Gemeenteblad van Schouwen-Duiveland

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Schouwen-DuivelandGemeenteblad 2021, 188541Beleidsregels



Beleidsregels inzake het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan veranderen gemeente Schouwen-Duiveland 2021

Burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland;

 

Gezien het voorstel van de afdeling Openbare Werken (OW) van 20 april 2021, met zaaknummer 425440;

 

Gelet op artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2:12 van de Algemene

plaatselijke verordening Schouwen-Duiveland en Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

Overwegende dat het uit het oogpunt van de bruikbaarheid en het veilig en doelmatig gebruik van de weg,

alsmede de bescherming van openbare (groen)voorzieningen en openbare parkeerplaatsen in de gemeente, wenselijk is regels te stellen omtrent het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan te veranderen;

 

 

 

Besluit:

 

 

vast te stellen de “Beleidsregels inzake het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik

daarvan veranderen gemeente Schouwen-Duiveland 2021”.

 

 

 

 

Artikel 1  

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

1. bedrijventerrein: cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied;

2. omgevingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, sub e van de Wet algemene

bepalingen omgevingsrecht, bezien in relatie tot artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening

Schouwen-Duiveland (hierna: Apv);

3. rijbaan: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,

ofwel elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte met uitzondering van de fietspaden en de

fiets/bromfietspaden;

4. tussenwoning: een woonhuis dat met andere, gelijkvormige of nagenoeg gelijkvormige huizen onder één kap of in een rij is geplaatst en zich niet op de hoek van die rij bevindt;

5. uitweg: een directe overgang van een perceel op de rijbaan of een overgang op de rijbaan onderbroken

door een verhardingsstrook (trottoir) en/of een plantsoenstrook al of niet gescheiden door een waterpartij;

6. weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, ofwel alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten met dien verstande dat het gaat om een weg die aan de gemeente toebehoort.

 

Artikel 2  

1. Voor particulier gebruik en voor bedrijven die niet op een bedrijventerrein zijn gevestigd wordt één uitweg met een maximale breedte van 6 meter toegestaan.

2. Een tweede uitweg van een particulier erf op de rijbaan wordt niet toegestaan binnen de gemeente.

3. Een op particulier terrein geparkeerd voertuig mag niet uitsteken op de openbare weg.

4. Voor tussenwoningen wordt geen uitweg toegestaan tenzij:

a. in de oorspronkelijke opzet van het betreffende woonperceel is voorzien in parkeren in voortuinen of

b. het betreft (drive-in)woningen met daaronder een bestaande garage of

c. de aanleg feitelijk niet leidt tot verlies van openbaar groen of openbare parkeerruimte

 

Artikel 3  

1. Aan bedrijven gevestigd op bedrijventerreinen kan omgevingsvergunning worden verleend voor maximaal twee uitwegen met een maximale breedte van het gehele betreffende perceel. De tweede uitweg wordt enkel vergund indien deze noodzakelijk is in verband met de bedrijfsvoering en bovendien voldoet aan de eisen genoemd in artikel 2:12 Apv. De exact toegestane breedte van de uitweg(en) wordt per geval beoordeeld en in de voorschriften van de omgevingsvergunning aangegeven.

2. Aan andere bedrijven kan, in afwijking van artikel 2 lid 1, omgevingsvergunning worden verleend voor

maximaal één uitweg op de rijbaan met een maximale breedte van het gehele betreffende perceel, indien

deze noodzakelijk is in verband met de bedrijfsvoering en bovendien voldoet aan de eisen genoemd in

artikel 2:12 Apv. De exact toegestane breedte van de uitweg(en) wordt per geval beoordeeld en in de

voorschriften van de omgevingsvergunning aangegeven.

 

Artikel 4  

1. Het maken of veranderen van een uitweg dient door de gemeente Schouwen-Duiveland te worden

verzorgd. Het materiaal en de constructie dient hierbij zoveel mogelijk te worden afgestemd op omliggende materiaalsoorten en constructies.

2. De kosten voor de uitvoering zijn volledig voor rekening van de aanvrager.

3. Onder kosten voor de uitvoering wordt ook een eventuele herplantplicht verstaan.

4. Over de uitvoeringskosten dient overeenstemming te zijn. De uitweg kan worden aangelegd nadat

aanvrager de door de gemeente op te stellen overeenkomst heeft ondertekend.

 

Artikel 5  

In de omgevingsvergunning wordt in ieder geval opgenomen:

a. de exacte locatie (door middel van een tekening);

b. de verhardingsbreedte van de uitweg overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van deze beleidsregels;

c. het onderhoud van de uitweg komt, vanaf de erfgrens tot de rijbaan, voor rekening van de

vergunninghouder.

 

Artikel 6  

1. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na bekendmaking.

2. Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels uitwegen 2021”.

3. Bij inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de “Beleidsregels inzake het maken, hebben of

veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan veranderen 2018” ingetrokken.

4. Uitwegvergunningen die zijn verleend onder de werking van de voorgaande beleidsregels en die van

kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels, worden aangemerkt als

vergunningen krachtens deze beleidsregels.

Zierikzee, d.d. 20 april 2021

Burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland,

M.K. van den Heuvel J.Chr. van der Hoek MBA

Secretaris Burgemeester

Toelichting

 

In de Algemene Plaatselijke Verordening Schouwen-Duiveland is een vergunningplicht opgenomen voor het maken of veranderen van een uitweg. Dit is gesteld om te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen creëert. Elke uitweg is per definitie een verstoring voor de weg en daarmee potentieel gevaarlijk. Daarom zijn er regels nodig wanneer uitwegen wel worden toegestaan. Deze beleidsregels geven daar de uitwerking van.

 

Bij het beoordelen van een aanvraag voor een uitweg wordt gekeken of dat ten koste gaat van de

bruikbaarheid van de weg of het veilig gebruik daarvan te veel zou belemmeren. Bij de bescherming van

groenvoorzieningen is van belang of voor het maken van een uitweg een (gedeelte van een) gemeentelijk

plantsoen moet wijken. Ook wordt gekeken of het realiseren van een uitweg niet zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Dit betekent dat de uitweg niet kan worden aangelegd indien er geen noodzaak is voor het verwijderen van een openbare parkeerplaats. Deze noodzaak kan bijvoorbeeld medisch zijn, maar ook in het algemeen belang.

 

In een nieuwbouwplan worden de kosten voor de aanleg van een uitweg meegenomen in de

exploitatieopzet. Hiermee wordt voorkomen dat de kopers achteraf geconfronteerd worden met extra

onverwachte kosten. Als de kosten niet in de exploitatie ’meegenomen’ worden, wordt dit aan de betrokkene duidelijk gemaakt. Het onderhoud van de uitweg komt, vanaf de erfgrens tot de rijbaan, voor rekening van de vergunninghouder.

 

Te onderscheiden woningtypen

Voor zover het gaat om woningen zien de beleidsregels in de praktijk vooral op rijenwoningen, met name de tussenwoningen daarvan. Bij kopwoningen van een rij en bij (half)vrijstaande huizen met een voldoende brede oprit op eigen terrein naast de woning is een uitweg in het algemeen mogelijk. In die laatste situaties heeft de stalling van een auto, kampeerwagen of caravan op de oprit doorgaans minder invloed op het straatbeeld, vooropgesteld dat de voortuin intact blijft waardoor zijn functie als groene buffer behouden blijft. Daarnaast zijn er situaties waarin bij de bouw juist is uitgegaan van parkeren in de voortuin. Bij deze woningtypen is de voortuin nadrukkelijk ontworpen voor het stallen van auto’s (al dan niet onder een carport) of hebben de woningen een daaronder liggende garage (drive-in woningen). Het straatprofiel is hier dan ook op afgestemd. Dat valt bijvoorbeeld op te maken uit de aanwezigheid van lage trottoirbanden of juist het ontbreken van trottoirs of van parkeerplaatsen langs de weg, concentraties van openbaar groen etc.. In die gevallen vormt een uitweg geen bezwaar.

 

Uitwegen en openbare parkeerplaatsen

Parkeren in voortuinen wordt vaak gezien als oplossing voor een tekort aan parkeerplaatsen in de wijk. De

aanleg van een uitweg gaat echter in veel gevallen ten koste van een openbare parkeerplaats langs de weg. Het opheffen van een openbare parkeerplaats ten behoeve van een plaats op eigen terrein levert per saldo minder parkeermogelijkheden op. De parkeerplaats kan immers gedurende de dag niet meer door meerdere autobezitters worden gebruikt. In gebieden waar de parkeerdruk hoog is biedt het creëren van parkeerplaatsen op eigen erf hooguit een zekere garantie voor bewoners dat zij vlakbij hun huis kunnen parkeren. Het eventuele parkeertekort wordt daarmee echter niet opgelost, maar eerder vergroot of verplaatst.