Gemeenteblad van Hoogeveen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
HoogeveenGemeenteblad 2020, 7288Beleidsregels



Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, Bbz, IOAW en IOAZ Hoogeveen 2020

Het college van de gemeente Hoogeveen;

 

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; alsmede artikel 58 en 59 van de Participatiewet en artikel 25 van de IOAW en IOAZ;

gelet op artikel 18a van de Participatiewet en 20a van de IOAW en IOAZ;

gelet op artikel 12, tweede lid, onderdeel c, en artikel 39, artikel 41, artikel 42 en artikel 43 van de Bbz 2004;

gelet op hoofdstuk 5  van de Bbz ;

 

overwegende dat het wenselijk is om beleidsregels vast te stellen omtrent de aan het college toekomende bevoegdheid om uitkeringen terug te vorderen.

 

Besluit vast te stellen de hierna volgende:

Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, Bbz, IOAW en IOAZ Hoogeveen 2020.

Hoofdstuk 1 ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen
  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    a:  aflossingscapaciteit: de financiële ruimte die iemand heeft om af te lossen;

    b: Bbz 2004: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

    c: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen;

    d: fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    e: inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    f: IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte  werkloze werknemers;

    g: IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk   arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    h: wet: Participatiewet;

    i: uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ en de Bbz 2004.

  • 3.

    Alle andere in deze beleidsregels gehanteerde begrippen hebben dezelfde betekenis als vermeld in de wet, Bbz 2004, Ioaw en Ioaz.

Artikel 2. Algemene bepalingen met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering, verrekening en brutering

Het college: 

  • a.

    herziet dan wel trekt het recht op uitkering in, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend; 

  • b.

    maakt gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals bedoeld in artikelen 58, tweede lid en 59 van de Pw,de artikelen 25, tweede lid en 26 van de IOAW en IOAZ, alsmede de artikelen 12 tweede lid onderdeel c en artikel 41, en artikel 43 van de Bbz 2004; 

  • c.

    maakt bij een verwijtbare bedrijfsbeëindiging geen gebruik van de bevoegdheid in artikel 43 Bbz 2004; 

  • d.

    maakt gebruik van de bevoegdheid tot brutering zoals bedoeld in artikel 58, vijfde lid van de wet;

  • e.

    verrekent inkomsten als bedoeld in 58, vierde lid van de wet en 25, vierde lid van de IOAW en IOAZ;

  • f.

    verrekent de vordering met de uitkering zoals bedoeld in artikelen 48 vierde lid, 60 derde lid en 60 zesde lid sub a van de wet alsmede 28, derde lid van de IOAW en IOAZ; 

  • g.

    verrekent een vordering die belanghebbende op hem heeft zoals bedoeld in artikel 60a, vierde lid wet. h. houdt bij het uitoefenen van haar bevoegdheden zoals genoemd in dit artikel rekening met de uitzonderingen voortvloeiende uit de jurisprudentie.

Hoofdstuk 2  GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN TERUG- EN INVORDERING

Artikel 3. Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen

Het college ziet af van het nemen van een terugvorderingsbesluit als het terug te vorderen bedrag per kalenderjaar minder bedraagt dan € 50,00 netto.

Artikel 4. Afzien van invordering 

  • 1.

    Het college ziet af van verdere invordering als de belanghebbende:

    a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; en

    b. de afgelopen vijf jaar niet eerder is afgezien van invordering.

  • 2.

    Het college ziet af van verdere invordering als belanghebbende:

    a. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag en eventueel bijkomende kosten en rente over die periode alsnog heeft betaald, of

    b. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of

    c. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

  • 3.

    Tot toepassing van het eerste en tweede lid wordt ambtshalve besloten.

Artikel 5. Geheel of gedeeltelijk afzien van invordering bij schuldregeling

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de wet en artikel 29a van de IOAW en IOAZ, verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien:

    a. redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en

    b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

    c. de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  • 2.

    Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken als:

    a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid;

    b. de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichting ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden;

    c. op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 6. Uitzondering

Artikelen 3, 4 en 5 eerste lid van deze beleidsregels zijn niet van toepassing op:

  • a.

    fraudevorderingen en boetes;

  • b.

    vorderingen als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • c.

    vorderingen die door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.

Hoofdstuk 3 INVORDERING

Artikel 7. Algemeen

Het college: 

  • a.

    start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken, en stelt belanghebbende in de gelegenheid een betalingsregeling te treffen, of

  • b.

    gaat indien mogelijk na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met de uitkering op grond van artikelen 60 derde lid Pw en 28 derde lid van de IOAW en IOAZ.

Artikel 8. Uitstel van betaling 

  • 1.

    Het college verleent uitstel van betaling als haar ambtshalve of op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan.

  • 2.

    Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit kan het college aan het verleende uitstel de voorwaarde verbinden dat belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.

  • 3.

    Bij een fraudevordering of boete verbindt het college aan de verlening van uitstel of verder uitstel de extra voorwaarde dat belanghebbende, als hij over vermogen beschikt dan wel komt te beschikken dit vermogen, voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm, aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.

  • 4.

    Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in het derde lid:  

    a. worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten, en

    b. is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de wet van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    Het uitstel wordt ingetrokken indien de belanghebbende de aflossingsverplichting niet nakomt.  

Artikel 9. Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit

  • 1.

    Er wordt met een betalingsvoorstel ingestemd wanneer de vordering binnen 60 maanden in zijn geheel bruto bedrag kan worden afgelost en de aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt.

  • 2.

    Zolang aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan kan, op verzoek van de belanghebbende, een bestaande betalingsregeling worden aangepast of de betalingsverplichting tijdelijk worden opgeschort.

  • 3.

    Als geen betalingsregeling wordt of kan worden getroffen, is de aflossingsverplichting gelijk aan het bedrag dat op grond van het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking komt.

Artikel 10. Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college

  • 1.

    Wanneer de betalingsregeling wordt nagekomen en de vordering binnen 60 maanden wordt afgelost, wordt geen onderzoek naar de aflossingscapaciteit gedaan.

  • 2.

    Als geen betalingsregeling is getroffen en geen signaal is ontvangen stelt het college in ieder geval één keer per jaar een draagkrachtonderzoek in.

  • 3.

    Als geen betalingsregeling is getroffen stelt het college een draagkrachtonderzoek in na ontvangst van een signaal dat de situatie van belanghebbende is gewijzigd.

Artikel 11. Niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting

Als de belanghebbende de betalingsverplichting niet nakomt wordt een aanmanings- en invorderingsprocedure doorlopen als bedoeld in afdeling 4.4.4 van de Awb en Tweede afdeling A van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tweede Boek.

Artikel 12. Rente en kosten

Alleen als de invordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder, wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente, kosten van het dwangbevel en verdere kosten van invordering.

Hoofdstuk 4 SLOTBEPALINGEN

Artikel 13. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking.

  • 2.

    Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ Hoogeveen 2019

  • 3.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels terug- en invordering Hoogeveen 2020.

 

Hoogeveen 8 januari 2020

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van Hoogeveen,

secretaris, burgemeester,

Nanne Kramer Karel Loohuis