Nadere regels peuteropvang Hellevoetsluis 2020

Besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis tot vaststelling van beleids rege ls voor de uitvoering van de artikel en 1 t/m 16 van de Nadere regels peuteropvang Hellevoetsluis 2020.

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis;

 

gelezen het voorstel van 18 februari 2020 (20200074);

 

overwegende dat,

 

het gewenst is om nadere regels vast te stellen die in acht worden genomen bij het verstrekken van peuteropvang en VVE in de gemeente;

 

gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

 

gelet op de Algemene Subsidie Verordening Hellevoetsluis;

 

gelet op het Besluit van 20 september 2019 tot wijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie in verband met de verhoging van het minimaal aantal uren aanbod voorschoolse educatie;

 

b e s l u i t vast te stellen de volgende beleidsregels:

 

Nadere regels peuteropvang Hellevoetsluis 2020.

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze nadere regels wordt verstaan onder:

  • a.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis.

  • b.

    Doelgroeppeuter: peuter woonachtig in de gemeente Hellevoetsluis van 2 jaar en 3 maanden tot het moment dat hij/zij naar de basisschool gaat en die op indicatie van de Jeugdgezondheidszorg (hierna: JGZ) in aanmerking komt voor een peuterplaats VVE.

  • c.

    DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs, onderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

  • d.

    Houder: de rechtspersoon aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet toebehoort, waarbij onder ‘onderneming’ wordt begrepen ‘een in Hellevoetsluis gevestigde locatie voor kinderopvang waar peuteropvang wordt uitgevoerd en die in het LRK staat geregistreerd als kinderdagverblijf’.

  • e.

    Kinderdagverblijf: locatie waar dagopvang voor kinderen tussen de 0 en 4 jaar wordt gerealiseerd, volgens de eisen van de Wet Kinderopvang.

  • f.

    Kinderopvangtoeslag (KOT): de tegemoetkoming van het Rijk aan ouders bedoeld als gedeeltelijke bijdrage in de kosten voor de in de LRK-geregistreerde kinderopvang.

  • g.

    LRK: Landelijk Register Kinderopvang: Register waarin kinderopvangvoorzieningen zijn opgenomen die voldoen aan de wettelijke eisen.

  • h.

    Maximum uurtarief kinderopvang: jaarlijks geïndexeerd maximum uurtarief voor kinderopvang dat wordt gehanteerd door de Belastingdienst voor de aanvraag van KOT.

  • i.

    Ouderbijdrage: financiële vergoeding die ouders moeten betalen voor de afname van een peuterplaats (hetzij regulier, hetzij VVE) voor hun kind, afgestemd op het verzamelinkomen van het huishouden.

  • j.

    Ouderbijdragentabel: door de Belastingdienst vastgesteld overzicht van de ouderbijdragen per kind en inkomensgroep.

  • k.

    Ouders: ouder(s) of wettelijke verzorgers van de peuter.

  • l.

    Peuteropvang: educatieve opvang voor kinderen vanaf 2 jaar tot het moment waarop zij naar de basisschool uitstromen, gericht op ontwikkelingsstimulering en voorbereiding op de basisschool en die voldoet aan de eisen uit de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen met het daarbij behorende Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Peuteropvang wordt uitgevoerd op peuteropvanglocaties in groepen van maximaal 16 peuters per groep. De ontwikkeling van alle peuters wordt gevolgd middels een observatiesysteem dat de peuter/kleuterontwikkeling en/of de leervorderingen op een gestructureerde wijze voor alle kinderen in beeld brengt.

  • m.

    Peuteropvanglocatie: de locatie, geregistreerd als kinderdagverblijf in Hellevoetsluis in het LRK, waar de houder peuteropvang uitvoert.

  • n.

    Peutergroep: een gecombineerde groep die bestaat uit peuterplaatsen regulier en peuterplaatsen VVE.

  • o.

    Peuterplaats regulier: plek voor reguliere peuters vanaf 2 jaar en 3 maanden totdat zij naar de basisschool gaan, van twee dagdelen per week, gedurende 40 weken per jaar.

  • p.

    Peuterplaats VVE: plek voor doelgroeppeuters die toeneemt in uren, van minimaal 50 uur tussen de 2 jaar en 3 maanden en 2 jaar en 6 maanden, en minimaal 960 uur tussen 2,5 jaar en 4 jaar, gedurende 40 weken per jaar.

  • q.

    Vereiste taalniveaus: de landelijk gehanteerde eisen volgens de wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (hierna: wet IKK) aan de taalniveaus van pedagogisch medewerkers op de kinderopvanglocaties, te weten 3F voor schrijfvaardigheid, spreek- en luistervaardigheid.

  • r.

    Verzamelinkomen: door de Belastingdienst gehanteerde term voor het jaarinkomen uit box 1, box 2 en box 3 verminderd met de aftrekposten. Het betreft hier het jaarinkomen van het hele gezin.

  • s.

    VVE (voor- en vroegschoolse educatie): hier opgevat als peuteropvang voor kinderen vanaf 2 jaar en 3 maanden tot het moment waarop zij naar de basisschool uitstromen, waarin via een VVE-programma op gestructureerde en samenhangende wijze activiteiten worden aangeboden gericht op het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen op het gebied van rekenen, taal, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.

  • t.

    VVE-programma: een door het Nederlands Jeugd Instituut (NJI) erkend programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Artikel 2. Doel

Deze nadere regels hebben als doelstelling het bieden van gelijke en optimale ontwikkelkansen voor alle kinderen uit de gemeente Hellevoetsluis in de leeftijd van 2 jaar en drie maanden tot het moment dat zij naar de basisschool instromen, door het subsidiëren van een kwalitatief hoogwaardig aanbod van peuteropvang, inclusief VVE.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

Het College kan aan een houder, die voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 5, subsidie verlenen voor de volgende activiteiten:

  • 1.

    Het aanbieden van peuteropvang aan kinderen zonder VVE-indicatie (peuterplaats regulier), waarbij:

    • a.

      Een te subsidiëren dagdeellengte minimaal 2,5 en maximaal 4 uur bedraagt;

    • b.

      Er 2 te subsidiëren dagdelen per peuter, per week worden geboden;

    • c.

      Het aantal te subsidiëren openingsweken per jaar 40 weken bedraagt;

  • 2.

    Het aanbieden van VVE-peuteropvang aan kinderen met een door de JGZ afgegeven VVE-indicatie (doelgroeppeuter), waarbij:

    • a.

      Een te subsidiëren dagdeellengte minimaal 2,5 en maximaal 6 uur bedraagt;

    • b.

      Er minimaal 2 en maximaal 5 te subsidiëren dagdelen per peuter, per week worden geboden;

    • c.

      Het aantal te subsidiëren openingsweken per jaar 40 weken bedraagt;

    • d.

      Tussen de 2 jaar en 3 maanden en 2 jaar en 6 maanden een aanbod wordt gedaan van twee dagdelen per week, voor minimaal 50 uur en maximaal 65 uur;

    • e.

      In totaal een aanbod van minimaal 960 uur en maximaal 975 uur wordt gedaan tussen de 2,5 jaar en 4 jaar, waarbij een opbouw in het aanbod wordt gehanteerd: het aanbod groeit mee met de leeftijd van de peuter.

Artikel 4. Doelgroepen

  • 1.

    Voor deze subsidieregeling worden de volgende doelgroepen gehanteerd:

    • a.

      Peuters uit de gemeente Hellevoetsluis zonder VVE-indicatie die naar de peuteropvang gaan, waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • b.

      Peuters uit de gemeente Hellevoetsluis zonder VVE-indicatie die naar de peuteropvang gaan, waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • c.

      (Doelgroep)peuters uit de gemeente Hellevoetsluis met een VVE-indicatie die naar de peuteropvang gaan, waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • d.

      (Doelgroep)peuters uit de gemeente Hellevoetsluis met een VVE-indicatie die naar de peuteropvang gaan, waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag.

Artikel 5. Voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen

  • 1.

    Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan houders die voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Er wordt voldaan aan de Wet kinderopvang, het Besluit basisvoorwaarden voorschoolse educatie, kwaliteitseisen voor- en vroegschoolse educatie van de inspectie van het onderwijs en de vereisten vanuit de inspectie GGD.

    • b.

      De locatie staat geregistreerd als kinderopvangvoorziening in het landelijk register.

    • c.

      Er wordt medewerking verleend aan onderzoek en monitoring om te controleren of voldaan wordt aan de subsidievoorwaarden.

    • d.

      Er is sprake van een warme overdracht van peuters naar de basisschool. Dit houdt het volgende in: in de overdracht geeft de peuteropvanglocatie (als voorschoolse voorziening) persoonlijk - en bij voorkeur in aanwezigheid van de ouders – informatie mee over de ontwikkeling van het kind, onder andere op gebied van taal, spel, motoriek en sociaal-emotioneel.

    • e.

      De pedagogisch medewerkers beschikken op het moment van de start van de subsidieperiode over de vereiste taalniveaus, dan wel volgen aantoonbaar op het moment van de subsidieaanvraag scholing die tot doel heeft de genoemde taalniveaus te bereiken.

    • f.

      De houder werkt voor elke peuteropvanglocatie aantoonbaar samen met één of meer basisscholen.

  • 2.

    Om in aanmerking te komen voor de subsidie voor de doelgroeppeuters gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

    • a.

      De locatie staat geregistreerd als kinderopvangvoorziening met VVE in het LRK.

    • b.

      De pedagogisch medewerkers op de betreffende peuteropvanglocatie zijn gecertificeerd voor het VVE-programma waarmee op die locatie wordt gewerkt; er wordt uitgegaan van 2 gecertificeerde pedagogische medewerkers per groep en per dagdeel.

  • 3.

    Nieuwe houders VVE moeten zich uiterlijk 1 maart voorafgaand aan het subsidiejaar bij de gemeente melden om met ingang van het nieuwe kalenderjaar voor subsidiering VVE in aanmerking te komen.

  • 4.

    Onverminderd de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Hellevoetsluis en de subsidievoorwaarden als opgenomen in artikel 5 lid 1 t/m 3, kan de subsidie in ieder geval worden geweigerd indien:

    • a.

      voor één van de vestigingen van de houder vanaf het moment van subsidieaanvraag tot het moment van subsidieverlening bestuursrechtelijke handhaving van kracht is of wordt.

Artikel 6. De aanvraag

  • 1.

    Alleen aanvragen die voldoen aan de eisen van de op dat moment geldende Algemene Subsidie Verordening, inclusief alle gevraagde gegevens en stukken zoals benoemd in artikel 6 lid 2 t/m 4, worden in behandeling genomen.

  • 2.

    Voor het aanvragen van een subsidie voor peuteropvang/VVE dienen de volgende aanvullende gegevens en stukken overgelegd te worden:

    • a.

      het verwachte aantal peuters, uitgesplitst naar de 4 doelgroepen zoals benoemd in artikel 4 lid 1, met verwachte inkomsten uit ouderbijdragen.

    • b.

      het aantal beschikbare vs. verwachte gemiddeld bezette reguliere en VVE-kindplaatsen, uitgesplitst per locatie.

    • c.

      onderbouwing kostprijs per peutergroep.

  • 3.

    Houders die in de voorafgaande subsidieperiode geen subsidie voor peuteropvang hebben ontvangen, moeten het laatste beschikbare inspectierapport van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) Rotterdam-Rijnmond rondom de kwaliteit van VVE en Kinderopvang, overleggen.

  • 4.

    Houders die in de voorafgaande periode wel subsidie ontvingen, maar aanvragen voor een nieuwe nog niet eerder gesubsidieerde locatie, moeten het laatste beschikbare inspectierapport van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) Rotterdam-Rijnmond rondom de kwaliteit van VVE en Kinderopvang op de nieuwe locatie, overleggen.

Artikel 7. Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks een genormeerd uurtarief voor reguliere peuteropvang en VVE-peuteropvang vast.

  • 2.

    Het college compenseert het verschil tussen het genormeerd uurtarief van de reguliere peuteropvang/VVE-peuteropvang en het maximum uurtarief voor kinderopvang.

  • 3.

    Het college compenseert voor ouders die niet in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag het verschil tussen het maximum uurtarief kinderopvang, en de voor hen geldende ouderbijdrage volgens de ouderbijdragetabel.

  • 4.

    Het college compenseert de ouderbijdrage voor ouders met een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm, overeenkomstig de geldende beleidsregels bijzondere bijstand, toeslagen en minimaregelingen.

  • 5.

    Het subsidiebedrag wordt na afloop van de subsidieperiode definitief vastgesteld, zoals beschreven in artikel 13 lid 1 t/m 3.

  • 6.

    Indien een nieuwe houder VVE zich heeft gemeld, zoals omschreven in artikel 5 lid 3, zullen de plaatsen VVE en bijbehorende financiering voor het nieuwe kalenderjaar, op basis van een aangeleverde onderbouwing door alle houders, opnieuw worden verdeeld.

  • 7.

    De subsidiëring van peuteropvang en VVE is afhankelijk van de specifieke Rijksbijdrage Onderwijsachterstandenbeleid (OAB) en aanvullende bijdrage voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag (zogenoemde ‘Asscher’-middelen), bij wijziging van de hoogte van deze bijdragen kan het college per kalenderjaar besluiten de wijze en hoogte van subsidiëring te herzien.

Artikel 8. Toetsing recht op een gesubsidieerde peuterplaats

  • 1.

    Voor het toetsen of een peuter in aanmerking komt voor een gesubsidieerde peuterplaats voor de eerste twee dagdelen, dient de houder vast te stellen of ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag, op basis van door ouders aangeleverde stukken:

    • a.

      Verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag

    • b.

      Laatst vastgestelde Inkomensverklaring/IB60 formulier van de Belastingdienst van beide ouders.

  • 2.

    Indien het verwachte verzamelinkomen wijzigt/is gewijzigd ten opzichte van het verzamelinkomen dat is aangegeven op de Inkomensverklaring(en) over voorgaande jaren, dient deze verklaring aangevuld te worden met documenten waaruit de hoogte van het verwachte verzamelinkomen van het betreffend subsidiejaar blijkt. Dit kunnen zijn: salarisstrook, uitkeringsspecificatie, werkgeversverklaring, verklaring van schuldsanering etc. Uit de documenten dient te blijken dat de inkomenswijziging structureel is, en in ieder geval geldt voor de maand voorafgaand aan plaatsing op een peuterplaats.

  • 3.

    De toetsing voor recht op een gesubsidieerde peuterplaats geldt voor de gehele periode waarin gebruik wordt gemaakt van peuteropvang. Er vindt enkel een hertoetsing plaats indien er sprake is van wijziging van het inkomen, zoals gesteld in artikel 9, lid 2.

Artikel 9. Ouderbijdrage

  • 1.

    Alle ouders, zowel ouders van reguliere peuters als ouders van VVE-geïndiceerde peuters, betalen netto een inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor de eerste 2 dagdelen peuteropvang/VVE, met uitzondering van:

    • a.

      Ouders met een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm, die hoeven geen ouderbijdrage te betalen. Toetsing hiervan vindt plaats bij het Werk, Inkomen en Zorg (WIZ-)loket van de gemeente.

  • 2.

    Voor het extra VVE-aanbod bovenop die eerste 2 dagdelen, wordt geen ouderbijdrage in rekening gebracht, deze extra dagdelen worden volledig bekostigd door de gemeente.

  • 3.

    Afhankelijk van of ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag, brengt de houder de kosten verschillend in rekening bij ouders:

    • a.

      Indien de houder conform artikel 8 heeft vastgesteld dat een ouder geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, en daardoor een gesubsidieerde peuterplaats krijgt, stelt de houder op basis van de ingediende stukken van ouders de hoogte van het verzamelinkomen en bijbehorende ouderbijdrage vast, en brengt deze in rekening bij de ouders. Deze ouderbijdrage is gelijk aan de ouderbijdragentabel van de Belastingdienst.

    • b.

      Indien de houder conform artikel 8 heeft vastgesteld dat een ouder wel recht heeft op kinderopvangtoeslag, brengt de houder het maximum uurtarief kinderopvang in rekening bij de ouders. Op basis van dit bedrag kunnen ouders kinderopvangtoeslag aanvragen. Het bedrag dat na aftrek van de kinderopvangtoeslag nog betaald moet worden, is de inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Het is voor ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag niet toegestaan om toeslag aan te vragen voor uren die volledig bekostigd worden door de gemeente, zoals gesteld in artikel 10 lid 2.

Artikel 10. De subsidieverlening

  • 1.

    Het college beslist op een tijdig en compleet ingediende subsidieaanvraag binnen 13 weken nadat de aanvraag is ingediend.

  • 2.

    Indien gedurende de periode waarop de subsidieverlening betrekking heeft voor de betreffende peuteropvanglocatie bestuursrechtelijke handhaving van kracht wordt, kan dat het herzien of intrekken van het besluit tot subsidieverlening tot gevolg hebben en kan de subsidie geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.

Artikel 11. Verantwoording subsidie

  • 1.

    De ontvanger van een subsidie peuteropvang/VVE dient in januari (over juli t/m december) en juli (over januari t/m juni) een tussentijdse cijfermatige halfjaarrapportage op te leveren, met daarin ten minste de volgende informatie:

    • a.

      Het aantal beschikbare vs. bezette reguliere en VVE-kindplaatsen, uitgesplitst per locatie.

    • b.

      Overzicht van het totaal aantal bezette peuterplekken door: reguliere peuters, VVE-peuters, peuters in het pre-aanbod, peuters in het aanbod 3 tot 4 jaar, peuters gebruikmakend van de minimaregeling, peuters gebruikmakend van de gesubsidieerde (‘Asscher’) peuterplaats.

    • c.

      Gegevens over de aan-/afwezigheid van de VVE-peuters.

    • d.

      Specificatie van de tot dan toe ontvangen ouderbijdragen.

  • 2.

    De jaarverantwoording van de verstrekte subsidie dient te geschieden op basis van de gestelde voorwaarden en eisen, inclusief alle gevraagde stukken, van de op dat moment geldende Algemene Subsidie Verordening.

  • 3.

    Voor de jaarverantwoording van een subsidie voor peuteropvang/VVE dient ten minste inzicht gegeven te worden in de volgende zaken:

    • a.

      Het bereikte aantal peuters, uitgesplitst naar de 4 doelgroepen zoals benoemd in artikel 4 lid 1, met totaal ontvangen ouderbijdragen.

    • b.

      Gegevens over de aan-/afwezigheid van de VVE-peuters.

    • c.

      Het gemiddeld aantal bezette reguliere en VVE-plekken per week.

    • d.

      Het totaal aantal bereikte reguliere peuters, VVE-peuters, peuters dat gebruik heeft gemaakt van de minimaregeling, peuters dat gebruik heeft gemaakt van de gesubsidieerde (‘Asscher’) peuterplaats.

  • 4.

    De ontvanger van een subsidie voor peuteropvang/VVE dient bij de jaarverantwoording aanvullend een, door een accountant opgesteld, assurance-rapport in omtrent de aan het college gepresenteerde inkomsten en uitgaven van de peuteropvang/VVE. Hierbij worden de inkomsten en uitgaven met betrekking tot andere producten van de houder (bijv. kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang), buiten beschouwing gelaten.

  • 5.

    Voor de verstrekte subsidies geldt dat het college bij houder nadere gegevens kan opvragen om de rechtmatigheid van de besteding van de subsidie conform de opgelegde voorwaarden te controleren. Daartoe is de houder verplicht het college desgewenst inzage te geven in diens administratie betreffende onder meer:

    • -

      inkomensverklaringen of andere bewijzen hoogte gezinsinkomen;

    • -

      verklaringen geen recht op kinderopvangtoeslag van ouders;

    • -

      plaatsingsovereenkomst peuter waaruit aantal uren, soort peuterplaats, ouderbijdrage en start- en (verwachte) einddatum blijken;

    • -

      VVE-indicaties, afgegeven door de JGZ, voor plaatsingen van doelgroeppeuters.

Artikel 12. Vaststelling subsidie

  • 1.

    Vaststelling van de subsidie vindt plaats overeenkomstig de gestelde werkwijze en procedure in de geldende Algemene Subsidie Verordening.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie voor peuteropvang/VVE wordt vastgesteld op basis van de daadwerkelijke gemaakte kosten min de totaal ontvangen ouderbijdragen.

  • 3.

    Indien gedurende of na afloop van de subsidieperiode blijkt dat niet voldaan is aan de gehanteerde voorwaarden zoals genoemd in artikel 5, dan wel de prestatie eisen zoals gesteld in de bijbehorende beschikking, heeft het college het recht de subsidie lager vast te stellen en de subsidie geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.

Artikel 13. Hardheidsclausule

Het college beslist in alle voorkomende gevallen waarin deze nadere regels niet voorzien. Daarnaast is het college bevoegd om in bijzondere gevallen gemotiveerd van deze regeling af te wijken.

Artikel 14. Intrekking oude beleidsregels

De ‘Nadere regels Peuteropvang Hellevoetsluis 2018’, vastgesteld op 13 november 2018, worden ingetrokken met ingang van de datum waarop deze beleidsregels in werking treden.

Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 mei 2020.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Nadere regels peuteropvang Hellevoetsluis 2020’.

 

Aldus vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis, in de vergadering van 18 februari 2020.

Burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis,

De secretaris, De burgemeester,

Simone Bronsveld Milène Junius

Naar boven