Gemeenteblad van Barneveld

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BarneveldGemeenteblad 2021, 128901Beleidsregels



Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld tot vaststelling van de Beleidsregels schuldhulpverlening gemeente Barneveld

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;

 

gelet op de Algemene wet bestuursrecht, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en het Beleidsplan Sociaal Domein ‘Mensen voorop’ (versie december 2018);

 

overwegende dat op grond van het bepaalde in artikel 3 e.v. van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening het college de bevoegdheden heeft omtrent de toelating tot schuldhulpverlening en dat in het beleidsplan Sociaal Domein ‘Mensen voorop’ uitgangspunten met betrekking tot schuldhulpverlening zijn opgenomen;

besluit:

 

vast te stellen de Beleidsregels schuldhulpverlening gemeente Barneveld

 

HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    cliënt: de persoon die zich tot het college heeft gewend voor schuldhulpverlening;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld;

  • c.

    inwoner: de ingezetene die op grond van de Wet basisregistratie personen in de gemeente Barneveld is ingeschreven en feitelijk in die gemeente verblijft;

  • d.

    problematische schulden: de situatie waarin van een natuurlijke persoon redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of waarin hij heeft opgehouden te betalen;

  • e.

    schone lei: kwijtschelding van het niet-afgeloste deel van de vordering(en) (restantschuld), inclusief rente en kosten, door de schuldeiser(s) onder vooraf overeengekomen voorwaarden;

  • f.

    schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing bij het beheersen van schulden, alsmede de nazorg;

  • g.

    schuldhulpverleningstraject: het totaal aan dienstverlening (ondersteuning) bij het vinden van een adequate oplossing bij het beheersen van schulden, al dan niet gericht op de aflossing van die schulden;

  • h.

    minnelijk schuldregelingstraject: bemiddeling door de gemeente tussen de cliënt en zijn schuldeisers om een minnelijke regeling voor de problematische schulden te bewerkstelligen, gericht op het verkrijgen van een schone lei van de cliënt.

Artikel 2 Toelatingscriteria schuldhulpverlening

De cliënt komt in aanmerking voor schuldhulpverlening indien hij:

  • a.

    inwoner is van de gemeente Barneveld; en

  • b.

    18 jaar of ouder is.

Artikel 3 Weigeringsgronden schuldhulpverlening

De cliënt komt niet in aanmerking voor schuldhulpverlening indien:

  • a.

    hij geen rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;

  • b.

    de schulden voortvloeien uit het voeren van een bedrijf en het bedrijf (nog) niet is beëindigd.

Artikel 4 Verplichtingen schuldhulpverlening

  • 1.

    De cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op schuldhulpverlening.

  • 2.

    De verplichting uit het eerste lid geldt niet als gegevens over die feiten en omstandigheden door het college zelf kunnen worden verkregen.

  • 3.

    De cliënt is verplicht om desgevraagd alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is.

  • 4.

    De medewerking als bedoeld in het derde lid bestaat onder andere uit:

    • a.

      het ter inzage leggen van een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht;

    • b.

      het nakomen van afspraken zoals opgenomen in het plan van aanpak;

    • c.

      het zich houden aan aanvullende verplichtingen en voorwaarden die tijdens het schuldhulpverleningstraject worden opgelegd en vastgesteld in een afsprakenlijst;

    • d.

      geen nieuwe schulden aangaan.

Artikel 5 Beëindiging schuldhulpverlening

  • 1.

    De schuldhulpverlening wordt beëindigd indien:

    • a.

      de cliënt niet langer voldoet aan de toelatingscriteria uit artikel 2;

    • b.

      een situatie als genoemd in artikel 3 zich alsnog voordoet;

    • c.

      de cliënt één of meer van de verplichtingen opgenomen in artikel 4 heeft geschonden;

    • d.

      de cliënt dit uitdrukkelijk en schriftelijk verzoekt;

    • e.

      de cliënt komt te overlijden.

  • 2.

    Indien een situatie als in het eerste lid, onder a tot en met c, zich voordoet en dit de cliënt niet of verminderd te verwijten is, kan het college in afwijking van het eerste lid gemotiveerd van beëindiging afzien.

HOOFDSTUK 2 – MINNELIJK SCHULDREGELINGSTRAJECT

Artikel 6 Toepassing hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 van deze beleidsregels is onverminderd van toepassing op de bepalingen over het minnelijk schuldregelingstraject.

Artikel 7 Toelatingscriteria minnelijk schuldregelingstraject

  • 1.

    De cliënt komt in aanmerking voor het minnelijke schuldregelingstraject indien:

    • a.

      sprake is van problematische schulden; en

    • b.

      hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag is ingediend, te goeder trouw is geweest.

  • 2.

    Van te goeder trouw als bedoeld in het eerste lid is in ieder geval géén sprake als:

    • a.

      recent schulden zijn aangegaan, terwijl er gelet op het inkomen en/of vermogen van de cliënt redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan;

    • b.

      recente schulden voortvloeien uit een verslaving aan bijvoorbeeld gokken, alcohol en/of drugs;

    • c.

      wegens fraude ten onrechte genoten uitkeringen worden teruggevorderd en nog geen vijf jaren zijn verstreken na ontdekking van de fraude; of

    • d.

      schulden uit misdrijf of overtreding, waaronder met name zijn te noemen schulden wegens door de rechter bepaalde boetes, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en schulden wegens door de rechter vastgestelde schadevergoedingsplicht aan slachtoffers van misdrijven, en nog geen vijf jaren zijn verstreken na ontdekking van het misdrijf.

Artikel 8 Weigeringsgronden minnelijk schuldregelingstraject

De cliënt komt niet in aanmerking voor het minnelijk schuldregelingstraject indien:

  • a.

    hij minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag is ingediend gebruik heeft gemaakt van een minnelijk of wettelijk schuldregelingstraject, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van een situatie genoemd in artikel 350, derde lid, onder a of b, van de Faillisementswet of in artikel 350, derde lid, onder d, van de Faillisementswet, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen;

  • b.

    hij fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft, hij in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of aan hem een onherroepelijke bestuurlijke sanctie is opgelegd en sinds het onherroepelijk zijn van de veroordeling of sanctie er nog geen vijf jaren zijn verstreken;

  • c.

    hij in het geheel geen inkomen heeft.

Artikel 9 Verplichtingen minnelijk schuldregelingstraject

  • 1.

    Naast de verplichtingen uit artikel 4 is de cliënt gedurende een schuldregelingstraject verplicht om inkomsten te verwerven naar zijn volledige arbeidscapaciteit.

  • 2.

    Indien de cliënt niet naar zijn volledige arbeidscapaciteit inkomsten verwerft, is hij verplicht te proberen arbeid te verkrijgen en te aanvaarden dat redelijkerwijs van hem gevergd kan worden.

Artikel 10 Duur van het minnelijke schuldregelingstraject

  • 1.

    De periode van het minnelijk schuldregelingstraject bedraagt 36 maanden.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde periode begint te lopen vanaf de datum van de beschikking tot toelating tot het minnelijke schuldregelingstraject.

Artikel 11 Beëindiging minnelijk schuldregelingstraject

  • 1.

    Het minnelijk schuldregelingstraject wordt beëindigd indien:

    • a.

      één of meer schuldeisers hun medewerking aan de schuldregeling weigeren;

    • b.

      de rechtbank uitspreekt dat de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen van toepassing is;

    • c.

      de cliënt failliet wordt verklaard;

    • d.

      de cliënt niet langer voldoet aan de toelatingscriteria uit artikel 7;

    • e.

      een situatie als genoemd in artikel 8 zich alsnog voordoet;

    • f.

      de cliënt één of meer van de verplichtingen, opgenomen in artikel en 9, heeft geschonden;

    • g.

      de schulden volledig zijn afgelost;

    • h.

      de volledige termijn van het minnelijke schuldregelingstraject met succes is doorlopen.

  • 2.

    Indien een situatie als bedoeld in het eerste lid zich voordoet en dit de cliënt niet of verminderd te verwijten is, kan het college gemotiveerd van beëindiging van het minnelijk schuldregelingstraject afzien.

  • 3.

    Als het college afziet van het beëindigen van het minnelijk schuldregelingstraject, kan het college de cliënt verplichten mee te werken aan verlenging van de in artikel 10, eerste lid, bedoelde periode tot maximaal 60 maanden.

  • 4.

    Indien de cliënt weigert mee te werken aan verlenging van de periode van het minnelijk schuldregelingstraject als bedoeld in het derde lid, beëindigt het college alsnog de schuldhulpverlening.

SLOTBEPALINGEN

Artikel 12 Afwijkingsbevoegdheid

Het college kan in zeer bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels indien onverkorte toepassing daarvan onevenredig is in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen.

Artikel 13 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels schuldhulpverlening gemeente Barneveld”.

Artikel 14 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels treden de dag na de bekendmaking in werking.

  • 2.

    De “Beleidsregels schuldhulpverlening Barneveld”, in werking getreden op 3 augustus 2012, worden per de onder het eerste lid bedoelde datum ingetrokken.

Aldus vastgesteld op 20 april 2021,

Burgemeester en wethouders voornoemd,

W. Wieringa

Secretaris

J.J. Luteijn,

Burgemeester

Toelichting

§ 1.1 Algemeen

Voor schuldhulpverlening geldt sinds 1 juli 2012 de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Deze wet schrijft voor dat gemeenten hun beleid op het terrein van schuldhulpverlening moeten vastleggen in een beleidsplan. Dit beleidsplan is op 3 juli 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. In het beleidsplan is opgenomen dat het college beleidsregels vaststelt om de uitvoering van het beleid, zoals dit is opgenomen in het beleidsplan, juridisch te verankeren. Met de “Beleidsregels schuldhulpverlening Barneveld” voldeed het college aan haar opdracht.

 

Met ingang van 1 januari 2021 is de Wgs gewijzigd. Die wijziging heeft op hoofdlijnen betrekking op het mogelijk maken van uitwisseling van persoonsgegevens bij vroegsignalering en voor het besluit over toegang tot en het plan van aanpak voor schuldhulpverlening. Hierdoor is een wettelijke taak ontstaan om te besluiten over schuldhulpverlening, omdat dit de grondslag is voor en de rechtvaardiging van het raadplegen van persoonsgegevens.

 

Door de wijziging voldoen de “Beleidsregels schuldhulpverlening Barneveld” niet langer. Dit komt doordat destijds in het “Beleidsplan integrale schulddienstverlening 2012-2015” nadrukkelijk onderscheid was gemaakt tussen schuldhulpverlening (het minnelijke schuldregelingstraject) en schulddienstverlening. Dit onderscheid werd ook in de “Beleidsregels schuldhulpverlening Barneveld” gemaakt. Die beleidsregels zijn daardoor gericht op het minnelijke schuldregelingstraject, terwijl nu ook voor onder andere vormen van ondersteuning (zoals bijvoorbeeld budgetbeheer) een beschikking moet worden afgegeven.

 

Gelet op het voorgaande is ervoor gekozen om de “Beleidsregels schuldhulpverlening Barneveld” te updaten en in overeenstemming te brengen met de (gewijzigde) Wgs. Dit is gebeurd door de “Beleidsregels schuldhulpverlening Barneveld” onder te verdelen in twee hoofdstukken: (1) een algemeen deel en (2) een specifiek deel, gericht op het minnelijke schuldregelingstraject. Op die manier is er een juridische grondslag voor het afgeven van een beschikking over toegang tot schuldhulpverlening in de breedste zin.

§ 1.2 Artikelsgewijs

Artikel 1

c) inwoner

In de Wgs is inwoner omschreven als: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven. Vervolgens is in de Wet basisregistratie personen ingezetene omschreven als: de ingeschrevene, die zijn adres heeft in een gemeente in Nederland, en op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van vertrek uit Nederland als actueel gegeven is opgenomen. De ingeschrevene is degene ten aanzien van wie een persoonslijst in de basisregistratie is opgenomen.

 

In de Wet basisregistratie personen zijn de volgende omschrijvingen opgenomen:

  • adres: het woonadres, dan wel bij het ontbreken hiervan of bij toepassing van artikel 2.40 (verblijf in een instelling) of 2.41 (veiligheidsredenen), het briefadres.

  • woonadres:

    • 1.

      het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

    • 2.

      het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten.

  • briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen.

De gemeenteraad moet volgens artikel 2, eerste lid, van de Wgs een plan vaststellen dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente. Door de omschrijving van inwoner moet dat dus betrekking hebben op de personen die in deze gemeente zijn opgenomen in de Brp, dus met woon- en/of briefadres. Dit wil overigens niet zeggen dat de gemeente verplicht is deze personen ook tot de schuldhulpverlening toe te laten, maar zij vallen met betrekking tot de schuldhulpverlening wel onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Uit praktisch oogpunt is gekozen voor de toevoeging dat de cliënt ook feitelijk in de gemeente moet verblijven.

 

In bijzondere omstandigheden kan het college ook schuldhulpverlening aan een cliënt geven als die geen inwoner is. In dat geval wordt die persoon gelijk gesteld met een inwoner (artikel 3, vijfde lid, van de Wgs).

d) problematische schulden

De omschrijving van problematische schulden komt voort uit de definitie van schuldhulpverlening uit artikel 1 van de Wgs. Daarnaast is deze definitie ook gegeven in artikel 8 van de gedragscode van NVVK. Verder is in artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet (Fw) bepaald dat een natuurlijk persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, kan verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Bij het definiëren van problematische schulden is aangesloten bij de hierboven genoemde omschrijvingen.

 

Van problematische schulden is onder andere sprake als de geëiste aflossingen hoger zijn dan de aflossingscapaciteit, bij bedreigende schulden in de primaire levensbehoeften, er meer schuldeisers zijn die geen betalingsregeling willen treffen, er geen herfinancieringsmogelijkheden zijn, er geen (te liquideren) vermogen is.

e) schone lei

Bij de omschrijving van een schone lei is aangesloten bij de definitie van finale kwijting uit artikel 8 van de gedragscode van de NVVK.

f) schuldhulpverlening

De omschrijving van schuldhulpverlening is gedeeltelijk overgenomen uit artikel 1 van de Wgs. Hiervoor is gekozen omdat in de definities van artikel 1 een onderscheid is gemaakt tussen ‘schuldhulpverleningstraject’ (schuldhulpverlening in de brede zin) en ‘schuldregelingstraject’ (specifiek gericht op het minnelijke traject). De omschrijving van schuldhulpverlening is daarom opgeknipt.

h) minnelijk schuldregelingstraject

Bij de omschrijving van een minnelijk schuldregelingstraject is aangesloten bij de definitie van ‘schulden regelen’ uit artikel 8 van de gedragscode van de NVVK.

Artikel 2

Dat de cliënt inwoner moet zijn volgt uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgs.

 

In bijzondere omstandigheden kan het college ook schuldhulpverlening aan een cliënt geven als die geen inwoner is. In dat geval wordt die persoon gelijk gesteld met een inwoner (artikel 3, vijfde lid, van de Wgs).

Artikel 3

Onder a

Een vreemdeling kan voor het verlenen van schuldhulpverlening alleen in aanmerking komen als hij een ingezetene is die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Hiervan is sprake in de volgende situaties:

  • -

    de vreemdeling heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 van de Vw 2000;

  • -

    de vreemdeling heeft een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van artikel 20 van de Vw 2000;

  • -

    de vreemdeling heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vw 2000;

  • -

    de vreemdeling heeft een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 33 van de Vw 2000;

  • -

    de vreemdeling heeft een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen op grond van artikel 45a van de Vw 2000 (en in het verblijfsdocument geen aantekening m.b.t. internationale bescherming is gemaakt);

  • -

    de vreemdeling is een gemeenschapsonderdaan en houdt verblijf op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

  • -

    de vreemdeling verblijfsrecht heeft aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

Om te controleren of een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft kan controle van het vreemdelingendocument plaatsvinden in combinatie met de gegevens in de Brp. In de Brp zijn actuele en historische gegevens over het verblijfsrecht opgenomen. Als het vreemdelingendocument niet overeen komt met de gegevens in de Brp, moet contact met de IND worden opgenomen.

Onder b

In de Wgs is niet expliciet opgenomen dat ondernemers zijn uitgesloten voor

schuldhulpverlening. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de regering van mening is dat gemeentelijke schuldhulpverlening niet toegankelijk kan zijn voor zelfstandigen met een nog functionerende onderneming. Indien het voortbestaan van een onderneming in gevaar is vanwege te hoog oplopende schulden zal de zelfstandige veelal bij een bank aankloppen om extra krediet. Indien het niet mogelijk is het benodigde extra krediet bij een bank te verkrijgen, kan een zelfstandige beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

 

In het geval dat de zelfstandige besluit te stoppen met de onderneming kan hij zich wenden tot de gemeente voor schuldhulpverlening. Naar het oordeel van de regering is daarbij een voorwaarde dat de zelfstandige feitelijk met zijn onderneming stopt en zich uitschrijft bij de Kamer van Koophandel.

Ook in de gemeente Barneveld is besloten geen schuldhulpverlening te bieden aan ondernemers. Zij kunnen zich wenden tot de Bbz 2004. Indien de onderneming is beëindigd is een aanspraak op schuldhulpverlening mogelijk. Hierbij is onder andere vereist dat de zelfstandige zich uitschrijft bij de Kamer van Koophandel.

 

Bij een zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) moet altijd worden beoordeeld of in het individuele geval bijzondere omstandigheden zijn om van de beleidsregels af te wijken.

Artikel 4

Eerste en tweede lid

De inlichtingenplicht komt uit artikel 6 van de Wgs. In de beleidsregels is aangesloten bij deze wettelijke verplichting.

Derde en vierde lid

De medewerkingsplicht komt uit artikel 7, eerste lid, van de Wgs.

 

Voor elke cliënt gelden individueel vastgestelde verplichtingen die in het plan van aanpak worden opgenomen of die door een gespreksvoerder worden vastgelegd in een afsprakenlijst. In de loop van het traject kunnen bestaande afspraken worden aangepast of nieuwe afspraken worden toegevoegd. De cliënt krijgt altijd een afschrift van de afsprakenlijst, zodat altijd duidelijk is wat van hem verwacht wordt.

 

De afspraken die in het plan van aanpak of op de afsprakenlijst kunnen voorkomen en de cliënt dient na te komen zijn onder andere:

  • 1.

    praktische afspraken:

    • workshops;

    • financiën/voorzieningen op orde;

    • administratie op orde;

    • op contactmomenten verschijnen;

  • 2.

    wettelijke verplichting:

    • inlichtingenplicht;

    • medewerkingsplicht:

      • identificatieplicht (artikel 7, tweede lid, van de Wgs);

      • zich onder hulp/behandeling te stellen;

      • zich onder budgetbeheer te stellen;

      • zich onder bewindvoering te stellen.

Ad 1) De gespreksvoerder kan het volgen van (één van) de workshops ‘Thuisadministratie’, ‘bereken uw recht’, sollicitatietraining of een andere training verplicht stellen. Daarnaast is de cliënt uiteraard verplicht te verschijnen op alle afspraken, indien hij geen geldige reden voor verhindering heeft.

 

Ad 2) Om een schuldhulpverleningstraject te kunnen laten slagen is in individuele gevallen noodzakelijk dat de cliënt zich onder behandeling, budgetbeheer en/of bewindvoering laat stellen.

Artikel 5

Eerste lid

Zie de toelichting bij de artikelen 2, 3 en 4.

Tweede lid

Het is niet de bedoeling om schuldhulpverleningstrajecten te beëindigen als er zich situaties voordoen als genoemd in het eerste lid en dit de cliënt op geen enkele wijze te verwijten is. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid is voortzetting van het traject onder omstandigheden te rechtvaardigen.

Artikel 6

De bepalingen die gelden ten aanzien van de schuldhulpverlening gelden ook voor het minnelijk schuldregelingstraject. Dit is de basis. Daarnaast gelden aanvullend nog andere bepalingen.

Artikel 7

Eerste lid, onder a

Als geen sprake is van problematische schulden is een minnelijk schuldregelingstraject niet noodzakelijk. Mogelijkerwijs wordt de cliënt wel andere (schuld)hulperlening aangeboden om schulden op te lossen en/of te regelen op grond van hoofdstuk 1 van deze beleidsregels.

Eerste lid, onder b

De wet (artikel 3:11 van het Burgerlijk Wetboek) geeft enkel een negatieve beschrijving van te goeder trouw:

  • Goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

 

Volgens de Wsnp moet iemand ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest voordat deze mag worden toegelaten in een schuldsaneringstraject (artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, van de Fw).

 

Er is geen sprake van te goeder trouw wanneer iemand van de werkelijke feiten op de hoogte is, of zou moeten zijn, maar dit verzwijgt. Er mag van iemand verwacht worden dat hij onderzoek, voor zover mogelijk, pleegt naar de feiten.

 

Uit jurisprudentie komen een aantal punten naar voren die de rechter beoordeelt als niet te goeder trouw:

  • een gok-/drankverslaving (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARN:2008:BC9911 (Gerechtshof Arnhem);

  • boetes voor o.a. voor rijden onder invloed (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARN:1999:AE9593 (Gerechtshof Arnhem);

  • veroordeling vanwege een strafrechtelijk feit tot het betalen van een schadevergoeding (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARN:2000:AE9745 (Gerechtshof Arnhem);

  • het afsluiten van meerdere (hypothecaire) leningen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARN:2010:BN2155 (Gerechtshof Arnhem).

In de Recofa-richtlijnen 2005 was een uitgewerkte regeling voor de beoordeling door de rechter van een Wsnp-verzoek opgenomen in richtlijn 4:

 

a. Het verzoek tot toepassing van de schuldsanering kan worden afgewezen als aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Van een dergelijke situatie kan onder meer sprake zijn indien:

  • schulden zijn aangegaan terwijl er gelet op het inkomen en/of vermogen van de cliënt(en) redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan;

  • recent nieuwe schulden zijn aangegaan van substantiële aard;

  • recente schulden voortvloeien uit een verslaving aan bijvoorbeeld gokken, alcohol en/of drugs;

  • wegens fraude ten onrechte genoten uitkeringen worden teruggevorderd en nog geen vijf jaar zijn verstreken na ontdekking van de fraude;

  • schulden uit misdrijf of overtreding, waaronder met name zijn te noemen schulden wegens door de rechter bepaalde boetes, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en schulden wegens door de rechter vastgestelde schadevergoedingsplicht aan slachtoffers van misdrijven en nog geen vijf jaar zijn verstreken na ontdekking van het misdrijf. Onder omstandigheden kan een langere termijn in acht genomen worden, met name als het betreft schadevergoeding aan slachtoffers van delicten of onrechtmatig handelen;

  • transacties voor een substantieel bedrag en/of meerdere recente transacties (zogenaamde CJIB boetes);

  • cliënt een eigen onderneming (eenmanszaak) heeft gevoerd en (nagenoeg) geen boekhouding is bijgehouden;

  • er vorderingen van de Belastingdienst en/of Bedrijfsvereniging zijn die betrekking hebben op een opgelegde boete.

In individuele gevallen kan van deze uitgangspunten worden afgeweken. Alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.

 

Let wel: de Recofa richtlijnen 2005 zijn niet meer van toepassing, maar geven een mooi toetsingskader voor de beoordeling of cliënt wel of niet te goeder trouw is (geweest).

Tweede lid

Alle gevallen genoemd onder a tot en met d leiden, zoals blijkt uit de jurisprudentie, tot een weigering tot toelating tot de Wsnp. De opsomming onder a tot en met d is niet limitatief (er kunnen dus ook andere gronden zijn).

Artikel 8

Onder a

Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een inwoner al eerder gebruik heeft gemaakt van schuldhulpverlening (artikel 3, tweede lid, van de Wgs). De wet noemt hierbij geen termijn.

 

Ook de wetsgeschiedenis geeft geen andere toelichting dan dat het artikel het mogelijk maakt dat personen slechts eenmaal van schuldhulpverlening gebruik kunnen maken (TK 2010-2011, 32 291, nr. 24). Het amendement stelde ook voor dat een beroep op schuldhulpverlening niet kan als het wettelijk traject al van toepassing is geweest (met uitzondering van beëindiging door hervatting betalingen of gehele aflossing). Ook hierbij is geen termijn genoemd.

 

Op grond van artikel 288, tweede lid, aanhef en onder d, van de Fw wordt een verzoek afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaande aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd omdat alle schulden zijn voldaan, of de schuldenaar in staat is de betalingen te hervatten of omdat de schuldenaar bovenmatige schulden doet of laat ontstaan, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.

 

Gezien de wettelijke mogelijkheid om na tien jaar weer in aanmerking te komen voor een wettelijk traject is het geheel uitsluiten van recidive met betrekking tot het minnelijk traject te ver strekkend. Het kan een (tweede) aanspraak op het wettelijke traject belemmeren (omdat eerst het minnelijke traject geprobeerd moet zijn), wat blijkbaar niet de bedoeling is geweest van de wetgever, omdat in de Wsnp wel een termijn is opgenomen.

Onder b

Het college kan schuldhulpverlening in ieder geval weigeren in geval een

inwoner fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft en die inwoner in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, is opgelegd (artikel 3, derde lid, van de Wgs).

 

Op grond van artikel 288, tweede lid, aanhef en onder c, van de Fw wordt een verzoek afgewezen indien de schuldenaar schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke veroordeling ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar voor de dag van indiening van het verzoekschrift, tenzij de rechter aanleiding ziet een langere termijn in acht te nemen.

 

Het betreft in deze geldboetes, ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, (te betalen) schadevergoeding slachtoffer/benadeelde partij (ook privaatrechtelijk!).

 

Met betrekking tot fraude is de Wgs strenger dat de Wsnp. In geval van de Wsnp is een strafrechtelijke veroordeling vereist, in geval van de WGS is een bestuurlijke sanctie, dus ook een afstemming inzake de Participatiewet, voldoende. Het afstemmingswaardig gedrag moet dan wel een financiële benadeling voor het college opleveren, dus er moet teveel uitkering zijn verstrekt.

 

De strafrechtelijke veroordeling en/of de bestuurlijke sanctie moet onherroepelijk zijn! Dat wil zeggen dat gedurende een bezwaar- en/of beroepsprocedure het minnelijke traject niet op deze grond geweigerd kan worden.

Onder c

Zolang de cliënt in de situatie verkeert in het geheel geen (aanspraak op) inkomsten te

hebben kan geen minnelijke schuldregeling tot stand komen. Schuldeisers zullen niet akkoord gaan met een voorstel waarin niets afgelost gaat worden.

Artikel 9

Dit artikel omvat zowel een arbeidsverplichting als een sollicitatieplicht. Voor wat betreft de arbeids- en de sollicitatieverplichting is aangesloten bij de Wsnp (en de bijbehorende jurisprudentie). Een verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt (onder andere) slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, van de Fw).

 

Hieronder wordt onder meer verstaan dat de schuldenaar alles moet doen wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden, om zijn betaalde arbeid te behouden of (indien hij niet of niet naar zijn volledige arbeidscapaciteit werkt) om betaalde arbeid te vinden en aanvaarden.

 

In het minnelijke traject wordt eveneens van de cliënt verwacht dat deze alles doet wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden, om zijn inkomsten te behouden en/of te vergroten.

Artikel 10

Is een 100% terugbetaling niet mogelijk, dan wordt geprobeerd een regeling te treffen met de schuldeisers van de cliënt. Het voorstel dat de schuldeisers wordt aangeboden is gebaseerd op een prognose van de door de cliënt in te brengen maximale aflossingscapaciteit binnen een periode van 36 maanden. Voor de looptijd van 36 maanden is aangesloten bij de looptijd van het (wettelijke) Wsnp-traject (artikel 349a, eerste lid, van de Fw).

 

De aflossingscapaciteit wordt berekend op basis van de door (een werkgroep van) Recofa gepubliceerde normen voor de berekening van het Vrij Te Laten Bedrag (VTLB).

 

Van de schuldeisers wordt gevraagd om na afloop van de 36 maanden kwijtschelding te geven van de eventuele restschuld.

Artikel 11

Tweede lid

Het is niet de bedoeling om een minnelijk traject te beëindigen als er zich situaties voordoen als genoemd in het eerste lid en dit de cliënt op geen enkele wijze te verwijten is. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid is voortzetting van het traject onder omstandigheden ook te rechtvaardigen.

Derde lid

Bij het voordoen van een situatie omschreven in het eerste lid kan een financieel nadeel voor de schuldeisers ontstaan. Om dit financiële nadeel te compenseren wordt de duur van het minnelijke schuldhulpverleningstraject en daarmee de duur van de aflossings-/reserveringsperiode, verlengd tot maximaal 60 maanden.

 

Als er sprake is van een verminderde verwijtbaarheid moet het financieel nadeel door de verlenging volledig gecompenseerd worden. Wanneer dat door de hoogte van de aflossingscapaciteit in combinatie met de hoogte van het te compenseren financieel nadeel niet mogelijk is, zal er niet worden afgezien van beëindiging.

 

In geval van afwezigheid van verwijtbaarheid is volledige compensatie niet noodzakelijk.

Vierde lid

Het indienen van een bezwaarschrift tegen de verlenging is geen weigering mee te werken, zolang de cliënt gedurende het bezwaarproces zijn medewerking wel verleent. Deze bepaling mag de cliënt zijn recht bezwaar te maken niet ontnemen. Let wel: het indienen van bezwaar heeft geen opschortende werking.

Artikel 12

Het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid kan alleen in zeer bijzondere gevallen. Wanneer van deze bevoegdheid gebruik wordt gemaakt, moet worden gemotiveerd waarom deze wordt toegepast en welke omstandigheden zich voordoen die daarvoor aanleiding geven.

Artikelen 13 en 14

Deze artikelen behoeven geen toelichting.