Gemeenteblad van Zeewolde

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeewoldeGemeenteblad 2021, 103313Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Zeewolde houdende regels omtrent het sociaal domein (Integrale verordening sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2021)

De raad van de gemeente Zeewolde,

 

gelezen het voorstel van team Maatschappelijke ontwikkeling en ondersteuning d.d. 16 februari 2021;

gehoord de commissie Bestuur, Ruimte en Samenleving d.d. 11 maart 2021;

gelet op het bepaalde in de artikelen 6, 8, 8a, 8b, 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de artikelen 2.1.3 en 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet;

 

Besluit

 

vast te stellen de integrale verordening sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      belanghebbende:

      • -

        degene die een aanvraag doet als bedoeld in de Participatiewet, de Ioaw, de Ioaz of degene die een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, Ioaw of de Ioaz, dan wel bijzondere bijstand of een inkomens- of studietoeslag of enige vorm van ondersteuning bij de re-integratie in de arbeid als bedoeld in de Participatiewet, de Ioaw of de Ioaz.

      • -

        de cliënt als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

      • -

        degene die aanspraak maakt of wenst te maken op jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet, en

      • -

        degene die te maken krijgt met herzienings-, intrekkings- en terugvorderingsbesluitvorming in het kader van één van de hiervoor genoemde wetten.

    • b.

      college: het college van onderscheidenlijk de gemeente Ermelo, de gemeente Harderwijk of de gemeente Zeewolde.

  • 2.

    In deze verordening wordt onder de overige begrippen verstaan datgene wat daar onder de in het eerste lid genoemde wetten, alsmede de Algemene wet bestuursrecht, wordt verstaan.

Hoofdstuk 2 Participatiewet

Paragraaf 2.1 Begripsbepalingen

Artikel 2.1 Begrippen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt: persoon die niet binnen een jaar naar de arbeidsmarkt toe geleid kan worden

  • b.

    belanghebbende met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt: persoon die binnen een jaar naar de arbeidsmarkt toe geleid kan worden

  • c.

    benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • d.

    bijstandsnorm:

    • -

      toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onder c Pw, of

    • -

      grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 Ioaw of artikel 5 Ioaz;

  • e.

    doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a Pw;

  • f.

    mantelzorg: datgene wat er in artikel 1.1.1 Wmo 2015 onder wordt verstaan;

  • g.

    nuggers: niet uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder a Pw, voor zover hun inkomen niet meer bedraagt dan 120% van het wettelijk minimumloon.

  • h.

    Ioaw: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • i.

    Ioaz : de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • j.

    peildatum: datum waartegen een aanvraag wordt gedaan;

  • k.

    pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a lid 1 Algemene Ouderdomswet;

  • l.

    Pw: de Participatiewet;

  • m.

    recidive: de situatie waarin de belanghebbende zich opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of hogere categorie en in de twaalf maanden voorafgaand aan deze gedraging een besluit is genomen om een verlaging op te leggen op grond van paragraaf 2.7 of de voorheen geldende afstemmingsverordening of artikel 18 lid 4 Pw of om af te zien van het opleggen van een verlaging op grond van een dringende reden;

  • n.

    referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum;

  • o.

    tweede recidive: de situatie waarin de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging op grond van of de voorheen geldende afstemmingsverordening of artikel 18 lid 4 Pw is opgelegd, of hiervan is afgezien op grond van een dringende reden, voor de tweede keer of vaker schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of hogere categorie als bij de eerste verwijtbare gedraging;

  • p.

    uitkering: algemene bijstand op grond van de Pw of een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz;

  • q.

    UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

  • r.

    WSF 2000: Wet studiefinanciering 2000;

  • s.

    WTOS: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Paragraaf 2.2 Re-integratie

Artikel 2.2 Evenwichtige verdeling en financiering

  • 1.

    Het college biedt aan een belanghebbende uit de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

  • 2.

    Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid of maatschappelijke participatie.

  • 3.

    Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen.

  • 4.

    Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een belanghebbende. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

    • b.

      de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

  • 5.

    Het college kan één of meerdere budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een bepaalde voorziening.

Artikel 2.3 Algemene bepalingen over voorzieningen

  • 1.

    Het college stelt ter nadere uitvoering van paragraaf 2.2 een plan vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in paragraaf 2.2 geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

  • 2.

    Het college kan een voorziening beëindigen als:

    • a.

      de belanghebbende die van de voorziening gebruikmaakt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 Pw, de artikelen 13 en 37 Ioaw of de artikelen 13 en 37 Ioaz niet nakomt;

    • b.

      de belanghebbende die van de voorziening gebruikmaakt niet meer behoort tot de doelgroep;

    • c.

      de belanghebbende die van de voorziening gebruikmaakt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een van de in paragraaf 2.2 genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a Pw;

    • d.

      naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

    • e.

      de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de belanghebbende die gebruik maakt van de voorziening;

    • f.

      de belanghebbende die van de voorziening gebruikmaakt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;

    • g.

      de belanghebbende die van de voorziening gebruikmaakt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

Artikel 2.4 Proefplaatsing

  • 1.

    Het college kan een belanghebbende een proefplaatsing gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze

    • a.

      behoort tot de doelgroep, en

    • b.

      het opdoen van werkervaring noodzakelijk is om de uitstroom naar regulier werk te bevorderen.

  • 2.

    Het doel van een proefplaatsing is het opdoen van werkervaring bij een werkgever met als doel te onderzoeken in hoeverre de plaatsing omgezet kan worden in een arbeidscontract. Er moet een directe relatie liggen met de uitstroom naar regulier werk.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat de te verrichten werkzaamheden gericht op de arbeidsinschakeling worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.

  • 4.

    Het college plaatst de belanghebbende uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Artikel 2.5 Sociale activering

  • 1.

    Het college kan een belanghebbende die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening.

  • 2.

    Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die belanghebbende.

Artikel 2.6 Detacheringsbanen

  • 1.

    Het college kan zorgen voor toeleiding van een belanghebbende die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, waaronder een detacheerder.

  • 2.

    Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed of er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

Artikel 2.7 Scholing

Het college kan een belanghebbende die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden voor zover de scholing naar het oordeel van het college bijdraagt aan duurzame arbeidsinschakeling.

Artikel 2.8 Participatieplaats / werkervaringsplaats

  • 1.

    Het college kan een belanghebbende die algemene bijstand ontvangt overeenkomstig artikel 10a Pw onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

  • 2.

    Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden gericht op de arbeidsinschakeling worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. De werkgever en de belanghebbende die de additionele werkzaamheden gaat verrichten ondertekenen de overeenkomst met een maximale looptijd van 2 jaar.

  • 4.

    De premie, bedoeld in artikel 10a lid 6 Pw, bedraagt € 300,00 per zes maanden, als voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Artikel 2.9 Voorziening beschut werk

  • 1.

    Het college maakt uit de belanghebbenden uit de doelgroep een voorselectie en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend belanghebbenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.

  • 2.

    Om de in artikel 10b lid 1 Pw bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in:

    • a.

      fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, of

    • b.

      uitsplitsing van taken of

    • c.

      aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

  • 3.

    Het college bepaalt, voor zover hoger dan door de staatssecretaris is vastgesteld, de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het college met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.

Artikel 2.10 Persoonlijke ondersteuning, waaronder jobcoaching

Het college kan persoonlijke ondersteuning in de vorm van structurele begeleiding bieden aan de belanghebbende die behoort tot de doelgroep. Deze structurele begeleiding kan worden ingezet als de belanghebbende zonder deze ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

Artikel 2.11 No-riskpolis

  • 1.

    Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:

    • a.

      de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer, en

    • b.

      de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort tot de doelgroep, en

    • c.

      de werknemer een structurele functionele of andere beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d Pw ontvangt, en

    • d.

      artikel 29b Ziektewet niet van toepassing is, en

    • e.

      de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.

  • 2.

    De no-riskpolis vergoedt:

    • a.

      het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon, en

    • b.

      15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.

  • 3.

    Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de gemeente een verzekering af met een verzekeraar en treedt op als verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever.

  • 4.

    Het college verstrekt de no-riskpolis vanaf twee weken na indiensttreding van de werknemer tot en met 24 maanden.

Artikel 2.12 Inkomstenvrijlating

  • 1.

    Deeltijdwerk wordt geacht bij te dragen aan arbeidsinschakeling.

  • 2.

    Indien de belanghebbende arbeid in deeltijd aanvaardt, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de norm, vindt maximaal vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats zoals verwoord in artikel 31 Pw.

Artikel 2.13 Overige vergoedingen

  • 1.

    Het college vergoedt noodzakelijke reiskosten voor deelname aan een voorziening als genoemd in paragraaf 2.2, voor zover de reisafstand naar de betreffende voorziening minimaal tien kilometer bedraagt. De vergoeding vindt plaats conform het goedkoopste tarief in het openbaar vervoer. Er vindt geen vergoeding plaats als de voorziening een subsidie betreft.

  • 2.

    Noodzakelijke kosten voor deelname aan een voorziening in verband met kinderopvang worden vergoed, tenzij een beroep kan worden gedaan op de Wet Kinderopvang (Wko). Er vindt geen vergoeding plaats als de voorziening een subsidie betreft.

Artikel 2.14 Maatwerkvoorziening

Aanvullend op de in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen is het mogelijk, indien de individuele situatie hierom vraagt, dat een maatwerkvoorziening wordt aangeboden. Een maatwerkvoorziening bestaat in ieder geval uit begeleiding van een participatiecoach.

Artikel 2.15 Aanpassing van de werkplek

  • 1.

    Het college kan aan een belanghebbende behorende tot de doelgroep een voorziening verzorgen in de vorm van een aanpassing van de werkplek.

  • 2.

    Een aanpassing van de werkplek wordt slechts vergoed indien er sprake is van een arbeidscontract van in ieder geval zes maanden.

  • 3.

    Een aanpassing van de werkplek kan aangevraagd worden door zowel de werknemer als de werkgever. Indien er sprake is van een meeneembare werkvoorziening, moet de werknemer de vergoeding zelf aanvragen.

  • 4.

    De feitelijke kosten worden door het college vergoed, waarbij gekeken wordt naar de goedkoopste adequate oplossing.

Artikel 2.16 Nuggers

Het college kan nadere regels stellen inzake de voor nuggers beschikbare re-integratievoorzieningen.

Paragraaf 2.3 Loonkostensubsidie

Artikel 2.17 Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie

  • 1.

    Het college stelt vast of een belanghebbende behoort tot de doelgroep van de loonkostensubsidie.

  • 2.

    Het college kan voor advisering met betrekking tot het oordeel of een belanghebbende behoort tot de doelgroep van de loonkostensubsidie gebruik maken van een externe organisatie. Deze externe organisatie neemt daarbij de in de Pw neergelegde criteria in acht.

Artikel 2.18 Vaststelling loonwaarde

  • 1.

    Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de loonwaarde van een belanghebbende vast te stellen.

  • 2.

    Indien voor advisering als bedoeld in artikel 2.17 lid 2 gebruik wordt gemaakt van een externe organisatie neemt deze organisatie daarbij de in de bijlage omschreven methode in acht.

     

Paragraaf 2.4 Tegenprestatie naar vermogen

Artikel 2.19 Inhoud van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, opdragen als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:

    • a.

      naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt, en

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument, en

    • c.

      worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht, en

    • d.

      en niet leiden tot verdringing.

  • 2.

    Het college kan in nadere regels vastleggen welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze paragraaf geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 2.20 Het opdragen van een tegenprestatie

  • 1.

    Het college kan de belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.

  • 2.

    Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door de belanghebbende;

    • b.

      de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;

    • c.

      de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de belanghebbende moeten in overweging worden genomen;

    • d.

      als de belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht voor minimaal acht uur per week, dan wordt geen tegenprestatie opgedragen.

Artikel 2.21 Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1.

    De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van maximaal zes maanden.

  • 2.

    Na deze periode kan in voorkomende gevallen opnieuw een tegenprestatie worden opgelegd.

  • 3.

    De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal acht uren per week.

Artikel 2.22 Mantelzorg

Het college draagt geen tegenprestatie op, indien de belanghebbende gedurende ten minste acht uren per week mantelzorg verricht, voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college noodzakelijk is.

Artikel 2.23 Geen werkzaamheden voorhanden

  • 1.

    Het college draagt geen tegenprestatie op, indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

  • 2.

    Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college uiterlijk binnen twaalf maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

     

Paragraaf 2.5 Inkomenstoeslag

Artikel 2.24 Begrippen

In deze paragraaf wordt inkomen verstaan het totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 Pw, en de algemene bijstand.

Artikel 2.25 Indienen verzoek

  • 1.

    De inkomenstoeslag moet worden aangevraagd op een door het college vastgesteld formulier.

  • 2.

    De partner van de belanghebbende moet schriftelijk instemmen met de aanvraag.

Artikel 2.26 Langdurig laag inkomen

Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36 lid 1 Pw, als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 2.27 Personenkring

  • 1.

    Om voor de individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen:

    • a.

      moet de belanghebbende 21 jaar of ouder zijn, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd; en

    • b.

      moet de belanghebbende op de peildatum ingeschreven staan in de basisregistratie personen van de gemeente Ermelo, de gemeente Harderwijk of de gemeente Zeewolde; en

    • c.

      moet er sprake zijn van een langdurig laag inkomen; en

    • d.

      mag het vermogen in de maand voorafgaand aan de peildatum niet meer zijn dan de vermogensgrens, genoemd in artikel 34 lid 2 onder d en lid 3 Pw.

  • 2.

    Indien er sprake is van eigenwoningbezit is artikel 50 lid 1 Pw op overeenkomstige wijze van toepassing.

Artikel 2.28 Geen individuele inkomenstoeslag

Er bestaat geen recht op een inkomenstoeslag als de belanghebbende:

  • a.

    In de referteperiode een verlaging van 40% of hoger heeft opgelegd gekregen op grond van artikel 2.38 van deze verordening of artikel 7 of 8 van de voorheen geldende afstemmingsverordening wegens schending van de daar genoemde arbeids- of re-integratieverplichtingen of op grond van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw;

  • b.

    op de peildatum of in de referteperiode een opleiding of studie volgt of heeft genoten als bedoeld in de WTOS of de WSF 2000.

Artikel 2.29 Hoogte individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    Een individuele inkomenstoeslag bedraagt:

    • a.

      € 470,- voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder;

    • b.

      € 630,- voor gehuwden.

  • 2.

    Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13 lid 1 Pw, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 3.

    Voor toepassing van lid 1 en 2 is de situatie op de peildatum bepalend.

     

Paragraaf 2.6 Studietoeslag

Artikel 2.30 Individuele studietoeslag

  • 1.

    De belanghebbende moet een aanvraag voor een individuele studietoeslag indienen middels de door het college vastgestelde werkwijze.

  • 2.

    Het college beoordeelt of de belanghebbende door een structurele medische beperking tijdens de studie geen inkomsten kan verwerven.

  • 3.

    Een individuele studietoeslag wordt toegekend voor 12 maanden voor zolang de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden voor de individuele studietoeslag zoals bepaald in de Pw.

  • 4.

    Een individuele studietoeslag bedraagt € 100,- per maand. De individuele studietoeslag wordt in het betreffende studiejaar in twee termijnen uitbetaald.

     

Paragraaf 2.7 Afstemming

Artikel 2.31 Begrip verlaging

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    verlaging: verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a lid 12, 18, 18b Pw, de artikelen 20 en 38 lid 12 Ioaw en de artikelen 20 en 38 lid 12 Ioaz of verlaging van de met toepassing van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand.

Artikel 2.32 Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval vermeld:

  • a.

    de reden van de verlaging;

  • b.

    de duur van de verlaging;

  • c.

    het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en

  • d.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

Artikel 2.33 Horen van belanghebbende

  • 1.

    De belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen voordat een verlaging wordt opgelegd.

  • 2.

    Het horen van de belanghebbende kan achterwege blijven als:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c.

      het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of

    • d.

      de belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel 2.34 Afzien van verlaging

  • 1.

    Het college ziet af van een verlaging als:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3.

    Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 2.35 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

  • 1.

    Een verlaging wordt op de uitkering of de met toepassing van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand toegepast in de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig lid 1 niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken.

  • 3.

    Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering of de met toepassing van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als de belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in lid 1 onder b opnieuw een uitkering of bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 Pw ontvangt.

Artikel 2.36 Berekeningsgrondslag

  • 1.

    Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als:

    • a.

      aan de belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 Pw, of

    • b.

      de verwijtbare gedraging van de belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.

  • 3.

    Bij toepassing van lid 2 onder a moet in tot en met ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 Pw verleende bijzondere bijstand’.

  • 4.

    Bij toepassing van lid 2 onder b moet in tot en met ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘verleende bijzondere bijstand’.

Artikel 2.37 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting

  • 1.

    Als de belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.

  • 2.

    Het bedrag van de verlaging in het eerste lid wordt toegepast over drie maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

  • 3.

    Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18 lid 4 onder a Pw, of recidive, vindt geen verlaging als bedoeld in het tweede lid plaats.

Artikel 2.38 Gedragingen Participatiewet, Ioaw en Ioaz

  • 1.

    Een verlaging bedraagt 10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand indien:

    • a.

      de belanghebbende zich niet tijdig laat registreren als werkzoekende bij het UWV of deze registratie niet tijdig verlengd is; als er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing.

    • b.

      de belanghebbende niet verschijnt bij een afspraak in het kader van de re-integratie of bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b Pw; als er sprake is van een eerste verwijtbare gedraging kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing.

  • 2.

    De verlaging bedraagt 20 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand als:

    • a.

      de belanghebbende niet meewerkt aan het in naam van belanghebbende doen van noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand (artikel 57 aanhef en onder a Pw);

    • b.

      de belanghebbende niet meewerkt aan betaling in natura van een deel van de uitkering (artikel 57 aanhef en onder b Pw).

  • 3.

    De verlaging bedraagt 40 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand als:

    • a.

      de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;

    • b.

      de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan activiteiten of werkzaamheden die gericht zijn op arbeidsinschakeling of bevordering van arbeidsbekwaamheid;

    • c.

      de belanghebbende niet of in onvoldoende mate meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden van een participatievoorziening, anders dan bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw;

    • d.

      de belanghebbende onvoldoende de verplichtingen nakomt als bedoeld in de artikelen 9 lid 1 aanhef en onder b of 55 Pw, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 Pw, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18 lid 4 Pw;

    • e.

      de belanghebbende niet of onvoldoende een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen verricht als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder c Pw, artikel 37 lid 1 onder f Ioaw of artikel 37 lid 1 onder f Ioaz;

    • f.

      de belanghebbende uit houding en gedrag ondubbelzinnig laat blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b Pw, artikel 37 lid 1 onder e Ioaw of artikel 37 lid 1 onder e Ioaz niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a lid 1 Pw, artikel 38 lid 1 Ioaw of artikel 38 lid 1 Ioaz.

  • 4.

    De verlaging bedraagt 100 procent van de bijstandsnorm voor de duur van een maand als:

    • a.

      de belanghebbende niet of onvoldoende gebruik maakt van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36 lid 1 en 37 lid 1 onder e Ioaw of de artikelen 36 lid 1 en artikel 37 lid 1 onder e Ioaz, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

    • b.

      de belanghebbende niet naar vermogen probeert algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 Pw.

Artikel 2.39 Te weinig inzet of onverantwoordelijk gedrag

  • 1.

    Het college verlaagt de uitkering als de belanghebbende te weinig inzet toont of zich onverantwoordelijk gedraagt. De verlaging wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.

  • 2.

    De verlaging bedraagt:

    • a.

      10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 12 maanden bij een benadelingsbedrag tot € 2.500;

    • b.

      10 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 18 maanden bij een benadelingsbedrag van € 2.500 tot € 10.000;

    • c.

      20 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 24 maanden bij een benadelingsbedrag van € 10.000 tot € 20.000.

    • d.

      20 procent van de bijstandsnorm voor de duur van 36 maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 20.000.

  • 3.

    Het college kan in uitzonderlijke gevallen met toepassing van artikel 48 lid 2 onder b Pw, de bijstand in de vorm van een lening verstrekken in plaats van het verlagen van de uitkering als bedoeld in lid 1 en lid 2.

Artikel 2.40 Onacceptabel gedrag

Het college verlaagt de uitkering als de belanghebbende zich op een onacceptabele manier gedraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Pw, Ioaw of Ioaz als bedoeld in artikel 9 lid 6 Pw, artikelen 37 lid 1 onder g Ioaw en artikel 37 lid 1 onder g Ioaz. De uitkering wordt verlaagd met:

  • a.

    20 procent bij het mondeling of schriftelijk beledigen van de in de aanhef genoemde personen en instanties;

  • b.

    40 procent bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken of mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht geweld tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties;

  • c.

    100 procent bij het voor de tweede keer of vaker uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken of mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties;

  • d.

    100 procent bij het uitoefenen van fysiek geweld tegenover de in de aanhef genoemde personen en instanties.

Artikel 2.41 Niet nakomen van andere verplichtingen

Als de belanghebbende een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 Pw niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:

  • a.

    20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

  • b.

    40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

  • c.

    40 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

  • d.

    100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

Artikel 2.42 Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

  • 3.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Pw genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18 lid 4 Pw genoemde verplichting als een in artikel 17 lid 1 Pw genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 2.43 Recidive

  • 1.

    In geval van recidive wordt het percentage van de verlaging van de uitkering verdubbeld. Indien al 100% verlaging is opgelegd wordt de periode verdubbeld. Bij een tweede recidive of nog meer recidives bepaalt het college – voor zover het betreft de niet-geüniformeerde verplichtingen - naar eigen oordeel de duur en hoogte van de verlaging.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt een verlaging van de uitkering met 100% voor de duur van een maand bij een tweede recidive voor een weigering tot medewerking of een onvoldoende medewerking aan een re-integratietraject.

  • 3.

    De recidivetermijn vangt aan op de verzenddatum van het besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd of wordt afgezien van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen.

Artikel 2.44 Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw/Ioaz

Als het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 Ioaw of artikel 10 lid 2 Ioaz blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

Paragraaf 2.8 Voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik

Artikel 2.45 Vroegtijdig informeren

Het college informeert belanghebbende bij de aanvraag van de uitkering en gedurende de looptijd van de uitkering:

  • a.

    over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een uitkering of een re-integratievoorziening zijn verbonden;

  • b.

    over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Artikel 2.46 Controle op naleving

Het college onderzoekt de rechtmatigheid van de te verstrekken uitkering en kunnen daarbij gebruik maken van heronderzoeken, huisbezoeken, themacontroles en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op en de hoogte van de uitkering.

Artikel 2.47 Opstellen handhavingsplan

Het college draagt in het kader van het voorkomen van het ten onrechte ontvangen van bijstand, inkomensvoorziening of uitkering alsmede ter bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Pw, Ioaw, Ioaz en Bbz 2004 zorg voor het opstellen van een handhavingsplan.

 

Hoofdstuk 3 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Paragraaf 3.1 Begrippen

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de belanghebbende daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken, mede in aanmerking nemende diens financiële positie in vergelijking met een inkomen op het minimumniveau;

  • b.

    beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde;

  • c.

    bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a Wmo 2015;

  • d.

    duurvoorziening: een voorziening die wordt toegekend op periodieke basis in de vorm van dienstverlening;

  • e.

    gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015;

  • f.

    huisgenoot: iedere persoon met wie de belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, anders dan in een commerciële huurders- of kostgangersrelatie;

  • g.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015;

  • h.

    ingezetene: belanghebbende die hoofdverblijf heeft in respectievelijk de gemeente Ermelo, de gemeente Harderwijk of de gemeente Zeewolde;

  • i.

    melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015;

  • j.

    meerkosten: meerkosten als bedoeld in artikel 2.1.7 Wmo 2015;

  • k.

    nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Ermelo, Harderwijk en Zeewolde;

  • l.

    ondersteuningsplan: de schriftelijke weergave van de visie van het college inzake de te leveren ondersteuning, tot stand gekomen op basis van de beoordeling van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 Wmo 2015, waarin de adviezen, verwijzingen en afspraken, alsmede het overleg met de belanghebbende zijn betrokken, alsmede de beoogde resultaten;

  • m.

    onverwijld: zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen drie werkdagen;

  • n.

    persoonlijk budgetplan: het verplicht door of namens de belanghebbende in te dienen plan dat de voorgenomen besteding van een aan te vragen persoonsgebonden budget beschrijft;

  • o.

    persoonlijk plan: persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015;

  • p.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015;

  • q.

    Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

  • r.

    voorliggende voorziening: andere voorziening, niet zijnde een algemene of een algemeen gebruikelijke voorziening, waarmee geheel of deels aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen.

Paragraaf 3.2 Toegang

Artikel 3.2 Melding

  • 1.

    Een hulpvraag kan door de belanghebbende bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding en maakt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vijf werkdagen een afspraak voor een gesprek.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in lid 1 dient een hulpvraag voor beschermd wonen, dan wel opvang, te worden ingediend bij een door het college aan te wijzen instantie.

Artikel 3.3 Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat de belanghebbende een beroep kan doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de belanghebbende uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de belanghebbende en, indien van toepassing, zijn mantelzorger of vertegenwoordiger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 3.4 Gesprek en onderzoek

  • 1.

    Het college onderzoekt, mede op basis van een gesprek met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger, waar wenselijk met de mantelzorger en waar mogelijk met de familie zo spoedig mogelijk, alles voor zover van toepassing en voor zover relevant in het kader van de Wmo 2015:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de belanghebbende, waaronder mede begrepen diens godsdienstige en culturele voorkeuren;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 Wmo 2015, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de belanghebbende met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 of artikel 2.1.4a Wmo 2015 verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de belanghebbende in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Als de belanghebbende een persoonlijk plan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college is niet gehouden in te stemmen met de inhoud van het persoonlijk plan, maar dient in voorkomende gevallen aan te geven waarom hiervan wordt afgeweken.

  • 3.

    Het college informeert de belanghebbende over de gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de belanghebbende toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. De belanghebbende is gerechtigd tot weigering, in dit geval zal de melding echter worden afgesloten omdat het college dan geen mogelijkheid heeft de noodzaak tot compensatie te onderzoeken.

  • 4.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is of als gaat om een ondersteuningsvraag met een spoedeisend karakter of een enkelvoudige, niet gecompliceerde ondersteuningsvraag, kan het college, voor het overige onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 Wmo 2015, in overleg met de belanghebbende afzien van een gesprek.

Artikel 3.5 Ondersteuningsplan

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek in het ondersteuningsplan.

  • 2.

    De belanghebbende tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen zeven werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd.

  • 3.

    Als de belanghebbende tekent voor gezien kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.

  • 4.

    Als de belanghebbende van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende ondersteuningsplan.

Artikel 3.6 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens de belanghebbende schriftelijk bij het college worden ingediend.

  • 2.

    Een ondertekend en geretourneerd ondersteuningsplan kan dienen als aanvraag.

Artikel 3.7 Specifiek beschermd wonen en opvang

Voor ‘college’ dient in deze paragraaf ten aanzien van beschermd wonen en opvang steeds gelezen te worden ‘de desbetreffende instantie’.

 

Paragraaf 3.3 Maatwerkvoorzieningen

Artikel 3.8 Uitgangspunten voor de maatschappelijke ondersteuning

De algemene voorziening en de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015 dienen te voldoen aan de volgende uitgangspunten:

  • a.

    de voorziening dient zo veel mogelijk dichtbij de belanghebbende te worden aangeboden. Dichtbij wil zeggen bij de belanghebbende thuis of in diens directe leefomgeving;

  • b.

    bij het bieden van ondersteuning dient blijvende aandacht te bestaan voor de eigen kracht van de belanghebbende en de inzet van diens sociale netwerk;

  • c.

    de voorziening is gebaseerd op integraliteit en samenwerking met het sociaal netwerk, welzijnsorganisaties, professionele aanbieders, wijkverpleging en andere betrokkenen

Artikel 3.9 Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    De belanghebbende komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die hij ondervindt, voor zover hij deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3.4van deze verordening en artikel 2.3.2 Wmo 2015 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin hij in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en

    • b.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de belanghebbende met psychische of psychosociale problemen en de belanghebbende die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de belanghebbende deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3.4 en artikel 2.3.2 Wmo 2015 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 3.

    Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een belanghebbende hiervoor niet in aanmerking komt, indien:

    • a.

      de noodzaak tot ondersteuning voor de ingezetene redelijkerwijs vermijdbaar was, en

    • b.

      de voorziening voorzienbaar was, tenzij van de belanghebbende redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

  • 4.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, tenzij:

    • a.

      de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de belanghebbende zijn toe te rekenen;

    • b.

      de belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of

    • c.

      de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de belanghebbende aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 5.

    Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

  • 6.

    In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang of beschermd wonen nodig is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 3.2 onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 3.4 en artikel 2.3.2 Wmo 2015, en de aanvraag van de belanghebbende.

Artikel 3.10 Voorwaarden en weigeringsgronden

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • b.

      voor zover de belanghebbende op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

    • c.

      voor zover de belanghebbende met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

    • d.

      indien het een voorziening betreft die de belanghebbende na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

    • e.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan de belanghebbende al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de belanghebbende zijn toe te rekenen, of tenzij de belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

    • f.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht.

  • 2.

    Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:

    • a.

      als de belanghebbende geen ingezetene is van de gemeente Ermelo, de gemeente Harderwijk of de gemeente Zeewolde;

    • b.

      als deze niet langdurig noodzakelijk is, voor zover het gaat om hulpmiddelen of een woningaanpassing.

  • 3.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van het onderhoud;

    • b.

      ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, niet gelegaliseerde vakantie‐ en recreatiewoningen, zogenaamde ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

    • d.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    • e.

      indien de belanghebbende niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • f.

      indien deze betrekking heeft op een woongebouw, dat specifiek gericht is op mensen met beperkingen of dat in de praktijk bewoond wordt door een specifieke groep en waarvan vast staat dat de voorziening niet voldoet aan de voor een dergelijke woning op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen geldende vereisten en waarvan is aangetoond dat de aangevraagde voorziening bij wel voldoen aan die vereisten niet nodig is.

  • 4.

    Een belanghebbende kan alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking worden gebracht wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is.

  • 5.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning kan het college het primaat van verhuizen toepassen, tenzij de noodzakelijke aanpassings- en verhuiskosten lager zijn dan € 6.000.

  • 6.

    Indien de aanpassings- en verhuiskosten hoger zijn dan het in lid 5 genoemde bedrag kan de belanghebbende er voor kiezen niet te verhuizen, maar de woning met inzet van eigen middelen aan te passen. Hij ontvangt dan een tegemoetkoming ter hoogte van het in lid 5 genoemde bedrag.

  • 7.

    In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden wordt slechts tot een gedeeltelijke weigering besloten, indien en voor zover de overige oplossingen de hulpvraag slechts voor een deel oplossen.

  • 8.

    De normale afschrijvingstermijn als bedoeld in lid 1 onderdeel e bedraagt zeven jaar voor hulpmiddelen.

Artikel 3.11 Advisering

Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als hij dit van belang acht voor de beoordeling van een melding of aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Artikel 3.12 Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      bij duurvoorzieningen, wat de ingangsdatum en beoogde duur van de verstrekking zijn;

    • c.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • e.

      welke rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen worden aangewend.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      bij duurvoorzieningen, wat de ingangsdatum en de beoogde duur zijn van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,

    • e.

      de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken, zoals vermeld onder paragraaf 3.7 lid 4;

    • f.

      de voorwaarden voor uitbetaling van het pgb en de wijze van uitbetaling van het pgb en

    • g.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

    • h.

      welke rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen worden aangewend.

  • 3.

    Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de belanghebbende op grond van de Wmo 2015, de verordening en de nadere regels.

  • 4.

    Als sprake is van de toepasselijkheid van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de belanghebbende over deze toepasselijkheid in de beschikking geïnformeerd.

Paragraaf 3.4 Persoonsgebonden budget

Artikel 3.13 Regels voor pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 Wmo 2015.

  • 2.

    De belanghebbende kan alleen voor een pgb in aanmerking komen, indien hij een volledig ingevuld persoonlijk budgetplan heeft overgelegd.

  • 3.

    De belanghebbende aan wie een pgb wordt toegekend, dient ervoor te zorgen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die namens deze de ondersteuning moet gaan bieden voldoet aan de in artikel 3.19 lid 2 opgenomen kwaliteitseisen.

  • 4.

    Een pgb voor ondersteuning door zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken, wordt alleen verstrekt indien:

    • a.

      deze staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

    • b.

      deze beschikt over een actuele verklaring omtrent gedrag;

    • c.

      deze beschikt over een adequate opleiding;

    • d.

      deze, voor zover dit voor de aard van de dienstverlening is vereist, beschikt over een voor de beroepsgroep relevante registratie;

    • e.

      deze meewerkt aan een cliëntervaringsonderzoek en/of de daarvoor benodigde informatie verstrekken;

    • f.

      deze de Nederlandse taal spreekt en schrijft.

  • 5.

    Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt indien:

    • a.

      de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt;

    • b.

      de ondersteuning structureel van een behoorlijke omvang is,

    • c.

      de geboden ondersteuning passend, adequaat en veilig is;

    • d.

      de persoon uit het sociale netwerk die de ondersteuning gaat verlenen, zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn,

    • e.

      er bij de persoon uit het sociale netwerk die de hulp gaat bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan;

    • f.

      de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring in staat moet zijn de in de individuele situatie vereiste dienstverlening te realiseren;

    • g.

      de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is;

    • h.

      deze de Nederlandse taal spreekt en schrijft.

  • 6.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6 leden 2 en 5 Wmo 2015 verstrekt het college geen pgb:

    • a.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was;

    • b.

      als het bieden van een keuze voor een pgb negatieve gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het systeem van de desbetreffende maatwerkvoorzieningen in natura;

    • c.

      de belanghebbende geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

    • d.

      de belanghebbende problematische schulden heeft, een schuldsaneringstraject doorloopt of onder de wet schuldsanering natuurlijke personen valt, tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het pgb op zich neemt. De kosten hiervan moet de belanghebbende betalen;

    • e.

      de belanghebbende door verwijtbaar gedrag onder toezicht staat of een bewindvoerder heeft, tenzij de bewindvoerder het volledige beheer van het pgb op zich neemt. De kosten hiervan mogen niet uit het pgb worden vergoed;

    • f.

      als de (beoogd) gemachtigde of beheerder van het pgb ook de uitvoerder van de ondersteuning is, of op een andere manier betrokken is bij de uitvoerende organisatie, bijvoorbeeld als directeur of bestuurder;

    • g.

      er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 Wmo 2015;

    • h.

      het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland.

  • 6.

    Het pgb mag niet worden besteed aan:

    • a.

      tussenpersonen of belangenbehartigers voor hun pgb-beheerstaken

    • b.

      administratie- en/of bemiddelingskosten;

    • c.

      kosten van coördinatie;

    • d.

      crisishulp/crisisopvang;

    • e.

      een vrij besteedbaar bedrag/ vrijwilligersvergoeding;

    • f.

      reiskosten van de ondersteuner;

    • g.

      een feestdagenuitkeringen aan de ondersteuner;

    • h.

      voorzieningen waarvoor een collectieve voorziening aanwezig is;

    • i.

      andere kosten dan het leveren van de ondersteuning.

  • 7.

    Bij het betrekken van diensten van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, zijn de eisen inzake continuïteit niet van toepassing op dienstverleners vanuit het eigen netwerk.

Artikel 3.14 Hoogte persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van het pgb wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van de in de desbetreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, en omvat, zo nodig, een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering. Het pgb is niet hoger dan het maximum van de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura.

  • 2.

    Onverminderd hetgeen in het vorige lid is bepaald, wordt bij het bepalen van de hoogte van het pgb voor een zaak ook rekening gehouden met een reële termijn voor de technische afschrijving.

  • 3.

    Onverminderd hetgeen in de vorige leden is bepaald, wordt, voor zover de belanghebbende een persoonlijk budgetplan heeft ingediend, het tarief voor het pgb gebaseerd op het door de belanghebbende opgestelde persoonlijk budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

  • 4.

    Het pgb-tarief voor hulp bij het huishouden is:

    • a.

      100 procent van het naturatarief voor dienstverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden.

    • b.

      75 procent van het naturatarief voor zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken.

    • c.

      50 procent van het naturatarief voor dienstverleners uit het sociaal netwerk.

  • 5.

    Het pgb-tarief voor begeleiding is:

    • a.

      100 procent van het naturatarief voor dienstverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden.

    • b.

      75 procent van het naturatarief voor zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken.

    • c.

      gelijk aan het tarief dat werd gebruikt in de Algemene wet bijzondere ziektekosten voor dienstverleners uit het sociaal netwerk.

  • 6.

    Het pgb-tarief voor kortdurend verblijf is:

    • a.

      100 procent van het naturatarief voor dienstverleners die werken volgens vastgestelde kwaliteitsstandaarden.

    • b.

      75 procent van het naturatarief voor zelfstandige ondernemers dan wel andere juridische constructies die geacht kunnen worden niet of nauwelijks overheadkosten te maken.

    • c.

      € 30,00 per etmaal voor dienstverleners uit het sociaal netwerk.

  • 7.

    Voor eerste- en tweedegraads bloed- en aanverwanten geldt het tarief voor een persoon uit het sociaal netwerk, ook al is iemand een zelfstandige zonder personeel of werkzaam bij een erkende instelling, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken.

  • 8.

    Het pgb-tarief voor beschermd wonen is 80% van het geldende naturatarief.

  • 9.

    Voor vervoer bij begeleiding groep is een opslag mogelijk voor de heen- en de terugreis zowel bij regulier vervoer als bij rolstoelgebruik. Deze opslag is gelijk aan het bedrag dat wordt betaald aan de natura-aanbieder.

  • 10.

    De belanghebbende aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van de leden 1 tot en met 7 gehanteerde tarief. Voor diensten dient de belanghebbende de bepalingen uit het Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in acht te nemen.

  • 11.

    Het pgb voor de verhuis- en herinrichtingkostenvergoeding bedraagt € 2.500,-, welk bedrag niet vaker dan eens per zeven jaar kan worden verstrekt.

  • 12.

    Aan de belanghebbende die op verzoek van het college een aangepaste – rolstoelgeschikte – woning verlaat, kan een, in beginsel kostendekkend maar op € 10.000,- gemaximeerd, pgb worden verstrekt.

  • 13.

    Een pgb voor woningsanering, die noodzakelijk is in verband met een longaandoening zoals cara en/of allergische aandoeningen, en rolstoelvast tapijt is slechts eenmalig en vindt plaats aan de hand van de volgende maximale vergoedingsbedragen:

    • a.

      vloerbedekking per strekkende meter (4 meter breed) € 56,-

    • b.

      gordijn woonkamer per vierkante meter raamoppervlakte € 30,-

    • c.

      gordijn slaapkamer per vierkante meter raamoppervlakte € 22,50.

  • 14.

    Bij vervanging van aanwezige vloerbedekking en/of gordijnen gelden de volgende vergoedingspercentages:

     

    Ouderdom te vervangen artikel

    Te vergoeden percentage

    0 tot 2 jaar

    100%

    2 tot 4 jaar

    75%

    4 tot 6 jaar

    50%

    6 tot 8 jaar

    25%

    Ouder dan 8 jaar

    0%

  • 15.

    De hoogte van het pgb voor tijdelijke huisvesting wordt voor maximaal zes maanden verstrekt en bedraagt de werkelijke kosten van de kale huur tot een maximum van:

    • a.

      € 650,- per maand voor zover het gaat om een zelfstandige woonruimte;

    • b.

      € 350,- per maand voor zover het gaat om een niet zelfstandige woonruimte.

  • 16.

    Het college kan een pgb voor het vrijhouden van een woning/huurderving toekennen aan een woningbouwcorporatie of andere verhuurder voor de werkelijke kosten tot een maximum van € 650,- per maand.

  • 17.

    Het pgb voor gebruik van vervoer bedraagt:

    • a.

      voor een auto € 0,19 per kilometer tot een maximum van 2.000 kilometer per jaar;

    • b.

      voor een rolstoelbus € 0,32 per kilometer tot een maximum van 2.000 kilometer per jaar;

    • c.

      voor een taxi € 0,50 per kilometer tot een maximum van 2.000 kilometer per jaar;

    • d.

      voor een rolstoeltaxi € 0,84 per kilometer tot een maximum van 2.000 kilometer per jaar.

  • 18.

    Het pgb voor een autoaanpassing wordt vastgesteld op basis van een offerte waarbij de goedkoopst passende voorziening in acht wordt genomen of tot een maximum van € 2.500,-. Dit pgb wordt niet vaker dan eens per zeven jaar verstrekt.

  • 19.

    Het pgb voor sportvoorzieningen en -hulpmiddelen bedraagt voor de aanschaf en (eventueel) onderhoud maximaal € 2.500,-. Dit pgb wordt niet vaker dan eens per drie jaar verstrekt.

Artikel 3.15 Specifiek beschermd wonen en opvang

Voor ‘college’ dient in deze paragraaf ten aanzien van beschermd wonen en opvang steeds gelezen te worden ‘de desbetreffende instantie’.

 

Paragraaf 3.5 Bijdrage in de kosten

Artikel 3.16 Maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een belanghebbende is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, zolang deze van de maatwerkvoorziening of pgb gebruikmaakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    De bijdrage in de kosten wordt in alle gevallen bepaald op de maxima die de Wmo 2015 en het Uitvoeringsbesluit stellen, tenzij in deze paragraaf anders wordt bepaald.

  • 3.

    Een bijdrage in de kosten is niet verschuldigd:

    • a.

      in de situaties genoemd in artikel 3.8 lid 3 Uitvoeringsbesluit;

    • b.

      als de maatwerkvoorziening gerealiseerd wordt in een woongebouw waarvan de woning van de belanghebbende onderdeel uitmaakt, en voor zover de voorziening betrekking heeft op het toe- en/of doorgankelijk maken van het woongebouw;

    • c.

      voor de maatwerkvoorzieningen waakvlam begeleiding en groepsbegeleiding arbeidsmatig.

    • d.

      voor de pgb’s, zoals genoemd in artikel 3.14 leden 11 tot en met 18;

    • e.

      voor woningaanpassing ten behoeve van minderjarigen.

  • 4.

    De belanghebbende is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van collectief vervoer. De eigen bijdrage in de kosten is maximaal de kosten die de belanghebbende gemaakt zou hebben in het openbaar vervoer. De bijdrage per rit bestaat uit een opstaptarief en een kilometertarief voor de reisafstand tot 25 km.

  • 5.

    De bijdrage in de kosten voor opvang wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal administratiekantoor (CAK).

Artikel 3.17 Algemene voorzieningen

  • 1.

    De belanghebbende is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik van de algemene voorziening was- en strijkservice.

  • 2.

    De hoogte van de bijdrage in de kosten is gelijk aan de desbetreffende bedragen uit de vigerende Nibud-normen.

Artikel 3.18 Kostprijs

De kostprijs van een:

  • a.

    maatwerkvoorziening is gelijk aan het bedrag dat de maatwerkvoorziening het college kost;

  • b.

    pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

Paragraaf 3.6 Kwaliteit en veiligheid

Artikel 3.19 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de belanghebbende;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    De eisen als bedoeld in het eerste lid zijn in ieder geval zodanig dat:

    • a.

      de dienstverlening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt;

    • b.

      de dienstverlening tijdig en conform afspraak wordt verstrekt;

    • c.

      de dienstverlening is afgestemd op de reële behoefte van de belanghebbende en op andere vormen van zorg of hulp die de belanghebbende ontvangt;

    • d.

      de dienstverlening verstrekt wordt met respect voor en inachtneming van de rechten van de belanghebbende;

    • e.

      de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, ingeschreven staat in het beroeps- en of handelsregister of een vergelijkbaar register;

    • f.

      de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, beschikt over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem, welke voldoet aan de landelijk eisen, blijkend uit een ISO-certificering of een daarmee vergelijkbaar kwaliteitssysteem;

    • g.

      de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, beschikt over een vastgestelde klachtenregeling;

    • h.

      de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, de medezeggenschap van cliënten heeft georganiseerd, zoals beschreven in de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen;

    • i.

      de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon een actieve signaleringsplicht heeft ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de belanghebbende aan meer of andere zorg;

    • j.

      de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, beschikt over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde, passend bij de behoefte en persoonskenmerken van de belanghebbende;

    • k.

      de rechtspersoon zorg draagt voor scholing zodanig dat de medewerkers over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde kunnen (blijven) beschikken;

    • l.

      personen die beroepsmatig dan wel vanuit een professioneel georganiseerde situatie in contact kunnen komen met cliënten, een verklaring omtrent het gedrag (VOG) bezitten die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken;

    • m.

      de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, draagt zorg voor het naleven van beroeps- en meldcodes;

    • n.

      de rechtspersoon en/of de natuurlijke persoon, die de ondersteuning verleent, werkt met inachtneming van protocollen en richtlijnen opgesteld door de eigen beroepsgroep;

    • o.

      elke medewerker de Nederlandse taal spreekt en schrijft.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zonodig in overleg met de belanghebbende ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 3.20 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de aard en omvang van de te verrichten taken;

    • b.

      de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

    • c.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • d.

      een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    • e.

      kosten voor bijscholing van het personeel;

    • f.

      de kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en de overige kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst.

  • 2.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening, en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

      • aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

      • instructie over het gebruik van de voorziening;

      • onderhoud van de voorziening, en

      • verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

Artikel 3.21 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

     

Paragraaf 3.7 Herziening, intrekking, terugvordering en controle

Artikel 3.22 Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

  • 1.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.8 Wmo 2015 doet een belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 Wmo 2015.

  • 3.

    Onverminderd artikel 2.3.10 Wmo 2015 kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 Wmo 2015 herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de belanghebbende niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de belanghebbende niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

    • e.

      de belanghebbende de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de belanghebbende opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de belanghebbende en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 6.

    Als het recht op een in eigendom, of een in bruikleen of in pgb verstrekte voorziening is ingetrokken, kan de restant geldwaarde van deze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 3.23 Opschorting betaling uit het pgb

Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een belanghebbende een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, Wmo 2015.

Artikel 3.24 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s

Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 3.25 Terugbetaling woningaanpassing bij verkoop

Wanneer een woning binnen 10 jaar na gereedmelding van de woningaanpassing wordt verkocht, is de eigenaar van de woning gehouden om het college hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De kosten van de aangebrachte aanpassingen en/of woonvoorzieningen dienen te worden terugbetaald volgens onderstaand afschrijvingsschema, tenzij de verkoop van de woning redelijkerwijs niet te voorkomen was:

  • a.

    voor het eerste jaar 100% van de kosten;

  • b.

    voor het tweede jaar 90% van de kosten;

  • c.

    voor het derde jaar 80% van de kosten;

  • d.

    voor het vierde jaar 70% van de kosten;

  • e.

    voor het vijfde jaar 60% van de kosten;

  • f.

    voor het zesde jaar 50% van de kosten;

  • g.

    voor het zevende jaar 40% van de kosten;

  • h.

    voor het achtste jaar 30% van de kosten;

  • i.

    voor het negende jaar 20% van de kosten;

  • j.

    voor het tiende jaar 10% van de kosten.

Paragraaf 3.8 Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten

Artikel 3.26 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van belanghebbenden in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college of een door hen aan te wijzen instantie voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.

  • 2.

    Het college bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van belanghebbenden in de gemeente bestaat.

Artikel 3.27 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Het college kan bij nadere regels ter uitwerking van het bepaalde in art. 2.1.7 Wmo 2015 bepalen aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming te verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

 

Paragraaf 3.9 Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 3.28 Klachtregeling

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 3.29 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle door de aanbieder aangeboden voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 3.30 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 4 Jeugdwet

Paragraaf 4.1 Begripsbepalingen

Artikel 4.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      algemene voorziening: jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders;

    • b.

      andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet;

    • c.

      basisvoorziening: voorziening die gezien kan worden als een reguliere maatschappelijke voorziening binnen de gemeente, zoals: huisartsen, jongerenwerk, religieuze organisaties, onderwijs, kinderopvang, politie of verenigingen;

    • d.

      budgetplan: het verplicht door of namens de belanghebbende in te dienen plan dat de voorgenomen besteding van een aan te vragen persoonsgebonden budget beschrijft;

    • e.

      gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

    • f.

      maatwerkvoorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden individuele jeugdhulpvoorziening die door of namens het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt op basis van een beschikking, een verwijzing huisarts, medisch specialist of jeugdarts, of van een functionaris in het justitieel kader als bedoeld in de Jeugdwet;

    • g.

      ondersteuningsplan: plan waarin de doelen en gewenste resultaten staan beschreven en dat als leidraad kan dienen voor de in te zetten ondersteuning;

    • h.

      pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 Jeugdwet;

    • i.

      sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt, waaronder familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden en kennissen;

    • j.

      toegangsteam: de beoordelende medewerker of medewerkers van onderscheidenlijk het Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeenten Ermelo en Harderwijk enerzijds en het met de uitvoering van de Jeugdwet belaste onderdeel van Meerinzicht voor de gemeente Zeewolde anderzijds.

  • 2.

    Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene verordening gegevensbescherming.

     

Paragraaf 4.2 Algemene voorzieningen

Artikel 4.2 Toegang algemene voorziening

Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling.

Artikel 4.3 Beschikbare algemene voorzieningen

De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar:

  • a.

    Informatie- en (opvoed)advies;

  • b.

    Voorlichting, cursussen en trainingen;

  • c.

    Jeugdgezondheidszorg (JGZ);

  • d.

    Jongeren coaching en participatiebevordering (Jeugd en jongerenwerk);

  • e.

    Ambulante ondersteuning en jeugdhulp door basisvoorzieningen.

Paragraaf 4.3 Maatwerkvoorzieningen

Artikel 4.4 Beschikbare maatwerkvoorzieningen

De volgende niet-limitatief opgesomde maatwerkvoorzieningen zijn in de vorm van een naturavoorziening beschikbaar:

  • Ambulante Specialistisch GGZ-behandeling (thuis en op locatie van aanbieder);

  • Ambulante opvoedhulp (thuis en op locatie van aanbieder);

  • Ambulante begeleiding van verstandelijk/lichamelijk beperkte jeugd (thuis en op locatie van aanbieder);

  • Ambulante basis GGZ (thuis en op locatie van aanbieder);

  • Dyslexie-Jeugdhulp;

  • Pleegzorg;

  • Gezinshuizen/mentorhuizen;

  • Overige verblijfvormen (inclusief bovenregionale), inclusief begeleiding en behandeling;

  • Jeugdbescherming en -reclassering.

Paragraaf 4.4 Toegang procedureel

Artikel 4.5 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een jeugdige of ouder schriftelijk worden ingediend bij het college;

  • 2.

    Als een maatwerkvoorziening in natura volgens de jeugdige of zijn ouders niet passend is, kan een aanvraag gedaan worden voor een persoonsgebonden budget. Daarbij geven de jeugdige of zijn ouders in een budgetplan in ieder geval aan:

    • a.

      wat de voorgenomen uitvoering van de maatwerkvoorziening is, inclusief uitvoerder en kosten;

    • b.

      wat de kwalificaties van de uitvoerder zijn, en;

    • c.

      waarom het aanbod van de door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is naar het oordeel van de jeugdige of zijn ouders.

  • 3.

    Indien jeugdhulp wordt ingezet na verwijzing als bedoeld in artikel 4.7 lid 3 of in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is het bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Als de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de jeugdige of zijn ouders waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 5.

    Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige:

    • a.

      die jonger is dan 12 jaren, of;

    • b.

      die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake,

  • dan is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger.

  • 6.

    Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger, mits de minderjarige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Weigert de wettelijke vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan zal het college de aanvraag toch in behandeling nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen.

  • 7.

    Heeft de aanvraag betrekking op een jeugdige met de leeftijd van 16 of 17 jaar, dan behoeft de aanvraag géén instemming van de wettelijk vertegenwoordiger, mits de jeugdige in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

  • 8.

    Degenen die een aanvraag indienen voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college in ieder geval een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 4.6 Onderzoek

  • 1.

    Het college onderzoekt, mede op basis van een gesprek met de jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk de hulpvraag, hierbij wordt rekening gehouden met:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • c.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • d.

      de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening;

    • e.

      de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • f.

      de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden met gebruikelijke hulp.

    • g.

      de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;

    • h.

      de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

    • i.

      de hulp welke hulp geboden kan worden vanuit ouders en/of het sociale netwerk.

  • 2.

    Het college dient na onderzoek vast te stellen of er sprake is van opgroei- en/of opvoedingsproblemen en welke problemen en/of stoornissen dit zijn.

  • 3.

    Het college dient na vaststelling van eventuele opgroei- en/of opvoedingsproblemen te bepalen welke hulp naar aard en omvang noodzakelijk is voor de jeugdige of het gezin.

  • 4.

    Het college kan, met toestemming van de jeugdige en/of ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of het onderwijs, en hiermee in gesprek gaan over de meest aangewezen jeugdhulp.

  • 5.

    Wanneer een maatwerkvoorziening aangewezen is, wordt de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.

  • 6.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 4.7 Toegang en besluit

  • 1.

    Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 4.5 en het onderzoek als bedoeld in artikel 4.6.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen 72 uur een passende voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

  • 3.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening vast in een beschikking.

  • 4.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Tevens draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing. Hiervoor verleent het college geen beschikking.

Artikel 4.8 Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      bij duurvoorzieningen, wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken; zoals vermeld onder artikel 4.14 lid 4;

    • d.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • e.

      welke rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen worden aangewend.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      bij duurvoorzieningen, wat de ingangsdatum en de beoogde duur zijn van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • e.

      de termijn waarna de beschikking wordt ingetrokken, zoals vermeld onder artikel 4.14 lid 4;

    • f.

      de voorwaarden voor uitbetaling van het pgb en de wijze van uitbetaling van het pgb en

    • g.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

    • h.

      welke rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen worden aangewend.

  • 4.

    Bij het besluit wordt aan de belanghebbende informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders op grond van de Jeugdwet, de verordening en de nadere regels.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van de beschikking.

     

Paragraaf 4.5 Beoordeling

Artikel 4.9 Criteria maatwerkvoorzieningen

Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor zover:

  • a.

    zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder in ieder wordt verstaan gebruikelijke hulp en hulp van andere personen uit het sociale netwerk;

  • b.

    zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een algemene voorziening, of;

  • c.

    zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door gebruik te maken van een andere voorziening.

Paragraaf 4.6 Beoordeling persoonsgebonden budget

Artikel 4.10 Voorwaarden pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 Jeugdwet.

  • 2.

    De jeugdige of ouders kunnen alleen voor een pgb in aanmerking komen, indien zij een volledig ingevuld persoonlijk budgetplan hebben overgelegd.

  • 3.

    De jeugdige of ouders aan wie een pgb wordt toegekend, dient ervoor te zorgen dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de ondersteuning moet gaan bieden voldoet aan de in artikel 4.23 opgenomen kwaliteitseisen.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.1 leden 2 en 4 Jeugdwet verstrekt het college geen pgb, voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte jeugdhulp noodzakelijk was.

  • 5.

    De jeugdige of diens ouders worden geacht voldoende in staat te zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen als bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2 onder a Jeugdwet, als zij zelfstandig of met behulp van zijn netwerk, dan wel curator, bewindvoerder of gemachtigde:

    • a.

      duidelijk kunnen maken welke problemen worden ervaren en bij welke ondersteuning zij gebaat zouden zijn;

    • b.

      de taken, die aan het pgb zijn verbonden, op verantwoorde wijze kunnen uitvoeren.

  • 6.

    Indien de taken, bedoeld in artikel 8.1.1 lid 2 onder a Jeugdwet, niet door de budgethouder zelf worden uitgevoerd, dan mag de daarvoor ingeschakelde persoon niet tevens de jeugdhulpverlener van de jeugdige zijn.

  • 7.

    Het college kan een pgb weigeren:

    • a.

      indien aan de jeugdige of zijn ouders in de afgelopen drie jaren, voorafgaand aan de datum van het gesprek, een persoonsgebonden budget is verleend en waarbij door de jeugdige of zijn ouders niet is voldaan aan de voorwaarden van het persoonsgebonden budget;

    • b.

      voor zover dit is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het persoonsgebonden budget

  • 8.

    Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt voor zover:

    • a.

      de geboden hulp passend, adequaat en veilig is;

    • b.

      de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan verlenen, zich voldoende op de hoogte hebben gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn;

    • c.

      er bij de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan;

    • d.

      de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft;

    • e.

      de persoon uit het sociale netwerk geen handelingen verricht die op grond van de norm van verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerde professional zijn voorbehouden;

    • f.

      de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft;

    • g.

      de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring in staat moet zijn de in de individuele situatie vereiste dienstverlening te realiseren;

    • h.

      de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is.

Artikel 4.11 Van het pgb uitgesloten kosten

De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:

  • a.

    kosten voor begeleiding en bemiddeling;

  • b.

    kosten voor coördinatie;

  • c.

    kosten voor crisishulp/crisisopvang;

  • d.

    kosten voor een vrij besteedbaar bedrag en vrijwilligersvergoeding;

  • e.

    kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • f.

    kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;

  • g.

    kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • h.

    kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb.

Artikel 4.12 Onderscheid formele en informele jeugdhulp

  • 1.

    Van formele jeugdhulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de budgethouder:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de op basis van het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en die ten aanzien van de op basis van het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

    • c.

      personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp, mits deze inschrijving correspondeert met de jeugdhulp in kwestie.

  • 2.

    Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp, ongeacht het al dan niet tevens hebben van de hoedanigheid van verlener van professionele jeugdhulp.

  • 3.

    Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp.

Artikel 4.13 De hoogte van het pgb

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 75% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, mits dit toereikend is.

  • 2.

    De hoogte van het pgb voor formele hulp als bedoeld in het vorige lid wordt in afwijking van het daar bepaalde gemaximeerd op het bedrag dat kan worden afgeleid uit het door de jeugdige en/of zijn ouders ingediende budgetplan, voor zover dit lager zou zijn.

  • 3.

    Het pgb-tarief voor begeleiding door informele hulp wordt vastgesteld op het bedrag dat in die situatie gehanteerd wordt bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg.

  • 4.

    Het pgb-tarief voor kortdurend verblijf door informele hulp bedraagt € 30,00 per etmaal met een maximum van € 130,00 per kalendermaand.

  • 5.

    Het maximale tarief voor een vervoersvoorziening wordt als volgt bepaald:

    • a.

      indien de jeugdige per auto wordt vervoerd, € 0,19 per kilometer;

    • b.

      indien de jeugdige per (rolstoel)taxi wordt vervoerd, wordt voor de maximale tarieven voor taxivervoer uitgegaan van de tarieven genoemd op de website www.kilometerafstanden.nl.

Paragraaf 4.7 Herziening, intrekking, terugvordering en controle

Artikel 4.14 Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1.

    Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.4 Jeugdwet kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien, intrekken of beëindigen als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouders niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb, of

    • e.

      de jeugdige of zijn ouders de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 3.

    Als het college een besluit op grond van lid 2 onder a, heeft herzien of ingetrokken kan het college de geldswaarde vorderen van het teveel of ten onrechte genoten pgb.

  • 4.

    Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan, nadat de reden is nagegaan, worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

Artikel 4.15 Controle

  • 1.

    Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen in het kader van de Jeugdwet omtrent bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet.

     

Paragraaf 4.8 Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 4.16 Gezondheidszorg

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel g Jeugdwet en artikel 4.7 lid 3, plaatsvindt.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) over hoe de continuïteit van jeugdhulp/zorg te garanderen voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen, en hoe te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.

  • 3.

    Het college draagt ervoor zorg dat de jeugdige en/of zijn ouders ondersteund worden richting het CIZ, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg.

Artikel 4.17 Gecertificeerde instellingen

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de aansluiting tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in paragraaf 4.2 en de gecertificeerde instellingen.

  • 2.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over:

    • a.

      het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, zoals bedoeld in artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet,

    • b.

      het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering,

    • c.

      de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt,

    • d.

      wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een persoonsgebonden budget kan zijn namens de jeugdige en zijn ouders,

    • e.

      hoe te handelen wanneer de gecertificeerde instelling meent dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet dient te worden.

  • 3.

    Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5 lid 3 lid Jeugdwet.

Artikel 4.18 Justitiedomein

  • 1.

    Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet.

  • 2.

    Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken zoals bedoeld in het eerste lid op in het protocol zoals bedoeld in artikel 4.17 lid 3 en het protocol bedoeld in artikel 3.1 lid 5 Jeugdwet.

Artikel 4.19 Voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij het toegangsteam van de gemeente.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in lid 1 genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.

  • 3.

    Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige en/of zijn ouders.

Artikel 4.20 Veilig Thuis

Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en maatwerkvoorzieningen.

Artikel 4.21 Wmo 2015‐voorzieningen

  • 1.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van dit hoofdstuk en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Wmo 2015.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming van de voorzieningen voor jeugdigen op grond van dit hoofdstuk en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouders, op grond van de Wmo 2015.

  • 3.

    Het college draagt zorg voor de continuïteit van jeugdhulp/maatschappelijke ondersteuning onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 4.22 Voorzieningen werk en inkomen

Het college draagt ervoor zorg dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren en waar nodig jeugdigen en hun ouders helpen de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen – zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen, armoedevoorzieningen – te krijgen om deze belemmeringen weg te nemen, voor zover de jeugdige of zijn ouders daaraan hun medewerking wensen te verlenen.

 

Paragraaf 4.9 Kwaliteit

Artikel 4.23 Kwaliteitscriteria

  • 1.

    De aanbieder houdt zich aan de norm van verantwoorde hulp, waaronder de verplichting om geregistreerde professionals in de zetten. Medewerkers zijn zodanig ervaren en/of gekwalificeerd dat zij jeugdigen en/of hun (pleeg)ouders kunnen begeleiden en ondersteunen, ook bij specifieke en complexe problematiek.

  • 2.

    De aanbieder sluit aan bij de visie, uitgangspunten en werkwijze van de gemeente, zoals geformuleerd in het jeugdbeleid, de verordening en de nadere regels.

  • 3.

    De aanbieder draagt zorg voor systematische kwaliteitsbewaking.

  • 4.

    De aanbieder beschikt voor al haar rechtstreeks bij de jeugdhulp betrokken medewerkers over een actuele Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).

  • 5.

    De aanbieder:

    • a.

      draagt er zorg voor dat haar medewerkers werken volgens de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en bevordert de kennis over en het gebruik van de meldcode door het personeel;

    • b.

      draagt er zorg voor dat haar HBO-personeel is geregistreerd als jeugdhulpprofessional of een aantoonbare aanvraag heeft ingediend om als jeugdhulpprofessional geregistreerd te worden en dat MBO-personeel altijd onder verantwoordelijkheid van een HBO-geschoolde en geregistreerde medewerker werkt;

    • c.

      stelt een onafhankelijke vertrouwenspersoon aan en geeft de vertrouwenspersoon voldoende gelegenheid zijn taak uit te voeren;

    • d.

      werkt mee aan inspecties en controles en geeft opvolging aan aanbevelingen die hieruit naar voren komen;

    • e.

      heeft kennis van en handelt naar de uitgangspunten van de nota van de commissie Rouvoet: “Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg”.

  • 6.

    De aanbieder informeert het college over de aard en de inhoud van elke melding aan de inspectie op grond van artikel 4.1.8 Jeugdwet.

  • 7.

    De (verblijfs-)locaties van de aanbieder voldoen aan alle wettelijke (veiligheids)eisen.

  • 8.

    De aanbieder registreert zijn betrokkenheid bij een gezin/jeugdige in Esar (Verwijsindex Risicojongeren voor Flevoland).

  • 9.

    Professionals die niet in dienst zijn bij een jeugdhulpaanbieder moeten voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      De hulpverlener moet ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel.

    • b.

      De hulpverlener moet, voor zover de aard van de dienstverlening dit vereist, beschikken over een SKJ-registratie.

    • c.

      De hulpverlener beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag van maximaal een jaar oud.

Artikel 4.24 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

  • a.

    de aard en omvang van de te verrichten taken;

  • b.

    de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

  • c.

    een redelijke toeslag voor overheadkosten;

  • d.

    een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

  • e.

    kosten voor bijscholing van het personeel.

Paragraaf 4.10 Klachten en medezeggenschap

Artikel 4.25 Klachtregeling

Het college behandelt klachten van de jeugdige of zijn ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in dit hoofdstuk overeenkomstig de klachtenregeling van het college.

Artikel 4.26 Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeenten bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt de jeugdige of zijn ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hun van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

Paragraaf 4.11 Slotbepalingen

Artikel 4.27 Evaluatie

Het door het college gevoerde beleid wordt eens per twee jaar geëvalueerd.

Artikel 4.28 Toezichthouder

Het college kan een toezichthouder aanwijzen die namens het college toezicht houdt op de kwaliteit en rechtmatigheid van de jeugdhulp.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 5.1 Hardheids- en restclausule

  • 1.

    In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 5.2 Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2021.

  • 2.

    Per gelijke datum worden de volgende verordeningen ingetrokken:

    • Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Ermelo

    • Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Harderwijk

    • Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Zeewolde 2015

    • Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 gemeente Ermelo

    • Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 gemeente Harderwijk

    • Verordening individuele inkomenstoeslag 2017 gemeente Zeewolde

    • Wijzigingsverordening individuele inkomenstoeslag (aanpassing bedragen)

    • Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Ermelo

    • Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Harderwijk

    • Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 Zeewolde

    • Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Ermelo

    • Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Harderwijk

    • Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Zeewolde

    • Wijzigingsverordening Participatiewet gemeente Harderwijk/Ermelo/Zeewolde 2017

    • Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 gemeente Ermelo

    • Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 gemeente Harderwijk

    • Verordening loonkostensubsidie Participatiewet 2015 gemeente Zeewolde

    • Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo/Harderwijk/Zeewolde 2015

    • Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Ermelo 2018

    • Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Harderwijk 2018

    • Verordening Jeugdhulp gemeente Ermelo 2018

    • Verordening jeugdhulp gemeente Harderwijk 2018

    • Verordening Jeugdhulp Zeewolde 2015

  • 3.

    Aanvragen en bezwaarschriften die zijn ingediend onder oud recht worden afgehandeld naar het recht dat is neergelegd in, dan wel opgesteld krachtens, deze verordening.

Artikel 5.3 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als Integrale verordening sociaal domein gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde 2021.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Zeewolde in zijn openbare vergadering van 25 maart 2021.

de griffier,

L. van Heezik

de voorzitter

G.J.Gorter

Bijlage 1 bij artikel 2.18 - wijze waarop loonwaarde wordt vastgesteld

 

Voor de bepaling van de loonwaarde maakt het college gebruik van een methodiek die voldoet aan de eisen die worden gesteld in de algemene maatregel van bestuur (Besluit Loonkostensubsidie) en ook aan de eisen van de ministeriële regeling. In dit Besluit wordt geregeld wanneer iemand nog mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft ten behoeve van de vaststelling van de doelgroep loonkostensubsidie. Daarnaast worden in het besluit uitgangspunten benoemd die landelijk moeten gelden in verband met een zorgvuldige loonwaardebepaling. Ook bevat dit besluit mede de basis voor een ministeriële regeling met nadere eisen waaraan methodes voor loonwaardebepaling moeten voldoen.

 

Zodra in het regionaal Werkbedrijf afspraken tot stand zijn gekomen over minimumeisen, treden deze, na akkoord van het Ministerie voor de betreffende regio in de plaats van de eisen die in de ministeriële regeling zijn geformuleerd. In het Beslisdocument Regionaal Werkbedrijf Stedenvierkant, “Sociaal akkoord regio Stedenvierkant: samen werken aan meer werk!”, is over de loonwaardemeting het volgende opgenomen:

 

1. Uitgelicht: de loonwaardemeting

 

1.1 Eén uniforme methode voor loonwaardemeting in de arbeidsmarktregio

Een van de uitgangspunten voor de plaatsing van mensen met een arbeidsbeperking is dat de werkgever loon betaalt voor het feitelijke werk dat iemand kan verrichten; we spreken hierbij van de loonwaarde die iemand heeft. Onderdeel van een matchingsarrangement kan zijn dat de werkgever een loonkostensubsidie krijgt om de loonwaarde van de werknemer aan te vullen tot 100% van het Wettelijk Minimumloon (WML). Het is daarom van belang om een goede onderbouwing te geven van de aan te houden loonwaarde. Daartoe wordt in de Pw het instrument loonwaardemeting geïntroduceerd. De loonwaarde wordt in ieder geval vastgesteld voor iedereen die bij een fulltime dienstverband niet in staat is om 100% van het wettelijk minimumloon te genereren.

 

We kiezen voor de methode van loonwaardebepaling van Dariuz. Op basis van offertevergelijking is een commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers en gemeenten, tot deze keuze gekomen. De loonwaardemethodiek Dariuz is gevalideerd en neemt in ieder geval de aspecten tempo, kwaliteit, inzetbaarheid en ontwikkelingsmogelijkheden mee.

Met de keuze voor Dariuz als methode voor loonwaardebepaling in de arbeidsmarktregio wordt voldaan aan de - door de regionale werkkamer vastgestelde - criteria voor een uniform instrumentarium:

  • De meest efficiënte toepassing, waarbij de meting transparant en laagdrempelig uitgevoerd moet kunnen worden;

  • De minste belasting voor de werkgever, In ieder geval zal bij één werkgever altijd eenzelfde systeem moeten worden gebruikt.

  • Omstandigheden als benodigde begeleiding en de psychische en fysieke gesteldheid van desbetreffend persoon worden meegewogen. Ook wordt gekeken naar het ontwikkelingspotentieel van de betreffende medewerker.

  • De beste prijs;

  • De reeds opgedane ervaring met een van de op dit moment gevalideerde loonwaardesystemen;

  • De uitvoering door een daartoe (passend bij de methodiek) gekwalificeerde en onafhankelijke professional.

1.2 Loonwaardemeting altijd op werkplek

De loonwaardemeting wordt altijd op de werkplek en in samenspraak met werkgevers afgenomen. Het instrument moet daarom efficiënt kunnen worden toegepast, met zo min mogelijk belasting voor de werkgever en tegen een zo gunstig mogelijke prijs. Voor de wettelijk verplichte jaarlijkse herhaal-loonwaardemeting passen we maatwerk toe voor wat betreft de vorm waarin dit plaatsvindt. Soms is een kort contactmoment met werkgever en werknemer voldoende om hernieuwd de loonwaarde vast te stellen, in andere gevallen kan een nieuwe meting noodzakelijk zijn.

 

1.3 Faciliteiten samenhangend met de loonwaardemeting

Het instrument loonwaardemeting en de inzet van loonkostensubsidie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Werken met loonkostensubsidie gebaseerd op de loonwaarde is vooral overtuigend wanneer het wordt aangeboden in combinatie met aanvullende instrumenten.

Om de inzet van een loonkostensubsidie zo optimaal mogelijk te benutten, formuleren we in de regio Stedenvierkant de doelgroep voor de loonkostensubsidie ruim. Op die manier wordt de regeling toegankelijk voor een grote groep mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en kan het hen ondersteunen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt.

 

Voor een goede inzet van de loonkostensubsidie is het belangrijk om direct bij het begin van de plaatsing heldere afspraken te maken over de manier waarop de loonkostensubsidie wordt ingezet. De plaatsing kan bestaan uit een proef-plaatsing en een voorlopig subsidie-advies, gevolgd door een definitieve plaatsing. Daarbij kunnen verschillende faciliteiten ter ondersteuning worden ingezet, zoals extra ondersteuning of begeleiding bij aanvang van het werk, bijstelling van de loonwaardemeting na de proefperiode, werkplekaanpassingen en een eventuele no-riskpolis. Bij de definitieve plaatsing volgt een definitief subsidie-advies, waarin de definitieve loonwaardemeting is opgenomen en waarin eventuele bijkomende kosten en risico’s worden afgezet tegen de voordelen voor de werkgever. De loonkostensubsidie wordt gefinancierd uit het inkomensdeel van de Pw, terwijl eventuele bijkomende kosten gefinancierd worden uit een gecombineerd budget, zoals het Participatiebudget van gemeenten, belastingvoordelen en bijdragen van werkgevers.