Gemeenteblad van Purmerend

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
PurmerendGemeenteblad 2020, 39872Verordeningen



Verordening maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2020

De raad van de gemeente Purmerend;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 december 2019;

 

gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

 

gezien het advies van de Commissie Samenleving;

 

overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

 

B E S L U I T:

 

Vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2020

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;

  • -

    Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen;

  • -

    Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    Begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;

  • -

    Beschermd wonen: Wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

  • -

    Bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

  • -

    Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de wet;

  • -

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend;

  • -

    Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • -

    Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • -

    Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • -

    Kostprijs: de prijs waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening heeft ingekocht, dan wel een afgeleide daarvan.

  • -

    Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

    • ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

    • ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

    • ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

  • -

    Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • -

    Melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • -

    Onafhankelijke cliëntondersteuning ondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • -

    Opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

  • -

    Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

  • -

    Persoonsgebonden budget (pgb): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken;

  • -

    Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt;

  • -

    Vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;

  • -

    Voorliggende voorziening: een voorziening of dienst op grond van een andere wettelijke regeling die voorliggend is op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

 

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een ingezetene bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding.

 

Artikel 3. Onafhankelijke cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning.

 

Artikel 4. Vooronderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    De cliënt verschaft het college alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3.

    Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

 

Artikel 5. Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren om te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie om te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie om te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure

  • 4.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

  • 5.

    Bij elk gevoerd onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet wordt de vraag gesteld of degene waarmee het gesprek wordt gevoerd mantelzorgers heeft die in aanmerking zouden kunnen komen voor de jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 15 van deze verordening

 

Artikel 6. Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2.

    Na het gesprek verstrekt het college zo spoedig mogelijk aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij de cliënt hier geen prijs op stelt

  • 3.

    In het geval dat de cliënt het verslag niet wil ontvangen, wordt er geen toepassing gegeven aan leden 4, 5 en 6 en is artikel 7 van toepassing.

  • 4.

    De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. Als de cliënt niet binnen 5 werkdagen een ondertekend exemplaar heeft ingediend, kan de gemeente bepalen de termijn van afhandeling op te schorten.

  • 5.

    Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.

  • 6.

    Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.

 

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

 

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven,en

    • b.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen en aan het realiseren van een situatie, waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich (voor zover mogelijk) zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

    • c.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan opvang en aan het realiseren van een situatie, waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich (voor zover mogelijk) zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 3.

    Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:

    • a.

      de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en

    • b.

      de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

  • 4.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij

    • a.

      de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    • b.

      de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

    • c.

      de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 5.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

 

Artikel 9. Advisering

Het college kan, indien het dat van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening, een adviesinstantie om advies vragen.

 

Artikel 10. Regels voor pgb

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    De hoogte van een Pgb:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de aanvrager opgesteld plan over hoe hij het Pgb gaat besteden; en

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het Pgb toereikend is om een veilige, doeltreffende en kwalitatief goede maatwerkvoorziening van derden te kunnen betrekken en wordt indien nodig, aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering; en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.

  • 4.

    De hoogte van een Pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten en is voor:

    • a.

      hulp bij het huishouden:

      • 1˚.

        90% van de kostprijs per uur van de maatwerkvoorziening in natura, in geval van een niet door de gemeente gecontracteerde professionele organisatie;

      • 2˚.

        75% van de kostprijs per uur van de maatwerkvoorziening in natura, in geval van hulp vanuit het sociaal netwerk of door een niet-professional. In deze situatie mag alleen hulp van niveau 1 of 2 worden geleverd.

    • b.

      individuele begeleiding:

      • 1˚.

        90% van de kostprijs per uur van de maatwerkvoorziening in natura in geval van een niet door de gemeente gecontracteerde professional;

      • 2˚.

        44% van de kostprijs per uur van begeleiding regulier in natura, in geval van hulp vanuit het sociaal netwerk of door een niet- professional.

    • c.

      persoonlijke verzorging, indien in combinatie met individuele begeleiding:

      • 1˚.

        90% van de kostprijs per uur van de maatwerkvoorziening in natura, in geval van een niet door de gemeente gecontracteerde professional;

      • 2˚.

        53% van de kostprijs per uur van de maatwerkvoorziening in natura, in geval van hulp vanuit het sociaal netwerk of door een niet- professional.

    • d.

      dagbesteding:

      • 1˚.

        90% van de kostprijs per dagdeel van de maatwerkvoorziening in natura, in geval van een niet door de gemeente gecontracteerde professionele organisatie;

      • 2˚.

        77% van dagbesteding regulier per dagdeel in natura, in geval van hulp uit het sociaal netwerk of door een niet -professional.

    • e.

      kortdurend verblijf:

      • 1˚.

        90% van de kostprijs per etmaal van de maatwerkvoorziening in natura, in geval van een niet door de gemeente gecontracteerde professionele organisatie;

      • 2˚.

        83% van de kostprijs per etmaal van de maatwerkvoorziening in natura, in geval van opvang vanuit het sociaal netwerk of door een niet professionele organisatie.

    • f.

      beschermd wonen:

      • 90% van de maatwerkvoorziening in natura, in geval van een niet door de gemeente gecontracteerde professionele organisatie

    • g.

      Zintuiglijk beperkten:

      • 90% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura, van de landelijke gecontracteerde aanbieders.

    • h.

      vervoerskostenvergoeding voor een taxi of- en rolstoeltaxivervoer (op declaratiebasis):

      • 1˚.

        maximaal €2.000,- per jaar voor taxi;

      • 2˚.

        maximaal €2.600 per jaar voor een rolstoeltaxi.

    • i.

      een vervoerskostenvergoeding voor eigen auto of bruikleenauto. Op basis van het door de belastingdienst vrijgestelde tarief per km, gebaseerd op maximaal 2.000 km per jaar;

    • j.

      een autoaanpassing: de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen op basis van 2 door de aanvrager ingediende opgevraagde offertes.

    • k.

      een autoaanpassing tot maximaal € 2.300 in ruil voor het gebruik van 5 jaar AOV, in geval aan aanpassing van de eigen auto de voorkeur gegeven wordt;

    • l.

      verhuis- en herinrichtingskosten: De laagste kostprijs op basis van 2 door de aanvrager ingediende offertes. Daarnaast kan op basis van NIBUD prijzen een vergoeding worden verstrekt voor de noodzakelijke herinrichting van de woning. In totaal bedraagt de vergoeding maximaal € 2.900;

    • m.

      maximaal €3.000 voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening inclusief aanschaf en onderhoud voor een periode van 3 jaar;

    • n.

      het bezoekbaar maken van een woning. De laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen op basis van 2 door de aanvrager ingediende offertes;

    • o.

      vervoer regulier en per rolstoel van en naar dagbesteding: 90% van de kosten van de maatwerkvoorziening in natura.

  • 5.

    Als de materiele verstrekking in natura een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de materiele verstrekking technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de materiele verstrekking in natura een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering.

  • 6.

    Onverminderd lid 3,4 en 5 is de hoogte van een pgb voor informele hulp:

    • a.

      minimaal gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek of;

    • b.

      de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming of;

    • c.

      de tegemoetkoming per kalendermaand voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten zoals bedoeld in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de door het college vastgestelde vergoedingenlijst die waar mogelijk gebaseerd is op richtbedragen van het Nibud.

 

Artikel 11. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    De cliënt is een eigen bijdrage verschuldigd zolang gebruik wordt gemaakt van de in natura verstrekte maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. Het totaal van de eigen bijdragen is nooit hoger dan de kostprijs van de hulp of voorziening.

  • 2.

    In afwijking op het eerste lid wordt geen bijdrage verschuldigd voor:

    • a.

      dagbesteding;

    • b.

      vervoer naar dagbesteding;

    • c.

      (sport)rolstoelen;

    • d.

      aanvullend openbaar vervoer;

    • e.

      financiële vervoersvergoeding;

    • f.

      personen tot 18 jaar.

  • 3.

    De eigen bijdrage is €19,00 per maand per huishouden, tenzij het een echtpaar of samenwonenden betreft én minimaal 1 van de personen onder de AOW gerechtigde leeftijd is (in 2020 is dit 66 jaar en 4 maanden). Dan is de eigen bijdrage € 0,00. Op grond van de hardheidsclausule wordt in uitzonderlijke gevallen geen eigen bijdrage opgelegd.

  • 4.

     

    • a.

      Met inachtneming van artikel 3.20 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verhoogd met een opslag voor voeding bedraagt de eigen bijdrage maatschappelijke opvang voor personen vanaf 21 jaar 45,32 % van 60 % van de uitkering op grond van de Participatiewet voor gehuwden/samenwonenden per maand exclusief vakantietoeslag.

    • b.

       

      • 1°.

        Op basis van de Participatiewet, hoofdstuk 3 Algemene bijstand paragraaf 3.2 normen, artikel 20 jongerennormen wordt voor personen onder 21 jaar een bedrag vrijgelaten

      • 2°.

        Voor zover het maandinkomen exclusief vakantietoeslag van personen onder 21 jaar het onder 1˚. genoemde bedrag te boven gaat, wordt dit als eigen bijdrage aangemerkt tot maximaal het op grond van het eerste lid berekende eigen bijdrage bedrag.

    • c.

      Het college int de eigen bijdrage.

  • 5.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of Pgb door het AOP vastgesteld en geïnd.

  • 6.

    Voor beschermd wonen geldt de bijdrage zoals benoemd in hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo.

  • 7.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening voor een woon- en vervoersvoorziening wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van de voorziening in natura (tot stand gekomen na aanbesteding), rekening houdend met de technische levensduur (tien jaar) van de voorziening. Daarbij geldt dat:

    • a.

      voor een individuele vervoersvoorziening of een losse woonvoorziening de kostprijs bestaat uit de aanschafprijs van een nieuwe voorziening, inclusief BTW. Deze aanschafprijs wordt vermeerderd met de kosten voor onderhoud, keuring, reparatie en verzekering van de voorziening;

    • b.

      voor een voorziening bestaande uit het verstrekken van een bouwkundige of woontechnische aanpassing van een woning, is een eigen bijdrage verschuldigd totdat de kostprijs is betaald.

  • 8.

    De kostprijs van een voorziening in de vorm van een Pgb is gelijk aan de hoogte van het Pgb en mag niet hoger zijn dan een vergelijkbare voorziening in natura.

  • 9.

    Voor personen met een beperking die gebruik maken van het AOV geldt een ritprijs per gemaakte rit.

 

Artikel 12. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders, zowel van zorg in natura als zorg die wordt ingekocht met een pgb, zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door tenminste:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

 

Artikel 13. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en Pgb's en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

  • 1.

    Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of Pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 3.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het Pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het Pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt langer dan 2 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

    • e.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het Pgb verbonden voorwaarden, of

    • f.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het Pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van een Pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het Pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten Pgb.

  • 6.

    Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

 

Artikel 14. Opschorting betaling uit het Pgb

  • 1.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het Pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 2.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het Pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 14, derde lid, onder d.

 

Artikel 15. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Het college verleent op verzoek van een ontvanger van mantelzorg een jaarlijkse waardering aan mantelzorgers: ‘Het mantelzorgcompliment’. Dit dient als extra blijk van waardering voor mantelzorgers. Mantelzorgers komen hiervoor in aanmerking als wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      De mantelzorg wordt verleend aan een ingezetene van Purmerend.

    • b.

      De mantelzorger staat geregistreerd in het mantelzorgregister van de gemeente.

    • c.

      De mantelzorger levert de zorg onbetaald. Verzorgingsuren die bijvoorbeeld uit een pgb worden betaald vallen niet onder mantelzorg.

    • d.

      De mantelzorger levert de zorg langer dan drie maanden aaneen, voor meer dan vier uur per week.

    • e.

      De mantelzorg overstijgt gebruikelijke hulp.

    • f.

      De mantelzorg moet in het jaar van aanvraag zijn verleend.

  • 2.

    Per ingezetene komt één mantelzorger in aanmerking voor het mantelzorgcompliment.

  • 3.

    Een mantelzorger kan slechts één mantelzorgcompliment per jaar ontvangen, ook al is deze persoon mantelzorger van meerdere ingezetenen.

  • 4.

    De inhoud van de extra waardering wordt jaarlijks door het college vastgesteld, tenzij de waardering ongewijzigd blijft ten opzichte van het voorgaande jaar.

  • 5.

    De ingezetene vraagt het mantelzorgcompliment aan voor de mantelzorger. Wie meent een mantelzorger te hebben die voor de blijk van waardering in aanmerking komt kan zich vanaf 1 april tot en met 31 december van enig jaar melden bij het college.

  • 6.

    Aan het ontvangen van het mantelzorgcompliment voor enig jaar kunnen geen rechten worden ontleend voor volgende jaren.

 

Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1.

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • 2.

        de vaste prijs, bedoeld onder a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportage-verplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening, en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

      • 1°.

        aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

      • 2°.

        instructie over het gebruik van de voorziening;

      • 3°.

        onderhoud van de voorziening, en

      • 4°.

        verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal wijkteams).

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportage-verplichtingen en administratieve verplichtingen.

 

Artikel 17. Klachtregeling

  • 1.

    De Klachtenregeling Purmerend 2011 is van toepassing voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

 

Artikel 18. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

 

Artikel 19. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, conform de Algemene inspraakverordening voor de gemeente Purmerend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

 

Artikel 20. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens per 2 jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

 

Artikel 21. Hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2016 wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2016, totdat het college een nieuwe beschikking met betrekking tot deze voorziening heeft afgegeven die is gebaseerd op deze of een latere verordening.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2016 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Een cliënt die op het moment van inwerkingtreding van deze verordening een voorziening heeft waarvoor een lagere eigen bijdrage betaald dan het abonnementstarief 2020, gaat voor deze voorziening vanaf 1 juli 2020 conform deze verordening een eigen bijdrage betalen.

  • 5.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2016, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

 

Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2020 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2016.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Purmerend 2020.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 30 januari 2020

de griffier,

R.J.C. van der Laan

de voorzitter,

D. Bijl