Eerste wijzigingsbesluit Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Amsterdam 2020

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tot wijziging van de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Amsterdam 2020 in verband met het volgen van de bij amvb voor de invorderingsrente vastgestelde percentages en enkele technische wijzigingen (Eerste wijzigingsbesluit Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Amsterdam 2020)

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;

gelet op artikel 29 van de Invorderingswet 1990 en in verbinding met artikel 231, derde lid, van de Gemeentewet;

 

besluit:

Artikel I

De Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Amsterdam 2020 wordt als volgt gewijzigd.

 

  • A.

    De intitulé komt te luiden:

  • Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen (Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Amsterdam 2020)

  •  

  • Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

  •  

  • gelet op de artikelen 6, 7, 8, 9, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990, artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen in de belastingverordeningen van de gemeente Amsterdam waarin aan het College van Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid wordt toegekend nadere regels te geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onderscheiden gemeentelijke belastingen.

  •  

  • besluit de volgende regeling vast te stellen:

  •  

  • Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Amsterdam 2020

  •  

  • B.

    Artikel 1, eerste lid, komt te luiden:

    • 1.

      Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990, artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen in de belastingverordeningen van de gemeente Amsterdam waarin aan het College van Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid wordt toegekend nadere regels te geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onderscheiden gemeentelijke belastingen.

  • C.

    Artikel 4 komt te luiden:

  • Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen vinden de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 29 van de Invorderingswet 1990 en de ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet 1990 overeenkomstige toepassing.

Artikel II

Een uit artikel I, onderdeel C, voortvloeiende wijziging van een rentepercentage is uitsluitend van toepassing bij de renteberekening over het deel van de renteperiode vanaf het tijdstip waarop de betreffende wijziging in werking treedt.

Artikel III

Onder vernummering van de artikelen 6 tot en met 8 tot 7 tot en met 9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

  • 6.

    Het bedrag waarop de aanslag van de onroerendezaakbelasting en de roerenderuimtebelasting wordt vastgesteld, wordt op twee cijfers achter de komma naar beneden afgerond.

Artikel IV

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2021 en werkt wat de in rekening te brengen invorderingsrente betreft terug tot en met 1 april 2020.

Artikel V

Dit besluit wordt aangehaald als Eerste wijzigingsbesluit Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Amsterdam 2020.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 8 december 2020.

De burgemeester

Femke Halsema

De gemeentesecretaris

Peter Teesink

TOELICHTING

Algemeen

In verband met de uitbraak van COVID-19 heeft de gemeente Amsterdam in navolging van het Rijk met een beleidsbesluit van het college van burgemeester en wethouders het percentage van de in rekening te brengen invorderingsrente verlaagd naar 0,01%. De verlaging van de invorderingsrente bij beleidsbesluit is bedoeld als maatregel van tijdelijke aard en is in de gemeente Amsterdam ingegaan op 1 april 2020.

 

De tijdelijke verlaging van de invorderingsrente is door het Rijk met de Verzamelspoedwet COVID-19 (Stb. 2020,195) wettelijk vastgelegd. Om enige flexibiliteit te hebben bij het aanpassen van de rentepercentages, heeft het kabinet ervoor gekozen de percentages van de invorderingsrente bij algemene maatregel van bestuur (amvb) vast te stellen (Stb. 2020, 200 en Stb. 2020, 201).

 

Omdat de percentages van de invorderingsrente worden vastgesteld bij amvb, gelden deze percentages niet meer automatisch voor gemeenten. Dat betekent dat colleges van burgemeester en wethouders zelf de percentages van de invorderingsrente moeten vaststellen. De gemeente Amsterdam acht het vanwege de eenheid van beleid wenselijk de bij amvb voor de invorderingsrente vastgestelde percentages te volgen. Daartoe dient deze regeling.

 

Artikelsgewijze toelichting

De wettelijke grondslag voor dit besluit is artikel 29 van de Invorderingswet 1990. Omdat artikel 29 van de Invorderingswet 1990 bepaalt dat het percentage van de invorderingsrente bij amvb wordt vastgesteld, moet dit op grond van artikel 231, derde lid, van de Gemeentewet voor de gemeentelijke belastingen plaatsvinden bij collegebesluit.

 

Artikel I

  • A.

    Aan de intitulé is artikel 29 van de Invorderingswet 1990 toegevoegd. De in de intitulé afzonderlijke vermelde Verordeningen van de gemeente Amsterdam met artikelnummer waarin wordt verwezen naar de bevoegdheid van het College van Burgemeester en Wethouders om nadere regels te geven met betrekking tot de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen, worden vervangen door om meer algemene bepaling om de regeling toekomstbestendiger te maken.

 

  • B.

    Artikel 1 van de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen noemt de wetsartikelen waaraan de regeling uitvoering geeft. Daaraan is artikel 29 van de Invorderingswet 1990 toegevoegd.

 

  • C.

    Het college van burgemeester en wethouders moet een besluit nemen over de vast te stellen percentages voor in rekening te brengen en te vergoeden invorderingsrente. De hoogte van de percentages kan het college in beginsel zelf vaststellen. Artikel 29 van de Invorderingswet 1990 maakt het mogelijk om ten aanzien van de invorderingsrente te differentiëren tussen het percentage van de te vergoeden rente en het percentage van de in rekening te brengen rente. Vanwege de eenheid van beleid meent de gemeente Amsterdam dat het wenselijk is om zoveel mogelijk de rentepercentages van het Rijk te volgen. Daarom wordt de amvb bedoeld in artikel 29 van de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel II

In dit artikel wordt geregeld dat een uit artikel I, onderdeel C voortvloeiende wijziging van een rentepercentage uitsluitend van toepassing is bij de renteberekening over het deel van de renteperiode vanaf het tijdstip waarop die wijziging in werking treedt.

 

Artikel III

Dit artikel regelt het naar beneden afronden van de aanslagbedragen van de onroerendezaakbelasting en de roerenderuimtebelasting op twee cijfers achter de komma.

 

Artikel IV

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit besluit. Aan het besluit wordt terugwerkende kracht verleent tot en met 1 april 2020 voor wat betreft de in rekening te brengen invorderingsrente. Het verlenen van terugwerkende kracht is in casu mogelijk omdat het een voor belastingplichtigen begunstigende maatregel betreft. De gemeente Amsterdam volgt daarmee het beleidsbesluit van het Rijk van 23 maart 2020 om het percentage van de in rekening te brengen invorderingsrente te verlagen naar 0,01% en de algemene maatregel van bestuur die vanaf 1 juni 2020 toepassing vindt (Stb. 2020, 201).

 

Naar boven