Gemeenteblad van Best

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BestGemeenteblad 2020, 35528Verordeningen



Financiële verordening Best 2020

De raad van de gemeente Best;

 

gezien het voorstel van Burgemeester en wethouders van 19 november 2019;

 

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

besluit tot het

 

Vaststellen van de ‘Financiële verordening Best 2020’.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

Deze verordening verstaat onder:

Bbv: het Besluit begroting en verantwoording voor provincies en gemeenten;

afdeling: de organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen verantwoordelijkheid, toegekend door het college op grond van artikel 160 lid 1c van de Gemeentewet;

programma: een samenhangend geheel van activiteiten waarbij de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten zijn beschreven;

resultaatgebied: uitsplitsing van een programma bestaande uit een samenstel van een aantal samenhangende producten of een enkel product;

product: onderdeel van de productenraming bestaande uit een samenstel van een aantal samenhangende activiteiten;

productenraming: overzicht waarin alle producten zijn opgenomen;

taakvelden: voorgeschreven indeling van begroting en jaarrekening, bedoeld voor uniforme informatieverstrekking van decentrale overheden aan derden;

paragraaf: informatie die betrekking heeft op meerdere programma’s, ‘dwarsdoorsnede’ van de begroting;

investering: opoffering in tijd, geld en/of menskracht waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt;

investeringskrediet: budget voor het realiseren van een investering;

budget: door de gemeenteraad geautoriseerde hoeveelheid geldmiddelen voor een bepaald doel;

administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

publieke taak / publiek belang: de taken die de gemeente ondersteunt op grond de landelijke wet- en regelgeving of wil ondersteunen op grond van artikel 2 lid 1 van de wet Fido;

integrale kostprijs: totaal van alle met een product samenhangende directe- en indirecte kosten;

overhead(kosten): indirecte kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Indeling van programma’s, resultaatgebieden en paragrafen

  • 1.

    De raad stelt een indeling van de programma’s vast.

  • 2.

    De raad stelt de onderverdeling van de programma’s in resultaatgebieden vast.

  • 3.

    De raad stelt per programma indicatoren vast voor het meten van en het afleggen van verantwoording over de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid. Minimaal worden de in het Bbv in artikel 25, 2e lid onder a genoemde beleidsindicatoren opgenomen.

  • 4.

    De raad stelt vast welke lokale paragrafen (naast de verplichte paragrafen) in de begroting en rekening moeten worden opgenomen.

Artikel 3. Inrichting van de begroting en jaarstukken

  • 1.

    De programma’s bestaan uit de vastgestelde programma’s op grond van artikel 2 lid 1, aangevuld met het op grond van het Bbv verplichte programma ‘overhead’.

  • 2.

    Bij de begroting staan onder elk van de programma’s de geraamde lasten en baten per resultaatgebied en in totaliteit en bij de jaarstukken staan onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per resultaatgebied en in totaliteit.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting zijn nieuwe exploitatielasten verwerkt in een ‘overzicht nieuw beleid’. Hierin zijn ook de investeringskredieten met de bijbehorende exploitatielasten opgenomen.

  • 4.

    Bij de jaarstukken is op grond van artikel 20 van het Bbv een financieel overzicht van de investeringskredieten in uitvoering van groter dan € 50.000 opgenomen. Inzicht is gegeven per investeringskrediet in het budget, de gerealiseerde uitgaven en het restantsaldo van het investeringskrediet.

  • 5.

    Bij de jaarstukken en de begroting is een overzicht incidentele baten en lasten opgenomen.

  • 6.

    In de begroting zijn verschillen in de raming groter dan € 50.000 per resultaatgebied ten opzichte van de vorige (gewijzigde) raming toegelicht.

  • 7.

    In de jaarstukken zijn verschillen in de realisatie groter dan € 50.000 per resultaatgebied ten opzichte van de gewijzigde begroting toegelicht.

  • 8.

    Het college biedt de raad jaarlijks een Meerjarenprognose grondexploitatie (MPG) aan.

  • 9.

    De MPG is gebaseerd op de per 1-1 geactualiseerde grondexploitaties en bevat minimaal informatie over:

    • a.

      het programma in de grondexploitatieportefeuille (het te realiseren vastgoed);

    • b.

      het geïnvesteerde vermogen in de grondexploitatieportefeuille (de boekwaarde);

    • c.

      de meerjarenraming van de nog te realiseren kosten en opbrengsten voor de restant looptijd van de grondexploitatieportefeuille (de exploitatie);

    • d.

      de effecten van de actualisatie op het geprognosticeerde financiële resultaat van de grondexploitatieportefeuille;

    • e.

      de effecten van de actualisatie op de risico’s van de grondexploitatieportefeuille en het benodigde weerstandsvermogen.

Artikel 4. Kaders voor de begroting

  • 1.

    Het college biedt de raad een kaderbrief aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 15 juli vast.

  • 2.

    Effectindicatoren uit het beleidsakkoord worden (indien mogelijk) opgenomen in de begroting.

Artikel 5. Omgaan met budgetten en investeringskredieten

  • 1.

    De raad stelt met het vaststellen van de begroting de budgetten per programma beschikbaar.

  • 2.

    Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad, via het overzicht nieuw beleid behorend bij de begroting, aan van welke budgetten de raad op een later tijdstip een specifiek voorstel voor autorisatie wil ontvangen. De overige budgetten zijn bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de begroting automatisch beschikbaar gesteld.

  • 3.

    Via de financiële rapportages en de begrotingswijzigingen doet het college voorstellen aan de raad voor het wijzigen van de beschikbaar gestelde budgetten en de beschikbaar gestelde investeringskredieten.

  • 4.

    Voor niet in de begroting opgenomen incidentele exploitatielasten van maximaal € 50.000 kan het college zonder voorafgaande autorisatie van de raad zelfstandig verplichtingen aangaan, als sprake is van een spoedeisend karakter of een onontkoombare uitgave.

  • 5.

    Voor niet in de begroting opgenomen investeringskredieten van maximaal € 100.000 kan het college zonder voorafgaande autorisatie van de raad zelfstandig verplichtingen aangaan, als sprake is van een spoedeisend karakter of een onontkoombare uitgave.

  • 6.

    Overige investeringskredieten en nieuw beleid waarvoor de raad nog geen budget beschikbaar heeft gesteld, legt het college aan de Raad voor voordat verplichtingen worden aangegaan.

  • 7.

    Zelfstandig door het college aangegane verplichtingen zoals bedoeld onder lid 4 en 5 worden achteraf via een begrotingswijziging door de raad vastgesteld. Als een begrotingswijziging niet meer mogelijk is, wordt verantwoording afgelegd via de jaarrekening.

  • 8.

    Voor investeringskredieten beoordeelt het college de status. Op basis hiervan kan het college voorstellen om investeringskredieten afsluiten.

  • 9.

    Bij grondexploitaties beoordeelt het college de status. Op basis hiervan kan het college voorstellen om grondexploitaties af te sluiten.

  • 10.

    Het college kan aan de wettelijk verplichte begrotingspost voor onvoorziene uitgaven middelen onttrekken als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • -

      het budget voor onvoorziene uitgaven biedt ruimte voor het doen van de uitgave;

    • -

      de uitgave is incidenteel;

    • -

      de uitgave is niet voorzien;

    • -

      de uitgave is op grond van de wet, een overeenkomst of op basis van een zwaarwegend belang onontkoombaar.

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

  • 1.

    Het college informeert de raad op hoofdlijnen in juni van het begrotingsjaar over de actuele beleids- en financiële ontwikkelingen over de eerste 5 maanden van het lopende begrotingsjaar. Hierbij ligt de focus op trends en ontwikkelingen die een (mogelijk) effect hebben op de in de programmabegroting gestelde doelen.

  • 2.

    In oktober van het begrotingsjaar vindt op basis van de toelichting in juni van het begrotingsjaar (indien nodig) nadere besluitvorming plaats in de raad.

Artikel 7 Financiële rapportages

  • 1.

    Naast de tussentijdse rapportage over het beleid (zie artikel 6) worden in het begrotingsjaar 3 financiële rapportages inclusief een voorstel tot wijziging van de begroting aangeboden.

    • a.

      De 1e financiële rapportage behandelt de ontwikkelingen over de eerste 3 maanden van het begrotingsjaar. Aanbieding van de rapportage is in april van het begrotingsjaar.

    • b.

      De 2e financiële rapportage behandelt de ontwikkelingen over de eerste 6 maanden van het begrotingsjaar. Via de 2e financiële rapportage verstrekt het college ook:

      • -

        een financieel overzicht van alle investeringskredieten in uitvoering;

      • -

        een verantwoording over het gevoerde financieringsbeleid;

      • -

        een overzicht van de gerealiseerde kosten voor inhuur.

    • Aanbieding van de rapportage is in oktober van het begrotingsjaar.

    • c.

      De 3e financiële rapportage behandelt de budgetaanpassingen over de eerste 10 maanden van het begrotingsjaar. Aanbieding van het voorstel is in december van het begrotingsjaar.

  • 2.

    Elke financiële rapportage gaat vergezeld van een actuele prognose van het jaarresultaat.

  • 3.

    Elk voorstel tot budgetaanpassing gaat vergezeld van een voorstel tot wijziging van de begroting.

Artikel 8. Verstrekken van leningen en gemeentegaranties voor geldleningen

  • 1.

    Er worden door het college geen geldleningen, waarborgen of gemeentegaranties vanwege geldleningen verstrekt aan derden met uitzondering van:

    • a.

      leningen op grond van eerdere Raadsbesluiten op grond van artikel 2 lid 1 van de Wet Fido;

    • b.

      leningen op grond van wettelijke regelingen.

  • 2.

    Het college stelt algemene regels voor het verstrekken van geldleningen en gemeentegaranties vast;

  • 3.

    Het college eist waar mogelijk zekerheden / onderpand ter beperking van risico’s op geldleningen en gemeentegaranties.

Artikel 9. EMU-saldo

  • 1.

    Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

Artikel 10. Activering, waardering en afschrijving

  • 1.

    Regels met betrekking tot waardering en afschrijving van activa zijn vastgelegd in bijlage 1 ‘regels voor activering, waardering en afschrijving’.

Artikel 11. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor de vorderingen op derden wordt een voorziening voor oninbare vorderingen gevormd.

  • 2.

    Storting in of onttrekking uit de voorziening gaat ten laste of ten gunste van het rekeningsaldo op basis van een inschatting van oninbaarheid van de vorderingen.

  • 3.

    Verliezen als gevolg van oninbare vorderingen worden onttrokken uit de voorziening voor oninbare vorderingen.

Artikel 12. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    De raad stelt 1x per 4 jaar de nota Reserves en Voorzieningen vast. Deze nota behandelt:

    • a.

      de doelstelling van specifieke reserves en voorzieningen

    • b.

      de bestedingsdoelen van specifieke reserves en voorzieningen;

  • 2.

    Bij een voorstel voor de instelling van een reserve wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de hoogte per reserve.

Artikel 13. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde integrale kostprijs van goederen, werken en diensten van de gemeente, die worden geleverd, wordt een systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening zijn naast de directe kosten ook de indirecte kosten verwerkt, die samenhangen met de door de gemeente geleverde goederen of verrichte werken/diensten.

  • 2.

    Bij de kostprijs zijn naast de rechtstreeks te relateren lasten en baten betrokken:

    • -

      de bijdragen aan en onttrekkingen uit voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;

    • -

      de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa;

    • -

      voor rioolheffing en afvalstoffenheffing de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de kosten van het kwijtscheldingsbeleid;

  • 3.

    De integrale kostprijs wordt bepaald door de directe loon- en overige kosten te vermeerderen met een opslag voor overhead.

  • 4.

    De opslag voor overhead bevat maximaal de volgende:

    • -

      de niet direct toewijsbare personeelslasten;

    • -

      de huisvestingslasten;

    • -

      de lasten voor inventaris, automatisering, informatisering en archivering;

    • -

      de lasten van personeel en organisatie, financiën, juridische kosten, kwaliteit en control, ondersteuning en communicatie;

    • -

      de lasten voor directie en management;

    • -

      de lasten van de werf en vervoermiddelen.

  • 5.

    De lasten voor overhead worden toegerekend door middel van het toepassen van een opslagpercentage op de directe kosten.

  • 6.

    Het opslagpercentage voor overhead (exclusief toerekening van overhead voor grondexploitaties en investeringen) wordt berekend door de totale lasten van het overheadsonderdeel te delen door de directe loonsom van de organisatie.

  • 7.

    Als op grond van wettelijke grondslagen een integrale kostprijs moet worden bepaald, dan wordt aan een product een tabel toegevoegd. Via de tabel wordt de integrale kostprijs bepaald door de direct aan het product toerekenbare kosten te vermeerderen met de van toepassing zijnde opslagpercentages voor de overhead.

  • 8.

    Lasten voor overhead voor grondexploitaties en investeringen worden rechtstreeks doorbelast via het toerekenen van de geldende opslagpercentages op de directe loonsom van de bij deze onderwerpen betrokken medewerkers.

Artikel 14. Prijzen van economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd;

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen en garanties brengt de gemeente de integrale kosten in rekening. Bij afwijking hiervan doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit waarin het publiek belang van de lening of garantie wordt gemotiveerd.

  • 3.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen;

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels.

Artikel 15. Vaststelling van de hoogte van belastingen en heffingen

  • 1.

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de tarieven van de gemeentelijke belastingen en heffingen.

Artikel 16. Financieringsbeleid

  • 1.

    Het college neemt bij de uitvoering van het financieringsbeleid de kaders van de wet Fido in acht.

  • 2.

    Het college stelt het financieringsstatuut vast. Het financieringsstatuut bevat uitvoeringsregels voor:

    • -

      het aantrekken van vermogensbestanddelen;

    • -

      het uitzetten van vermogensbestanddelen;

    • -

      de risico beheersing van de financieringsfunctie en het betalingsverkeer;

    • -

      de administratieve organisatie van de financieringsfunctie en het betalingsverkeer;

    • -

      de bevoegdheden van de financieringsfunctie en het betalingsverkeer;

    • -

      de informatievoorziening en rapportagestructuur van de financieringsfunctie

  • 3.

    Het college informeert de raad via de begroting en de tussentijdse rapportage over de doelstellingen en de voortgang van het financieringsbeleid.

  • 4.

    Het college legt via de jaarstukken verantwoording af over het gevoerde financieringsbeleid.

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 17. Paragraaf Lokale heffingen

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Bbv op:

    • -

      de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen, rioolrechten en afvalstoffenheffing.

    • -

      de kostentoerekening van de leges en heffingen, waarbij sprake is van kostenverhaal.

    • -

      de totale opbrengst van de belastingen, rechten en leges.

    • -

      het volume en het bedrag aan kwijtscheldingen.

Artikel 18. Financieringsparagraaf

  • 1.

    Bij de begroting neemt het college in de financieringsparagraaf de verplichte onderdelen op grond van de wet Fido en op grond van artikel 13 van het Bbv op. Als onderdeel hiervan wordt een liquiditeitsprognose opgenomen.

  • 2.

    Bij de jaarstukken neemt het college in de financieringsparagraaf naast de verplichte onderdelen op grond van de wet Fido en op grond van artikel 13 van het Bbv op:

    • -

      een specificatie van de financieringsoverschotten of financieringstekorten per ultimo boekjaar.

    • -

      een verantwoording over het gevoerde financieringsbeleid.

Artikel 19. Paragraaf Weerstandsvermogen & risicobeheersing

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Bbv op.

Artikel 20. Paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Bbv op.

  • 2.

    Het college biedt de raad een kwaliteitsplan beheer openbare ruimte aan. Het plan is gebaseerd op de beeldkwaliteit zoals vastgesteld in de CROW.

Artikel 21. Paragraaf Bedrijfsvoering

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf bedrijfsvoering naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Bbv op:

    • a.

      de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;

    • b.

      de kosten van inhuur derden;

    • c.

      een overzicht van de onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het bestuur, bedoeld in artikel 213a van de Gemeentewet.

Artikel 22. Paragraaf Verbonden partijen

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Bbv op.

Artikel 23. Paragraaf Subsidies

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college een paragraaf subsidies op. In deze paragraaf geeft het college in ieder geval een overzicht van de (te verstrekken of verstrekte) subsidies per onderdeel.

Artikel 24. Paragraaf Vastgoed

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college een paragraaf vastgoed op. In deze paragraaf geeft het college in ieder geval een overzicht van het gemeentelijk vastgoed.

Artikel 25. Paragraaf Grondbeleid

  • 1.

    In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Bbv op.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 26. Administratie

  • 1.

    De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

    • a.

      het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

    • b.

      het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

    • c.

      het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

    • d.

      het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

    • e.

      het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

    • f.

      de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

    • g.

      het verstrekken van informatie aan derden (rapporteren op taakvelden).

Artikel 27. Organisatie van de financiële huishouding

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    verdeelsleutels voor indirecte kosten zodat een integrale kostprijs kan worden bepaald;

  • f.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van leveringen, werken en diensten;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

  • h.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 28. Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 29. Intrekken van de oude verordening en overgangsrecht

De ‘Financiële verordening 2017’ intrekken met terugwerkende kracht per 1 januari 2020, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Financiële verordening Best 2020’.

  • 3.

    Per 1 januari 2020 wordt de ‘Financiële verordening 2017’ ingetrokken.

Aldus besloten door de raad van Best in zijn vergadering van 27-01-2020

Maaike Mesdag-Blom

griffier

Hans Ubachs

voorzitter

Bijlage 1: Regels voor activering, waardering en afschrijving

Inleiding

Deze bijlage behandelt de wijze waarop wij administratief omgaan met onze bezittingen (activa).

De landelijke regels hiervoor zijn opgenomen in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (Bbv). De wetgever heeft de mogelijkheid gegeven om via de financiële verordening de regels voor het waarderen, activeren en afschrijven aan te vullen. Hiermee kan de financiële huishouding voor het waarderen, activeren en afschrijven op lokaal niveau eenduidig worden geregeld.

Met behulp van de regels kan de financiële positie van onze gemeente getrouw worden gepresenteerd. Daarnaast maken de regels een transparante en efficiënte werkwijze mogelijk die eenvoudig kan worden getoetst.

1. Begrippenkader

Uitleg begrippen:

Activa: op de balans opgenomen bezittingen;

Activeren: opnemen van bezittingen op de balans;

Waardering: oorspronkelijke activering minus afschrijvingen;

Afschrijving: het tot uitdrukking brengen van de waardeverminderingen van een kapitaalgoed;

Immateriële vaste activa: bezittingen die niet tastbaar zijn maar wel waarde vertegenwoordigen (voorbeelden goodwill, licenties en voorbereidingskosten die worden gemaakt in de periode voordat de grondexploitatie wordt vastgesteld door de gemeenteraad)

Materiele vaste activa: bezittingen die kunnen worden aangeduid als investeringen in economisch en maatschappelijk nut.

Financiële vaste activa: in geld gewaardeerde bezittingen waarover kan worden beschikt (zoals bijvoorbeeld geldleningen of effecten).

1.1. Immateriële vaste activa, regels voor het activeren, waarderen en afschrijven

 

1.1.1. Bijdragen in activa van derden worden niet geactiveerd.

Het Bbv heeft bijdragen in activa van derden aangemerkt als immateriële activa. Het Bbv biedt de mogelijkheid om deze activa te activeren. Wij kiezen hier niet voor omdat we geen beschikkingsmacht over deze activa hebben en omdat ze geen onderdeel zijn van bezit.

 

1.1.2. Kosten van onderzoek en ontwikkeling die niet rechtstreeks samenhangen met een actief worden niet geactiveerd.

Voor dit soort kosten is een nuttige gebruiksduur van 2 jaar of langer niet objectief vast te stellen. Om deze reden worden deze kosten niet geactiveerd.

 

1.1.3. Immateriële vaste activa met een historische kostprijs tot € 25.000 worden niet geactiveerd.

De commissie Bbv adviseert om een drempel te stellen bij het activeren van bezittingen. Redenen hiervoor zijn dat het activeren van kleine bezittingen niet bijdraagt aan een significant getrouwere presentatie van de bezittingen. Ook speelt beperking van de administratieve lasten een rol.

 

1.1.4. Er wordt lineair (jaarlijks met gelijke bedragen) afgeschreven vanaf het jaar volgend op activering.

Deze methode doet recht aan de actuele waardeontwikkeling van een actief en is eenvoudig uit te leggen.

 

Voor het overige wordt aangesloten wordt aangesloten bij de regels in het Bbv.

2.1. Materiele vaste activa, regels voor activeren

 

2.1.1. Materiele vaste activa met een historische aanschafprijs tot € 25.000 worden niet geactiveerd.

De commissie Bbv adviseert om een drempel te stellen bij het activeren van bezittingen. Redenen hiervoor zijn dat het activeren van kleine bezittingen niet bijdraagt aan een significant getrouwere presentatie van onze bezittingen. Ook speelt beperking van de administratieve lasten een rol.

 

2.1.2. Software wordt aangemerkt als een materieel vast actief en overeenkomstig verwerkt.

Door dit soort activa te behandelen als een materieel vast actief, wordt een getrouw beeld van de bezittingen gepresenteerd.

 

2.1.3. Gebruiksrechten van software kunnen worden geactiveerd.

Het Bbv biedt de mogelijkheid om gebruiksrechten van software te activeren. Als kosten jaarlijks in rekening gebracht, is activering niet nodig. Als ineens voor een aantal jaren gebruiksrechten worden verkregen, worden gebruiksrechten geactiveerd.

 

2.1.4. Op grond wordt niet afgeschreven.

De waarde van grond verminderd niet door normaal gebruik en daarom wordt er niet op afgeschreven.

2.2. Materiele vaste activa, regels voor waarderen

 

2.2.1. Met uitzondering van materiele vaste activa courant vastgoed, wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.

Vooraf is de restwaarde vaak moeilijk in te schatten. Als de voorspelde restwaarde bij verkoop niet wordt gerealiseerd ontstaat een onvoorziene last in de exploitatie. Door geen restwaarde te hanteren ontstaan geen onvoorziene lasten. Verkoopopbrengsten van materiële vaste activa worden als incidentele bate toegevoegd aan het rekeningresultaat.

 

2.2.2. Materiele vaste activa courant gemeentelijk vastgoed worden afgeschreven tot 75% van de historische aanschafwaarde/vervaardigingsprijs.

Courant gemeentelijk vastgoed kan in normale markomstandigheden eenvoudig worden verkocht. Bovendien wordt gemeentelijk vastgoed doorgaans goed onderhouden, waardoor het waardevast blijft. Uitgangspunt is daarom dat courante gemeentelijk vastgoed wordt afgeschreven tot 75% van de historische aanschafwaarde/ vervaardigingsprijs. Als de waarde van courant gemeentelijk vastgoed per balansdatum lager is dan 75%, dan zal overeenkomstig de regelgeving in het Bbv het courant gemeentelijk vastgoed worden afgewaardeerd tot de actuele marktwaarde.

 

2.2.3. Kosten die bij de waardering van de materiële activa worden meegenomen.

Tot materiele vaste activa worden gerekend: de verwervings-/vervaardigingskosten en kosten die daar rechtstreeks mee samenhangen zoals de kosten voor onderzoek en ontwikkeling en kosten van toezicht tijdens de vervaardiging. Al de genoemde kosten dragen bij aan het meerjarig gebruiksnut van het materieel actief. Deze kosten worden daarom aanvullend geactiveerd.

2.3. Materiele vaste activa, regels voor afschrijven

 

2.3.1. Er wordt lineair (jaarlijks gelijke bedragen) afgeschreven vanaf het jaar volgend op ingebruikname.

Deze methode is eenvoudig te volgen en biedt een goede indicatie van de actuele waardeontwikkeling van een actief.

 

2.3.2. Bij vastgoed kan de componentenmethode worden toegepast. Uitsplitsing vindt in dat geval plaats naar vastgoed en installaties. Elk component wordt op basis van de verwachte nuttige gebruiksduur afgeschreven.

Installaties gaan doorgaans korter mee dan het vastgoed. Voor een realistische bepaling van de vermogenspositie adviseert de commissie Bbv daarom om per onderdeel een afzonderlijke afschrijvingstermijn toe te passen.

 

2.3.3. De volgende afschrijftermijnen worden gehanteerd voor materiële vaste activa:

Gronden en terreinen:

 

Gronden

0 jaar

 

 

Nieuw gemeentelijk vastgoed (10 - 50 jaar):

 

Ruwbouw

50 jaar

Afbouw / inrichting

25 jaar

Installaties

15 jaar

 

 

Verworven / bestaand gemeentelijk vastgoed (3 – 50 jaar)

 

Levensduur verlengende aanpassingen

20-50 jaar

Ruwbouw/gebouw

3-50 jaar

Afbouw / inrichting

3-25 jaar

Installaties

3-15 jaar

 

 

Grond- weg- en waterbouw (5 – 60 jaar):

 

Straatmeubilair

5-15 jaar

Openbare verlichting

20-30 jaar

(Openbaar) groen

10-30 jaar

Riolering

60 jaar

Pompgemalen

15-25 jaar

Wegen, fietspaden en terreinverhardingen toplaag asfalt

15-20 jaar

Wegen, fietspaden en terreinverhardingen onderlaag

30-40 jaar

Wegen, fietspaden en terreinverhardingen elementen

20-30 jaar

Kunstvelden sport toplaag

15 jaar

Kunstvelden sport onderlaag

30 jaar

Verkeersregelinstallaties

15 jaar

 

 

Vervoermiddelen (8 – 20 jaar):

 

Personenvoertuigen

8 jaar

Overige transportmiddelen

8-20 jaar

 

 

Machines, apparaten en installaties (3 – 15 jaar)

 

Gereedschappen

3-15 jaar

Automatisering

5 jaar

Mobiele telefoons

3 jaar

 

 

Overige materiële vaste activa (5 – 25 jaar)

 

Inventaris

5-25 jaar

 

Voor niet genoemde materiële vaste activa geldt de verwachte economische levensduur als uitgangspunt voor de afschrijftermijn.

3.1. Financiële vaste activa, regels, waardering

 

3.1.1. Kosten van het sluiten van geldleningen en kosten van (dis)agio worden niet geactiveerd.

Het Bbv heeft deze kosten aangemerkt als immateriële activa. Het Bbv biedt de mogelijkheid om deze activa te activeren. De commissie Bbv adviseert om deze kosten niet te activeren.