Gemeenteblad van Gulpen-Wittem

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Gulpen-WittemGemeenteblad 2021, 213796beleidsregel



Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Gulpen-Wittem houdende regels omtrent vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad (Reglement van orde van de raad van Gulpen-Wittem 2021)

De raad van de gemeente Gulpen-Wittem

 

  • -

    gezien het initiatiefvoorstel van de Werkgroep doorontwikkeling vergaderstructuur en vergadercultuur d.d. 27 mei 2021 inzake bovengenoemd onderwerp;

  • -

    gelet op artikel 16 Gemeentewet;

Besluit:

 

het Reglement van orde van de raad van Gulpen-Wittem 2021 vast te stellen.

 

Reglement van orde van de raad van Gulpen-Wittem 2021

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a)

    raadslid: degene die op grond van de Kieswet is benoemd tot lid van de gemeenteraad en volgens de bepalingen in artikel 14 van de Gemeentewet is beëdigd;

  • b)

    voorzitter: voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger;

  • c)

    fractie: een in de gemeenteraad vertegenwoordigde groepering;

  • d)

    fractievoorzitter: het raadslid dat voorzitter is van een fractie;

  • e)

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • f)

    commissie: een commissie als bedoeld in artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet;

  • g)

    burgerfractielid: een vertegenwoordiger van een fractie in een commissie, niet zijnde een raadslid, die als zodanig door de raad is benoemd;

  • h)

    initiatiefvoorstel: voorstel van één of meerdere raadsleden voor een verordening of ander voorstel als bedoeld in artikel 147a van de Gemeentewet;

  • i)

    amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing als bedoeld in artikel 147b van de Gemeentewet;

  • j)

    subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement;

  • k)

    interpellatie: vraag van een raadslid aan de raad om verlof om het college of de burgemeester inlichtingen te vragen over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda van de raad;

  • l)

    motie: korte en gemotiveerde verklaring waarmee een oproep, oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;

  • m)

    griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger;

  • n)

    raadsinformatiesysteem: de vergaderapplicatie waarmee de raad werkt. Openbare informatie in deze vergaderapplicatie wordt automatisch gepubliceerd op de raadsinformatiesite.

Artikel 2. Fractievoorzittersoverleg (FVO)

  • 1.

    Het FVO is een commissie zoals bedoeld in artikel 84 Gemeentewet en bestaat uit de fractievoorzitters.

  • 2.

    Bij verhindering kan een fractievoorzitter zich laten vervangen door een ander raadslid uit zijn fractie.

  • 3.

    Het voorzitterschap is in handen van de burgemeester. Bij verhindering van de burgemeester wordt het voorzitterschap waargenomen door de plaatsvervangend voorzitter van de raad. Mocht de plaatsvervangend voorzitter van de raad ook lid zijn van het fractievoorzittersoverleg, dan kan vanuit de fractie die de plaatsvervangend voorzitter van de raad levert, een raadslid worden aangewezen dat in de desbetreffende bijeenkomst het lid dat het voorzitterschap waarneemt, vervangt.

  • 4.

    De agenda wordt door de voorzitter in overleg met de griffier opgesteld. De agenda en de stukken dienen, spoedeisende gevallen uitgezonderd, uiterlijk drie dagen voor de vergadering in het bezit van de leden zijn.

  • 5.

    De griffier kan, na overleg met of op verzoek van de voorzitter derden uitnodigen om bij het FVO aanwezig te zijn.

  • 6.

    Het fractievoorzittersoverleg heeft tot taak het bespreken en besluiten over:

    • a.

      procedure, proces en organisatie gerelateerde zaken met betrekking tot de raad. Deze zaken betreffen niet de politieke inhoud van een onderwerp;

    • b.

      de vergaderkalender, de raadsplanner en de voorraadagenda van de raad en de commissies;

    • c.

      de jaarlijkse verantwoording en verrekening van de fractiebudgetten;

    • d.

      het functioneren van de raad en de raadscommissies;

    • e.

      rechtspositionele zaken van raads- en burgerfractieleden.

  • 7.

    Het fractievoorzittersoverleg overlegt met de burgemeester over zaken omtrent de openbare orde en veiligheid die naar het oordeel van de voorzitter niet in de openbaarheid besproken kunnen worden.

  • 8.

    Het fractievoorzittersoverleg fungeert als klankbord voor de voorzitter van de raad.

  • 9.

    Voor aanvang van het kalenderjaar stelt het fractievoorzittersoverleg de vergadermomenten voor haar overleg vast. Voorts vergadert het fractievoorzittersoverleg indien de voorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste drie leden van de commissie schriftelijk, met opgave van reden, daarom verzoeken. Het fractievoorzittersoverleg komt dan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen veertien dagen bijeen.

  • 10.

    Het FVO vergadert in beslotenheid. De voorzitter of het FVO kunnen op grond van artikel 86 Gemeentewet geheimhouding opleggen omtrent het behandelde en ten aanzien van stukken die aan het FVO zijn overlegd.

  • 11.

    Door de griffier wordt een besluitenlijst opgesteld en er kan een geluids- en/of video-opname worden gemaakt. De besluitenlijst wordt in het eerstvolgende FVO vastgesteld. De vastgestelde besluitenlijst wordt aan alle raadsleden beschikbaar gesteld. Indien geheimhouding op (delen van) de besluitenlijst is gelegd, wordt de besluitenlijst voor raadsleden onder geheimhouding ter inzage gelegd bij de griffier, tenzij sprake is van strijd met het openbaar belang.

  • 12.

    De geluids- en/of video-opname kan alleen door fractievoorzitters bij griffie worden teruggeluisterd of bekeken.

Artikel 3. Agendacommissie

  • 1.

    De agendacommissie is een commissie zoals bedoeld in artikel 84 Gemeentewet. De agendacommissie bestaat uit drie leden. De plaatsvervangend commissievoorzitters van de commissies Bestuur, Sociaal & Maatschappelijk (BSM) en Ruimte, Economie & Duurzaamheid (RED) zijn lid van de agendacommissie. De raad benoemt een derde lid, tevens de commissievoorzitter.

  • 2.

    De voorzitter van de raad is adviseur van de agendacommissie;

  • 3.

    De agendacommissie heeft tot taak:

    • a.

      het opstellen van de agenda van de commissies BSM en RED (inclusief behandeltijden);

    • b.

      het opstellen van de agenda van de raadsvergadering. Indien de agendacommissie afwijkt van de adviezen van de commissies, doet de voorzitter van de agendacommissie hiervan bij vaststelling van de agenda in de raadsvergadering kort verslag;

    • c.

      het vaststellen van een voorstel voor de wijze van afdoening van ingekomen stukken van de raad;

    • d.

      te besluiten over het organiseren van een themabijeenkomst;

    • e.

      te besluiten over het organiseren van andere bijeenkomsten waar raads- of burgerfractieleden aanwezig kunnen zijn en waarin dit regelement niet voorziet. De agendacommissie bepaalt in dat geval de datum, tijd en locatie van deze bijeenkomst, alsmede de vorm (inclusief een eventuele inkleding van het voorzitterschap) en de inhoud van deze bijeenkomst.

  • 4.

    Bij een oproep van de raad op grond van artikel 17 Gemeentewet wordt de agenda, de datum en het tijdstip van de raadsvergadering opgesteld door de voorzitter van de raad en niet door de agendacommissie.

  • 5.

    De agendacommissie besluit uit praktische overwegingen digitaal middels e-mailverkeer, tenzij één of meer leden een fysieke bijeenkomst wensen. Van een fysieke bijeenkomst wordt door de griffier een besluitenlijst gemaakt.

  • 6.

    Het e-mailverkeer en de vastgestelde besluitenlijsten liggen voor raadsleden ter inzage bij de griffier, tenzij sprake is van strijd met het openbaar belang.

Artikel 4. Werkgeverscommissie

  • 1.

    De werkgeverscommissie is een bestuurscommissie zoals bedoeld in van artikel 83 Gemeentewet. De werkgeverscommissie bestaat uit de fractievoorzitters van de in de raad vertegenwoordigde fracties. Bij verhindering kan een fractievoorzitter zich niet laten vervangen.

  • 2.

    De voorzitter van de raad kan in voorkomende gevallen worden uitgenodigd om in de vergadering van de werkgeverscommissie aanwezig te zijn en eventueel optreden als informant.

  • 3.

    Het commissievoorzitterschap is in handen van de plaatsvervangend voorzitter van de raad. Bij verhindering van de commissievoorzitter kiest de vergadering uit zijn midden een vervanger.

  • 4.

    De werkgeverscommissie is bevoegd:

    • a.

      de raad te adviseren inzake de benoeming, schorsing of het ontslag van de griffier;

    • b.

      de raad te adviseren inzake de benoeming, schorsing of het ontslag van de extern commissievoorzitters;

    • c.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van de plaatsvervangend griffier;

    • d.

      het werkgeverschap uit te oefenen ten aanzien van de griffier en de overige op de griffie werkzame ambtenaren. De werkgeverscommissie kan de aan haar opgedragen bevoegdheden ten aanzien van het griffiepersoneel mandateren aan de griffier;

    • e.

      het voorbereiden en uitvoeren van de overige tot het werkgeverschap van de raad behorende besluiten en regelingen.

  • 5.

    De voorzitter van de werkgeverscommissie draagt zorg voor:

    • a.

      het opstellen van de agenda;

    • b.

      het ondertekenen van de stukken en de besluiten die van deze commissie uitgaan, alsmede het zorgdragen voor de uitvoering van de besluiten van de werkgeverscommissie;

    • c.

      het fungeren als schakel tussen de werkgeverscommissie en de griffier als eerstverantwoordelijke voor de personele en organisatorische zaken van de griffie;

    • d.

      het tijdig en ten minste tweemaal per kalenderjaar bijeenroepen van de werkgeverscommissie;

    • e.

      het leiden van de vergaderingen.

  • 6.

    De agenda wordt door de voorzitter in overleg met de griffier opgesteld. De agenda en de stukken dienen, spoedeisende gevallen uitgezonderd, uiterlijk drie dagen voor de vergadering in het bezit van de leden zijn.

  • 7.

    Voor aanvang van het kalenderjaar stelt de werkgeverscommissie de vergadermomenten voor haar overleg vast. Voorts vergadert de werkgeverscommissie indien de commissievoorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste twee leden van de commissie schriftelijk, met opgave van reden, daarom verzoeken. De werkgeverscommissie komt dan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen veertien dagen bijeen.

  • 8.

    De vergaderingen van de werkgeverscommissie worden in het belang als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e of f van de Wet openbaarheid van bestuur in beslotenheid gehouden;

  • 9.

    De agenda, de stukken en de besluitenlijst zijn openbaar, tenzij de werkgeverscommissie beslist dat op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, hierop of een deel daarvan geheimhouding moet worden gelegd;

  • 10.

    Indien een raadslid de stukken als bedoeld in het negende lid wil inzien, kan hij daartoe een verzoek indienen bij de voorzitter van de werkgeverscommissie. De voorzitter weigert een dergelijk verzoek slechts als er sprake is van strijd met het openbaar belang. Het negende lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5. De voorzitter

  • 1.

    De voorzitter is belast met:

    • a.

      het leiden van de vergadering;

    • b.

      het handhaven van de orde;

    • c.

      het doen naleven van het reglement van orde;

    • d.

      hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.

  • 2.

    De voorzitter verleent en ontneemt zo nodig het woord, formuleert zo nodig het voorstel waarover zal worden gestemd en deelt de uitslag van de stemming mede.

Artikel 6. De griffier

  • 1.

    De griffier is aanwezig in raadsvergaderingen en vergaderingen van het FVO en kan aanwezig zijn bij andere vergaderingen van de raad.

  • 2.

    Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een plaatsvervanger die door de werkgeverscommissie is aangewezen.

  • 3.

    De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan de beraadslagingen deelnemen.

Artikel 7. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden

  • 1.

    Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad op voorstel van de raadsvoorzitter een commissie ‘Geloofsbrieven raadsleden’ in bestaande uit drie raadsleden.

  • 2.

    Deze commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.

  • 3.

    Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen.

  • 4.

    Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 5.

    In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

Artikel 8. Benoeming wethouders

  • 1.

    Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad op voorstel van de raadsvoorzitter een commissie ‘Geloofsbrieven wethouders’ in bestaande uit drie raadsleden.

  • 2.

    De kandidaat-wethouder overlegt een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en alle andere documenten en informatie die nodig zijn voor de in het hiernavolgende lid te verrichten toetsing;

  • 3.

    De commissie onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet;

  • 4.

    Voor aanvang van iedere ambtstermijn geeft de burgemeester opdracht om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de commissie ‘Geloofsbrieven wethouders’. De risicoanalyse is niet openbaar.

  • 5.

    De commissie brengt advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. Indien de commissie niet unaniem is in zijn oordeel, wordt hiervan melding gemaakt in het advies.

Artikel 9. Fracties

  • 1.

    Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd.

  • 2.

    Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren.

  • 3.

    De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden door de fractievoorzitter zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.

  • 4.

    Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.

  • 5.

    Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging.

Artikel 10. Burgerfractieleden

  • 1.

    Een burgerfractielid wordt op voordracht van zijn fractievoorzitter door de raad benoemd.

  • 2.

    Burgerfractieleden kunnen raadsleden vervangen in de raadscommissie BSM of RED of andere representatieve taken vervullen namens de fractie bij andere raadsbijeenkomsten die voor hen toegankelijk zijn.

  • 3.

    Iedere fractie als bedoeld in artikel 9, heeft recht op de inzet van maximaal 10 burgerfractieleden.

  • 4.

    Burgerfractieleden zijn politieke ambtsdragers in de zin van het Rechtspositiebesluit politieke decentrale ambtsdragers en de verordening rechtspositie raads- en commissieleden Gulpen-Wittem.

  • 5.

    Burgerfractieleden krijgen toegang tot alle beschikbare informatie over geagendeerde onderwerpen in vergaderingen die voor hen toegankelijk zijn. Indien in een commissievergadering geheimhouding wordt opgelegd, geldt de geheimhouding ook voor burgerfractieleden.

  • 6.

    De artikelen 10 tot en met 15 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op burgerfractieleden.

  • 7.

    De gedragscode voor leden van de raad is voor zover relevant van overeenkomstige toepassing op burgerfractieleden.

  • 8.

    Burgerfractieleden leggen in de vergadering waarin zij worden benoemd de eed of belofte af.

  • 9.

    De zittingstermijn van een burgerfractielid eindigt door ontslagname, aan het einde van de raadsperiode of door intrekking van de benoeming door de raad.

Hoofdstuk 2. Raadsvergaderingen

Paragraaf 2.1. Voorbereiding

Artikel 11. Oproep en agenda

  • 1.

    De voorzitter zendt ten minste 7 dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de agenda met de daarbij behorende stukken.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de raadsvergadering wordt deze met de daarbij behorende stukken aan de leden gezonden.

  • 3.

    Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 12, tweede lid, van toepassing.

  • 4.

    De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld.

Artikel 12. Publiceren van stukken

  • 1.

    De agenda en de daarbij behorende stukken worden gepubliceerd in het raadsinformatiesysteem en kunnen, indien gewenst, worden geraadpleegd via een computer in het gemeentehuis. Als na het verzenden van de oproep stukken beschikbaar worden gesteld, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving.

  • 2.

    Stukken waaromtrent op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven in afwijking van het eerste lid onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden op verzoek inzage.

Artikel 13. Openbare kennisgeving

  • 1.

    Raadsvergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging via het raadsinformatiesysteem en indien mogelijk in de lokale pers.

  • 2.

    De openbare kennisgeving vermeldt:

    • a.

      de datum, aanvangstijdstip en plaats van de vergadering;

    • b.

      de wijze waarop eenieder de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien.

Paragraaf 2.2. Ter vergadering

Artikel 14. Presentielijst

  • 1.

    De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen.

  • 2.

    Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de voorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld.

Artikel 15. Aantal spreektermijnen

  • 1.

    Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.

  • 2.

    Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten.

  • 3.

    Raadsleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4.

    Indien een raadslid naar aanleiding van reacties van andere raadsleden en/of het college aan het einde van de tweede termijn nog een kort statement wil meegeven, dan kan daar door de voorzitter in afwijking van het derde lid nog kort de mogelijkheid toe geboden worden.

  • 5.

    Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend ten aanzien van de beraadslaging daarover.

  • 6.

    De voorzitter kan interrupties toelaten. Interrupties dienen te bestaan uit korte opmerkingen of vragen zonder inleiding.

  • 7.

    Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde en de interrupties.

Artikel 16. Deelname aan de beraadslaging door anderen

Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.

Artikel 17. Voorstellen van orde

  • 1.

    De voorzitter en raadsleden kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2.

    Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3.

    Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.

     

Paragraaf 2.3. Stemmingen

Artikel 18. Beslissing

  • 1.

    De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht en besproken, tenzij de raad anders beslist.

  • 2.

    Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing.

Artikel 19. Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag kort en zakelijk toelichten.

Artikel 20. Stemming; procedure hoofdelijke stemming

  • 1.

    De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.

  • 2.

    Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet van deelneming aan de stemming te hebben onthouden.

  • 3.

    Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad.

  • 4.

    Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming geschiedt op alfabetische volgorde van de namen van de raadsleden.

  • 5.

    Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de Gemeentewet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door zich 'voor' of 'tegen' te verklaren, zonder enige toevoeging.

  • 6.

    Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen tot het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.

  • 7.

    De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit.

Artikel 21. Volgorde stemming over amendementen en moties

  • 1.

    Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.

  • 2.

    Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft.

  • 3.

    Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd.

  • 4.

    Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken.

Artikel 22. Stemming over personen

  • 1.

    De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.

  • 2.

    Bij stemming over personen voor benoemingen of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter drie raadsleden tot stembureau.

  • 3.

    Aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren.

  • 4.

    Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het stembureau beslissen dat meerdere stemmingen worden samengevat op één briefje.

  • 5.

    Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn, worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.

  • 6.

    Voor het bepalen van de meerderheid als bedoeld in artikel 30 Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan:

    • a.

      een blanco stembriefje;

    • b.

      een ondertekend stembriefje;

    • c.

      een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft;

    • d.

      een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;

    • e.

      een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt;

  • 7.

    In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van het stembureau.

  • 8.

    Onder verantwoordelijkheid van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.

     

Paragraaf 2.4. Verslaglegging en ingekomen stukken

Artikel 23. Besluitenlijst

  • 1.

    Van hetgeen in de raadsvergadering wordt besloten, wordt onder verantwoordelijkheid van de griffier een besluitenlijst gemaakt.

  • 2.

    De besluitenlijst bevat:

    • a.

      de namen van de voorzitter, de raadsleden, de griffier en de wethouders allen voor zover aanwezig, alsmede de namen en functies van de overige personen die aan de beraadslaging hebben deelgenomen;

    • b.

      een aantekening van welke raadsleden afwezig waren;

    • c.

      de zakelijke inhoud van de genomen besluiten;

    • d.

      de vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;

    • e.

      de tekst van de ingediende moties, amendementen en subamendementen;

  • 3.

    De besluitenlijst wordt zo mogelijk in de eerstvolgende en anders in een volgende vergadering aan de raad ter vaststelling aangeboden, gelijktijdig met de overige voorstellen voor die vergadering.

  • 4.

    Vastgestelde besluitenlijsten worden ondertekend door de voorzitter en griffier.

  • 5.

    De vastgestelde besluitenlijst en de individuele stemuitslagen worden zo spoedig mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt via het raadsinformatiesysteem.

Artikel 24. Video- en/of audioverslagen

  • 1.

    Van de openbare vergadering wordt een video- en/of audioverslag gemaakt.

  • 2.

    Het video- en/of audioverslag wordt zo spoedig mogelijk, maar binnen vijf werkdagen, gepubliceerd in het raadsinformatiesysteem.

  • 3.

    Het video- en/of audioverslag kan tevens worden beluisterd en/of teruggekeken via een computer in het gemeentehuis.

  • 4.

    Het college draagt er zorg voor dat de video- en/of audioverslagen conform de eisen in de Archiefwet worden bewaard.

Artikel 25. Ingekomen stukken

  • 1.

    De aan de raad gerichte stukken worden op een lijst geplaatst: de lijst ingekomen stukken raad.

  • 2.

    De lijst ingekomen stukken raad, inclusief de bijbehorende documenten, worden op het voor raads- en burgerfractieleden toegankelijke deel van het raadsinformatiesysteem geplaatst. De lijst wordt telkens bij binnenkomst van een ingekomen stuk bijgewerkt door de griffie. Raads- en burgerfractieleden ontvangen hiervan een notificatie.

  • 3.

    De agendacommissie doet een voorstel aan de raad voor de wijze van afdoening van ingekomen stukken. De stukken worden onderverdeeld in de categorieën ‘voor kennisgeving aannemen’, ‘in handen stellen van het college ter afdoening’ en ‘het college bereidt een voorstel voor ter bespreking in de raadscommissie’.

  • 4.

    De raad stelt de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

     

Paragraaf 2.5. Besloten raadsvergaderingen

Artikel 26. Besloten raadsvergaderingen

Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 27. Besluitenlijst besloten vergadering

  • 1.

    Besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen worden niet verspreid, maar uitsluitend voor de raadsleden ter inzage gelegd bij de griffier.

  • 2.

    Deze besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in de eerstvolgende besloten raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van het vastgestelde besluitenlijst.

  • 3.

    De vastgestelde besluitenlijsten worden door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 28. Opheffing geheimhouding

Als de raad op grond van de artikelen 25, derde en vierde lid, 55, tweede en derde lid, of 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen dan wel niet te bekrachtigen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

Hoofdstuk 3. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden

Artikel 29. Collegevoorstel

  • 1.

    Een collegevoorstel aan de raad dat vermeld staat op de agenda van de raadsvergadering, wordt niet ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  • 2.

    Als de raad van oordeel is dat het nodig is een collegevoorstel voor advies terug te zenden aan het college, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 30. Initiatiefvoorstel

  • 1.

    Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de voorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en het college

  • 2.

    Het college kan binnen 14 dagen nadat het in kennis is gesteld van een initiatiefvoorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen.

  • 3.

    Nadat het college schriftelijk wensen of bedenkingen ter kennis van de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen, wordt het voorstel op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst. Als de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst.

  • 4.

    In afwijking van het bepaalde in het derde lid, kan de indiener van het voorstel de agendacommissie verzoeken het initiatiefvoorstel eerst in een raadscommissie te agenderen. Voor behandeling van het initiatiefvoorstel in de raadscommissie wordt het college uitgenodigd en in de gelegenheid gesteld om wensen en bedenkingen naar voren te brengen.

  • 5.

    Een initiatiefvoorstel dient te worden gemotiveerd en voorzien van een ontwerpbesluit.

  • 6.

    Indien de raad oordeelt dat een initiatiefvoorstel een spoedeisend karakter heeft of waarvan de actualiteit om spoedige agendering vraagt, dan kan een initiatiefvoorstel nog aan de agenda worden toegevoegd. Het college is tijdens de beraadslagingen in de gelegenheid om wensen of bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.

Artikel 31. Amendementen en subamendementen

  • 1.

    Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben schriftelijk in bij de voorzitter, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.

  • 2.

    Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben.

  • 3.

    Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.

Artikel 32. Moties

  • 1.

    Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.

  • 2.

    De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft.

  • 3.

    De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld.

  • 4.

    Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.

Artikel 33. Inlichtingen

  • 1.

    Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, Gemeentewet schriftelijk in bij de griffier.

  • 2.

    De griffier brengt de inhoud van het verzoek ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester door plaatsing in het raadsinformatiesysteem.

  • 3.

    De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de raad verschaft, in ieder geval binnen tien dagen nadat het verzoek is ingediend.

Artikel 34. Vragenhalfuur

  • 1.

    Voor aanvang van een raadsvergadering is er een vragenhalfuur, tenzij bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenhalfuur eindigt.

  • 2.

    Raadsleden die tijdens het vragenhalfuur vragen willen stellen, melden dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste 48 uur voor aanvang van de vergadering bij de voorzitter.

  • 3.

    De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenhalfuur aan de orde worden gesteld alsmede de spreektijd voor de vragensteller, de overige raadsleden, het college en de burgemeester.

  • 4.

    Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. Na de beantwoording daarvan krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.

  • 5.

    De voorzitter kan aan andere raadsleden het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college of de burgemeester vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

  • 6.

    Tijdens het vragenuur worden geen moties ingediend en geen interrupties toegelaten.

Artikel 35. Schriftelijke vragen

  • 1.

    Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester in bij het desbetreffend orgaan waaraan de vragen zijn gericht. Schriftelijke vragen op grond van dit artikel worden schriftelijk beantwoord.

  • 2.

    De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en het college door plaatsing van de vragen in het raadsinformatiesysteem.

  • 3.

    Schriftelijke beantwoording gebeurt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen één maand nadat de vragen zijn ingediend. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het college of de burgemeester de raad gemotiveerd hiervan in kennis, waarbij tevens de termijn wordt aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  • 4.

    De beantwoording wordt door het college of de burgemeester openbaar gemaakt door plaatsing in het raadsinformatiesysteem.

Artikel 36. Interpellatie

  • 1.

    Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval de te stellen vragen.

  • 2.

    De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad en het college.

  • 3.

    Over verzoeken die ten minste 48 uur voor aanvang van een raadsvergadering zijn ingediend of die naar het oordeel van de voorzitter spoedeisend zijn, wordt tijdens de eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens de daaropvolgende raadsvergadering.

  • 4.

    De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal, tenzij de raad anders besluit.

Hoofdstuk 4. Voorbereiding van besluitvorming

Paragraaf 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 37. Instelling commissies

Om de besluitvorming van de raad voor te bereiden en met het college of de burgemeester te overleggen, heeft de raad de volgende commissies ingesteld:

  • a.

    de commissie Bestuur, Sociaal en Maatschappelijk (commissie BSM);

  • b.

    de commissie Ruimte, Economie en Duurzaamheid (commissie RED).

Artikel 38. Taken

  • 1.

    De commissies BSM en RED:

    • a.

      bereiden de besluitvorming van de raad voor en kunnen de raad inhoudelijk adviseren over de onderwerpen waarop hun werkzaamheden betrekking hebben;

    • b.

      adviseren de agendacommissie of een geagendeerd onderwerp rijp is voor behandeling in de raadsvergadering en of een voorstel als hamerstuk kan worden geagendeerd in de raadsvergadering;

    • c.

      voeren overleg met het college of de burgemeester over de aan hen verstrekte informatie en voorstellen.

  • 2.

    De commissie BSM:

    • a.

      voert de taken genoemd in het eerste lid ook uit ten aanzien van auditing, financieel beleid en beheer en aangrenzende gebieden;

    • b.

      is voorts belast met de voorbereiding van de benoeming van een gemeentelijke accountant en overlegt ten minste eenmaal per jaar met de gemeentelijke accountant waarbij in elk geval de jaarstukken aan de orde komen;

    • c.

      kan uit haar midden een werkgroep samenstellen die een deel van haar werkzaamheden verricht.

Artikel 39. Leden

  • 1.

    De commissies BSM en RED bestaan uit 9 raads- of burgerfractieleden.

  • 2.

    De raad bepaalt hoeveel leden van elke fractie zitting hebben in de commissie. De raad houdt daarbij rekening met een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad aanwezige groeperingen en de verhouding tussen oppositie en coalitie. Indien de samenstelling van de raad of de samenstelling van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen of de verhouding tussen oppositie en coalitie wijzigt, beoordeelt de raad of deze wijziging consequenties heeft voor de samenstelling van de commissies.

  • 3.

    Ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering deelt de fractie de commissiegriffier mede wie als commissielid namens de fractie aanwezig zal zijn in de commissievergadering. Hierbij kan de vertegenwoordiging van de fractie per agendapunt variëren.

  • 4.

    Raads- of burgerfractieleden die bij een vergadering van de commissie aanwezig zijn terwijl zij op dat moment niet de fractie als commissielid vertegenwoordigen, nemen plaats op de publieke tribune en nemen geen deel aan de beraadslaging.

Artikel 40. De commissievoorzitter

  • 1.

    De raad benoemt of ontslaat de commissievoorzitter en diens plaatsvervanger.

  • 2.

    De commissievoorzitter is een raadslid, burgerfractielid of een externe persoon die niet werkzaam is voor de gemeente.

  • 3.

    De plaatsvervangend commissievoorzitter is een raadslid.

  • 4.

    De commissievoorzitter of zijn plaatsvervanger is geen lid van de commissie en heeft geen stemrecht.

  • 5.

    De commissievoorzitter of zijn plaatsvervanger kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Behoudens het geval dat de commissievoorzitter of zijn plaatsvervanger onmiddellijk ontslag neemt, gaat het ontslag in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger is benoemd.

  • 6.

    Indien een uitspraak van de raad inhoudende de opzegging van zijn vertrouwen in een commissievoorzitter of zijn plaatsvervanger er niet toe leidt dat de betrokken commissievoorzitter of zijn plaatsvervanger onmiddellijk ontslag neemt, kan de raad besluiten tot ontslag. Artikel 31 van de Gemeentewet is van toepassing op de stemming inzake het ontslag. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 41. De commissiegriffier

  • 1.

    De griffier of een door hem aangewezen medewerker van de griffie is commissiegriffier.

  • 2.

    De commissiegriffier is ter ondersteuning en advisering aanwezig in vergaderingen.

  • 3.

    De commissiegriffier kan op uitnodiging van de commissievoorzitter aan beraadslagingen deelnemen.

  • 4.

    Bij verhindering of afwezigheid van de commissiegriffier treedt de griffier in overleg met de secretaris en wordt voor die gelegenheid door de secretaris een niet op de griffie werkzame ambtenaar aangewezen.

     

Paragraaf 4.2 Voorbereiding commissievergadering

Artikel 42. Oproep en agenda

  • 1.

    De commissievoorzitter zendt ten minste 7 dagen voor een vergadering de raads- en burgerfractieleden een schriftelijke oproep en de agenda met de daarbij behorende stukken.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen kan de agendacommissie na het verzenden van een schriftelijke oproep een aanvullende agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 48 uur voor de aanvang van de vergadering, zendt de voorzitter de aanvullende agenda met de daarbij behorende stukken aan de raads- en burgerfractieleden.

  • 3.

    De agenda wordt bij aanvang van een vergadering door de commissie vastgesteld.

Artikel 43. Publiceren van stukken

  • 1.

    Stukken worden gepubliceerd in het raadsinformatiesysteem en kunnen, indien gewenst, worden geraadpleegd via een computer in het gemeentehuis. Als na het verzenden van de oproep stukken beschikbaar worden gesteld, wordt hiervan mededeling gedaan aan de raads- en burgerfractieleden en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving

  • 2.

    Stukken waaromtrent op grond van artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven in afwijking van het eerste lid onder berusting van de griffier. Deze stukken kunnen worden ingezien door raads- en burgerfractieleden.

Artikel 44. Openbare kennisgeving

  • 1.

    Commissievergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging via het raadsinformatiesysteem en indien mogelijk in de lokale pers.

  • 2.

    De openbare kennisgeving vermeldt:

    • a.

      de datum, aanvangstijdstip en plaats van de vergadering;

    • b.

      de wijze waarop eenieder de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien.

Paragraaf 4.3 Ter commissievergadering

Artikel 45. Presentielijst

  • 1.

    De commissiegriffier draagt zorg voor het bijhouden van de presentielijst van de commissievergadering. Hierop wordt aangetekend welk raads- of burgerfractielid bij welk agendapunt als lid aan de commissievergadering deelneemt.

  • 2.

    Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raads- of burgerfractieleden de presentielijst, die aan het einde van elke commissievergadering door de commissievoorzitter en de commissiegriffier door ondertekening wordt vastgesteld.

Artikel 46. Opening vergadering en quorum

  • 1.

    De vergadering van een commissie wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

  • 2.

    Als op grond van het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de commissievoorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het verzenden van de oproeping is gelegen.

  • 3.

    Op een vergadering als bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. De commissie kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, als blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

Artikel 47. Aantal spreektermijnen commissievergaderingen

  • 1.

    Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de commissie anders beslist.

  • 2.

    Spreektermijnen worden door de commissievoorzitter afgesloten.

  • 3.

    Commissieleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4.

    Indien een commissielid naar aanleiding van reacties van andere commissieleden of het college aan het einde van de tweede termijn nog een kort statement wil meegeven, dan kan daar door de commissievoorzitter in afwijking van het derde lid nog kort de mogelijkheid toe geboden worden.

  • 5.

    De commissievoorzitter kan interrupties toelaten. Interrupties dienen te bestaan uit korte opmerkingen of vragen zonder inleiding.

  • 6.

    Bij de bepaling hoeveel keer een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde en de interrupties.

Artikel 48 Deelname aan de beraadslaging door anderen

  • 1.

    Leden van het college hebben toegang tot de vergaderingen en kunnen aan de beraadslaging deelnemen. Zij kunnen zich hierbij laten bijstaan door een ambtenaar of extern deskundige;

  • 2.

    Leden van het college kunnen door de commissievoorzitter worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn.

  • 3.

    De commissie kan besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.

Artikel 49. Inspreekrecht

  • 1.

    Bij elk raadsvoorstel geeft het college voor verzending van de stukken bij de commissiegriffier aan welke externen direct belanghebbende bij het voorstel zijn.

  • 2.

    De commissiegriffier draagt zorg voor de uitnodiging van direct belanghebbenden bij het voorstel. Deze direct belanghebbenden worden actief gewezen op de mogelijkheid om in te spreken bij de commissievergadering.

  • 3.

    Belanghebbenden kunnen in een vergadering het woord voeren over raadsvoorstellen die geagendeerd zijn.

  • 4.

    Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit binnen 48 uur voor aanvang van de commissievergadering aan de griffie onder vermelding van zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wenst te voeren.

  • 5.

    De commissievoorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding, tenzij afwijking van die volgorde in het belang is van de orde van de vergadering.

  • 6.

    De inspreker voert gedurende ten hoogste drie minuten het woord, nadat de commissievoorzitter hem dit heeft verleend. De commissievoorzitter kan de deelnemers aan de vergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering.

  • 7.

    De commissievoorzitter en een lid van de commissie kan een voorstel doen voor de behandeling van de inbreng van de inspreker.

  • 8.

    Als dat in het belang van de kwaliteit van de beraadslaging is, kan de commissie besluiten de inspreker te laten deelnemen aan de beraadslaging.

Artikel 50. Voorstellen van orde in een commissie

  • 1.

    De commissievoorzitter en commissieleden kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2.

    Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3.

    Over een voorstel van orde beslist de commissie terstond.

Artikel 51. Handhaving orde en schorsing

  • 1.

    De commissievoorzitter leidt de vergadering, ziet toe op de naleving van dit reglement en draagt zorg voor al hetgeen de Gemeentewet hem verder opdraagt. Hij verleent en ontneemt zo nodig het woord, formuleert zo nodig het voorstel waarover zal worden gestemd en deelt de uitslag van de stemming mede.

  • 2.

    De commissievoorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.

  • 3.

    Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.

  • 4.

    Hij kan de commissie voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig laat de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

  • 5.

    De commissievoorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en, als na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord, de vergadering sluiten.

  • 6.

    Hij roept sprekers tot de orde als deze zich in beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen uitlaten, afwijken van het in behandeling zijnde onderwerp, andere sprekers herhaaldelijk interrumperen, dan wel anderszins de orde verstoren. Sprekers die hieraan geen gevolg geven kunnen door hem het woord ontnomen worden over het aanhangige onderwerp.

     

Paragraaf 4.4. Besluitvorming commissies

Artikel 52. Reikwijdte besluitvorming

De commissies zijn niet gerechtigd tot het nemen van bindende extern werkende besluiten.

Artikel 53. Advies van de commissie

  • 1.

    De commissie formuleert na sluiting van de beraadslaging over raadsvoorstellen, op voorstel van de commissievoorzitter een advies, welke kan inhouden dat zij de agendacommissie adviseert een raadsvoorstel:

    • a.

      als hamerstuk (eventueel met stemverklaring) dan wel als behandelstuk op de voorlopige agenda van de eerstvolgende raadsvergadering te plaatsen;

    • b.

      aan te houden. Indien de commissie van mening is dat een raadsvoorstel moet worden aangehouden, dan geeft zij daarbij aan welke informatie alsnog verstrekt moet worden om tot besluitvorming door de raad over te kunnen gaan.

  • 2.

    Naast adviezen aan de agendacommissie inzake de agendering, kan de commissie ook een inhoudelijk advies over geagendeerde onderwerpen uitbrengen aan de raad.

Artikel 54. Stemming

Artikel 27 tot en met 32 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing op een vergadering van een commissie, met dien verstande dat voor “raad” wordt gelezen “commissie” en dat voor “voorzitter” wordt gelezen “commissievoorzitter”.

Artikel 55. Afdoening moties en toezeggingen

  • 1.

    Het college overlegt elk kwartaal een rapportage waarin verantwoording wordt afgelegd over de afdoening van moties en toezeggingen. Het college of de portefeuillehouder stelt daarbij voor welke moties of toezeggingen als afgedaan kunnen worden beschouwd.

  • 2.

    De commissiegriffier verwerkt de inhoud van de rapportage in het raadsinformatiesysteem en maakt een verdeling van de moties en toezeggingen naar taakveld van de betreffende commissie.

  • 3.

    De rapportages worden voor de eerstvolgende vergadering van de commissies BSM en RED geagendeerd.

  • 4.

    Raads- en/of burgerfractieleden kunnen tot uiterlijk 48 uur voor aanvang van de commissie eventuele opmerkingen ten aanzien van het voorstel voor afdoening bij de commissiegriffier, indienen. Het raads- en/of burgerfractielid vermeldt daarbij het nummer van de motie of toezegging. De commissiegriffier deelt deze opmerkingen met het college. Het college is in de gelegenheid om hier ter vergadering kort op te reageren.

  • 5.

    De betreffende commissie beslist over de afdoening van moties en toezeggingen. In gevallen waarbij het college voorstelt een motie of toezegging als afgedaan te beschouwen maar de commissie anders beslist, geeft de commissie aan welke acties nog worden verwacht alvorens de betreffende motie of toezegging als afgedaan kan worden beschouwd.

  • 6.

    Indien tot uiterlijk 48 uur voor aanvang van de commissie geen opmerkingen bij de commissiegriffier zijn ontvangen, wordt de rapportage, inclusief de voorstellen voor afdoening, conform vastgesteld.

     

Paragraaf 4.5 Verslaglegging

Artikel 56. Besluitenlijst commissie

  • 1.

    Van hetgeen in de commissievergadering wordt besloten, wordt door de commissiegriffier een besluitenlijst gemaakt die na afloop van elke commissievergadering door de commissievoorzitter en de commissiegriffier door ondertekening wordt vastgesteld.

  • 2.

    De besluitenlijst vermeldt:

    • a.

      de besproken onderwerpen en hetgeen is besloten;

    • b.

      de namen van de commissieleden die voor of tegen stemden bij hoofdelijke stemming, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;

    • c.

      minderheidsstandpunten indien daar door een lid expliciet om wordt verzocht.

  • 3.

    De besluitenlijst van besloten vergaderingen wordt niet verspreid, maar ligt uitsluitend voor de commissieleden, raadsleden en collegeleden ter inzage bij de commissiegriffier.

  • 4.

    De vastgestelde besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk na de commissie openbaar gemaakt via het raadsinformatiesysteem.

Artikel 57. Video- en/of audioverslagen

  • 1.

    Van hetgeen in de openbare commissievergadering wordt besproken, wordt een video- en/of audioverslag gemaakt.

  • 2.

    Het video- en/of audioverslag wordt zo spoedig mogelijk, maar binnen vijf werkdagen, gepubliceerd in het raadsinformatiesysteem.

  • 3.

    Het video- en/of audioverslag kan tevens worden beluisterd en/of teruggekeken via een computer in het gemeentehuis.

  • 4.

    Het video- of audioverslag van besloten vergaderingen kan door de commissieleden, raadsleden en het college worden beluisterd of teruggekeken via een computer bij de griffie.

  • 5.

    Het college draagt er zorg voor dat de video- en/of audioverslagen conform de eisen in de Archiefwet worden bewaard.

     

Paragraaf 4.6 Besloten commissievergadering

Artikel 58. Besloten commissievergaderingen

  • 1.

    Op besloten commissievergaderingen als bedoeld in artikel 86 van de Gemeentewet is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.

  • 2.

    Alle stukken waarop door de commissie geheimhouding is opgelegd, liggen uitsluitend voor commissieleden en raadsleden ter inzage bij de commissiegriffier.

  • 3.

    Als de raad op grond van artikel 86, derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen, wordt, als de commissie die geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten vergadering met de commissie overleg gevoerd.

Hoofdstuk 5. Themabijeenkomsten

Artikel 59. Themabijeenkomsten

  • 1.

    Een themabijeenkomst is een informele bijeenkomst voor raads- en burgerfractieleden gericht op deskundigheidsbevordering ten behoeve van de werkzaamheden van de raad. Themabijeenkomsten zijn geen commissievergaderingen in de zin van de Gemeentewet.

  • 2.

    Raadsleden en het college kunnen een verzoek tot het organiseren van een themabijeenkomst indienen bij de agendacommissie. Het verzoek voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a)

      het bevat een voorstel voor dag, tijdstip, locatie en (extern) voorzitter;

    • b)

      het maakt in voldoende mate aannemelijk dat het onderwerp niet geschikt is om te agenderen in de commissie BSM of RED;

    • c)

      in de gevraagde themabijeenkomst wordt niet gesondeerd aangaande ontwikkelingen waarover de raad in een later stadium tot besluitvorming over moet gaan.

  • 3.

    De agendacommissie toetst of aan de voorwaarden, genoemd in het tweede lid, is voldaan en neemt een beslissing over:

    • a)

      dag, tijdstip en locatie;

    • b)

      de inhoud van het programma en/of de agenda;

    • c)

      het uitnodigen van extern deskundigen;

    • d)

      wie als voorzitter fungeert.

  • 4.

    De agendacommissie kan in bijzondere gevallen bepalen dat de themabijeenkomst een besloten karakter kent. Het opleggen van vertrouwelijkheid of geheimhouding is niet mogelijk in een themabijeenkomst.

  • 5.

    De agendacommissie kan, als het onderwerp van de themabijeenkomst daartoe aanleiding geeft, besluiten dat de bijeenkomst alleen toegankelijk voor raadsleden is.

  • 6.

    Van themabijeenkomsten wordt geen schriftelijk, audio- en/of videoverslag gemaakt, tenzij de agendacommissie anders beslist.

Artikel 60. Uitnodiging themabijeenkomst

  • 1.

    De voorzitter van de themabijeenkomst zendt ten minste 7 dagen voor een themabijeenkomst de deelnemers de uitnodiging en agenda, zulks onder vermelding van dag, tijdstip en locatie.

  • 2.

    Eventuele informatie die betrekking heeft op de themabijeenkomst, wordt gepubliceerd via het digitaal raadsinformatiesysteem.

  • 3.

    De griffier draagt, de agendacommissie gehoord hebbende, zorg voor de uitnodiging van eventuele extern deskundigen en andere betrokkenen.

  • 4.

    Indien het college zich wil laten bijstaan door extern deskundigen of ambtenaren, dan draagt het college zorg voor de uitnodiging van de desbetreffende personen en/of instellingen. Het college stelt de griffier in kennis van deze uitnodiging(en).

Hoofdstuk 6: Toehoorders en pers

Artikel 61. Toehoorders en pers

  • 1.

    Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare vergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen

  • 2.

    Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.

Artikel 62. Geluid- en beeldregistraties

Degenen die van een openbare vergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan vooraf mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de persvrijheid aantasten.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 63. Uitleg reglement

In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad of de commissie op voorstel van de (commissie)voorzitter.

Artikel 64. Intrekking oude reglementen

De navolgende regelementen en verordeningen worden ingetrokken:

  • i.

    Reglement van orde ten behoeve van de vergaderingen van de gemeenteraad van Gulpen-Wittem (niet zijnde bijeenkomsten van de auditcommissie) versie juni 2017

  • ii.

    Verordening op de auditcommissie gemeente Gulpen-Wittem, wijziging juni 2017

  • iii.

    Verordening op de werkgeverscommissie Griffie Gulpen-Wittem 2012

  • iv.

    Reglement op het burgerfractielid voor de gemeente Gulpen-Wittem 2012

Artikel 65. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Dit reglement treedt in werking op 1 september 2021

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Reglement van orde van de raad van Gulpen-Wittem 2021

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Gulpen-Wittem in zijn vergadering van 27 mei 2021.

de raadsgriffier,

mr. R. Reichrath.

de voorzitter,

ing. N.H.C. Ramaekers-Rutjens.

Toelichting Reglement van orde van de raad van Gulpen-Wittem 2021

Artikel 1. Begripsbepalingen

In artikel 1 worden een aantal begrippen uit dit reglement van orde gedefinieerd. Deze spreken grotendeels voor zich.

 

Artikel 2. FractieVoorzittersOverleg (hierna: FVO)

Het FVO heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). Het FVO vervult voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol, omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen niet strookt met de Grondwet, die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125, eerste lid, van de Grondwet). Het FVO is daarom niet gerechtigd tot het nemen van bindende extern werkende besluiten. Het FVO kan dus geen besluiten nemen over onderwerpen die de (Gemeente)wet aan de raad heeft toegekend.

 

Het voorgaande laat evenwel onverlet dat er zich situaties kunnen voordoen waarin de raadsvoorzitter de fractievoorzitters over urgente kwesties wil informeren en eventueel in overleg met de fractievoorzitters wil bezien of het nodig is een tussentijdse raadsbijeenkomst te houden. Dit kan ook een politieke kwestie betreffen. In dat geval kan de kwestie wel informatief of procedureel besproken worden, doch op het moment dat een politiek standpunt gevraagd wordt of een proces voorgesteld wordt waarin politieke afwegingen kunnen plaatsvinden, zal een dergelijke kwestie aan de gehele raad moeten worden voorgelegd.

 

Het FVO kan niet ook optreden als werkgeverscommissie. De werkgeverscommissie, ingesteld op basis van artikel 83 van de Gemeentewet. Het FVO heeft voornamelijk een procedurele rol zoals hierboven aangegeven. Het is wel mogelijk om de raadsleden van het FVO te benoemen in de werkgeverscommissie en de vergaderingen van deze commissie te laten aansluiten op de vergaderingen van het FVO, zodat er, indien nodig, efficiënt overlegd kan worden.

 

Elke fractievoorzitter heeft een stem die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten.

 

Artikel 3. Agendacommissie

De agendacommissie vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de agendering van bijeenkomsten van de raad. De agendacommissie heeft het overzicht van alle onderwerpen waar de raad zich mee bezig houdt en zorgt voor de planning. De agendacommissie werkt met een raadsplanner en een voorraadagenda die inzicht bieden in de korte en middellange termijnplanning van de raad. In de samenstelling van de agendacommissie komt de evenredige vertegenwoordiging van de raad terug.

 

De commissie stelt de agenda's van commissies BSM en RED en de raad op. De definitieve vaststelling van de agenda van de raadscommissies BSM en RED en van de raadsvergadering geschiedt bij de aanvang van de betreffende vergadering.

 

Ten behoeve van het concreet bepalen van de voorlopige agenda’s, is het van belang dat de agendacommissie tijdig de te behandelen stukken via de griffier ontvangt. De uiterlijke aanlevertermijnen worden via het jaarlijkse vergaderschema (dat wordt vastgesteld door het FVO) met aanlevertermijnen aan de raad, college en organisatie bekend gemaakt. De organisatie geeft bij een raadsvoorstel een advies welke organisaties/burgers/deskundigen uitgenodigd moeten worden. De agendacommissie kan daar zelf nog adressen aan toevoegen of schrappen. De griffie verzorgt vervolgens namens het de agendacommissie de uitnodigingen aan belanghebbenden.

 

Stukken die het besluitvormingstraject ingaan, lopen in beginsel via een raadscommissie. De agendacommissie bepaalt waar behandeling plaatsvindt en sluit hierbij aan bij de verdeling van taakvelden.

 

Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Bij het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur de voorzitter van de raad indien mogelijk met de agendacommissie. Op deze wijze houdt de agendacommissie ook bij vergaderingen die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. De burgemeester heeft echter de bevoegdheid om hierin een eigenstandige afweging te maken.

 

Artikel 4. Werkgeverscommissie

De gemeente is de werkgever van de ambtenaren die werkzaam zijn bij deze rechtspersoon. De raad en het college vullen dit werkgeverschap in. De raad is daarbij het bevoegd gezag van de griffie en het college voor zijn organisatie. Gelet op de publieke taken, de grootte en de samenstelling van de raad is voor de feitelijke invulling van het werkgeverschap een commissie ingesteld waaraan de raad deze taak delegeert. Gelet op artikel 83 en artikel 156, eerste lid van de Gemeentewet is gekozen voor een bestuurscommissie. Daarin voorziet deze verordening.

 

De delegatie ziet alleen op het nemen van personele besluiten. Het vaststellen van rechtspositieregelingen leent zich uit de aard van de bevoegdheid niet voor delegatie en is derhalve wettelijk niet toegestaan. Naast het nemen van personele besluiten, buigt deze commissie zich bijvoorbeeld ook over het te voeren HRM-beleid, integriteitsbeleid (o.a. gedragscode, ambtseed, vertrouwenspersoon) en bereidt zij de voorstellen aan de raad voor die voortvloeien uit het werkgeverschap. Andere voorbeelden die horen tot de werkgeverstaak zijn het voeren van overleg met de griffier over de voortgang van de werkzaamheden van de griffie, het voeren van functionerings- en beoordelingsgesprekken met de griffier en het doen van voorstellen over de inrichting van de griffie.

 

Uit artikel 83 van de Gemeentewet vloeit voort dat de burgemeester (en de wethouders) geen lid kunnen zijn van de werkgeverscommissie. Dit is in de lijn met het feit dat de raad het bevoegde gezag is van de griffie. De burgemeester is hiervan geen lid. Overigens is de burgemeester wel lid van het college en stuurt hij dus rechtstreeks de secretaris aan, maar niet de griffier. De griffier is niet aan hem ondergeschikt. De burgemeester is echter wel technisch voorzitter van de raad en zal in die hoedanigheid vaak een beroep doen op de griffier. In dat kader kan het zinvol zijn om de burgemeester in voorkomende gevallen uit te nodigen in de vergaderingen van de werkgeverscommissie als informant.

 

Artikel 5. De voorzitter

De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet schrijft dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat het langstzittende raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.

 

Artikel 6. De griffier

De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikelen 100 en 107 van de Gemeentewet). De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid, van de Gemeentewet). In verband met artikel 22 van de Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.

 

Artikel 7. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden

Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt legt hij aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven en de beslissing over de toelating moeten in een openbare vergadering gebeuren. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt, brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.

 

Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van 00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de Gemeentewet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet).

 

De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd.

 

Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten.

 

Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren. Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid (Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 2014-0000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK)

In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling.

 

Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen (vierde lid).

Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd.

 

Artikel 8. Benoeming wethouders

Artikel 8 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden.

 

Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). Bij de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode integriteit speelt hierbij een rol. Daarnaast wordt van de kandidaat een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) gevraagd. De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de integriteit van de aspirant bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via een spoedprocedure uit te laten voeren. Na het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester brengt over de uitkomsten daarvan verslag uit aan de commissie geloofsbrieven wethouders.

 

Artikel 8 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden.

Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet).

 

Artikel 9. Fracties

De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de Gemeentewet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen. Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee.

 

In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen.

 

Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.

 

Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.

 

Dit betekent ook dat:

  • -

    kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de Gemeentewet en de Kieswet;

  • -

    personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen;

  • -

    als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren.

Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en –faciliteiten (zie aparte verordening hieromtrent), fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het FVO, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door burgerfractieleden.

 

Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).

 

De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde; als een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren gebeurt dit ook. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam.

 

Artikel 10. Burgerfractieleden

Op grond van de verordening rechtspositie raads- en commissieleden en het landelijke Rechtspositiebesluit, worden burgerfractieleden aangemerkt als politieke ambtsdragers. Alhoewel zijn in formele zin geen lid of onderdeel zijn van de gemeenteraad, brengt dit feit rechten en plichten mee. Zo hebben burgerfractieleden recht op presentiegeldvergoeding als zij deelnemen aan een commissievergadering. Ook andere voorzieningen, voortvloeiende uit de rechtspositieverordening kunnen van toepassing zijn voor burgerfractieleden. Omdat een burgerfractielid ook een politieke ambtsdrager is, voorziet het regelement in extra waarborgen. Zo gelden de integriteitsnormen voor raadsleden ook voor burgerfractieleden. Ze leggen de eed of belofte af en zijn gehouden aan de eisen die de Gemeentewet ook aan raadsleden stelt.

 

Artikel 11. Oproep en agenda

In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.

 

De agendacommissie stelt de agenda op. Het eerste lid stelt verplicht dat de voorzitter een vastgesteld aantal dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken stuurt. De oproep en stukken worden per elektronische weg verstuurd. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.

 

In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen.

 

Als omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden op verzoek inzage (derde lid juncto artikel 9, derde lid). Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken.

 

Het vierde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via de agendacommissie onderwerpen voor de voorlopige agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

 

Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de Gemeentewet.

 

Artikel 12. Publiceren van stukken

Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden.

 

Naast de fysieke terinzagelegging op het gemeentehuis, zullen de stukken op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via een digitaal raadsinformatiesysteem dat de stukken op de raadsinformatiesite plaatst.

 

Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Een ‘document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Wob.

 

Onder de ‘stukken’ als bedoeld in het derde lid worden verstaan: geheime stukken, waaronder de zogenaamde ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) en ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven.

 

De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd.

 

Artikel 13. Openbare kennisgeving

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In artikel 12 wordt vastgelegd op welke wijze raadsvergaderingen worden aangekondigd.

 

Artikel 14. Presentielijst

De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.

 

De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.

 

Artikel 15. Aantal spreektermijnen

Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan de raad daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.

 

De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29 van de Gemeentewet).

 

Artikel 16. Deelname aan de beraadslaging door anderen

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de Gemeentewet geregelde immuniteit. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen.

 

De raad kan op grond van artikel 4, derde lid, bepalen dat de griffier deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet. Collegeleden zijn niet verplicht om aanwezig te zijn in raadsvergaderingen. Het college kan onderling, bijvoorbeeld op basis van de een portefeuilleverdeling en de geagendeerde onderwerpen, afspraken maken over de vertegenwoordiging van het college in de raadsvergadering. In tegenstelling tot commissievergaderingen, kan het collegelid zich in een raadsvergadering niet laten bijstaan door een ambtenaar of een extern deskundige, tenzij de raad daar expliciet mee instemt.

 

Artikel 17. Voorstellen van orde

De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30 van de Gemeentewet).

 

Artikel 18. Beslissing

De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.

 

Artikel 19. Stemverklaring

Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.

 

Artikel 20. Stemming; procedure hoofdelijke stemming

Indien een raadslid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming hoofdelijk plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de Gemeentewet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd.

 

De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.

In de Winsumuitspraak (ABRvS, 7 augustus 2002, uitspraak 200200897/1) is het hoger beroep op artikel 28 van de Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) wel geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden.

 

In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 van de Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 van de Gemeentewet is bepaald. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseerde de toenmalige minister van BZK het volgende:

 

"de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 van de Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijvoorbeeld opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk."

 

Er is echter inmiddels vervolgjurisprudentie beschikbaar:

 

  • -

    In ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9710, AB 2010/310 oordeelde de Afdeling dat in het midden kon blijven of twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan met de grootst mogelijke meerderheid door de raad was vastgesteld. Zelfs indien zou worden vastgesteld dat de twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling, hebben zij geen beslissende stem in de uitkomst gehad;

 

  • -

    In ABRvS 22 juni 2011, LJN BQ8863, AB 2011/261 overwoog de Afdeling dat een raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een persoonlijk belang had bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor dat bedrijventerrein. De Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld met artikel 2:4 van de Awb omdat naar derden de schijn is gewekt dat het persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming. Daarbij speelde een rol dat het raadslid tijdens de vergadering van de raad veelvuldig het woord heeft gevoerd en namens zijn fractie een aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen die in feite tot gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan ten gunste van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook indien van de goede trouw van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt. Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad leidt niet een ander oordeel, omdat gelet op het feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld dat niet de schijn is gewekt dat hij invloed heeft gehad op de besluitvorming;

 

  • -

    In ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0796 preciseert de Afdeling haar hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de uitspraak van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van een gemeenteraad om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat besluit was genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij een raadslid die mogelijk belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan had gestemd. De Afdeling overwoog dat, in aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, het in de rede ligt voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ in artikel 2:4, tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus — en de Afdeling preciseert hiermee haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011 — in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces.

 

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed.

 

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

 

In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Vanwege praktische overwegingen wordt een analfabetische volgorde gehanteerd.

 

Artikel 21. Volgorde stemming over amendementen en moties

Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde.

 

Artikel 22. Stemming over personen

Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Sinds 1 februari 2016 is artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de Gemeentewet niet geregeld.

 

Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten.

Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen.

 

De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:

  • -

    Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en mevrouw Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;

  • -

    Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht;

  • -

    Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de Gemeentewet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.

Artikel 23 en 24. Besluitenlijst & video- en/of audioverslagen

Artikel 23 regelt de verslag leggende taak van de griffier en de wijze waarop de besluitenlijst wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet en het vijfde lid). In Gulpen-Wittem is er voor gekozen om een video-en/of audio-verslag te maken, naast een besluitenlijst.

 

De concept-besluitenlijst wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben.

 

De griffier verleent de ambtelijke bijstand aan de raad. Daarom is de griffier de eindverantwoordelijke functionaris voor het opstellen van een besluitenlijst en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen.

 

Artikel 25. Ingekomen stukken

Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid en geagendeerd. De raad stelt op voorstel van de agendacommissie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

 

Artikel 26. Besloten vergaderingen

Artikel 26 bepaalt dat de bepalingen van het RvO van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van het verslag en/of besluitenlijst.

 

De bepalingen van het RvO zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel bekrachtigd of opgeheven.

 

In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.

 

Artikel 27. Besluitenlijst besloten vergadering

In artikel 27 wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook eindverantwoordelijk voor de besluitenlijst van een besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier.

 

Artikel 28. Opheffing geheimhouding

In de in artikel 28 aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

 

Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, kan geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

 

Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd in een besloten vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen door deze niet te bekrachtigen.

 

Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft of niet bekrachtigt, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende stukken dan “automatisch” openbaar zijn. De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is nog steeds op deze stukken van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Wob worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende documenten. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren.

 

Artikel 29. Collegevoorstel

Artikel 29 heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven (eerste lid).

 

Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw wordt behandeld. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.

 

Artikel 30. Initiatiefvoorstel

Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.

In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).

Het tweede en derde lid van artikel 147a van de Gemeentewet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.

Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.

 

De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden. De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.

In het tweede lid is een termijn gesteld om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.

 

In het vierde lid van artikel 147a van de Gemeentewet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet). Deze zogenaamde voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).

 

Het derde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 8, tweede lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen.

 

Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat. Indien de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de Gemeentewet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken.

 

Artikel 31. Amendementen en subamendementen

Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn.

 

Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 27. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de Gemeentewet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).

 

Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben (tweede lid).

 

Artikel 32. Moties

In artikel 1 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.

 

Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft (tweede lid).

 

Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats (derde lid). Dergelijke moties benaderen de in artikel 29 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.

 

In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Dit wordt meestal opgevat als een aansporing aan diegene(n) wiens/wier functioneren de motie betreft zijn/haar/hun functie neer te leggen. Een formele verplichting is dit echter niet. Indien de betreffende wethouder zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen. Voor wat betreft de burgemeester, geldt een afwijkende procedure (61b Gemeentewet).

 

Artikel 33. Inlichtingen

In artikel 33 wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid.

 

De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de Gemeentewet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen.

 

In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de Gemeentewet een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht.

 

Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, van de Gemeentewet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de Gemeentewet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen. De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier derhalve zelf een modus in vinden.

 

Artikel 34. Vragenhalfuur

Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur. In een dualistisch stelsel is het niet meer vanzelfsprekend dat het ter zake kundige collegelid aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenhalfuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.

 

Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt.

 

Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. Het vragenuur kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenuur op een vast tijdstip te houden.

 

In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege het feit dat het collegelid waaraan vragen worden gesteld, moet worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van de raadsleden.

 

Het is niet verplicht dat de vragensteller de vragen vooraf ter beschikking stelt aan het college. Door de vragen vooraf via de griffie met het betreffende collegelid te delen, verhoogt de vragensteller de kans op een kwalitatieve beantwoording van zijn/haar vragen. Het collegelid krijgt op die manier de gelegenheid om de beantwoording voor te bereiden. Het is de eigen afweging van de vragensteller om dit wel of niet te doen.

 

Artikel 35. Schriftelijke vragen

Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de Gemeentewet).

 

In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.

 

Artikel 36. Interpellatie

Artikel 33 stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken.

 

Artikel 37 en 38. Instellen en taken raadscommissies

Eind 2020 / begin 2021 is er een werkgroep ingesteld die het vergadermodel heeft geëvalueerd. Er bestond (onder andere) een grote behoefte aan een gelegenheid waar het college voorstellen, ideeën of een aanpak kan sonderen. Ook constateerde de werkgroep dat de onderlinge oordeelvorming nauwelijks een plek had in de vergaderstructuur. De instelling van raadscommissies moet aan beide doelstellingen tegemoetkomen.

 

De taken van de raadscommissies zijn vastgelegd in artikel 82, eerste lid, van de Gemeentewet. De raadscommissies bereiden de besluitvorming van de raad voor en overleggen met het college of de burgemeester.

 

De taak om de besluitvorming van de raad voor te bereiden komt tot uitdrukking in de taak advies uit te brengen over een voorstel of onderwerp. De raadscommissie kan ook uit eigener beweging advies aan de raad uitbrengen, ook dit advies kan aanleiding zijn voor besluitvorming in de raad. De taken van de raadscommissie zijn in essentie dezelfde als die van de raad, die van kaderstellend, controlerend en volksvertegenwoordigend orgaan.

 

De raadscommissie bepaalt evenals de raad haar eigen agenda. Dit betekent dat niet het college, maar de raadscommissie bepaalt of een voorstel aan de raadscommissie wordt voorgelegd alvorens het in de raad wordt besproken. Om de agenda’s voor te bereiden is er een agendacommissie ingericht. Er kunnen immers ook agendapunten zijn die niet in de commissies BSM of RED worden besproken. Denk aan voorstellen van het FVO, de werkgeverscommissie of moties of initiatiefvoorstellen.

 

Het is een bewuste keuze geweest om geen aparte financiële of auditcommissie te benoemen. Er bestond bij raadsleden een behoefte om naast de financieel-technische kant van P&C-stukken, ook inhoudelijk te kunnen spreken. De P&C-stukken worden door de commissie BSM behandeld, zowel financieel-technisch als inhoudelijk. Indien de commissie dat nodig oordeelt, kan er een werkgroep worden ingesteld die in kleiner verband over financiële aangelegenheden kan spreken.

 

De commissie BSM bespreekt voorts het jaarverslag en het onderzoeksplan van de rekenkamer en besluit over mogelijk te houden onderzoeken die binnen de reguliere budgetten vallen. Indien een onderzoek meer budget vergt dan door de raad is beschikbaar gesteld, dan wordt dit ter besluitvorming aan de gehele raad voorgelegd.

 

Artikel 39 en 40. Leden en commissievoorzitter

De commissies BSM en RED kennen geen vaste samenstelling. Naast raadsleden kunnen ook burgerfractieleden als lid van de commissie optreden. Omdat de vergaderingen in het teken staan van de voorbereiding van besluitvorming van de raad en het overleg met het college of de burgemeester, is er sprake van een raadscommissie. Er dient rekening gehouden te worden met alle vereisten die voor een raadscommissie gelden zoals een evenwichtige vertegenwoordiging (artikel 82, derde lid, van de Gemeentewet). De raad bepaalt bij wijziging in samenstelling van de raad ook de evenwichtige vertegenwoordiging vast. De raad bepaalt het aantal zetels die een fractie in de commissie bij de bespreking van een agendapunt heeft. Bij stemming wordt van deze zetelverdeling uitgegaan. Ook geldt de zetelverdeling bij het bepalen van het maximaal aantal woordvoerders per fractie. Een fractie die twee zetels in de commissie mag bemensen, heeft twee keer één stem en mag met maximaal twee personen deelnemen aan de beraadslagingen. Indien fracties er voor kiezen om hun woordvoerders per agendapunt te wijzigen, wordt dit vooraf kenbaar gemaakt bij de griffie en de commissievoorzitter. Hiervan wordt aantekening gemaakt op de presentielijst.

 

Op grond van het derde lid moeten commissieleden, evenals raadsleden, voldoen aan hetgeen is bepaald in de artikelen 10, 11, 12 en 13 van de Gemeentewet. Dit betekent onder andere dat zij achttien jaar moeten zijn, over een geldige verblijfstitel moeten beschikken, hun nevenfuncties openbaar moeten maken en geen functie als bedoeld in artikel 13 van de Gemeentewet mogen vervullen.

 

De voorzitter vervult zijn rol onafhankelijk en leidt de vergadering in goede banen. Hij is belast met de handhaving van de vergaderorde en spreekt deelnemers daarop aan. Voorzitters van de commissies BSM en RED worden door raad benoemd. De commissievoorzitters mogen ook externe personen, niet zijnde de burgemeester of een wethouder, zijn. De raad selecteert de commissievoorzitter op basis van kwaliteit van de persoon als voorzitter. Indien de voorzitter verhinderd is, treedt de plaatsvervangend voorzitter (zijnde een raadslid) in zijn plaats. Mocht de plaatsvervangend voorzitter verhinderd zijn, dan wijst de commissie een voorzitter uit haar midden aan.

 

Artikel 41. De commissiegriffier

De griffier gaat als leidinggevende van het griffiepersoneel over de inzet van capaciteit bij de griffie. De raad benoemt een plaatsvervangend griffier. In de praktijk zal de plaatsvervangend griffier optreden als commissiegriffier. Ook de griffier zelf zal in de praktijk de ondersteuning van een commissie voor zijn rekening nemen. In onvoorziene gevallen kan een andere griffiemedewerker worden gevraagd als commissiegriffier op te treden. Indien bij de griffie niet in de ondersteuning kan worden voorzien, treedt de griffier in overleg met de secretaris en de werkgeverscommissie.

 

Artikel 42. Oproep en agenda commissievergadering

Het eerste lid stelt verplicht dat de commissievoorzitter 7 dagen vóór een vergadering de raads- en/of burgerfractieleden een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken stuurt (eerste lid). De agenda is opgesteld door de agendacommissie. De stukken worden niet per post maar elektronisch verzonden. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering. In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de commissievergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de agendacommissie na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken opstellen. De aanvullende agenda met de bijbehorende stukken wordt door de commissievoorzitter zo spoedig mogelijk verzonden. Bij de vaststelling van de agenda bepaalt de commissie of nagezonden stukken, later dan 48 uur voor aanvang van de vergadering, kunnen worden toegelaten.

 

Als omtrent stukken op grond van artikel 86, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier en verleent deze de commissieleden op verzoek inzage. Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken.

 

Uiteindelijk bepaalt een raadscommissie zijn eigen agenda. De agenderende rol van een raadscommissie komt tot uitdrukking in het vierde lid.

 

Artikel 43. Publiceren van stukken ten behoeve van de commissievergadering

Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden. Naast de fysieke terinzagelegging op het gemeentehuis, zullen de stukken doorgaans op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat bijvoorbeeld via een digitaal raadsinformatiesysteem of door plaatsing op de gemeentesite.

 

De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de commissievergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd. De geheimhouding geldt voor iedereen die gebruikmaakt van de inzage mogelijkheid.

 

Artikel 44. Openbare kennisgeving commissievergadering

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

 

Artikel 45. Presentielijst commissievergadering

De presentielijst en de ondertekening door de voorzitter en de commissiegriffier zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum aanwezig is. Daarnaast is de presentielijst van belang om de vergoedingen van de niet-raadsleden die lid zijn van de raadscommissie te kunnen vaststellen. Fracties geven vooraf aan de voorzitter via de griffie welke raads- en/of burgerfractieleden zullen deelnemen aan de vergadering. Indien een fractie wisselende woordvoerders heeft, wordt dit eveneens vooraf kenbaar gemaakt. Dit is van belang zodat de voorzitter – mocht het tot een stemming komen – kan vaststellen wie op dat moment de samenstelling van de commissie vormt.

 

Artikel 46. Opening commissievergadering en quorum

Artikel 20 van de Gemeentewet regelt het vergaderquorum van de raad. Voor de raadscommissies ontbreekt een dergelijke bepaling in de Gemeentewet. Artikel 44 voorziet hierin. Indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend, kan worden vergaderd. Het aantal leden van de raadscommissie wordt door de raad bepaald, net als de zetelverdeling.

 

Het derde lid voorziet in een regeling voor een nieuwe vergadering indien het quorum niet bereikt is, anders zou de afwezigheid van leden van een raadscommissie de voortgang van werkzaamheden kunnen belemmeren. Uiteraard staat op het moment dat de voorzitter de datum en het tijdstip van de nieuwe vergadering bepaalt, nog niet vast op welk moment de schriftelijke oproep uitgaat. De commissievoorzitter voert hierover overleg met de agendacommissie. Indien er enkele dagen tussen de twee vergaderingen zitten, mag er vanuit worden gegaan dat het mogelijk is om 24 uur van tevoren een schriftelijke oproep te versturen (tweede lid).

 

Artikel 47. Aantal spreektermijnen commissievergaderingen

Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Interrupties gelden niet als een spreektermijn. Een spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten (tweede lid). Dit hoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter alleen te honoreren ten behoeve van het afleggen van een kort statement. Indien de raadscommissie van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan zij daartoe uitdrukkelijk besluiten (eerste lid).

 

Artikel 48. Deelname aan beraadslaging door anderen in een commissie

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de Gemeentewet geregelde immuniteit, dat in artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op deelnemers aan raadscommissies. Het is uiteraard ook mogelijk dat een raadscommissie bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. Het gaat in deze bepaling om anderen dan de leden, de voorzitter, de burgemeester en de wethouders. Deze hebben op grond van artikel 21, gelezen in samenhang met artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om aan de beraadslagingen deel te nemen. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld de secretaris uitgenodigd worden. Uiteraard hebben deze andere sprekers niet dezelfde rechten als de leden. Een andere spreker heeft onder meer geen recht om een voorstel over de spreektijd of over de orde van de vergadering te doen.

 

Artikel 49. Inspreekrecht

Het geven van spreekrecht aan burgers is een manier om burgers meer te betrekken bij de besluitvorming van de raad. Doordat de raadsvergadering het sluitstuk is van het besluitvormingsproces dat lang daarvoor is begonnen (ambtelijke organisatie, college, commissies) is er voor gekozen het spreekrecht op te nemen voor de commissievergaderingen. In die fase zijn de fracties nog bezig met het vormen van een mening. Een inspreekmogelijkheid tijdens de raadsvergadering is doorgaans minder effectief.

 

Het spreekrecht geldt alleen voor raadsvoorstellen die op de agenda van de commissie staan (eerste lid). Om te voorkomen dat inspraakprocedures elkaar kruisen, is het inspreekrecht niet open gesteld voor informerende of sonderende agendapunten. Die agendapunten komen meestal later via een raadsvoorstel alsnog op de agenda van de commissie. Op dat moment kunnen burgers inspreken bij de behandeling van het raadsvoorstel.

 

De burgers die wensen in te spreken kunnen zich binnen een ‘redelijke termijn’ voor de vergadering melden bij de commissiegriffier. Procedureel is het handig om als ‘redelijke termijn’ circa 48 uur aan te houden.

 

In het zesde lid is ervoor gekozen om een burger slechts éénmaal het woord te geven en geen discussie te laten plaatsvinden. De inspreker heeft als richtlijn 3 minuten spreektijd. Op voorstel van de voorzitter, die in eerste instantie voor een ordentelijk verloop van de vergadering moet zorgen en dus moet kunnen aanvoelen of een verkorting of verlenging van de spreektijd gewenst is, kan van deze richtlijn worden afgeweken.

 

Soms ontstaat er tijdens de beraadslagingen (nadat de inspreker al zijn inbreng heeft geleverd) de behoefte om nog een verhelderende vraag aan de inspreker te stellen. In dat geval beoordeelt de commissie of deelname aan de beraadslagingen de kwaliteit ervan wordt bevorderd. De voorzitter ziet er op toe dat de dynamiek van de beraadslagingen niet gedomineerd wordt door de inspreker. Raads- en/of burgerfractieleden moeten in alle vrijheid met elkaar de beraadslagingen kunnen voeren.

Artikel 50. Voorstellen van orde in een commissie

De voorzitter legt aan de commissie ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de commissie. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze.

 

Artikel 51. Handhaving orde en schorsing

Artikel 26 van de Gemeentewet geeft aan dat de voorzitter bij raadsvergadering bevoegd is om de orde in de vergadering te handhaven. Voor de commissievergaderingen ontbreekt een dergelijke bepaling, deze is daarom in artikel 51 opgenomen. Ingevolge het eerste lid is de commissievoorzitter belast met de handhaving van de orde in de commissievergaderingen. Op basis van het vierde lid kunnen alle sprekers in bepaalde gevallen door de voorzitter tot de orde worden geroepen en kan hen zo nodig over het aanhangige onderwerp het woord ontzegd worden. Ook kan de voorzitter de vergadering schorsen en bij herhaling van de verstoring van de orde, de vergadering sluiten. In het uiterste geval kan hij een lid het verdere verblijf ontzeggen en hem uit de vergadering doen verwijderen. Indien een lid blijft volharden in zijn gedrag kan hem de toegang tot de vergadering voor ten hoogste drie maanden worden ontzegd.

 

Om te bevorderen dat leden van raadscommissies zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten bepaalt artikel 82, vijfde lid, van de Gemeentewet bovendien dat artikel 22 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is op leden van raadscommissies. Hierdoor zijn leden van raadscommissies niet in rechte te vervolgen, aan te spreken of verplicht getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. Dit geldt voor zowel raadsleden als burgerfractieleden.

 

Artikel 52 t/m 54. Reikwijdte besluitvorming en advies in de commissie

De commissies BSM en RED kunnen geen beslissingen nemen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Alleen in de raadsvergadering kunnen besluiten in de zin van de Awb worden genomen. Wel kan een raadscommissie gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan de raad. Bij het bepalen van dat advies kan een stemming nodig zijn. Voor die gevallen wordt aansluiting gezocht bij de artikel 27 tot en met 32 van de Gemeentewet.

 

Ten behoeve van het debat in de raad en om recht te doen aan de mening van alle fracties, inclusief minderheidsstandpunten, worden, indien daarom verzocht wordt, alle standpunten van alle fracties in de besluitenlijst opgenomen. Indien een commissielid het niet eens is met het fractiestandpunt, kan hier afzonderlijk melding van worden gemaakt in het advies aan de raad. Dit wordt opgenomen in de besluitenlijst.

 

Artikel 55. Afdoening moties en toezeggingen

In de aan de raad gerichte rapportages worden voorstellen gedaan van procedurele aard, zijnde het wel of niet afdoen van een motie of toezegging. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de commissievoorzitter buiten de orde verklaren. Indien raads- en of burgerfractieleden het niet eens zijn met de wijze van afdoening, dan kan dit tot uiterlijk 48 uur voorafgaand aan de commissie kenbaar gemaakt worden. Het college mag hierop nog reageren en de voorzitter zorgt er voor dat de commissie enkel beslist over het voorstel van afdoening. Indien een voorstel niet wordt overgenomen, dan formuleert de voorzitter de wens van de commissie zodat het college hier bij de verdere afdoening van de betreffende motie of toezegging rekening kan houden. Indien een raadslid inhoudelijk over moties en toezeggingen wil spreken, kan hij daartoe een agendaverzoek indienen bij de agendacommissie.

 

Artikel 56. Besluitenlijst commissie

Om er voor te zorgen dat de agendacommissie beschikt over vastgestelde besluitenlijsten, is voor de procedure gekozen dat de voorzitter en de griffier de besluitenlijst vaststellen. Een vergelijkbare procedure wordt gehanteerd ten aanzien van de presentielijst.

 

De besluiten van de commissies BSM en RED hebben geen externe werking en zijn geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit is voorbehouden aan de gemeenteraad. Om recht te doen aan minderheidsstandpunten, worden deze integraal opgenomen in de besluitenlijst als daarom wordt verzocht. Op die wijze kan de raad deze standpunten betrekken bij de besluitvorming.

 

Artikel 57. Video- en/of audioverslagen commissie

Van openbare commissievergaderingen wordt een video- en/of audio opname gemaakt die binnen 5 werkdagen beschikbaar wordt gesteld via het raadsinformatiesysteem

 

Artikel 58. Besloten commissievergaderingen

Bij bepalingen die van overeenkomstige toepassing zijn kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het vergaderquorum en voorstellen van orde. De bepalingen van deze verordening zijn echter niet van toepassing, voor zover de toepassing van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal een raadscommissie moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in artikel 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. Bij besloten (gedeelten) van commissievergaderingen kunnen alleen commissieleden, collegeleden en commissiegriffier aanwezig zijn. Ook kan de commissie besluiten anderen toe te laten tot het besloten gedeelte van de vergadering.

 

Op grond van artikel 82, vijfde lid Gemeentewet, is artikel 23 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Het vierde lid van artikel 23 van de Gemeentewet schrijft voor dat van een besloten vergadering een afzonderlijk verslag wordt opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij de raad en in casu dus een raadscommissie anders beslist.

 

Artikel 59. Themabijeenkomsten

Tot vaststelling van dit regelement van orde in 2021, had de raad raadsconferenties. De raadsconferenties waren bedoeld om met (een deel van) de raad en (een deel van) het college en eventuele externen informeel overleg te voeren. Bedoeling van de raadsconferenties was om informatie te geven, inzichten te verschaffen, problemen te schetsen en het peilen van draagvlak om een onderwerp op te pakken. De informerende en sonderende doelstellingen krijgen in het nieuwe vergadermodel een plek in de commissievergaderingen. Voor de beeldvormende doelstelling komt nu de themabijeenkomst in de plaats van de raadsconferentie.

 

Als richtlijn houdt de raad maximaal 4 themabijeenkomsten per jaar aan. Om het informele karakter van de bijeenkomst te bewaken, worden er geen opnames gemaakt. De agendacommissie kan hiervan gemotiveerd afwijken als bijvoorbeeld de bijeenkomst een bijzondere belangstelling kan wekken bij burgers of externen.

 

Niet alleen het college mag de agendacommissie verzoeken om een themabijeenkomst te organiseren, ook raadsleden kunnen een dergelijk verzoek indienen. Het is belangrijk dat de verzoeker zijn verzoek goed motiveert en daarbij rekening houdt met de genoemde voorwaarden. Een verzoek dat niet voldoet aan de voorwaarden, wordt door de agendacommissie afgewezen of wordt op die punten door de agendacommissie naar eigen inzicht aangevuld.

 

Artikel 60. Uitnodiging themabijeenkomst

De uitnodiging wordt door de voorzitter verzonden. De agendacommissie maakt duidelijke afspraken over het programma, de agenda en de eventuele voorzitter. De griffie draagt in beginsel zorg voor de organisatie van de themabijeenkomsten. Indien het verzoek vanuit het college wordt gedaan om een themabijeenkomst te organiseren, dan wordt het inhoudelijk programma door de ambtelijke organisatie, in afstemming met de griffie, georganiseerd.

 

Artikel 61. Toehoorders en pers

De in artikel 25 aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.

 

Artikel 62. Geluid- en beeldregistraties

Indien een vergadering een openbaar karakter heeft, is het toegestaan geluid- en beeldregistraties te maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient voor zover mogelijk rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Dit geldt niet voor politieke ambtsdragers. Insprekers en publiek accepteren bij het betreden van een vergaderruimte waar een openbare vergadering plaatsvindt dat er mogelijk opnames worden gemaakt.

 

Artikel 63, 64 en 65. Slotbepalingen

De intrekking van de oude regelementen en de inwerkingtreding van het nieuwe regelement van orde vindt plaats op dezelfde dag.