstuk XII: afvoer hemelwater en grondwater

Artikel 12:1 Verbod op aankoppelen in geval van nieuwbouw

Lid 1. Het verbod op het aankoppelen van hemelwater geldt voor alle eigenaren van nieuw te bouwen bouwwerken, of nieuw aan te leggen open erven en terreinen met een verhard oppervlak, voor zover deze zijn gelegen binnen de gebiedsaanwijzing en het desbetreffende besluit geen uitzondering bevat. Eenzelfde situatie geldt voor het grondwater.

De plicht tot niet aankoppelen is dus niet slechts beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook het open erf of andere terreinen. Bedoeld is zowel het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en via een dakgoot, regenpijp, afvoerbuis enzovoort het openbaar vuilwaterriool bereikt als het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via goten, putten, afvoerbuis enzovoort het openbaar vuilwaterriool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht is onder meer een terras, een oprit, een parkeerterrein, een laad- en losperron. Ook de openbare weg binnen een aangewezen gebied valt binnen de reikwijdte van de afkoppelplicht.

In het besluit tot gebiedsaanwijzing wordt beleidsmatig onderbouwd dat het gevraagde in beginsel redelijk is, waarbij concreet wordt aangegeven wat gevraagd wordt (gescheiden aanbieden of infiltreren) en wat daarvan de (financiële) consequenties zijn.

Artikel 12:2 Plicht tot afkoppelen in geval van bestaande bouw

Lid 1. Het eerste lid geeft de plicht tot afkoppelen van de hemelwaterafvoerleiding van het openbaar vuilwaterriool. Het gaat hier zowel om de afvoerleidingen die direct zijn aangesloten op het openbaar vuilwaterriool alsmede leidingen die op het perceel of binnen de woning/het gebouw zijn aangesloten op een gemengde leiding die op het openbaar vuilwaterriool is aangesloten. De plicht tot afkoppelen geldt voor alle eigenaren van bouwwerken, open erven en terreinen, voor zover deze zijn gelegen binnen de gebiedsaanwijzing en het desbetreffende besluit geen uitzondering bevat. Eenzelfde situatie geldt voor het grondwater.

De plicht tot afkoppelen is dus niet slechts beperkt tot het bouwwerk, maar betreft ook het open erf of andere terreinen. Bedoeld is zowel het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een bouwwerk en via een dakgoot, regenpijp, afvoerbuis enzovoort het openbaar vuilwaterriool bereikt als het afvloeiend hemelwater dat afkomstig is van een open erf of terrein en via goten, putten, afvoerbuis enzovoort het openbaar vuilwaterriool bereikt. Een open erf of terrein waarin goten en putten zijn aangebracht is onder meer een terras, een oprit, een parkeerterrein, een laad- en losperron. Ook de openbare weg binnen een aangewezen gebied valt binnen de reikwijdte van de afkoppelplicht.

In de gebiedsaanwijzing wordt rekening gehouden met de locatie van de hemel- en/of grondwaterafvoer. In eerste instantie wordt onderscheid gemaakt tussen aansluitingen die zich aan de voorkant (wegzijde) van het bouwwerk bevinden en de achterkant van het bouwwerk. Dit is een gevolg van het redelijkheidscriterium uit het tweede lid van art. 10.32a Wet milieubeheer. De voorkant van het bouwwerk kan in de meeste gevallen relatief gemakkelijk worden afgekoppeld. De achterzijde van het bouwwerk is soms moeilijker af te koppelen en zal, indien afkoppeling in redelijkheid niet verlangd kan worden, buiten beschouwing worden gelaten.

In het besluit tot gebiedsaanwijzing wordt een definitie uitgewerkt van de ‘voorkant’ en ‘achterkant’ van een bouwwerk. Daarnaast wordt beleidsmatig onderbouwd dat het gevraagde in beginsel redelijk is, waarbij concreet wordt aangegeven wat gevraagd wordt (gescheiden aanbieden of infiltreren) en wat daarvan de (financiële) consequenties zijn.

Lid 2. Door burgemeester en wethouders kan in de gebiedsaanwijzing worden aangegeven op welke wijze afkoppelen (technisch) moet gebeuren. Indien na het afkoppelen de hemelwater- en/of grondwaterafvoerleiding moet worden aangesloten aan het openbaar schoonwaterriool, biedt de bouwregelgeving de mogelijkheid aan te geven op welke wijze deze aansluiting (technisch) moet plaatsvinden.

Lid 3. Artikel 10.32a Wet milieubeheer geeft aan dat de termijn waarbinnen de lozing van het hemelwater moet zijn beëindigd in de verordening wordt genoemd. De afkoppelplicht kan niet van de ene op de andere dag worden afgedwongen. In deze verordening is gekozen voor een termijn van 12 maanden.

Lid 4. Ontheffing van de afkoppelverplichting is mogelijk in uitzonderingssituaties waarin toepassing van gebiedsaanwijzing een bijzondere onbillijkheid met zich brengt die niet behoort tot de normaal beoogde gevolgen van het de gebiedsaanwijzing. Enig individueel nadeel is echter aanvaardbaar om een collectief doel te dienen (zoals het voorkomen van wateroverlast).

In de aan te wijzen gebieden is het soms mogelijk om het hemelwater en/of grondwater aan te sluiten op het openbare schoonwaterriool. Waar er geen openbaar schoonwaterriool aanwezig is, zijn er in de regel voldoende mogelijkheden hemelwater te infiltreren in de bodem of te lozen in oppervlaktewater. Het verlenen van een ontheffing van de afkoppelverplichting is daarom alleen aan de orde indien het afkoppelen tot onredelijk hoge kosten voor de perceeleigenaar leidt. Dit kan bijvoorbeeld spelen bij het moeten uitvoeren van werkzaamheden aan leidingdoorvoeren door de fundering. Of de kosten onredelijk zijn wordt, bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing, bepaald aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Als voor een individuele perceeleigenaar de te maken kosten onevenredig hoog zijn, in vergelijking met anderen in het aangewezen gebied, ligt ontheffing in de rede.

Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een voorschrift kan betrekking hebben op onder meer een uitstel van de plicht tot afkoppelen en op het treffen van een alternatieve (tijdelijke) voorziening. Een voorschrift dient vergezeld te gaan van een goede motivering.

Lid 5. Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb), van toepassing. Belanghebbenden hebben hiermee de gelegenheid op het ontwerpbesluit zienswijzen in te brengen. Op deze manier wordt een zorgvuldige voorbereiding en vaststelling gewaarborgd.

 

Hoofdstuk XIII: slotbepalingen

In artikel 13:1 worden straffen gesteld op overtreding van regels van de verordening. Het is niet toegestaan om een hogere of andere straf op te nemen dan is beschreven in dit artikel. Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit de APV. De meeste hoofdstukken komen overeen met deze strafbepaling. Indien een andere straf is bepaald in verordeningen, is dit in het artikel vermeld. Dit geldt ook voor de overige artikelen uit dit hoofdstuk.

 

BIJLAGE

Bijlage 1: Kaart Bebouwde kom Boswet behorende bij raadsbesluit 15RV000112