Gemeenteblad van Landerd

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LanderdGemeenteblad 2021, 120087Verordeningen



Bomenverordening gemeente Landerd 2020

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    aangewezen gebied: door college aangewezen gebied waarin bomen onder het kapverbod van artikel 4 vallen.

  • 2.

    bebouwde kom: bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, sub a van de Wet natuurbescherming.

  • 3.

    belanghebbenden: belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht.

  • 4.

    beschermde houtopstand: een houtopstand die is vermeld op de kaart ‘beschermde houtopstanden’ en opgenomen op de lijst van beschermde houtopstanden;

  • 5.

    bestemmingsreserve bomen: hierin worden financiële herplantverplichtingen, schadevergoedingen en boetes gestort. De bedragen gestort in deze reserve mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van bomen.

  • 6.

    bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

  • 7.

    bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen activiteiten rond een houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.

  • 8.

    boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1.3 m hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.

  • 9.

    boomstructuur: een verzameling houtopstanden die samen een, al dan niet onderbroken, lijn of andere verbindingsstructuur vormen door het gebied.

  • 10.

    boomwaarde: de monetaire waarde van een houtopstand zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen. De taxatie dient door een erkend taxateur uitgevoerd te worden.

  • 11.

    dunnen: vellen dat geschiedt als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand.

  • 12.

    het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Landerd.

  • 13.

    houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters, een beplanting van bosplantsoen of een struweel. In afwijking van deze minimale dwarsdoorsnede van 10 cm geldt geen minimale doorsnede indien het houtopstanden betreffen in artikel 11.

  • 14.

    kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen.

  • 15.

    kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand.

  • 16.

    landschapselement: een (lint)begroeiing van heesters, bomen of een combinatie van beide.

  • 17.

    monumentale boom: beschermde boom met een stamdoorsnede van 50 cm of groter, gemeten op 1.30 m boven maaiveld. De boom staat aangeduid op de kaart en bijbehorende lijst ‘beschermde houtopstanden’ van de gemeente.

  • 18.

    omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid sub g van de Wabo.

  • 19.

    potentieel monumentale boom: beschermde boom met een stamdoorsnede kleiner dan 50 cm, gemeten op 1.30 m boven maaiveld. De boom staat aangeduid op de kaart en bijbehorende lijst ‘beschermde houtopstanden’ van de gemeente.

  • 20.

    rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand.

  • 21.

    structuurbomen: Bomen in aaneengesloten behoudens waardige of nog te ontwikkelen groene lintenstructuur van de gemeente, voortkomend uit de vigerende groenvisie.

  • 22.

    vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 2 Kaart beschermde houtopstanden en aangewezen gebieden

  • 1.

    Het college stelt een kaart ‘beschermde houtopstanden’ met bijbehorende lijst van beschermde houtopstanden vast. De kaart met bijbehorende lijst wordt indien nodig naar het oordeel van het college herzien. De kaart en bijbehorende lijst bevat een samenhangend geheel van potentieel monumentale bomen, monumentale bomen, structuurbomen en landschapselementen.

  • 2.

    Het college stelt verder een kaart met ‘aangewezen gebieden’ vast. Deze kaart wordt indien nodig naar het oordeel van het college, herzien.

  • 3.

    De in het eerste lid genoemde kaart ‘beschermde houtopstanden’ bevat in elk geval een eenduidige aanduiding van de beschermde houtopstanden, een indeling naar categorieën beschermde houtopstanden (structuurboom (lijn), (potentieel) monumentale boom (punt), landschapselement (lijn), een aanduiding waar op grond van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning vereist is voor het vellen van een houtopstand in het kader van de uitvoering van een werk, de bebouwde kom-grens en een legenda.

  • 4.

    De in het eerste lid genoemde kaart ‘beschermde houtopstanden’ en lijst bevatten in ieder geval de bomen voorkomende in het landelijk Register van Monumentale Bomen van de landelijke Bomenstichting, de boomstructuren uit de vigerende groenvisie, aangevuld met lokale (potentieel) monumentale bomen en landschapselementen.

  • 5.

    De lijst met beschermde houtopstanden omvat in ieder geval een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats en de reden van registratie van iedere houtopstand.

  • 6.

    In geval van een verschil tussen kaart en lijst is de kaart doorslaggevend, omdat deze meestal het duidelijkst de ruimtelijke effecten weergeeft.

  • 7.

    De eigenaar van een beschermde houtopstand is verplicht het bevoegd gezag onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

    • a.

      het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van een beschermde houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende omgevingsvergunning;

    • b.

      de dreiging dat de beschermde houtopstand geheel of gedeeltelijk teniet kan gaan.

Artikel 3 Kapverbod beschermde houtopstand

  • 1.

    Het is verboden beschermde houtopstanden te vellen of te doen vellen.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan ontheffing, ex artikel 2.2, eerste lid van de Wabo, verlenen voor het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      houtopstanden die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van deze verordening;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      regulier onderhoud in de vorm van het wegwerken van achterstallig onderhoud;

    • e.

      naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;

    • f.

      kweekgoed;

    • g.

      het dunnen van een houtopstand;

    • h.

      uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:

      • 1.

        ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

      • 2.

        bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en

      • 3.

        zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4 Kapverbod overig

  • 1.

    Het is verboden, onverminderd het gestelde in artikel 3 eerste lid, zonder vergunning, ex artikel 2.2, eerste lid van de Wabo, bomen die staan in aangewezen gebieden te vellen of te doen vellen.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod behoudens vergunning, geldt tevens voor houtopstanden in gemeentelijk eigendom met een dwarsdoorsnede van de stam groter dan 20 cm op 1.30 m hoogte boven het maaiveld, die staan buiten de aangewezen gebieden. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.

  • 3.

    Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens vergunning, geldt eveneens voor bomen, ongeacht hun standplaats, die zijn aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de artikelen 7 en 8 van deze verordening.

  • 4.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      houtopstanden die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college, zulks onverminderd het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van deze verordening;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      regulier onderhoud in de vorm van het wegwerken van achterstallig onderhoud;

    • e.

      naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;

    • f.

      kweekgoed;

    • g.

      het dunnen van een houtopstand;

    • h.

      uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij:

      • 1.

        ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

      • 2.

        bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; en

      • 3.

        zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 5 Aanvraag

  • 1.

    De omgevingsvergunning moet worden aangevraagd via het omgevingsloket: www.omgevingsloket.nl.

  • 2.

    De aanvraag voor het vellen dient minimaal te bevatten; een kaart met aanduiding van de exacte locatie van de betreffende boom of bomen, de boomsoort(en) en een motivatie voor de voorgenomen kap.

  • 3.

    In het geval waarbij vanwege zwaarwegend maatschappelijk belang ontheffing aangevraagd wordt voor een beschermde houtopstand en in het geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden beschermde houtopstanden kan gevraagd worden om een bomen effect analyse (BEA). Deze analyse is opgesteld door een onafhankelijke en gecertificeerde boomdeskundige.

  • 4.

    In het geval waarbij er ter voorkoming van letsel of schade ontheffing aangevraagd wordt voor een beschermde houtopstand kan gevraagd worden om een oordeel van een onafhankelijke en gecertificeerde boomdeskundige, indien er onduidelijkheid bestaat over het daadwerkelijke risico.

Artikel 6 Verlenings-, weigerings- en opschortingsgronden

  • 1.

    Een ontheffing voor het vellen van beschermde houtopstanden wordt slechts verleend indien:

    • a.

      er sprake is van een maatschappelijk belang dat zwaar opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermde houtopstand, waarbij de alternatieven uitputtend zijn onderzocht; of

    • b.

      naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

  • 2.

    Een vergunning voor het vellen van vergunningsplichtige houtopstanden wordt geweigerd indien het belang van verlening niet opweegt tegen één of meer van de volgende waarden van behoud van houtopstand:

    • a.

      natuur- en milieuwaarden;

    • b.

      landschappelijke waarden;

    • c.

      cultuurhistorische waarden;

    • d.

      beeldbepalendheid;

    • e.

      waarden van stads- en dorpsschoon;

    • f.

      waarden voor recreatie en leefbaarheid.

  • 3.

    Vergunningverlening is bovendien mogelijk wanneer toepassing van de voorgenoemde regels voor één of meer belanghebbenden gevolgen zouden hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verband met het belang dat door deze verordening gediend wordt.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan indien een houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt, besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.

Artikel 7 Bijzondere vergunningsvoorschriften

  • 1.

    Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 2.

    In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3.

    Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage gelijk aan de boomwaarde gestort dient te worden in de gemeentelijke bestemmingsreserve bomen.

  • 4.

    Tot aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien wordt voldaan aan een of meer van de onderstaande bij de omgevingsvergunning aan te geven voorwaarden:

    • a.

      andere vergunningen zijn verleend; of

    • b.

      andere ruimtelijke ordeningsprocedures zijn doorlopen; of

    • c.

      de vergunningen of procedures bedoeld onder a. of b. van dit lid onherroepelijk zijn geworden; of

    • d.

      de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende is gewaarborgd.

  • 5.

    Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kunnen aanwijzingen behoren ter bescherming van nabijgelegen omgevingsvergunningplichtige houtopstand.

  • 6.

    Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot vijfde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 8 Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1.

    Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten inclusief de nazorg overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

  • 2.

    Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan wordt daarbij tevens bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. Daarbij kan het bevoegd gezag ook aanwijzingen geven over te verlenen nazorg.

  • 3.

    Indien uitvoering van een herplant niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand wordt door de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond een bedrag gelijk aan de boomwaarde in de bestemmingsreserve bomen gestort.

  • 4.

    Indien de houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt beschadigd of bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    • a.

      overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    • b.

      een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden.

  • 5.

    Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 9 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0.5 m voor bomen in privaat eigendom en op nihil voor bomen in eigendom van de gemeente, heesters en heggen.

Artikel 10 Bestrijding van boomziekten

  • 1.

    Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      de houtopstanden te vellen;

    • b.

      conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstanden direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2.

    Het is verboden gevelde houtopstanden als bedoeld in het eerste lid of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren;

  • 3.

    Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevenen, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 11 Bescherming publieke houtopstanden

  • 1.

    Het is voor derden verboden om houtopstanden, die in gemeentelijk eigendom zijn:

    • a.

      te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    • b.

      daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door of namens het college opgedragen boomverzorgende taken.

  • 2.

    Het is verboden voor derden om één of meer voorwerpen in of aan gemeentelijke houtopstanden aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens vergunning van het college.

Artikel 12 Uitzicht belemmerende beplanting

De rechthebbende op een boom, heg, struik of andere beplanting welke voor het wegverkeer het benodigde vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien, of op te binden, of te verwijderen na aanschrijving door het college, binnen een door hen te stellen termijn en overeenkomstig hun aanwijzingen.

Artikel 13 Strafbepaling

  • 1.

    Hij die handelt in strijd met artikel 3, 4, 7, 8 of 11, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

  • 2.

    Bij de eis tot strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde.

Artikel 14 Opsporing

Met de opsporing van de in deze afdeling strafbaar gestelde feiten zijn behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van strafvordering, belast de daartoe door het bevoegd gezag aan te wijzen personen.

Artikel 15 Overgangsrecht

De omgevingsvergunningaanvragen, die zijn ingediend voor de in artikel 17 genoemde datum van inwerkingtreding, vallen onder de verordening die van kracht was voorafgaande aan deze verordening, zijnde de Bomenverordening gemeente Landerd 2014.

Artikel 16 Intrekking voorgaande regeling

De Bomenverordening gemeente Landerd 2014 wordt ingetrokken.

Artikel 17 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 18 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Bomenverordening Gemeente Landerd 2020’.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Landerd van 24 september 2020.

De raad voornoemd,

de griffier,

E.E. Weijenberg

de voorzitter,

M.C. Bakermans

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BOMENVERORDENING GEMEENTE LANDERD 2020

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Onder 3:

 

Belanghebbenden. Met belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht wordt bedoeld:

Artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht

  • 1.

    Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

  • 2.

    Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

  • 3.

    Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Onder 6:

 

Bevoegd gezag. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geeft de term ‘bevoegd gezag’ weer. Nu de aanvraag tot vergunning of ontheffing tot het vellen van houtopstanden een aanvraag tot omgevingsvergunning is, dient de term ‘bevoegd gezag’ gehanteerd te worden.

 

De Wabo schrijft voor dat de omgevingsvergunning wordt verleend door één bevoegd gezag en dat één procedure wordt doorlopen met één procedure van rechtsbescherming mogelijkerwijs in twee instanties. Niet altijd is het bevoegd gezag, om te oordelen over een omgevingsvergunningaanvraag het college. Het kan voorkomen dat het College van Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag is of de minister. De verantwoordelijkheid voor het besluit en de handhaving op grond van de verordening ligt bij hetzelfde bevoegd gezag. Ook wijziging of intrekking van de omgevingsvergunning ligt dan bij datzelfde bevoegd gezag.

 

Onder 7:

 

Bomen effect analyse. Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de houtopstanden, waardoor ze niet ingepast worden of (onherstelbaar) beschadigd raken. De bomen effect analyse (BEA) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.

 

Onder 8:

 

Boom. Met 'zowel levend als afgestorven' is bedoeld ook het vellen van dode of bijna dode bomen vergunning- of ontheffingplichtig te maken. Hiermee kan voorkomen worden dat een kwaadwillende boomeigenaar er voor zorgt dat een gezonde boom dood gaat of `bij vergissing´ een gezonde boom kapt. Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen.

 

Onder 10:

 

Boomwaarde. De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB, Postbus 27, 9000 AA Grou) voor de monetaire boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde van houtopstanden en worden in de rechtspraak erkend. Het spreekt overigens voor zich dat houtopstanden ook vele andere waarden dan monetaire waarde kunnen vertegenwoordigen.

 

Onder 12:

 

Houtopstand. Een kernbegrip van deze verordening, waarop het kapverbod en de vergunning- of ontheffingplicht van toepassing zijn.

 

Boomvormer. Een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één of slechts enkele stammen. In de natuur bestaat er echter een geleidelijke overgang: heester - struik - struikachtige boom - (meerstammige) boom.

 

Hakhout. Eén of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

 

Houtwal. Lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers.

 

(Lint) Begroeiing. Vanwege de grote ecologische waarde van dergelijke begroeiingen (bijv. een meidoorn- of mispelhaag) is bescherming hiervan een noodzaak. Er staat "begroeiing" in plaats van beplanting om ook spontaan opgeslagen groen bescherming te bieden.

 

Bosplantsoen. Aanplant van jong bos, bestaande uit hoofdzakelijk heesters, struiken en boomvormers.

 

Struweel. Een begroeiing van hoofdzakelijk inheemse soorten heesters en struiken.

 

Onder 22:

 

Vellen. Elke wijze van het te gronde richten van een houtopstand ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij kappen, of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Ook ingrepen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan 20 procent van het kroonvolume, vallen onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het instandhouden door periodieke snoei van de door kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet vergunning- of ontheffingplichtig. De eerste keer kandelaberen of knotten is wel vergunning- of ontheffingplichtig. Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de houtopstand ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip vellen. Door de verordening ook van toepassing te laten zijn op het ernstig beschadigen of ontsieren van samengestelde verschijningsvormen, worden grootschalige ingrepen in houtopstand eveneens vergunning- of ontheffingplichtig.

Artikel 2 Kaart beschermde houtopstanden en aangewezen gebieden

Lid 1

De kaart zal als onderdeel van alle beslissingen in het omgevingsbeleid meegewogen worden.

Lid 3

De lokale (potentieel) monumentale bomen en landschapselementen zijn bepaald op basis van door het college vastgestelde criteria.

Lid 4

De redengevende beschrijving is een zorgvuldige motivering van de reden(en) waarom de desbetreffende houtopstand is aangewezen als een beschermde houtopstand. Een nauwgezette omschrijving voorkomt niet alleen juridische complicaties, maar creëert tevens draagvlak voor het duurzaam in stand houden van deze houtopstanden. De beschrijving geeft meer inzicht en duidelijkheid omtrent de natuur-, milieu-, cultuurhistorische- en andere waarden en eventuele bijzondere functies van de houtopstand. Daarnaast is de redengevende beschrijving een toetsingskader voor een aanvraag tot ontheffing, waardoor een besluit beter gemotiveerd en afgewogen kan worden.

Artikel 3 Kapverbod beschermde houtopstand

Overige relevante vergunningen

Bij bepaalde bestemmingen is conform bepalingen uit het bestemmingsplan een omgevingsvergunning nodig voor aanleg.

 

Buiten de bebouwde kom kan een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten gelden voor kap van een houtopstand met een oppervlakte van tien are of meer of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Raadpleeg de Wet natuurbescherming voor specifieke criteria.

Artikel 4 Kapverbod overig

Lid 1

Voor gemeentelijke houtopstanden buiten de aangewezen gebieden blijft de ondergrens van bescherming van 20 cm stamdoorsnede gehandhaafd. Enerzijds vanwege het algemeen belang van houtopstanden in openbaar gebied en anderzijds vanwege het waarborgen van inspraakmogelijkheden van belanghebbenden.

Artikel 5 Aanvraag

Voor nadere informatie over de indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning wordt verwezen naar de website www.omgevingsloket.nl.

Artikel 6 Verlenings-, weigerings- en opschortingsgronden

Dit artikel bevat de criteria, die in ieder besluit inzake een aanvraag tot vellen genoemd moeten worden. Stilzwijgend wordt ervan uitgegaan dat (te) zieke of gevaar opleverende bomen altijd voor vergunning of ontheffing in aanmerking zullen komen. In het geval er onduidelijkheid bestaat over de instandhoudingsmogelijkheden van een dergelijke boom kan gevraagd worden een advies van een onafhankelijk en gecertificeerd boomdeskundige ter motivering bij de aanvraag in te dienen.

Lid 1

  • a.

    Tot maatschappelijk zwaarwegend belang behoren Bouw en andere werkzaamheden van algemeen belang.

    Een project van algemeen belang dat in beginsel de inwoners van een kern of bebouwingscluster voordeel oplevert en de steun heeft van het college. Daarnaast is gekeken naar alternatieve ruimtelijke en boomkundige oplossingen om de beschermde houtopstand te behouden.

    • Een bomen effect analyse (BEA) over de ruimtelijke inpassing van de beschermde houtopstand en/of alternatieven voor boombescherming wordt op verzoek van het college ter motivering van de aanvraag ingediend.

    • De BEA wordt door een onafhankelijk en gecertificeerd boomdeskundige opgesteld.

Artikel 7 Bijzondere vergunningsvoorschriften

Voorschriften.

De voorschriften moeten concreet en precies worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar locatie, boomsoort of grootte.

Artikel 8 Herplant-/instandhoudingsplicht

Nazorg dient op die wijze plaats te vinden dat voldoende water en voedingsstoffen toegepast worden om de houtopstand duurzaam in stand te houden.

 

Herplantvoorschriften moeten concreet en eenduidig zijn en mogen zeer gedetailleerd soort, locatie en plantwijze voorschrijven mits dit in het gangbare beleid past.

Artikel 9 Afstand van de erfgrenslijn

De leden één en twee van artikel 42 Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft het bekende verwijderingrecht voor bomen binnen twee meter en heesters en hagen binnen 0.5 m van de erfgrenslijn. Maar in artikel 5:42 tweede lid BW is opgenomen: ‘tenzij ingevolge een verordening of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten’. Daarom is in deze verordening dit artikel toegevoegd dat de erfgrensafstand aanzienlijk verkleind. Met ‘nihil’ voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen en tot de normale standaard te maken. Vele bomen en heesters zullen door deze afstandverkleining beter beschermd, misschien wel gespaard worden.

Artikel 10 Bestrijding van boomziekten

Dit artikel is bedoeld om besmettelijke boomziekten zoals de iepziekte adequaat te kunnen bestrijden. Belangrijk is dat verspreiding van potentieel broedhout en de besmetting wordt voorkomen. In het derde lid is een bijzondere bestuursdwang bevoegdheid in aanvulling op de algemene gemeentelijke bestuursdwang bevoegdheid opgenomen, vanwege de ernst van de zaak en noodzaak snel te kunnen handelen.

Artikel 14 Opsporing

Zo dikwijls de zorg voor de naleving van enig voorschrift van deze verordening dit vereist, wordt hierbij aan hen die met de zorg voor de naleving daarvan zijn belast of daaraan moeten meewerken, bevoegdheid gegeven tot opsporing behoudens de strafrechtelijke grenzen in de overige wetgeving. In hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 5:11 - 5:20 Awb) staan de bijzondere bevoegdheden van toezichthouders, waaronder het betreden van gebouwen, niet zijnde woningen, en terreinen te betreden, desnoods tegen de wil van de rechthebbende.