Toelichting bij de Beleidsregel inzake de inschakeling van de Welstandscommissie
Artikel 6.2 lid 1 Bor bepaalt: Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet vragen burgemeester en wethouders, ingeval zij het inwinnen van advies noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de wet, advies aan de welstandscommissie”.
Bij het concretiseren van deze bepaling en dus het opstellen van deze beleidsregel is een aantal uitgangspunten leidend geweest, zoals ook reeds in de considerans benoemd: rechtszekerheid en handhaafbaarheid.
Dat betekent dat het welstandskader voor ambtelijke toetsing duidelijk en concreet moet zijn; niet vatbaar voor interpretatie. Dit laatste is en blijft aan (een gemachtigd lid van) de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit of haar rechtsopvolger, waarin onafhankelijke deskundigen zitting hebben die de expertise hebben om het meer algemeen geformuleerde welstandsbeleid te kunnen interpreteren en daarmee maatwerk te kunnen toepassen.
Concreet betekent dit dat (bouw)plannen kunnen worden getoetst aan de Handboeken (een vooraf gestandaardiseerd en vastgesteld kader) dan wel kunnen worden getoetst aan een voorafgaand door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit geformuleerd welstandsadvies en de daarbij behorende verslaglegging en motivering van dit advies. Dit betreft positieve adviezen waarvan echter nog een duidelijk omschreven voorwaarde dient te worden ingevuld. Tot slot is er nog een categorie aanvragen, die zijn voorafgegaan door een schetsplan met een positief welstandsadvies en vervolgens in (nagenoeg) dezelfde vorm terugkomen als formele aanvraag omgevingsvergunning: herhalingsplannen.
Met de ambtelijke toetsing kan dan mooi “binnen deze lijntjes worden gekleurd” en het proces rondom vergunningverlening worden versneld.