Gemeenteblad van Maasgouw

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
MaasgouwGemeenteblad 2020, 348347Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Maasgouw houdende regels omtrent openbare orde (Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020)

De raad van de gemeente Maasgouw,

 

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 14 juli 2020, het voorstel tot het gewijzigd vaststellen van de Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020 alsmede het tweede voorstel tot het gewijzigd vaststellen van de Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020

 

Gelet op:

 

  • -

    de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet,

  • -

    de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties,

  • -

    de artikelen 4 van de Drank- en Horecawet,

  • -

    artikel 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,

  • -

    de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer,

  • -

    artikel 30c, tweede lid, van de Wet op de kansspelen,

  • -

    artikel 3 van de Winkeltijdenwet;

  • -

    artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s;

  • -

    het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, en

  • -

    artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;

B E S L U I T :

  • A.

    de “Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2017” op 1 januari 2021 in te trekken;

  • B.

    de navolgende “Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020” vast te stellen en te bepalen dat deze met uitzondering van artikel 2:54a op 1 januari 2021 in werking treedt;

  • C.

    te bepalen dat artikel 2:54a de dag na bekendmaking in werking treedt.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • b.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • c.

    bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is, dan wel direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  • d.

    bromfiets, motorvoertuig en parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • e.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • f.

    gebouw: wat in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;

  • g.

    handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk een commercieel belang wordt gediend;

  • h.

    ideële reclame: iedere openbare aanprijzing waarmee een maatschappelijk of politiek belang wordt gediend;

  • i.

    outlaw Motor Gang (OMG): een groep met een hiërarchische structuur die affiniteit met motorrijden uitdraagt met herkenbare groepssymbolen, waarbij geweld of dreiging met geweld en verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groeps¬cultuur of het groepsgedrag;

  • j.

    ongewenste groep: een door de burgemeester aangewezen groep personen met een herkenbare organisatiestructuur of herkenbare groepssymbolen of een herkenbaar optreden naar buiten als groep, waarbij geweld of dreiging met geweld of verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groepscultuur of het groepsgedrag;

  • k.

    openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar zijn of op andere wijze toegankelijk;

  • l.

    openbare plaats: wat in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

  • m.

    rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  • n.

    reclame: verzamelterm voor de uiting van handels- en ideële reclame;

  • o.

    snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

  • p.

    verboden rechtspersoon: een op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek verboden rechtspersoon;

  • q.

    voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  • r.

    weg: wat in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1.

    Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal acht weken verlengen.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

Vervallen.

Artikel 1:4 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen

  • 1.

    Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften, voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Deze strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2.

    Het is verboden de aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden en beperkingen te overtreden of te laten overtreden.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter vergunning en ontheffing

De vergunning en ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1:6 Wijziging, schorsing en intrekking van vergunning of ontheffing

De vergunning en ontheffing kunnen worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken als:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften, voorwaarden of beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een redelijke termijn, als de vergunning of ontheffing hierover niets regelt.

  • e.

    de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Verlening voor onbepaalde tijd

  • 1.

    De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

  • 2.

    De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu; en of

    • e.

      het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1.

    De burgemeester kan voor een bepaalde periode en in het belang van de openbare orde, een samenscholingsverbod instellen voor een duidelijk beschreven en aangewezen openbare plaats of gebied.

  • 2.

    Het is verboden onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  • 3.

    Degene die op een openbare plaats:

    • a.

      aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    • b.

      aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    • c.

      zich bevindt bij een op grond van het eerste lid ingesteld samenscholingsverbod; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam voor de gemeente Maasgouw zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

  • 4.

    Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden.

  • 5.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in verbod, bedoeld in het vierde lid.

  • 6.

    Het is verboden om op een openbare plaats kleding, uitrusting of andere uiterlijke verschijningsvormen te dragen met herkenbare groepssymbolen van door de burgemeester aangewezen ongewenste groep.

    • a.

      Als ongewenste groep wordt in ieder geval aangemerkt een Outlaw Motor Gang die op basis van artikel 2.20 Burgerlijk Wetboek door de rechtbank is aangemerkt als een verboden rechtspersoon en elke andere op basis van artikel 2.20 Burgerlijk Wetboek verboden rechtspersoon.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:2 Gebiedsontzegging

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten:

    • a.

      een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden;

    • b.

      en bevelen zich zodanig buiten dat gebied te gedragen dat het effect daarvan ook in dit gebied direct merkbaar zijn.

  • 2.

    In het geval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw één of meer van de bovengenoemde overtredingen begaat, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.

  • 3.

    Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

  • 4.

    De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

  • 5.

    Wat staat in het eerste tot en met het vierde lid geldt niet als degene die voor de gebiedsontzegging in aanmerking komt in het door de burgemeester aangewezen gebied zijn woning heeft, zijn werk of beroep uitoefent of hulpverlenende instanties bezoekt. In dit laatste het geval, dan wordt de kortste route aangewezen, waar langs degene die de gebiedsontzegging krijgt opgelegd het gebied moet betreden of verlaten.

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  • 1.

    Het is verboden een betoging op een openbare plaats te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, tenzij degene die dit voornemen heeft daarvan vóór de openbare aankondiging en tenminste twee werkdagen voordat de betoging wordt gehouden, daarvan een schriftelijke kennisgeving doet aan de burgemeester.

  • 2.

    De kennisgeving bevat:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3.

    Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  • 4.

    Het verbod dat staat in het eerste lid, is niet van toepassing als naar het oordeel van de burgemeester bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven en in de kennisgeving daarom wordt verzocht.

Artikel 2:4 Straatartiest e.d.

  • 1.

    Het is verboden om voor van publiek langer dan 30 minuten per dag in een straal van 100 meter rondom detailhandel en horeca binnen de gemeente als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of straatmuzikant op te treden.

  • 2.

    De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

     

Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

Artikel 2:5 Voorwerpen op of aan de weg of andere openbare plaats

  • 1.

    Het is verboden de weg, een weggedeelte of andere openbare plaats anders te gebruiken, in de vorm van het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Hiervan is in ieder geval sprake als dat gebruik:

    • a.

      schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer en onderhoud van de weg; of

    • b.

      niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of de van kracht zijnde Welstandsnota.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen die gelden voor de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg.

  • 3.

    Het is verboden om te handelen in strijd met de nadere regels zoals bedoeld in het tweede lid.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 5.

    De ontheffing van het verbod in het eerste lid wordt verleend als omgevingsvergunning voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 6.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet in het geval van:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:13;

    • b.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16;

    • c.

      terrassen als bedoeld in artikel 2:14;

    • d.

      steigers, containers en uitstallingen, als bedoeld in de nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen op of aan de weg;

    • e.

      reclame als bedoeld in de nadere regels reclame, onverminderd artikel 4:10;

    • f.

      overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

    • g.

      situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

  • 7.

    Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:6 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2.

    De vergunning wordt verleend als een omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing als in opdracht van het bevoegd gezag of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  • 4.

    Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

  • 5.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:7 Maken of veranderen van een uitweg

  • 1.

    Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als:

    • a.

      daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of

    • b.

      het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden.

  • 2.

    De melding wordt op de in de gemeente gebruikelijke wijze bekend gemaakt.

  • 3.

    Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als:

    • a.

      daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;

    • b.

      dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

    • d.

      er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  • 4.

    De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen vier weken heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Deze termijn begint de dag na de datum van ontvangst van de melding.

  • 5.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken en de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Limburg.

Artikel 2:8 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op een wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:9 Openen straatkolken en dergelijke

Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:10 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  • 1.

    Het is verboden in bossen en bosschages, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    • a.

      te roken; of

    • b.

      voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a is verder niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen of op aangrenzende erven.

  • 4.

    De rechthebbende van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die voor meer dan de helft bestaat uit:

    • a.

      naaldhout;

    • b.

      een heideveld;

    • c.

      een veen;

    • d.

      of een ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 1.1. van het Bouwbesluit 2012 en dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.

Artikel 2:11 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1.

    De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

     

Afdeling 3 Evenementen

Artikel 2:12 Definities

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoopvoorstellingen en theatervoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • f.

      activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 en 2:29 van deze verordening;

    • g.

      sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportgala’s als bedoeld in het tweede lid onder f.

  • 2.

    Onder evenement wordt mede verstaan een:

    • a.

      herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      braderie;

    • c.

      optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;

    • d.

      feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    • e.

      snuffelmarkt als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel o;

    • f.

      vechtsportgala’s waarbij activiteiten in het kader van vecht- of verdedigingssporten worden georganiseerd.

  • 3.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden aanmerken als een evenement als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Bij evenementen wordt de volgende klasse-indeling gehanteerd:

    • a.

      A-evenement: regulier eenvoudig evenement;

    • b.

      B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en een gemiddeld risico. Dit is een evenement met een lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt niet veel publiek van buiten de gemeente verwacht;

    • c.

      C-evenement: grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht.

    De vaststelling van de bovenvermelde klasse-indeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier zoals opgenomen in het meld- en aanvraagformulier evenementen.

Artikel 2:13 Evenement

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2.

    De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten aanzien van evenementen en voorschriften verbinden aan een evenementenvergunning.

  • 3.

    Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet als:

    • a.

      sprake is van een A-evenement;

    • b.

      wordt voldaan aan de door de burgemeester vastgestelde ‘Nadere regels evenementen’;

    • c.

      de organisator van het evenement het houden daarvan schriftelijk meldt bij de burgemeester door middel van het naar waarheid en volledig ingevulde door de burgemeester vastgestelde meldformulier; en

    • d.

      de melding geschiedt minimaal 8 weken voorafgaand aan het begin van het evenement.

  • 4.

    Een vergunning voor een B-evenement moet minimaal 14 weken voorafgaand aan het begin van het evenement worden aangevraagd.

  • 5.

    Een vergunning voor een C-evenement moet minimaal 26 weken voorafgaand aan het begin van het evenement worden aangevraagd.

  • 6.

    Het is verboden om te handelen of nalaten in strijd met de nadere regels en voorschriften, zoals bedoeld in het tweede lid.

  • 7.

    Bij het indienen van een melding, bedoeld in het derde lid, onderdeel c en bij het indienen van een vergunningaanvraag, bedoeld in het vierde en vijfde lid worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd.

  • 8.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd wegens strijdigheid met het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening en overige plaatsen.

  • 9.

    De burgemeester kan naar aanleiding van de melding, bedoeld in het derde lid onder c, binnen 20werkdagen dagen na ontvangst van de melding, voorschriften verbinden aan het te houden evenement in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu.

  • 10.

    De burgemeester kan binnen 20 werkdagen na ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid onder c, besluiten het organiseren van een A-evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 11.

    Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 12.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

  • 13.

    Het derde lid is niet van toepassing op vechtsportgala’s als bedoeld in artikel 2:12, tweede lid, onder f.

  • 14.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportgala als bedoeld in artikel 2:12, tweede li, onder f weigeren als een organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.

     

Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:14 Definities

  • 1.

    In deze afdeling wordt verstaan onder openbare inrichting:

    • a.

      een hotel, (afhaal)restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis clubhuis of;

    • b.

      elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, rookwaren of voedsel voor directe consumptie worden verstrekt of bereid die al dan niet op een andere plek worden genuttigd, met uitzondering van supermarkten en andere vormen van detailhandel waarin in hoofdzaak waren worden verkocht om ergens anders te nuttigen.

  • 2.

    Een buiten de in het eerste lid besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of voedsel voor directe consumptie kan worden bereid of verstrekt, waar onder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.

  • 3.

    Onder openbare inrichting wordt mede verstaan:

    • a.

      een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van wat in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als onder andere een smartshop, headshop of growshop of een combinatie van deze winkelvormen;

    • b.

      een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een coffeeshop.

  • 4.

    Het aantal vergunningen, bedoeld in artikel 2:14, eerste lid onder b, dat de burgemeester kan verlenen bedraagt op grond van het coffeeshopbeleid maximaal 0. Zie bijlage.

  • 5.

    Onder exploitant wordt verstaan: degene op wiens naam de vergunning staat.

  • 6.

    Onder leidinggevende wordt verstaan:

    • a.

      de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend (de ondernemer);

    • b.

      de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de uitoefening van de openbare inrichting (de bedrijfsleider);

    • c.

      de natuurlijke persoon die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van de openbare inrichting (de beheerder).

  • 7.

    In deze Afdeling worden niet als bezoekers van de openbare inrichting aangemerkt:

    • a.

      de gezinsleden van de exploitant alsmede diens bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    • b.

      in de inrichting op dat moment werkzaam personeel;

    • c.

      de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht (nachtregister);

    • d.

      de personen waarvan aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:15 Exploitatie openbare inrichting

  • 1.

    Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier.

  • 3.

    De burgemeester weigert geheel of gedeeltelijk de vergunning of trekt deze in als:

    • a.

      naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    • b.

      voor de exploitatie van de openbare inrichting ook andere publiekrechtelijke toestemmingen zijn vereist die op grond van of krachtens de desbetreffende wettelijke bepalingen niet kunnen worden verleend; of

    • c.

      de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 4.

    Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigerings- of intrekkingsgrond onder a houdt de burgemeester rekening met:

    • a.

      het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen;

    • b.

      de aard van de openbare inrichting;

    • c.

      de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

    • d.

      de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende; en

    • e.

      het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

  • 5.

    De vergunning kan voorts worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 6.

    Voor de uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester nadere regels vaststellen. Ten aanzien van het exploiteren of laten exploiteren van een terras dat deel uitmaakt van een openbare inrichting kan de burgemeester in ieder geval nadere regels vaststellen voor:

    • a.

      het waarborgen van de verkeersveiligheid;

    • b.

      de inrichting van terrassen, inclusief het voeren van reclame op terrassen;

    • c.

      het voorkomen van overlast voor eigenaren en gebruikers van aangrenzende percelen.

  • 7.

    Het is verboden om te handelen in strijd met de door de burgemeester vastgestelde nadere regels als bedoeld in het zesde lid.

  • 8.

    Als uit de aanvraag en de daarbij behorende stukken blijkt dat het voorgenomen terras niet voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde nadere regels, kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd.

  • 9.

    Geen vergunning als bedoeld in het eerste lid is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    • a.

      zorginstelling;

    • b.

      museum; of

    • c.

      een bedrijfskantine of – restaurant.

Artikel 2:15a Bijlage vergunning en aanwezigheid leidinggevende

  • 1.

    De burgemeester vermeldt in een bijlage bij de vergunning de leidinggevenden. Als de openbare inrichting wordt uitgeoefend door een paracommerciële rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 2:21, dan worden tenminste twee leidinggevenden op de bijlage vermeld.

  • 2.

    Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in die inrichting niet aanwezig is:

    • a.

      een leidinggevende die vermeld staat in de bijlage van de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot die inrichting of;

    • b.

      een persoon wiens bijschrijving in de bijlage, zoals bedoeld in het eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in het tweede lid is het voor een paracommerciële rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 2:21, verboden een openbare inrichting geopend te houden, indien in de inrichting niet aanwezig is:

    • a.

      een barvrijwilliger, die vermeld staat op een door het bestuur van de paracommerciële rechtspersoon samengestelde lijst, welke lijst in de inrichting aanwezig is.

  • 4.

    In de openbare inrichting moet een afschrift aanwezig zijn van:

    • a.

      de vergunning en de bijlage of;

    • b.

      van een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, onder b, of;

    • c.

      de ontvangstbevestiging van een aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid, onder b.

Artikel 2:15b Melding bijschrijving leidinggevende

  • 1.

    Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens:

    • a.

      een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven.

  • 2.

    Deze melding geldt als een aanvraag tot wijziging van de bijlage behorende bij de vergunning.

  • 3.

    De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier.

  • 4.

    De burgemeester bevestigt schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.

  • 5.

    De burgemeester weigert de aanvraag zoals bedoeld in het tweede lid:

    • a.

      als ten aanzien van de persoon als bedoeld in het eerste lid, sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2:15, derde lid, onderdeel a en artikel 2:15, vierde lid, onderdeel e.

Artikel 2:15c Vervalgronden

  • 1.

    De vergunning vervalt als:

    • a.

      sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    • b.

      gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;

    • c.

      de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:16 Sluitingstijd

  • 1.

    Het is de exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 1 van de Drank- en Horecawet, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02:00 uur en 07:00 uur.

  • 2.

    Het is de exploitant en de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 2:14, eerste lid, sub a en b van deze verordening, waar voedsel voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02:30 uur en 07:00 uur.

  • 3.

    Het in het eerste lid genoemde verbod geldt:

    • a.

      met carnaval in de nachten van zaterdag op zondag, van zondag op maandag en van maandag op dinsdag van 03:00 uur tot 07:00 uur;

    • b.

      tijdens de kermisdagen, uitsluitend voor de kern waar de kermis plaatsvindt, in de nachten van zaterdag op zondag en van zondag op maandag van 03:00 uur tot 07:00 uur; en

    • c.

      op Koningsnacht en van 5 op 6 mei van 03:00 tot 07:00 uur.

  • 4.

    Het in het tweede lid genoemde verbod geldt:

    • a.

      met carnaval in de nachten van zaterdag op zondag, van zondag op maandag en van maandag op dinsdag van 03:30 uur tot 07:00 uur;

    • b.

      tijdens de kermisdagen, uitsluitend voor de kern waar de kermis plaatsvindt, in de nachten van zaterdag op zondag en van zondag op maandag van 03:30 uur tot 07:00 uur; en

    • c.

      op Koningsnacht en van 5 op 6 mei van 03:30 uur tot 07:00 uur.

  • 5.

    Het in het eerste lid opgenomen verbod geldt niet op 1 januari.

  • 6.

    De exploitant of de leidinggevende van een openbare inrichting, die een horecabedrijf is in de zin van artikel 1 van de Drank- en Horecawet, kan maximaal 5 keer per jaar een schriftelijke melding doen bij de burgemeester van het verlengen van de sluitingstijd naar 03:00 uur.

  • 7.

    Het is verboden de sluitingstijd te verlengen als de schriftelijke melding als bedoeld in het zesde lid niet minimaal 5 werkdagen voor de datum waarop de verlenging van de sluitingstijd betrekking heeft, wordt gedaan en de buurtbewoners niet minimaal 5 werkdagen van tevoren door de exploitant of de leidinggevende hierover zijn geïnformeerd.

  • 8.

    Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers daar te laten verblijven na sluitingstijd.

  • 9.

    De sluitingstijden zoals opgenomen in het eerste tot en met het zesde lid gelden niet voor het terras. Voor het terras gelden de sluitingstijden zoals opgenomen in de Nadere regels terrassen.

  • 10.

    Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

Artikel 2:17 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:18 Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting:

  • a.

    de orde te verstoren;

  • b.

    zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:17, eerste lid;

  • c.

    op het terras voedsel of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;

  • d.

    een bijeenkomst van een Outlaw Motor Gang, een verboden rechtspersoon of een ongewenste groep, zoals omschreven in artikel 1:1, onderdeel i, j en p, te laten plaatsvinden.

Artikel 2:19 Handel binnen openbare inrichtingen

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:20 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, dan treedt het college bij de toepassing van artikel 2:15 tot en met 2:17 op als bevoegd bestuursorgaan.

 

Afdeling 4A Toezicht op campings en recreatieparken

Artikel 2:20a Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    camping of recreatiepark: hetgeen hieronder in het maatschappelijk verkeer wordt verstaan;

  • b.

    de exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een camping of recreatiepark exploiteert op grond van artikel 2:20b;

  • c.

    de beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke leiding uitoefent of uitoefenen.

Artikel 2:20b Vergunningplicht

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een camping of recreatiepark te exploiteren.

  • 2.

    De aanvraag voor de vergunning dient te geschieden met een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 3.

    In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant; en

    • b.

      de persoonsgegevens van de beheerder.

Artikel 2:20c Gedragseisen

De exploitant en de beheerder:

  • a.

    staan niet onder curatele;

  • b.

    zijn niet in enig opzicht van aantoonbaar slecht levensgedrag.

Artikel 2:20d Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

  • a.

    de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in 2:20c gestelde eisen;

  • b.

    de exploitatie van de camping of het recreatiepark in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

  • c.

    naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de camping of het recreatiepark of de openbare orde door de exploitatie van de camping of recreatiepark op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed;

  • d.

    de exploitatie van de camping of het recreatiepark een onaanvaardbaar risico op ernstige verstoring van de openbare orde met zich zal meebrengen;

  • e.

    dit in het belang is van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten.

Artikel 2:20e Sluiting

  • 1.

    De burgemeester kan ter bescherming van de openbare orde en veiligheid de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark als daar:

    • a.

      door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel verworven of overgedragen;

    • b.

      discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;

    • c.

      wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend;

    • d.

      zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de camping of recreatiepark ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

  • 2.

    De burgemeester kan de sluiting bevelen van een camping of recreatiepark als:

    • a.

      de exploitant of beheerder handelt in strijd met het bepaalde in de artikel 2:20b, eerste lid, of 2:20c onder sub a en b;

    • b.

      de exploitant of beheerder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

  • 3.

    De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.

  • 4.

    De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van de inrichting of in de directe nabijheid daarvan.

  • 5.

    De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.

Artikel 2:20f Aanwezigheid in gesloten camping of recreatiepark

  • 1.

    Het is verboden een camping of recreatiepark te betreden waarvan de sluiting is bevolen.

  • 2.

    Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf de inrichting te betreden.

Artikel 2:20g Intrekking vergunning

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning ingetrokken als:

  • a.

    De exploitatie van de camping of recreatiepark door een andere dan in de vergunning genoemde houder wordt overgenomen;

  • b.

    De exploitant of beheerder niet meer voldoet aan de in artikel 2:20c onder sub a en b gestelde eisen.

Artikel 2:20h Overgangsbepaling

De gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning krachtens deze afdeling is vereist en die verder niet voorkomen in deze verordening, zijn niet van toepassing gedurende twaalf weken na inwerkingtreding van deze afdeling en ook niet na deze termijn, voor zover degene die op grond van deze afdeling een vergunning nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag voor deze vergunning heeft ingediend, totdat op de aanvraag onherroepelijk is beslist.

 

Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen uit de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:21 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    alcoholhoudende drank;

  • 2.

    horecabedrijf;

  • 3.

    horecalokaliteit;

  • 4.

    inrichting;

  • 5.

    paracommerciële rechtspersoon;

  • 6.

    sterke drank;

  • 7.

    slijtersbedrijf;

  • 8.

    zwak-alcoholhoudende drank,

  • dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:22 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

  • 1.

    Een paracommerciële rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, kan alcoholhoudende drank verstrekken. Dit mag echter alleen vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt gehouden in verband met de statutaire doelen van deze paracommerciële rechtspersoon. Maar niet later dan 02.00 uur.

  • 2.

    Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen alcoholhoudende drank verstrekken vanaf één uur voor aanvang en tot uiterlijk twee uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van deze paracommerciële rechtspersoon met inachtneming van de volgende schenktijden:

    • maandag tot en met vrijdag vanaf 16.00 uur tot 00.00 uur;

    • zaterdag en zondag vanaf 10.00 uur tot 00.00 uur.

Artikel 2:23 Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die zijn gericht op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:24 Stellen van voorschriften en beperken vergunning

De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde, de

veiligheid, zedelijkheid, volksgezondheid en ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Drank- en Horecawet voorschriften aan de vergunning verbinden en de vergunning beperken tot zwak alcoholhoudende drank.

 

Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:25 Definities

In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep, bedrijf of vereniging aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of de gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:26 Melding exploitatie

Het is verboden een inrichting op te richten, over te nemen, te verplaatsen dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting te staken, zonder dit schriftelijk te melden aan de burgemeester, binnen drie dagen direct daarna.

Artikel 2:27 Nachtregister

Het is verboden een inrichting als bedoeld in deze Afdeling te exploiteren, zonder een nachtregister bij te houden als bedoeld in artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Dit verbod geldt eveneens voor de exploitant of beheerder van, dan wel anderszins rechthebbende op een recreatiepark dat gelegenheid geeft tot nachtverblijf.

Artikel 2:28 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van een inrichting volledig en naar waarheid de volgende gegevens te verstrekken:

  • a.

    naam;

  • b.

    woonplaats;

  • c.

    dag van aankomst, en;

  • d.

    de dag van vertrek.

van alle personen die verblijven.

 

Afdeling 6A Huisvesting arbeidsmigranten

Artikel 2:28a Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    shortstay-arbeidsmigranten: personen die hun vaste woon- of verblijfplaats in een ander Europees land dan Nederland hebben en op grond van een EU-paspoort of een tewerkstellingsvergunning legaal in Nederland tijdelijk werkzaam zijn voor maximaal 9 maanden. Onder shortstay-arbeidsmigranten wordt tevens verstaan tijdelijke Nederlandse arbeidskrachten.

  • b.

    huisvestingsvoorziening: voor bewoning geschikt gemaakte onroerende zaken en woningen;

  • c.

    logies: het bedrijfsmatig (nacht)verblijf aanbieden, waarbij de betreffende persoon het hoofdverblijf elders heeft.

Artikel 2:28b Exploitatievergunning huisvestingsvoorziening shortstay-arbeidsmigranten

  • 1.

    Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een huisvestingsvoorziening te gebruiken voor de huisvesting van meer dan vier shortstay-arbeidsmigranten.

  • 2.

    De aanvraag wordt gesteld op een door de burgemeester vastgesteld (elektronisch) formulier.

  • 3.

    Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid wordt per huisvestingsvoorziening aangevraagd door een ondernemer ten behoeve van de huisvesting van voor zijn onderneming werkzame shortstay-arbeidsmigranten of door een ABU (Algemene Branchevereniging voor Uitzendondernemingen) of VIA (Vereniging van Internationale Arbeidsbemiddelaars) gecertificeerd uitzendbureau of door een eigenaar van een huisvestingsvoorziening.

  • 4.

    Indien de beheerder en/of de exploitant afkomstig is uit het buitenland en sinds drie jaar of korter in Nederland verblijft of nog in het buitenland woonachtig is, dient tevens een Verklaring Omtrent het Gedrag of een daarmee gelijk te stellen verklaring uit het buitenland te worden ingediend.

  • 5.

    De vergunninghouder is gehouden gewijzigde omstandigheden waarvan hij redelijkerwijs kan vermoeden dat deze van invloed zijn op de verleende vergunning, onverwijld aan de burgemeester door te geven.

Artikel 2:28c Weigeringsgronden

Een aanvraag om vergunning zoals bedoeld in artikel 2:28b kan, onverminderd de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8 worden geweigerd als en voor zover:

  • a.

    naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de huisvestingsvoorziening op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

  • b.

    het beoogde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan;

  • c.

    geen verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 2:28b lid 3 is overgelegd, ingeval de beheerder en/of de exploitant afkomstig is uit het buitenland en sinds drie jaar of korter in Nederland verblijft of nog in het buitenland woonachtig is.

Artikel 2:28d Vergunningvoorschriften

  • 1.

    De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden met betrekking tot onder andere:

    • a.

      het maximum aantal shortstay-arbeidsmigranten;

    • b.

      de verblijfsduur van de shortstay-arbeidsmigranten.

Artikel 2:28e Intrekken van de vergunning

Aanvullend op het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning intrekken als de woon- en leefsituatie in de omgeving van de huisvestingsvoorziening voor arbeidsmigranten of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2:28f Vergunningsduur

De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:28b voor één jaar of meerdere jaren verlenen.

 

Afdeling 6B Toezicht op kamerverhuur

Artikel 2:29 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    kamerverhuurbedrijf: een gebouw of deel van een gebouw, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was drie of meer kamers, niet vallende onder het begrip logiesgebouw en/of logiesverblijf als bedoeld in het Bouwbesluit, worden verhuurd, welke kamers als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen;

  • b.

    huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Artikel 2:29a Exploitatie kamerverhuurbedrijf

  • 1.

    Het is verboden een kamerverhuurbedrijf te exploiteren zonder vergunning van het college.

  • 2.

    De aanvraag wordt gesteld op een door het college vastgesteld (elektronisch) formulier.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vergunningaanvraag.

  • 4.

    Het college weigert de vergunning:

    • a.

      indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    • b.

      indien de exploitatie van een kamerverhuurbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 5.

    Bij de toepassing van de in het vierde lid onder a genoemd belang houdt het college rekening met het karakter en de wijk, waarin het kamerverhuurbedrijf is gelegen of zal zijn gelegen en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie

  • 6.

    Geen vergunning is vereist voor woonruimtes die deel uitmaken van een seniorencomplex, herstelinrichtingen en verzorgingstehuizen of daarmee naar hun aard vergelijk te stellen woonvormen, zolang deze worden verhuurd overeenkomstig de specifieke functies van de in dit lid bedoelde woonvormen.

Artikel 2:29b Intrekken van de vergunning

Aanvullend op het bepaalde in artikel 1:6 kan het college de vergunning intrekken als de woon- en leefsituatie in de omgeving van het kamerverhuurbedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

 

Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:30 Definities

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  • 2.

    In de afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de Kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2:30a Speelgelegenheden

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te laten exploiteren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de Kansspelen.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:

    • a.

      naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

    • b.

      de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

  • 4.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30b Kansspelautomaten

  • 1.

    In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2 kansspelautomaten toegestaan.

  • 2.

    In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

     

Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van n overlast, gevaar of schade

Artikel 2:31 Betreden gesloten woning of lokaal

  • 1.

    Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2.

    Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3.

    Deze verboden zijn niet van toepassing op personen van wie aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:32 Plakken en kladden

  • 1.

    Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te beschadigen waaronder te bekrassen of te bekladden.

  • 2.

    Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 3.

    Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2:33 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing als de inbrekerswerktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:34 Vervoer geprepareerde voorwerpen

  • 1.

    Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels een voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben dat kennelijk is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:35 Rijden over bermen en dergelijke

  • 1.

    Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Limburg.

Artikel 2:36 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats:

    • a.

      te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekwerk, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:37 Verboden drankgebruik

  • 1.

    Het is voor personen verboden op de volgende openbare plaatsen alcoholhoudende drank bij zich te hebben:

    • a.

      binnen het openbaar gebied in de omgeving van Kloosterhof zoals aangegeven op de bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage;

    • b.

      binnen andere door het college aangewezen gebieden.

  • 2.

    Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  • 3.

    Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    • b.

      een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:38 Verboden gedrag bij of in gebouwen

  • 1.

    Het is verboden zonder redelijk doel:

    • a.

      in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  • 2.

    Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning dan wel van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:38a Gedragsaanwijzing

  • 1.

    Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

  • 3.

    De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke:

    • a.

      geluid- of geurhinder;

    • b.

      hinder van dieren;

    • c.

      hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    • e.

      intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2:39 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of

op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:40 Neerzetten van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan

tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een

portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van een gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang wordt versperd of de verkeersveiligheid in gedrang komt.

Artikel 2:41 Bespieden van personen

  • 1.

    Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.

  • 2.

    Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt, te bespieden.

Artikel 2:42 Verblijven honden en loslopende honden

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak ofspeelweide, sportvelden en schoolterreinen, begraafplaats of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • b.

      binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;

    • c.

      buiten de bebouwde kom zonder dat die hond is aangelijnd:

      • op de locaties Beegderheide, Heelderpeel zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening.

        Zie bijlage ;

      • op de locatie Leerkeven zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening. Zie bijlage;

      • op een door het college aangewezen plaats.

    • d.

      buiten de bebouwde kom zonder toezicht en zonder begeleiding;

    • e.

      op de weg als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2.

    Onder het genoemde in het eerste lid, aanhef en onder b vallen in ieder geval de locaties:

    • het Breerpark te Maasbracht, en;

    • het park gelegen aan de Parklaan/Julianalaan te Maasbracht.

  • 3.

    Het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 4.

    Het eerste lid, aanhef onder b en c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die:

    • a.

      zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

    • b.

      deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:43 Verontreiniging door honden

  • 1.

    Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht spullen (bijvoorbeeld een schepje of plastic zakje) bij zich te hebben waarmee hondenpoep opgeruimd kan worden en te zorgen dat de uitwerpselen van de hond onmiddellijk worden verwijderd. De uitwerpselen moeten in een daarvoor bestemde voorziening worden gedeponeerd, zoals bijvoorbeeld de gemeentelijke afvalbakken of een duobak in eigen beheer.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  • 3.

    De opruimplicht geldt niet:

    • a.

      op de volgende locaties die als uitlaatplaatsen en losloopgebieden ter plaatse zijn aangeduid:

       

      Uitlaatplaatsen:

      • kern Beegden, ter hoogte van de Gaardweg;

      • kern Heel, ter hoogte van het Sleydal;

      • kern Linne, ter hoogte van de onderste Boord en Oeveren;

      • kern Maasbracht, ter hoogte van de Haverkamp, de Sint Joosterweg en de Kanaalweg;

      • kern Ohé en Laak, ter hoogte van de Bosstraat en de Moeder Magdalenastraat en de Contelmostraat;

      • kern Stevensweert, ter hoogte van de Maasdijk en het eiland;

      • kern Thorn, ter hoogte van de Panheeldersteeg en het Lindepad;

      • kern Wessem, ter hoogte van de oude Thornerweg.

    • Losloopgebieden

      • kern Beegden, ter hoogte van de Oosderweg en de Eerdweg;

      • kern Linne, ter hoogte van de Akkerweg;

      • kern Maasbracht, ter hoogte van de Broekstraat en de Trambaan;

      • kern Ohé en Laak, ter hoogte van de weg over de Dijk;

      • kern Stevensweert, ter hoogte van de weg langs de Grinderkens;

      • en kern Wessem, ter hoogte van de Polstraat.

    • b.

      in de overige openbare ruimten buiten de bebouwde kom.

  • 4.

    Het college kan buiten de bebouwde kom gebieden en locaties aanwijzen waar wel een opruimplicht geldt.

Artikel 2:44 Gevaarlijke honden

  • 1.

    Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijn- en/of muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2.

    De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  • 3.

    De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn en muilkorfgebod is opgelegd is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    • a.

      vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    • b.

      door middel van een stevige leren riem zo rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    • c.

      zo is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4.

    Onverminderd artikel 2:42, eerste lid, aanhef onder e dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:44a Gevaarlijke honden op eigen terrein

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  • 2.

    Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    • a.

      op een vanaf de weg zichtbare plaats naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    • b.

      het mogelijk is een brievenbus te bereiken; en

    • c.

      het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:45 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1.

    Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben in strijd met de door het college gestelde nadere regels; en/of

    • c.

      te voeren.

  • 2.

    Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van één of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:46 Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee), die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat maatregelen worden getroffen zodat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:47 Bijen

  • 1.

    Het is verboden bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van:

    • a.

      woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; en/of

    • b.

      van de weg.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een legale afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  • 4.

    Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Limburg.

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 6.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:48 Bedelarij

Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om

geld of andere zaken.

Artikel 2:48a Overnachten in de buitenlucht bij extreme koude weersomstandigheden

Het is verboden zich bij een gevoelstemperatuur van – 10C of kouder tussen 21:00 uur en 07:00 uur op te houden in de buitenlucht met het kennelijke doel een aanzienlijk deel van de nacht in de buitenlucht door te brengen.

Artikel 2:48b Slaapverblijf op de openbare plaats

Het is verboden op een openbare plaats, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden

 

Afdeling 9 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:49 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de

Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht.

Artikel 2:50 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  • 1.

    De handelaar is verplicht aantekening te maken van alle gebruikte en ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend, door of namens de burgemeester (digitaal) gewaarmerkt register en daarin onmiddellijk op te nemen:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover mogelijk - soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en

    • e.

      de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2.

    Onder een handelaar als bedoeld in het eerste lid valt in ieder geval een:

    • a.

      goud en edelsmid;

    • b.

      diamantair;

    • c.

      koperhandelaar.

  • 3.

    De burgemeester kan vrijstelling verlenen van de verplichtingen genoemd in het eerste lid.

  • 4.

    Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:51 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • 1.

      dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • 2.

      van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    • 3.

      dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; en

    • 4.

      dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

  • b.

    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Afdeling 10 Vuurwerk

Artikel 2:52 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit).

Artikel 2:53 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen

  • 1.

    Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen of voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

  • 2.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:54 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  • 1.

    Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2.

    Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast veroorzaakt of kan veroorzaken.

  • 3.

    De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 10A Carbidschieten

Artikel 2:54a Carbidschieten, het vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

  • 1.

    Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

  • 2.

    Het is verboden op een openbare plaats carbid of soortgelijke stoffen te vervoeren of bij zich te hebben, waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder deze worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zullen worden gebruikt in strijd met het bepaalde in het eerste lid.

  • 3.

    Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.

  • 4.

    Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet als:

    • a.

      het carbidschieten plaatsvindt op Oudejaarsdag (31 december) van 10.00 uur tot 18.00 uur en;

    • b.

      het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen openbare wegen of paden liggen en;

    • c.

      wordt geschoten in een richting afgewend van de woonbebouwing vanaf een locatie die gelegen is buiten de bebouwde kom op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing, 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg, 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden.

  • 5.

    Het verbod in het eerste tweede lid geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van strafrecht.

     

Afdeling 11 Drugsoverlast en gebruik lachgas

Artikel 2:55 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:55a Openlijk drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:55b Gebruik lachgas

  • 1.

    Onder lachgas (N2O) wordt verstaan: een kleurloos, niet-irriterend, zoet geurend en zoet smakend gas.

  • 2.

    Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Afdeling 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester

Artikel 2:56 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen

plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:36, 2:37, 2:38, 2:39, 2:54, 2:55, 5:49 of 5:50 van de Apv groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:57 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de

openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan

daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen

en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:58 Cameratoezicht op openbare plaatsen

  • 1.

    De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  • 2.

    De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn:

    • a.

      openbare plantsoenen;

    • b.

      speelplekken;

    • c.

      openbare weg; en

    • d.

      parkeerplaatsen.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

Afdeling 1 Definities

Artikel 3:1 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • b.

    prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • c.

    seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • d.

    escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • e.

    sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

  • f.

    exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  • g.

    beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • h.

    bevoegd bestuursorgaan: in dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

  • i.

    bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

    • 1.

      de exploitant;

    • 2.

      de beheerder;

    • 3.

      de prostituee;

    • 4.

      het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

    • 5.

      toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening;

    • 6.

      andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3:2 Nadere regels

Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, kan het college en in het voorkomende geval de burgemeester, nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.

 

Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke

Artikel 3:3 Seksinrichtingen

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2.

    In de aanvraag om vergunning wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier.

  • 3.

    In de aanvraag om vergunning en in de vergunning worden in ieder geval vermeld:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      de persoonsgegevens van de beheerder; en

    • c.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

  • 4.

    Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3:4 Gedragseisen exploitant en beheerder

  • 1.

    De exploitant en de beheerder:

    • a.

      staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • b.

      zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    • c.

      hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet:

    • a.

      met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • b.

      binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    • c.

      binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen;

      • de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 3.

    Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

    • a.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;

    • b.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4.

    De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    • a.

      bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    • b.

      bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5.

    De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3:5 Sluitingstijden

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 04.00 en 14.00 uur.

  • 2.

    Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

  • 3.

    Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens deze Afdeling gesloten dient te zijn.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:6 Tijdelijke afwijking sluitingstijden en (tijdelijke) sluiting

  • 1.

    Met het oog op de openbare orde en de weigeringsgronden voor de vergunning, of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

    • a.

      tijdelijk andere dan de krachtens deze Afdeling geldende sluitingstijden vaststellen;

    • b.

      van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend op de wijze als bedoeld in artikel 3:42, tweede lid Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3:7 Aanwezigheid van en verplichtingen voor exploitant en beheerder

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of de beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2.

    Het is een exploitant of de beheerder verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

    • a.

      nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, of;

    • b.

      de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen.

  • 3.

    Het is een exploitant of de beheerder verboden om binnen de seksinrichting strafbare feiten te laten plaatsvinden (bewust dan wel onbewust), waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie.

  • 4.

    De verbodsbepaling bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing ten aanzien van personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aantoonbaar werkzaam zijn als prostituee voor of bij een prostitutiebedrijf.

Artikel 3:8 Straatprostitutie

  • 1.

    Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel te lokken:

    • a.

      op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;

    • b.

      gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

  • 2.

    Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 3.

    Met het oog op de openbare orde en de belangen als neergelegd in de weigeringsgronden van de vergunning, kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 4.

    De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen als neergelegd in de weigeringsgronden van de vergunning, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

  • 5.

    De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

Artikel 3:9 Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in

door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen

gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3:10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • 1.

    Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    • a.

      als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    • b.

      anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2.

    Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

     

Afdeling 3 Beslistermijn en weigeringsgronden

Artikel 3:11 Beslistermijn

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, binnen twaalf weken. Deze beslistermijn begint de dag na de ontvangst van de aanvraag.

2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3:12 Weigerings- en intrekkingsgronden

  • 1.

    De vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, wordt geheel of gedeeltelijk geweigerd of ingetrokken als:

    • a.

      de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:4 gestelde eisen;

    • b.

      de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of

    • c.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dan wel met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;

    • d.

      de prostituee(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt.

  • 2.

    Voor seksinrichtingen en escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, geheel of gedeeltelijk worden geweigerd of ingetrokken dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    • d.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    • f.

      de gezondheid of zedelijkheid;

    • g.

      de arbeidsomstandigheden van de prostituee; of

    • h.

      bij strijdigheid met het regionale prostitutiebeleid.

  • 3.

    Een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, kan voorts worden geweigerd als bij vestiging of exploitatie het door de burgemeester vastgestelde lokale of regionale maximum van het aantal toegelaten seksinrichtingen wordt overschreden.

  • 4.

    Een vergunning als bedoeld in artikel 3:3, eerste lid, kan voorts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd of ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  • 5.

    Voordat toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

     

Afdeling 4 Beëindiging exploitatie en wijziging beheer

Artikel 3:13 Beëindiging exploitatie

  • 1.

    De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig artikel 3:3 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2.

    Binnen één week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de exploitant dit schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:14 Wijziging beheer

  • 1.

    Als de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, meldt de exploitant dit binnen één week schriftelijk aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2.

    Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:12, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1 Voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4:1 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • b.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • c.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • d.

    gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • e.

    gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer ;

  • f.

    inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • g.

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

  • 1.

    De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 gelden niet voor de volgende collectieve festiviteiten gedurende de volgende dagen of dagdelen:

    • a.

      carnaval vanaf carnavalszaterdag 16:00 uur tot carnavals dinsdag 24:00 uur;

    • b.

      Koningsnacht en Koningsdag vanaf 26 april 20.00 uur tot 27 april 02.00 uur en van 09.00 uur tot 24.00 uur;

    • c.

      oudejaarsavond vanaf 31 december 20.00 uur tot 1 januari 02.00 uur;

    • d.

      kermis Beegden vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Beegden;

    • e.

      kermis Heel vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kernen Heel en Panheel;

    • f.

      kermis Wessem vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Wessem;

    • g.

      kermis Thorn vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Thorn;

    • h.

      kermis Stevensweert vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Stevensweert;

    • i.

      kermis Ohé en Laak vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Ohé en Laak;

    • j.

      kermis Maasbracht vanaf kermiszaterdag 14.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur voor de kern Maasbracht/Brachterbeek;

    • k.

      kermis Linne vanaf kermiszaterdag 16.00 uur tot kermisdinsdag 02.00 uur en voor het alternatief evenement winterkermis Linne van zaterdag 20.00 uur tot zondag 02.00 uur voor de kern Linne;

  • 2.

    Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit onmiddellijk als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 3.

    Op de dagen bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 uiterlijk een half uur voor sluitingstijd beëindigd, met uitzondering van inrichtingen waar op de aangewezen dagen een ruimere sluitingstijd geldt. In die gevallen dient het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de genoemde geluidsnormen om 02:00 uur te worden beëindigd.

  • 4.

    Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  • 5.

    Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 6.

    De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 7.

    De geluidsnorm bedoeld in het vijfde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

  • 1.

    Het is een inrichting toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk heeft gemeld bij het college.

  • 2.

    Voor het buitenpodium Thorn is het toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit schriftelijk heeft gemeld bij het college. Voor het buitenpodium Thorn geldt tevens dat telkens wanneer binnen een periode van maximaal 10 dagen sprake is van 2 evenementen met elektronisch versterkte muziek op de eerstvolgende 11 dagen geen evenementen met elektronisch versterkte muziek zijn toegestaan.

  • 3.

    Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting dit ten minste één week voor de aanvang van de festiviteit heeft gemeld bij het college

  • 4.

    Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  • 5.

    De melding is gedaan als het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, op tijd is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 6.

    De melding wordt tevens geacht te zijn gedaan als het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, onmiddellijk toestaat.

  • 7.

    Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 8.

    De geluidswaarde als bedoeld in het zevende lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 9.

    De geluidsnormen, bedoeld in het zevende lid, gelden voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  • 10.

    Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  • 11.

    Op de dagen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:4 - uiterlijk een half uur voor sluitingstijd beëindigd. Deze verplichting is niet van toepassing op inrichtingen waarvoor tijdens de incidentele festiviteit een ruimere sluitingstijd geldt. In die gevallen moet het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de genoemde geluidsnormen, om 02:00 uur worden beëindigd.

  • 12.

    Het college kan nadere regels en voorschriften vaststellen voor een incidentele festiviteit.

Artikel 4:4 Onversterkte muziek

  • 1.

    Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, binnen inrichtingen is de in het tweede lid, opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of laten uitvoeren van geluidsmetingen;

    • b.

      de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    • c.

      de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, als het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimte als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder;

    • d.

      bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  • 2.

    Tabel

  •  

    7.00-10.00 uur

    10.00-23.00 uur

    23.00-7.00 uur

    LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    n.v.t.

    40 dB(A)

    LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    35 dB(A)

    n.v.t

    25 dB(A)

    LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

    70 dB(A)

    n.v.t.

    60 dB(A)

    LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    55 dB(A)

    n.v.t.

    45 dB(A)

  • 3.

    Het eerste en het tweede lid is bij het buitenpodium Thorn toegestaan op maximaal 14 dagen of dagdelen per kalenderjaar. Als geen gebruik wordt gemaakt van het aantal maximale incidentele dagen, zoals bedoeld in artikel 4:3, tweede lid, dan mag dit worden aangevuld met activiteiten van onversterkte muziek zoals bedoeld in dit artikel. Het totaal van deze dagen of dagdelen mag echter niet meer bedragen dan 26.

  • 4.

    Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing.

  • 5.

    Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 of artikel 4:3.

Artikel 4:5 Overige geluidhinder

  • 1.

    Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of na te laten zodat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening Limburg.

Artikel 4:6 (Geluid)hinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

 

Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen

Het is voor personen verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn of haar natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:8 Toestand van sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet

bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of

hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:8a Verbod oplaten ballonnen

  • 1.

    Onder ballon wordt verstaan: elke onbemande, al dan niet bolvormige ballon, van welk materiaal dan ook die door middel van helium, open vuur of andere gassen in de lucht wordt gebracht, waarbij de richting en/of hoogte van de ballon niet door menselijk ingrijpen, kan worden bepaald.

  • 2.

    Het is verboden één of meerdere ballonnen op te laten stijgen.

  • 3.

    Het verbod in dit artikel geldt niet voor zover de regels bij of krachtens de Wet luchtvaart van toepassing zijn.

     

Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:9 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke.

  • 1.

    Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      op een door het college aangewezen plaats:

      • onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

      • bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

      • kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:12 of onderdelen daarvan, als het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur dan wel anderszins voor een commercieel doel;

      • mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen, en oude metalen.

    • b.

      landbouwplastic op alle percelen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom.

  • 2.

    Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, nadere regels stellen.

  • 3.

    Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid, onderdeel b niet van toepassing is.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of een provinciale verordening.

Artikel 4:10 Reclameverbod en nadere regels

  • 1.

    Het is verboden reclame te maken.

  • 2.

    Het college stelt in nadere regels vast in welke gevallen het verbod in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing is.

Artikel 4:11 Handhaving reclame

Vervallen.

 

Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:12 Definities

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig, waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:13 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1.

    Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat zo in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

  • 2.

    Het verbod geldt ook voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3.

    Het verbod geldt niet voor het plaatsen van een visparaplu of karpertentje ten behoeve van het nachtvissen.

  • 4.

    Het in het tweede lid genoemde geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen, korter dan één week, in de besloten achtertuin voor eigen gebruik door de rechthebbende Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 5.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    • a.

      natuur en landschap; of

    • b.

      een stadsgezicht.

Artikel 4:14 Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1.

    Artikel 4:13, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 2.

    Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:13, vijfde lid.

     

Afdeling 5 Bescherming van paddenstoelen

Artikel 4:15 Bescherming paddenstoelen

  • 1.

    Het college is bevoegd plaatsen aan te wijzen waar het, ter bescherming van het natuur-, landschap- of dorpsschoon, verboden is paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben.

  • 2.

    Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben.

  • 3.

    Het verbod geldt niet:

    • a.

      ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige paddenstoelen;

    • b.

      als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden.

  • 4.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1 Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Definities

Vervallen.

Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  • 1.

    Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan het gebruik van een voertuig:

    • a.

      voor het geven van lessen, of;

    • b.

      vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2.

    Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3.

    Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4.

    Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 5.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

  • 1.

    Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2.

    Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 3.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken

niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg binnen de bebouwde kom te plaatsen of te hebben;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; of

    • c.

      gedurende een periode langer dan drie aaneengesloten dagen te parkeren op een plaats, zichtbaar vanaf de openbare weg. Na deze periode mag, gedurende een periode van één week, niet binnen een straal van 500 meter van voornoemde plek worden geparkeerd.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid gestelde verbod.

  • 3.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7 Grote voertuigen

  • 1.

    Vanwege de schadelijke afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de gemeente is het verboden een voertuig dat, inclusief van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op alle wegen of weggedeelten gelegen binnen de bebouwde kom, van de kernen Maasbracht, Brachterbeek, Linne, Stevensweert, Ohé en Laak, Heel, Beegden, Thorn, Panheel en Wessem.

  • 2.

    Van de onder het eerste lid aangewezen wegen of weggedeelten zijn de volgende wegen en weggedeelten uitgezonderd:

    • a.

      in de kern Maasbracht:

      • Haverkamp, gedeelte van Battenweg richting Hazenspoor;

      • St. Joosterweg, Industrieterrein;

      • S. Houbenweg;

      • Brouwersstraat, gedeelte bij S. Houbenweg (niet de doorgaande weg).

    • b.

      in de kern Linne:

      • Maasbrachterweg, parkeerplaats bij de artsenpraktijk;

      • Leppingtonweg/Oudeweg;

      • Akkerweg gedeeltelijk.

    • c.

      in de kern Stevensweert:

      • Parkeerplaats Sportlaan.

    • d.

      in de kern Ohé en Laak:

      • Contelmostraat, gedeeltelijk.

    • e.

      in de kern Thorn:

      • (bus)parkeerplaats Meers;

      • parkeerplaats Waterstraat.

    • f.

      in de Kern Wessem:

  • Waage Naak, gedeelte van Verbindingsweg tot Kloosterlaan/Maasboulevard;

    • Maasdijk incl. parkeerplaats;

    • Schippersveld;

    • parkeerplaats Achter de Biënberg.

  • De uitgezonderde wegen en weggedeelten zijn aangegeven op de bij dit artikel behorende situatietekeningen (zie bijlagen).

  • 3.

    Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:8 Uitzicht belemmerende voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat, inclusief de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op die manier dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen

Vervallen.

Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1.

    Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van of van een gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      de weg;

    • b.

      voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    • c.

      voertuigen, waarmee een standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 5:11 Overlast van fietsen of bromfietsen

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

 

Afdeling 2 Collecteren

Artikel 5:12 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  • 1.

    Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het derde lid, stelt het college in nadere regels vast in welke gevallen het verbod niet van toepassing is.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

     

Afdeling 3 Venten

Artikel 5:13 Definitie

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  • 2.

    Onder venten wordt niet verstaan:

    • a.

      het aan huis afleveren van goederen in het kader van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • b.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 1:1, onderdeel o;

    • c.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:16.

Artikel 5:14 Ventverbod

  • 1.

    Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op:

    • a.

      zondagen;

    • b.

      maandag t/m zaterdag tussen 17.00 en 09.00 uur.

  • 3.

    Het verbod bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

  • 4.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.

Artikel 5:15 Vrijheid van meningsuiting

Vervallen.

 

Afdeling 4 Standplaatsen

Artikel 5:16 Definitie

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals bijvoorbeeld een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2.

    Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een:

    • a.

      jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    • b.

      evenement als bedoeld in artikel 2:12.

Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2.

    Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

    • a.

      de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    • b.

      een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dingende reden van algemeen belang.

  • 4.

    Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van de standplaatsvergunning en Weigeringsgronden.

Artikel 5:18 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van

het college een standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:19 Afbakeningsbepalingen

  • 1.

    Artikel 5:17, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Omgevingsplan Limburg.

  • 2.

    De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

     

Afdeling 5 Snuffelmarkten

Artikel 5:20 Definities

Vervallen

Artikel 5:21 Organiseren van een snuffelmarkt

Vervallen

 

Afdeling 6 Openbaar water

Algemene bepalingen

Artikel 5:22 Definities

  • 1.

    In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a.

      aanlegsteiger: voorziening waaraan schepen kunnen afmeren en ligplaats kunnen nemen;

    • b.

      afmeren: het vastleggen van een schip aan wal;

    • c.

      ankeren: het vastleggen van een vaartuig aan de bodem van het vaarwater;

    • d.

      bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;

    • e.

      dag: de periode tussen 00:00 uur en 24:00 uur;

    • f.

      haven: een tot duurzame exploitatie bestemde accommodatie te land en/of te water, waar bedrijfsmatig gelegenheid wordt geboden tot het ter plaatse al of niet onder toezicht gedurende langere tijd achterlaten van een vaartuig, ongeacht of met die exploitatie al of niet winst wordt beoogd;

    • g.

      klein schip: een vaartuig, zijnde een schip waarvan de lengte minder dan 20 meter bedraagt, waartoe als lengte wordt aangemerkt de afstand van de voorkant van het voorste tot de achterkant van het achterste vaste deel van de romp, zonder boegspriet, de papegaaistok en het trim vlak, dit met uitzondering van:

      • een schip dat is gebouwd of ingericht om andere dan kleine schepen te assisteren, te duwen of om langs de zijkant vastgemaakt mee te voeren;

      • een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren;

      • een veerpont, een visserschip en een duwbak.

    • h.

      ligplaats: een gedeelte van het openbaar water dat ingevolge deze verordening door een schip met bijbehorende voorzieningen mag worden ingenomen;

    • i.

      oever: overgang tussen land en het openbaar water;

    • j.

      openbaar water: water zoals omschreven in artikel 1:1, aanhef, onder h.

    • k.

      passagiersvaartuig: een bedrijfsvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot:

      • vervoer van personen, of;

      • om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen;

    • l.

      passantenplaats: een ligplaats uitsluitend bestemd voor pleziervaartuigen;

    • m.

      pleziervaartuig: een vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter;

    • n.

      rietkraag: rand van riet langs de oever;

    • o.

      rondvaartboten/feestboten: een passagiersvaartuig, zoals gedefinieerd in onderdeel i, hoofdzakelijk gebruikt voor of bestemd tot het vervoer van personen, of om beschikbaar te worden gesteld voor recreatief vervoer voor meerdere personen;

    • p.

      scheepswerf: een bedrijf waar schepen worden gebouwd, verbouwd, gerepareerd of geassembleerd.

    • q.

      schip: elk vaartuig of watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water;

    • r.

      snelle motorboot: een klein schip dat, bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller kan varen dan 20 kilometer per uur;

    • s.

      surfoever: een veelal door borden of andere merktekens aangeduide plaats op de oever waar door surfers pleegt te worden aangeland;

    • t.

      tijdelijke ligplaats: het innemen van een ligplaats korter dan 3 achtereenvolgende dagen;

    • u.

      werkstrook: strook in en/of langs het water, waarbinnen werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, die onlosmakelijk verbonden zijn met de vestiging en/of uitvoering van bedrijfsactiviteiten zoals deze zijn toegelaten op een daarvoor bestemde scheepswerf;

    • v.

      zwemgelegenheid in oppervlaktewater: locatie in oppervlaktewater, niet zijnde een zweminrichting, waar door een aanmerkelijk aantal personen in elkaars nabijheid pleegt te worden gezwommen;

    • w.

      zweminrichting: een voor het publiek toegankelijke plaats die is ingericht om te worden gebruikt voor het zwemmen, tezamen met de daarbij behorende terreinen, bouwwerken en uitrustingen.

  • 2.

    Onder oevers zijn mede begrepen de oeverbeschermingen en de daarvan deel uitmakende beplantingen.

Artikel 5:23 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Vervallen

 

(Tijdelijke) ligplaats

 

Artikel 5:24 Ligplaats pleziervaartuigen

  • 1.

    Het is verboden met een pleziervaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een pleziervaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2.

    Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een pleziervaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

    • a.

      nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

    • b.

      beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement en de Waterwet.

Artikel 5:25 (Tijdelijke) ligplaats buiten de havens

  • 1.

    Het is verboden met een vaartuig buiten de havens langer dan 3 achtereenvolgende dagen op dezelfde locatie een ligplaats in te nemen of, als het vaartuig is verplaatst, binnen 3 dagen weer dezelfde ligplaats in te nemen. Onder een dag wordt verstaan de tijd tussen 00:00 uur en 24:00 uur.

  • 2.

    Ten aanzien van het genoemde in het eerste lid geldt dat als het vaartuig wordt verplaatst naar een plaats gelegen binnen een afstand van 500 meter hemelsbreed gemeten van een eerder ingenomen verboden ligplaats, het vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn blijven liggen.

  • 3.

    Het in het eerste lid vermelde verbod geldt niet:

    • a.

      voor bedrijfsvaartuigen die direct of indirect betrokken zijn bij ontgronding of bij de inrichting van de wateren;

    • b.

      op de bestemde werkstroken ten behoeve van de scheepsbouw.

  • 4.

    Het is verboden met een vaartuig buiten de havens:

    • a.

      aan de oever een (tijdelijke) ligplaats in te nemen;

    • b.

      met een vaartuig een (tijdelijke) ligplaats in te nemen in de voor de oever gelegen rietkraag;

    • c.

      in de rietkraag of oever te ankeren;

    • d.

      een vaartuig te water te laten, uit het water te halen, op gronden neer te leggen of te laten leggen aan de oever anders dan op de daarvoor door het college aangewezen of bestemde plaatsen die ter plaatse nader zijn aangeduid.

Artikel 5:26 Aanwijzingen (tijdelijke) ligplaats

  • 1.

    Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een (tijdelijke) ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne of het aanzien van de gemeente.

  • 2.

    De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een (tijdelijke) ligplaats op te volgen.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement en de Waterwet.

Artikel 5:27 Verbod innemen (tijdelijke) ligplaats

Het is verboden een (tijdelijke) ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met artikel 5:26, tweede lid.

Artikel 5:28 Verbod innemen ligplaats buiten de havens

Vervallen.

Artikel 5:29 Verbod innemen ligplaats/verbod tot ankeren

Vervallen.

 

Openbare orde en veiligheid

 

Artikel 5:30 Beschadigen van waterstaatswerken

  • 1.

    Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de Waterwet.

Artikel 5:31 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel of voor onmiddellijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:32 Veiligheid op het water

  • 1.

    Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2.

    Het verbod waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement of de Waterwet.

Artikel 5:33 Overlast aan vaartuigen

  • 1.

    Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2.

    Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:34 Verstoren goede orde

  • 1.

    Het is verboden op het openbaar water de goede orde te verstoren, onder meer door:

    • a.

      het veroorzaken van geluidhinder, in welke vorm ook;

    • b.

      op enigerlei wijze de rust te verstoren tussen 22.00 uur 's avonds en 07.00 uur ’s morgens;

    • c.

      het verontreinigen van het terrein, het water, de gebou¬wen, de stei¬gers en andere werken door vuilnis, olie, chemicaliën, bilgewater, etc.;

    • d.

      het gebruik van een boordtoilet of het anderszins storten van fecaliën en bijkomend afvalwater in openbaar water;

    • e.

      het onvoorzichtig omgaan met vuur, daaronder begrepen het aan te water liggende vaartuigen uitvoeren van werkzaamheden, waarbij hoge temperatu¬ren ontstaan, alsmede het onvoor¬zichtig omgaan met benzine, gas of andere ontvlambare stoffen;

    • f.

      het laten proefdraaien van boordmotoren met ingeschakelde schroef.

  • 2.

    Het is voorts verboden:

    • a.

      aan steigers of palen te spijkeren of enige andere voorziening te maken waarvoor geen toestemming is verleend door het college;

    • b.

      aanpassingen aan de waterbodem en/of puinbestortingen te maken;

    • c.

      aanlegtouwen etc. over het loopvlak van de steigers of voet¬paden te bevestigen;

    • d.

      oevergroen te snoeien en/of te maaien.

Artikel 5:35 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1.

    Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet

     

Passagiersvaartuigen en waterscooters

 

Artikel 5:36 Afmeren passagiersvaartuigen (o.a. rondvaartboten, feestboten en riviercruises)

  • 1.

    Het is verboden met een passagiersvaartuig af te meren.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet:

    • a.

      voor het afmeren aan de aanlegsteigers binnen de kernen:

      • i.

        Stevensweert, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening;

      • ii.

        Thorn, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening;

      • iii.

        Wessem, zoals afgebeeld in bijgevoegde situatietekening.

    • b.

      en een daartoe strekkende vergunning is verleend door het college.

Artikel 5:37 Waterscooters

Het is verboden op een oever en het openbaar water een waterscooter, die zich in een kennelijk voor onmiddellijk gebruik geschikte en beoogde staat bevindt, bij zich te hebben anders dan op daartoe door of namens de Minister, ingevolge het Binnenvaartpolitiereglement, of door het college aangewezen plaatsen.

 

Overig verbod

 

Artikel 5:38 Overig verbod

Het is verboden binnen twintig meter van een in gebruik zijnde zweminrichting, zwemgelegenheid of surfoever te ankeren.

 

Passantenhavens

 

Artikel 5:39 Bestemming passantenhavens

  • 1.

    De binnen de gemeente als zodanig aangeduide passantenhavens zijn uitsluitend bestemd voor:

    • a.

      pleziervaartuigen met een maximale lengte van 15 meter, en;

    • b.

      een maximale diepgang van 1.80 meter.

  • 2.

    Het is verboden met andere vaartuigen een ligplaats in te nemen in de passantenhavens.

  • 3.

    Het is verboden een ligplaats in te nemen op de volgens aanduiding voor anderen gereserveerde gedeelten van de steigers in de passantenhavens.

  • 4.

    Het verbod genoemd in het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht. In de passantenhaven Maasbracht betreft de maximale lengte voor pleziervaartuigen 20 meter.

  • 5.

    Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde vrijstelling verlenen.

Artikel 5:40 Tijden van verblijf passantenhavens

  • 1.

    Het is verboden langer dan 3 achtereenvolgende dagen een ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen en nadat deze periode is verstreken, binnen 12 uren opnieuw ligplaats in dezelfde passantenhaven in te nemen.

  • 2.

    Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een ligplaats in te nemen, vaartuigen te verplaatsen of de passantenhaven te verlaten.

  • 3.

    Het verbod genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op de passantenhaven in Maasbracht.

  • 4.

    Het college kan van het onder het eerste en tweede lid bepaalde ontheffing verlenen.

Artikel 5:41 Afmeren passantenhavens

De schipper op een vaartuig moet ervoor te zorgen, dat het vaartuig op deugdelijke wijze is

afgemeerd, op een manier dat het vrij van andere vaartuigen, steigers of palen blijft.

Artikel 5:42 Liggeld passantenhavens

  • 1.

    Voor het verblijf met een vaartuig in de passantenhaven tussen 18.00 en 07.00 uur is liggeld verschuldigd.

  • 2.

    De hoogte van het liggeld en de wijze van inning wordt door het college vastgesteld.

Artikel 5.43 Gebruiksregels passantenhavens

  • 1.

    Het is verboden in de passantenhaven te zwemmen, te spelevaren, te hengelen of te surfen.

  • 2.

    Van 22.00 uur tot de volgende ochtend 7.00 uur moet de nachtrustperiode in acht worden genomen.

  • Ook daarbuiten is geluidhinder of anderszins hinderlijk gedrag verboden.

Artikel 5:44 Milieuhygiëne en veiligheid passantenhavens

  • 1.

    Het is niet toegestaan roerende zaken op de kaden te plaatsen en deze kaden anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming.

  • 2.

    Het verwijderen of achterlaten van afval, vuilnis en het lozen van de inhoud van vuilwatertanks, chemische toiletten etc. is op de locatie van de passantenhaven verboden. Gebruik moet worden gemaakt van elders door derden ter beschikking gestelde voorzieningen.

  • 3.

    Indien als gevolg van een ongeval, lekkage of anderszins benzine, andere ontvlambare of verontreinigde stoffen overboord gaan of anderszins in het water of op de oever terechtkomen, is de schipper op een vaartuig verplicht dit onmiddellijk aan de beheerder van de passantenhaven of bij diens afwezigheid aan de politie te melden.

  • 4.

    Het gebruik van een direct op het water lozend toilet is verboden.

  • 5.

    Het vaartuig dient te zijn uitgerust met een goed functionerende brandblusser.

Artikel 5:45 Verbod onderhoudswerkzaamheden passantenhavens

Het is verboden in de passantenhaven zonder ontheffing van het college belangrijke reparaties of groot onderhoud aan vaartuigen te verrichten of te laten verrichten.

Artikel 5:46 Ordebepaling passantenhavens

De rechthebbende op een vaartuig is zolang het vaartuig in de passantenhaven verblijft, verplicht alle aanwijzingen op te volgen van de beheerder en toezichthoudende ambtenaren van de gemeente Maasgouw.

 

Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:47 Definities

Vervallen

Artikel 5:48 Crossterreinen

  • 1.

    Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:49 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1.

    Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2.

    Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen van overlast;

    • b.

      de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van het publiek.

  • 3.

    Het verbod is niet van toepassing op bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4.

    Het verbod is voorts niet van toepassing:

    • a.

      op wegen die zijn gelegen binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden en terreinen;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als ‘toestel’.

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van het opgenomen verbod.

     

Afdeling 8 Vuurverbod

Artikel 5:50 Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of anderszins vuur stoken

  • 1.

    Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de

  • 1.

    Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden;

    • d.

      Sint Maartensvuren, mits wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals opgenomen in de Nadere regels evenementen en de voorschriften zoals opgenomen in de verleende ontheffing op grond van artikel 10.2 en 10.63 Wet Milieubeheer.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg.

     

Afdeling 9 Verstrooiing van as

Artikel 5:51 Definitie

In deze afdeling wordt onder incidentele as verstrooiing verstaan het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:52 Verboden plaatsen

  • 1.

    Incidentele as verstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 2.

    Het college kan voor een bepaalde periode verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt.

  • 3.

    Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a .

  • 4.

    Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:53 Hinder of overlast

Incidentele as verstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor

derden.

Hoofdstuk 6 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Sanctiebepaling

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:5, vijfde lid juncto eerste lid en 2:6, tweede lid.

Artikel 6:2 Toezichthouders

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • de politieambtenaren werkzaam binnen het grondgebied van de gemeente Maasgouw;

    • buitengewoon opsporingsambtenaren, faunabeheerders en wildbeheerseenheden, die werkzaam zijn binnen de politie eenheid Limburg en/of deel uitmaken van het BOA netwerk van de politie eenheid Limburg;

    • opsporingsambtenaren en handhavers in dienst van het Servicecentrum MER, afdeling Omgevingsdienst, team Toezicht, ieder voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd;

    • ingehuurde opsporingsambtenaren die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles voeren;

    • ambtenaren van de provincie Limburg belast met het toezicht op handhaving van de openbare ruimte en/of milieuwetgeving in opdracht van de gemeente Maasgouw;

    • medewerkers van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles uitvoeren;

    • ambtenaren van de waterschappen die in opdracht van de gemeente Maasgouw controles uitvoeren;

    • de Groene Brigade van de provincie Limburg voor zover het betreft zaken die aan hun toezicht zijn toevertrouwd.

  • 2.

    Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of

krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare

orde, veiligheid, bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot

het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Intrekking oude verordening

De Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2017 wordt ingetrokken.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening

overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6 Inwerkingtreding

Met uitzondering van artikel 2:54a, eerste tot en met derde lid, treedt de Algemene plaatselijke verordening per 1 januari 2021 in werking. Artikel 2:54a, eerste tot en met derde lid, treedt in werking de dag na bekendmaking.

Artikel 6:7 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maasgouw 2020.

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 15 december 2020.

De raad van de gemeente Maasgouw,

De griffier,

G.H. Bakkes

De burgemeester,

S.H.M. Strous

Toelichting op de Algemene plaatselijke verordening 2020 Maasgouw

 

In deze toelichting wordt gesproken over de Algemene plaatselijke verordening 2013 (hierna Apv 2013), de Algemene plaatselijke verordening 2016 (hierna Apv 2016), de Algemene plaatselijke verordening 2017 (hierna Apv 2017) en de Algemene plaatselijke verordening 2020 (hierna Apv 2020). Deze verschillende termen worden gebruikt om een onderscheid te kunnen maken tussen de oude Apv’s en de nieuwe Apv 2020.

 

Ook zijn een aantal algemene zaken aangepast om de Apv 2020 eenvoudiger en leesbaarder te maken. Het betreft onder andere het volgende:

  • enkele opschriften van artikelen zijn ingekort en afkortingen zijn daarin geschrapt;

  • gesproken wordt over definities en niet meer over begripsbepalingen;

  • diverse definities zijn opgenomen in artikel 1:1 (het algemene artikel over definities) en niet meer elders in de Apv;

  • waar in artikelen bijvoorbeeld stond: “het verbod in het eerste lid is niet van toepassing ……..” is de tekst vervangen door: “het verbod is niet van toepassing op ……” als het eerste lid het enige verbod van het artikel bevatte.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1:1 Definities

In overeenstemming met de Aanwijzingen voor de regelgeving is het opschrift “Begripsbepalingen” vervangen door “Definities”.

Ook zijn een aantal andere definities overgeheveld naar artikel 1:1. Het betreft onder andere de definities bromfiets, motorvoertuig, parkeren, voertuig en snuffelmarkt. Deze waren eerst opgenomen in artikel 5:1 en 5:20. Ook zijn een aantal begrippen met betrekking tot de aanpak van de Outlaw Motor Gang (OMG) toegevoegd.

 

In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.

Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.

 

Openbare plaats

Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom).

Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria.

Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats”.

Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.

Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”, aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).

Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.

Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).

 

Weg

Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg maakt daar onderdeel van uitmaakt.

In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”:

  • a.

    de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna);

  • b.

    de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.

 

Op of aan de weg

Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.

Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de Apv 2017. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.

 

Openbaar water

Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.

 

Bebouwde kom

De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom.

Voor het begrip “bebouwde kom” kan aangesloten worden bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Het is daarom praktischer de bebouwde kom aan te geven op een kaart die bij de verordening is gevoegd. Deze kaart maakt deel uit van de verordening en moet dus mee gepubliceerd worden.

Een alternatief is om als de definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.

 

Rechthebbende

Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.

 

Bouwwerk

Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.

 

Gebouw

Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.

 

Handelsreclame

In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d.

Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een vergunningsstelsel.

 

Bevoegd gezag

Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

Daarnaast komt in de Apv op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.

 

Reclame

Onder reclame valt ook indirecte reclame. Het gaat hierbij om reclame die niet de directe doelstelling heeft om reclame te maken, maar die wel dat effect heeft. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het maken van reclame middels graffiti op een muur zichtbaar vanaf de openbare weg.

Omdat reclame niet alleen betrekking heeft op handelsreclame, is ook een definitie van het begrip “ideële reclame” opgenomen.

 

Artikel 1:2 Beslistermijn

Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In de Apv 2017 is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid).

Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.

Artikel 4:14 schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit.

 

Dienstenrichtlijn

Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn van artikel 1:2 voldoet daaraan.

Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit criterium.

De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht. Het derde lid is een implementatie van deze verplichting.

 

Wabo

De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.

 

Toevoeging aan eerste lid

Aan het artikel is de zinsnede toegevoegd “Deze beslistermijn begint de dag na de datum van ontvangst van de aanvraag”. Door deze toevoeging is duidelijk dat de eerste dag na de datum van ontvangst de termijn begint te lopen.

 

Artikel 1:3 Indiening aanvraag (vervallen)

De wetgever heeft in de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) al een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd.

In artikel 4:5 Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. In dat systeem past niet dat de gemeente een nieuwe reden introduceert waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. In plaats van buitenbehandeling laten zal een aanvraag die onredelijk laat wordt ingediend waardoor een goede beoordeling niet mogelijk is moeten worden afgewezen. Het bevoegd gezag moet dan motiveren waarom een goede toets van bijvoorbeeld de veiligheid of de openbare orde niet mogelijk is omdat de periode tussen het tijdstip van de indiening van de aanvraag en de activiteit waarop die aanvraag ziet daarvoor te kort is.

Een aanvraag die dusdanig laat wordt ingediend dat een volledige, goede en tijdige beoordeling niet mogelijk is zal moeten worden afgewezen in plaats van buiten behandeling worden gelaten. Zie in dit verband de toelichting bij de wijziging van artikel 1:8.

 

Artikel 1:4 Voorschriften, voorwaarden en beperkingen

In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld.

Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.

 

Aan het artikel is nog de definitie voorwaarden toegevoegd. Voorwaarden zijn namelijk niet hetzelfde als voorschriften en beperkingen. Zo kan een voorwaarde zijn dat alleen van de toestemming gebruik mag worden gemaakt als zich een bepaalde omstandigheid voordoet. Door de toevoeging worden de mogelijkheden van het bevoegd bestuursorgaan vergroot.

 

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.

 

Aan het artikel is de zinsnede toegevoegd “tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet”. De aard van de vergunning of ontheffing kan zich namelijk verzetten tegen een persoonlijk karakter.

 

Artikel 1:6 Intrekken, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing

De in het eerste lid genoemde intrekking, schorsing en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking, wijziging of schorsing wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking.

Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).

 

Aan onderdeel c is de definitie voorwaarden toegevoegd. Voorwaarden zijn namelijk niet hetzelfde als voorschriften en beperkingen.

 

Aan dit artikel is de mogelijkheid tot schorsing toegevoegd. In navolging van artikel 32 van de Drank –en Horecawet kan de bevoegdheid tot schorsing van een vergunning of ontheffing worden opgenomen in de Apv. De schorsing is een minder drastisch middel dan de intrekking en geeft het bevoegd gezag daardoor meer flexibiliteit bij de inzet van handhavingsbevoegdheden.

 

 

Artikel 1:7 Termijnen

Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij:

  • a.

    de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden;

  • b.

    het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang;

  • c.

    een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.

 

Over punt b.: uit de Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige “herverdeling” van de schaarse vergunningen worden georganiseerd.

Over punt c: als een vergunning voor bepaalde tijd wordt verleend, moet beargumenteerd worden waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan.

Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.

Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.

 

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

 

Eerste lid

Vergunningstelsels zijn in de Apv 2017 als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels kenden voorheen vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is er daarom voor gekozen om in artikel 1:8 algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.

 

Tweede lid

De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in artikel 1:3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had.

Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

 

Oude artikel 1:9, Lex Silencio Positivo (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen), vervallen

Per 1 januari 2012 zijn gemeenten verplicht om in hun verordeningen op te nemen, op welke bepalingen de Lex Silencio Positivo (hierna: LSP) al dan niet van toepassing is. De gemeente kan de LSP slechts niet van toepassing verklaren, als er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang. Wat onder dwingende redenen van algemeen belang verstaan moet worden is bepaald in de Dienstenrichtlijn en wordt verder ontwikkeld in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie. Dwingende redenen van algemeen belang zijn bijvoorbeeld: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, doelstellingen van sociaal beleid, bescherming van het milieu en stedelijk milieu met inbegrip van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening, etc.

 

Omwille van de duidelijkheid wordt niet langer in dit artikel geregeld voor welke onder de Europese Dienstenrichtlijn vallende vergunningen of ontheffingen wel of geen LSP van toepassing is, maar bij ieder afzonderlijk artikel zelf. Het oude artikel 1:9 Apv 2010 is daarom vervallen.

Verder zijn de artikelleden waarmee de lex silencio positivo (paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb), positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) ten overvloede van toepassing werd verklaard of uitgezonderd, verwijderd. Daar waar toepasselijkheid van de lex silencio positivo reeds uit de wet voortvloeit, wordt dit in de Apv niet meer herhaald. Ook in gevallen waarin de lex silencio positivo niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de Apv 2019, is over de toepasselijkheid hiervan niets bepaald. De lex silencio positivo wordt in de Apv 2019 alleen nog van toepassing verklaard in gevallen waarin dit niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg, voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vallen.

 

Hoofdstuk 2 Openbare orde

 

Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden

 

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

 

Eerste lid

Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”

 

Tijdens een analyse van de aanpak van de jongerenoverlast in Heel in het najaar van 2013 is gebleken dat het onderdeel ‘samenscholing’ in het oude artikel van de Apv 2013 suggereerde dat altijd sprake was van een samenscholingsverbod. Praktisch gezien heeft deze omschrijving geen consequenties voor de samenleving. Op grond van jurisprudentie is de definitie van een samenscholing dat er een dreigende ordeverstoring van een groep op straat moet uitgaan. Het simpelweg met een groep mensen op de openbare weg staan, waarvan bijvoorbeeld jongeren worden beschuldigd, is geen samenscholing. Dit betekent dus dat het opleggen van een samenscholingsverbod goed moet worden gemotiveerd. Dit kan het beste word gerealiseerd door de burgemeester de mogelijkheid te geven om onder bepaalde voorwaarden een samenscholingsverbod in te stellen.

Gezien het bovenstaande is daarom gekozen voor de formulering in het eerste lid.

 

Zesde lid

In het zesde lid is een bepaling toegevoegd m.b.t. de aanpak van OMG.

OMG is een groep met een hiërarchische structuur die affiniteit met motorrijden uitdraagt met herkenbare groepssymbolen, waarbij geweld of dreiging met geweld en verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groepscultuur of het groepsgedrag . OMG’ s zijn geen gewone motorclubs, maar verenigingen die zich bezig houden met ondermijnende en criminele activiteiten. Ook in de gemeente Maasgouw strijken, leden van, OMG’ s neer. De aanpak van deze OMG’ s vraagt om een integrale aanpak. Dit vraagt niet alleen om inzet van politie en het Openbaar Ministerie, maar ook om een fiscaal handhavingsinstrumentarium van de Belastingdienst en tot slot een aanpak van de burgemeester.

In het verleden zijn verschillende gerechtelijke uitspraken gedaan die tot een verbod van OMG’ s hebben geleid. Hierbij kan gedacht worden aan zowel de Nederlandse afdeling als de internationale afdeling van de Hells Angels MC, maar ook de Bandidos MC. Deze OMG’ s zijn civielrechtelijk verboden, omdat de werkzaamheden van deze organisaties in strijd zijn met de openbare orde. Deze civiele verboden bieden ook gemeenten handhavingsmogelijkheden. Doordat de rechter heeft geoordeeld dat de werkzaamheden van OMG’ s in strijd zijn met de openbare orde, is het op grond van de Apv 2020 mogelijk om strafrechtelijk te handhaven. Opname in de Apv 2020 maakt het verdedigbaar dat het voeren van kenmerken van een verboden OMG in de openbare ruimte een gevaar/risico is voor de openbare orde en/of de openbare orde verstoort.

Doordat in de Apv 2020 expliciet is opgenomen dat het verboden is om op een openbare plaats kleding, uitrusting of andere uiterlijke verschijningsvormen te dragen met herkenbare groepssymbolen van een OMG, kan hier feitelijk tegen worden opgetreden. Naast het feit dat daadwerkelijk kan worden opgetreden tegen OMG’ s geeft opname van dit artikel in de Apv een duidelijk signaal af naar de buitenwereld dat de gemeente Maasgouw optreedt tegen ondermijnende criminaliteit door OMG’ s.’

 

In de Apv is een onderscheid gemaakt tussen het begrip ‘OMG’ en ‘ongewenste groep’. Een ‘OMG’ is een subgroep, die onder het brede begrip ‘ongewenste groep’ valt. Er is dus een bredere bepaling opgenomen waarmee dus ook het openbaar dragen van uiterlijke kernmerken van een ongewenste groep (dus geen OMG) kunnen verbieden.

 

De burgemeester dient een groep aan te wijzen als ‘ongewenste groep’ via een aanwijzingsbesluit. Om te voorkomen dat een ‘OMG’ ook apart moet worden aangewezen is in de Apv opgenomen dat civielrechtelijk verboden OMG’s en andere civielrechtelijk verboden verenigingen al op voorhand als ‘ongewenste groep’ worden aangewezen. Zie artikel 2:1, zesde lid, onderdeel a. Hierdoor wordt dus voorkomen dat voor die categorie een apart aanwijzingsbesluit moet worden genomen en tevens duidelijk is dat een ‘OMG’ onder de definitie van een ‘ongewenste groep’ valt. Alle andere ‘ongewenste groepen’ (dus ook eventueel ‘OMG’s’ die nog niet civielrechtelijk verboden zijn) moeten concreet door de burgemeester worden aangewezen.

 

Zevende lid

Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het zevende lid is dit dan ook gebeurd.

 

Artikel 2:2 Gebiedsontzeggingen

In dit artikel is geen limitatieve lijst meer opgenomen van strafbare feiten waarvoor een gebiedsontzegging kan worden opgelegd. In de Apv 2020 is opgenomen dat een gebiedsontzegging kan worden opgelegd vanwege het verrichten van strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen. Door deze ruimere formulering heeft de burgemeester meer mogelijkheden om een gebiedsontzegging op te leggen.

In het eerste lid is ook toegevoegd dat de burgemeester naast de gebiedsontzegging kan bevelen zich zodanig buiten dat gebied te gedragen dat het effect daarvan ook in dit gebied direct merkbaar zijn. Door deze toevoeging wordt voorkomen dat iemand buiten het gebied dingen doet die merkbaar zijn binnen dit gebied.

 

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM).

In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Deze definitie is in artikel 1:1 overgenomen (zie toelichting aldaar).

Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.

 

Verder is deze bepaling is in de vorm van een verbodsbepaling gegoten. Op deze manier kan de burgemeester optreden als de kennisgeving niet wordt gedaan. En de burgemeester kan de betoging eventueel verbieden.

 

Artikel 2:4 Straatartiest

De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid, Grondwet. Het begrip “openbaren van gedachten of gevoelens” moet volgens de jurisprudentie en de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986, Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7, derde lid, Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid, opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die bij artikel 7, eerste lid, Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:4 is dat uitgewerkt in een verbod met een ontheffingsmogelijkheid. De bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet.

 

 

Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen

 

Artikel 2:5 Voorwerpen op of aan de weg

Op grond van artikel 2:6 APV 2013 was het verboden voorwerpen op of aan de weg te plaatsen in strijd met de publieke functie van de weg, een weggedeelte of een andere openbare plaats. Van dit verbod kon door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend. Dit betekende bijvoorbeeld dat een burger die een container plaatste in verband met bouwwerkzaamheden, een ontheffing moest aanvragen. Aan deze ontheffing werden vervolgens voorschriften verbonden.

Om de burger, ondernemer en de ambtelijke organisatie te ontlasten is deze ontheffingplicht vervangen door nadere regels. In de “nadere regels plaatsen containers, steigers en uitstallingen Maasgouw 2020” is vervolgens geregeld waaraan moet worden voldaan. Door gebruik te maken van deze nadere regels vervalt dus de ontheffingplicht. Voor gevallen waarbij het risico voor de openbare veiligheid groot is blijft wel nog een ontheffingplicht bestaan. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van een hijskraan op de weg.

 

Artikel 2:6 ( Omgevings )vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).

De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.

In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1:8 van de Apv 2020.

Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.

 

Eerste lid

Aan artikel 2:6 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.

Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

 

Tweede lid

Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.

 

Derde lid

Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.

 

Vierde lid

Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:6 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.

 

Vijfde lid

In de WABO is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid is dat hier nogmaals opgemerkt. NB! De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van de Apv niet de vrijheid om te bepalen dat er geen lex silencio van toepassing is!

 

Artikel 2:7 Maken of veranderen van een uitweg

Algemeen

In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. Men zou zelfs kunnen overwegen of regeling in de Apv nodig is, en of uitwegen niet puur privaatrechtelijk zouden kunnen worden geregeld. Omdat dit een zeer vergaande stap zou zijn is er daarom voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Daarbij is wel een zogenaamde “noodrem” opgenomen: bij onacceptabele gevolgen kan het college de uitweg alsnog verbieden.

 

Doel artikel 2:7

Artikel 2:7 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte.

Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.

Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

De indiener van de melding moet bij zijn melding een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken of de gewenste uitweg al of niet kan worden toegestaan en eventueel onder oplegging van welke voorschriften.

Een verbod dat in het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.

De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen.

 

 

Artikel 2:8 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Deze bepaling is misschien niet strikt noodzakelijk, omdat er ook privaatrechtelijk en, wanneer er sprake is van voorwerpen of beplanting op of aan de weg, op grond van artikel 2:5 van de Apv 2020 kan worden opgetreden. Maar dit artikel kan wel praktisch zijn en is sneller in te zetten dan het privaatrecht. Bovendien is het denkbaar dat sprake is van beplanting of voorwerpen, al dan niet op geruime afstand van de weg, die het uitzicht belemmeren en hinderlijk zijn voor het verkeer. Daarom is dit artikel opgenomen in de Apv 2020.

 

Artikel 2:9 Openen straatkolken e.d.

Deze bepaling spreekt voor zich.

 

Artikel 2:10 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan.

Er geldt nu een algemeen verbod om te roken in bossen, bosschages, heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan. Voorheen gold dit verbod alleen voor de maanden april tot en met september.

Verder is aan het artikel toegevoegd dat het in bossen, bosschages, heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan verboden is, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

 

Afbakening

In artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.

 

In de Brandbeveiligingsverordening Maasgouw 2012 was een bepaling opgenomen over bossen, heidevelden en venen. Op grond van dit artikel kon het college voorschriften opleggen aan een rechthebbende van bijvoorbeeld een bos, heideveld en veen om brandgevaar te voorkomen. Omdat per 1 januari 2018 het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (hierna: het Besluit) in werking is getreden is de Brandbeveiligingsverordening ingetrokken. Hierdoor is dit artikel vervallen. Vergelijkbare voorschriften zijn opgenomen in artikel 6.1 en 6.3 van het Besluit. Omdat deze artikelen enkel zijn gericht op eenieder in een natuurgebied en niet op de rechthebbende is de inhoud van dit artikel opgenomen in artikel 2:10 Apv.

 

 

Artikel 2:11 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.

Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.

 

Afdeling 3 Evenementen

 

 

Artikel 2:12 en 2:13 Evenementen

Geen vergunningplicht meer voor het organiseren van een A- evenement

In de APV 2013 was opgenomen dat het verboden was om een evenement te organiseren zonder vergunning van de burgemeester. In de Apv 2017 is de vergunningplicht voor een A- evenement vervallen. Voor het organiseren van een B –en een C evenement geldt wel nog een vergunningplicht.

 

Conform de Handreiking van het Limburg Evenementenorgaan worden drie klassen evenementen onderscheiden:

 

  • A-evenement: regulier eenvoudig evenement. Binnen de gemeente Maasgouw zijn optochten, rommel – en speelgoedmarkten, carnavalsactiviteiten, activiteiten Koningsdag, Kerstmarkten, Sint Maarten feesten, dorps - en koningsschieten, jaarmarkten, wielertoertochten, openluchtconcerten alsmede straat- en buurtfeesten hier voorbeelden van. Op te merken valt dat bij deze evenementen verschillende risicogradaties van toepassing kunnen zijn. Het aantal te verwachten bezoekers en de risico’s bij A-evenementen kunnen divers zijn. Zo kan het om een evenement gaan met een paar honderd bezoekers, maar ook om een paar duizend bezoekers.

  • B-evenement: evenement met verhoogde aandacht en met een gemiddeld risico. Dit is een evenement met een lokale of regionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt naast lokaal publiek ook publiek vanuit de regio verwacht. De voorjaarsmarkt in Maasbracht, de Luikse markt in Linne, WessemerBreeze, BeachBash en bondschuttersfeesten zijn hier voorbeelden van.

  • C-evenement: risico en grootschalig evenement met een verhoogd risico. Dit is een evenement met een sterke bovenregionale uitstraling. Bij een dergelijk evenement wordt ook publiek van buiten de regio verwacht. Voorbeelden van een C – evenement in Maasgouw zijn het Koninginnedagfeest in 2011 en het Oud Limburg Schuttersfeest.

De klasse-indeling vindt plaats aan de hand van het scoreformulier risicopotentie evenement wat in het meld en aanvraagformulier evenementen van de gemeente Maasgouw is opgenomen.

 

Om te komen tot een lastenvermindering en om de kwaliteit van de regels te verbeteren is de vergunningplicht voor een A - evenement vervallen. Daarvoor in de plaatsen gelden nu de “Nadere regels evenementen Maasgouw”. Het evenement hoeft alleen nog te worden gemeld via een meldformulier.

 

Geen vergunning meer voor brandveiligheidsaspecten bij een evenement

Artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s bepaalt dat bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) regels worden gesteld over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen en basishulpverlening op die plaatsen. Deze AMvB heet het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (hierna: het Besluit). Door het Besluit gelden per 1 januari 2018 landelijke regels voor de brandveiligheid van ‘overige plaatsen’. Bij het Besluit gaat het bijvoorbeeld om tenten op evenemententerreinen, (kampeer)terreinen, tribunes, podia, varende objecten, etc.

Voor dit brandveilig gebruik kan worden volstaan met een melding. Uiteraard moet hierbij wel worden voldaan aan de gestelde regels in het Besluit. Voorheen gold hiervoor op basis van de “Brandbeveiligingsverordening Maasgouw 2012” (hierna: BBV) een vergunningplicht.

 

In de “Nadere regels A-evenementen Maasgouw 2017” waren voorschriften opgenomen over brandveiligheid. Op deze manier werd de brandveiligheid gewaarborgd. Hierdoor was voor het plaatsen van een tent bij een A- evenement geen vergunning nodig, maar kon worden volstaan met een melding. Omdat per 1 januari 2018 het Besluit in werking is getreden zijn de bepalingen over brandveiligheid in de nadere regels vervallen. In de nadere regels blijven:

  • de regels over constructieve veiligheid bij evenementen;

  • de standaard regels GHOR, en;

  • de standaard politievoorwaarden;

van kracht, omdat deze elders niet geregeld zijn.

 

De gewijzigde nadere regels gelden voor alle evenementen, omdat de regels over constructieve veiligheid, de GHOR regels en de standaard politievoorwaarden zowel op de A- als de B– en C-evenementen van toepassing kunnen zijn.

 

Meldplicht A–evenementen en aanvragen overige vergunningen, ontheffingen en besluiten

Ondanks het feit dat bij een A–evenement kan worden volstaan met een melding, blijft een organisator van een A-evenement verantwoordelijk voor het aanvragen van de overige benodigde vergunningen, ontheffingen en besluiten. Als bijvoorbeeld een weg moet worden afgesloten, dan moet door het college een verkeersmaatregel worden genomen. En als bij het evenement alcoholhoudende dranken worden verstrekt, is een ontheffing op grond van de Drank– en Horecawet vereist. Dit betreft vergunningplichten op grond van nationale wetgeving. De gemeente heeft geen invloed op de vergunningplicht. Deze vergunningvoorschriften kunnen daardoor niet in nadere regels worden ondergebracht. Niettemin is voor de organisator van een A-evenement en voor de gemeente sprake van een lastenverlichting.

 

Artikel 2:13 Evenementen

Negende lid

In de praktijk komt het voor dat activiteiten bij een A-evenement worden georganiseerd waarvoor geen voorschriften zijn opgenomen in de “Nadere regels evenementen”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:

  • het plaatsen en in gebruik hebben van hijswerktuigen ten behoeve van een parachutetent;

  • het plaatsen en in gebruik hebben van een mobiele kogelvanger voor schietactiviteiten in een dorpskern;

  • overige constructies, zoals plaatsen meibomen.

Om de openbare orde en veiligheid te waarborgen is daarom in de Apv, in het artikel evenementenvergunning, opgenomen dat in bepaalde gevallen voorschriften aan een melding kunnen worden gesteld.

 

Meld en indieningstermijnen

In de APV 2020 is opgenomen dat een melding 8 weken voor de aanvang van een A- evenement moet worden ingediend. Deze termijn wordt redelijk geacht om de melding goed te kunnen beoordelen. Voor de B- en C- evenementen geldt dat een uiterste indieningstermijn van acht weken voor bepaalde aanvragen voor een evenementenvergunning te kort is. Voor de reguliere evenementen is deze termijn voldoende, maar met name voor de grootschaligere evenementen met een gemiddeld of hoog risico is de termijn te kort. Er wordt aangesloten bij de eerde vermelde klasse-indeling van evenementen conform het regionale evenementenbeleid van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Hierbij wordt de uiterste indieningstermijn bij C –evenementen op 26 weken gesteld en bij B evenementen op 14 weken.

 

Uitzondering van het begrip evenement

In artikel 2:12, eerste lid, aanhef, onderdeel d is opgenomen dat onder een evenement niet valt het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen. Hieronder valt het dansen in discotheken en muziekcafés t/m categorie 2 (conform de lijst in de Handreiking bedrijven en milieuzonering van de VNG, versie 2009).

 

Verruiming van het begrip evenement

Op grond van de Apv 2016 vielen bepaalde activiteiten niet onder het begrip evenement, waardoor er geen voorschriften konden worden gesteld. Denk bijvoorbeeld aan het houden van een vechtsportgala of een dance –en/of houseparty binnen een inrichting. In de Apv 2020 is daarom het begrip evenement verruimd en is in artikel 2:12, derde lid Apv 2020 opgenomen dat de burgemeester in het belang van de openbare orde en veiligheid een activiteit die in de daarvoor bestemde inrichting zal plaatsvinden kan aanmerken als een evenement.

 

 

Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen

 

Artikel 2:14 tot en met artikel 2:15 c Exploitatievergunning

De exploitatievergunning biedt de burgemeester de mogelijkheid om regels te stellen ten behoeve van de woon- en leefsituatie in de omgeving van een horecaonderneming. In een exploitatievergunning worden criteria opgenomen om nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat te voorkomen. Bij strijdigheid met deze criteria kan de vergunning worden geweigerd of worden ingetrokken. Een exploitatievergunning is persoonsgebonden.

 

Meerwaarde van de exploitatievergunning

Op een exploitatievergunning(aanvraag) kan net als op een drank– en horecawetvergunning(aanvraag) de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: wet Bibob) worden toegepast. Op grond van de wet Bibob kan een onderzoek worden ingesteld naar de integriteit van een ondernemer. In grote lijnen werkt dit als volgt. Als op grond van het vergunningonderzoek twijfels bestaan over de integriteit van een ondernemer wordt aan de aanvrager een Bibob-formulier toegestuurd. Als op grond van dit ingevuld formulier twijfels blijven bestaan over de integriteit van de ondernemer kan het Regionale Expertise en Informatie Centrum (RIEC) worden ingeschakeld. Het RIEC is een gespecialiseerde organisatie die nadere gegevens opvraagt en controleert bij een Bibob-onderzoek. Op grond van dit onderzoek kan het RIEC adviseren om een nader onderzoek te laten instellen door bureau Bibob. Op basis van dit onderzoek kan worden geadviseerd om de vergunning niet te verlenen of in te trekken.

 

Een drank– en horecawetvergunning wordt alleen verleend voor horecaondernemingen waar bedrijfsmatig alcohol wordt verstrekt voor gebruik ter plaatste. Een exploitatievergunning kan ook worden verleend voor horecaondernemingen waar geen alcohol wordt verstrekt. Dit noemt men ook wel de “droge horeca”. Denk aan cafetaria ‘s, thee- en koffiehuizen, ijssalons, shoarmazaken, zonnestudio’s, clubhuizen van bijvoorbeeld motorclubs en shisha-lounges (bars waar een waterpijp kan worden gerookt).

De meerwaarde van de exploitatievergunning is dat de Wet Bibob ook kan worden toegepast bij horecaondernemingen waar geen alcohol wordt verstrekt.

 

Het doel van de exploitatievergunningplicht is om te voorkomen dat de gemeente (onbedoeld) criminele activiteiten faciliteert en hierbij (onbedoeld) een klimaat creëert waarbij Maasgouw onveiliger wordt en hierdoor de leefbaarheid in negatieve zin beïnvloedt. In het kader van de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde misdaad is de exploitatievergunning een geschikt middel om deze problematiek tegen te gaan en aan te pakken. Daarnaast kan het niet hanteren van de exploitatievergunningplicht een aanzuigende werking hebben. Het risico bestaat namelijk dat criminele organisaties zich juist in Maasgouw vestigen omdat daar de exploitatievergunningplicht niet bestaat. Dit is dan ook één van de redenen waarom steeds meer gemeenten in de provincie Limburg ervoor kiezen om het exploitatievergunningstelsel te gebruiken.

 

Toevoeging van het begrip coffeeshop en verankering van het nul beleid

Ter verduidelijking is bij de begripsomschrijvingen in artikel 2:14 Apv 2020 de definitie coffeeshop toegevoegd. Verder is in artikel 2:14 Apv 2020 opgenomen dat bij het verlenen van een exploitatievergunning voor een coffeeshop een nul beleid van toepassing is. Dit betekent dat er binnen de gemeente Maasgouw geen coffeeshop mag worden gevestigd. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar het coffeeshopbeleid van de gemeente Maasgouw.

 

Toevoegen van het begrip “waterpijp café”

Het begrip “waterpijpcafé” wordt ook wel “shisha- lounge” genoemd. Onder een waterpijpcafé/sisha-lounge wordt verstaan café waar men waterpijp kan roken, thee en andere drankjes kan nuttigen. Door dit begrip toe te voegen is een “waterpijpcafé” altijd aan een exploitatievergunning onderworpen.

 

Toevoegen/afmelden leidinggevende via melding

In afdeling 7 van de Apv Maasgouw 2020 zijn artikelen toegevoegd die het mogelijk maken om via een melding een leidinggevende op de vergunning bij of af te laten schrijven. Hierbij is aansluiting gezocht bij de systematiek van de Drank –en Horecawet. Op grond van de Drank –en Horecawet is het namelijk ook mogelijk om via een melding een leidinggevende op de vergunning toe te voegen of te verwijderen. De melding wordt gezien als een aanvraag, waardoor een antecenten- en integriteitsonderzoek altijd mogelijk is.

 

Nadere regels terrassen

Voor het exploiteren van een terras hoeft geen aparte terrasvergunning te worden verleend. Als een nieuw terras wordt geëxploiteerd of als de bestaande situatie van een terras wijzigt, dan is er alleen een (wijziging van een) exploitatievergunning nodig.

 

Verder gelden er naast de exploitatievergunningplicht nadere regels voor terrassen. De exploitant van een terras moet voldoen aan deze nadere regels. Dit zorgt voor duidelijkheid en eenduidigheid. De nadere regels kunnen niet worden “aangetast” door het opleggen van vergunningvoorschriften die afwijken van deze nadere regels. Wat in de nadere regels is voorgeschreven, valt buiten het bereik van de exploitatievergunning. De nadere regels hebben betrekking op de verkeersveiligheid, de openbare orde en veiligheid bij het exploiteren van terrassen.

 

Artikel 2:16 Sluitingstijd

In de APV 2013 was de mogelijkheid opgenomen dat de burgemeester een ontheffing kon verlenen van het sluitingsuur van een horecaonderneming. In de praktijk kwam het er op neer dat bij elke afwijking van het sluitingsuur een ontheffing moest worden verleend.

In artikel 2:15, derde tot en met het vijfde lid Apv 2020 is opgenomen in welke gevallen een ruimere sluitingstijd geldt. Tijdens de kermis en Koningsnacht wordt bijvoorbeeld een ruimere sluitingstijd gehanteerd. Ook wordt de horecaondernemers, via een meldplicht, de mogelijkheid geboden om vijf keer per jaar één uur langer open te zijn.

Als gevolg van het opnemen van de sluitingstijden en het meldsysteem in de Apv 2020, hoeft geen ontheffing meer te worden verleend door de burgemeester.

 

artikel 2:17 Afwijken sluitingstijd

Naast het genoemde onder artikel 2:16 behoudt de burgemeester om de openbare orde en veiligheid te waarborgen op grond van artikel 2:17 wel de bevoegdheid om voor één of meer openbare inrichtingen een andere sluitingstijd vast te stellen.

 

 

Artikel 2:18 Verboden gedragingen

Onder a

Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.

 

Onder b

Ook het bepaalde onder b lid richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:18. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).

Het gestelde onder c richt zich tot de exploitant.

 

Artikel 2:19 Handel binnen openbare inrichtingen

Dit artikel betreft een verbod van heling.

In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:19 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.

Omdat artikel 2:18 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.

 

Artikel 2:20 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Het begrip "openbare inrichting" als omschreven in artikel 2:14 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet.

 

 

Afdeling 4A Toezicht op campings en recreatieparken

Gemeenten hebben de laatste jaren een grote rol gekregen in het tegengaan van 'ondermijnende

criminaliteit'. Van de lokale overheid wordt verwacht dat deze zich 'weerbaar' opstelt tegen dit soort

ongewenste ontwikkelingen. De rol van de gemeente komt daarbij met name tot uiting in het gebruik van

bestuurlijke instrumenten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het invoeren van een

vergunningplicht voor bepaalde activiteiten (zoals we momenteel onder meer een horeca-

exploitatievergunning kennen). De eisen die aan een vergunning gesteld kunnen worden, zoals bijvoorbeeld een procedure op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (verder Wet Bibob), kunnen een preventieve werking hebben. Daarnaast biedt het verplicht stellen van bepaalde vergunningen extra mogelijkheden om onwenselijke activiteiten via toezicht en handhaving tegen te gaan. Door het opnemen van deze norm, worden ook campings en recreatieparken binnen onze gemeente verplicht om in het bezit te zijn van de benodigde exploitatievergunning. Dit zal, naast de handhaving van permanente bewoning op de recreatieparken binnen onze gemeente, mede bijdragen aan de revitalisering van de recreatiesector binnen de gemeente Maasgouw.

 

Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen uit de Drank- en Horecawet

 

Artikel 2:22 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

 

Eerste lid

Hieronder vallen voornamelijk de dorpshuizen c.q. gemeenschapshuizen. Omdat er binnen de gemeente veel gemeenschapshuizen zijn waarbij de horeca op grond van een reguliere vergunning (B.V. of eenmanszaak) wordt geëxploiteerd is het voor verenigingen die van deze accommodaties gebruik maken mogelijk langer dan één uur na afloop van de verenigingsactiviteit in deze inrichting te verblijven. Een maximaal verblijf van één uur na afloop van de verenigingsactiviteit wordt als zeer kort ervaren. In de praktijk zien wij dat met name muziekverenigingen, buurtverenigingen, bejaardenverenigingen, vrouwenverenigingen gebruik maken van deze accommodaties. De verruiming tot twee uur na afloop verenigingsactiviteit komt tegemoet aan de wens.

 

Tweede lid

Bij de tijden van zaterdag (16:00 uur tot 00:00 uur) en zondag (10:00 uur tot 00.00 uur) is rekening gehouden met het feit dat vrijwel alle sportverenigingen hun jeugdwedstrijden op zaterdag hebben. Op zondag spelen de senioren hun wedstrijden, vaak verspreid over de hele ochtend en middag.

Bij de eindtijd van 00.00 uur is rekening gehouden met het grote aantal tennisverenigingen die volgens hun statuten activiteiten hebben tot 23.00 uur.

 

Artikel 2:23 Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Artikel 4 van de Drank- en Horecawet bevat onder meer de verplichting bij gemeentelijke verordening regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Door dit artikel wordt voorkomen dat (veelal gesubsidieerde) paracommerciële instellingen op onaanvaardbare wijze concurreren met de reguliere horeca door bijeenkomsten van persoonlijke aard te houden. Met dit artikel in deze verordening wordt aan de verplichting om dit bij gemeentelijke verordening te regelen voldaan.

 

Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op bijeenkomsten waarbij alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houden met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen. Voor zover die bijeenkomsten ook een zakelijk karakter hebben dat direct verband houdt met de activiteiten van de rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van een vereniging of kampioensreceptie, vallen deze niet onder het bereik van deze bepaling.

Met bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn worden onder ander bedrijfsfeesten, personeelsfeesten, koffietafels etc. bedoeld.

 

Artikel 2:24 Stellen van voorschriften en beperken vergunning

Artikel 25a, tweede lid onder b, Drank- en Horecawet biedt de gemeente de mogelijk om de burgemeester bij in de verordening te stellen regels voorschriften aan een vergunning te verbinden en de vergunning te beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Op grond van de gewijzigde Drank en horecawet is de burgemeester verantwoordelijk voor het toezicht en handhaving. Om deze verantwoordelijkheid goed uit te kunnen oefenen is in de verordening aan de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voorschriften aan de vergunning te verbinden en om de vergunning te kunnen beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

 

 

Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

 

Artikel 2:25 Definities

Inrichting

Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid).

 

Artikel 2:26 Kennisgeving exploitatie

Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.

 

Artikel 2:27 Nachtregister

De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht.

 

Om de burgemeester toch nog de bevoegdheid te geven om een nachtregister te vorderen is dit ook nog in de Apv 2017 geregeld. Verder is artikel 2:25 zodanig geformuleerd zodat naast een inrichting zoals bedoeld in artikel 2:25 Apv 2017, ook de exploitant of beheerder van, dan wel anderszins rechthebbende op een recreatiepark dat gelegenheid geeft tot nachtverblijf verplicht is om een nachtregister bij te houden. Op deze manier kan bijvoorbeeld de verplichting van het bijhouden van het nachtregister ook worden opgelegd aan een vereniging van eigenaren op een recreatiepark.

 

Artikel 2:28 Verschaffing gegevens nachtregister

Op grond van artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht is een ondernemer die een hotel of pension drijft verplicht om een nachtregister bij te houden. Dit artikel in de Apv komt die ondernemer tegemoet door de gast te verplichten daaraan mee te werken en zijn of haar gegevens te verstrekken. Zo’n aanvulling van het Wetboek van Strafrecht bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april 1979, NJ 1979, 442. Daarbij wordt vaak opgemerkt dat een goed bijgehouden nachtregister ook in het belang van de gemeente is, bijvoorbeeld voor de brandweer, mocht er onverhoopt brand uitbreken in een hotel of pension.

 

 

Afdeling 6A Huisvesting arbeidsmigranten

Ook in de gemeente Maasgouw wordt een deel van de werkgelegenheid ingevuld door buitenlandse werknemers, zogenaamde arbeidsmigranten. De huisvesting van arbeidsmigranten is van groot economisch belang, met name voor agrariërs en (delen van) het bedrijfsleven. De gemeente wil dat iedere inwoner van de gemeente gedegen en verantwoord wordt gehuisvest. Dat geldt dus ook voor arbeidsmigranten. Tegelijkertijd wil de gemeente ook dat de omgeving zo min mogelijk hinder ondervindt van het (tijdelijk) huisvesten van arbeidsmigranten, de woningvoorraad voor starters beschermen en belastingen voor arbeidsmigranten kunnen innen omdat zij immers ook gebruik maken van de lokale voorzieningen. Om veilige, kwalitatief goede huisvesting van arbeidsmigranten te stimuleren en overlast te voorkomen, is een exploitatievergunning voor de huisvestingsvoorziening van arbeidsmigranten opgenomen in de Apv 2020. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is namelijk niet toereikend om problematiek rondom de huisvesting van arbeidsmigranten aan te pakken.

Vanwege uniformiteit is aansluiting gezocht bij de bepalingen van de Apv Echt-Susteren.

 

Bij de definitiebepaling is opgenomen dat onder shortstay-arbeidsmigranten tevens wordt verstaan tijdelijke Nederlandse arbeidskrachten. Hiermee is beoogd om Nederlandse arbeiders, die tijdelijk in de regio werkzaam zijn, legaal te laten verblijven in een huisvesting voor (buitenlandse) arbeidsmigranten.

 

Afdeling 6B Toezicht op kamerverhuur

Naast de huisvesting van de arbeidsmigranten wil de gemeente Maasgouw ook grip krijgen op kamerverhuur. Door de invoering van de exploitatieplicht vallen deze ook onder de reikwijdte van de Wet Bibob en kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden, waardoor indien nodig de vergunning (tijdelijk) kan worden ingetrokken. Hierdoor kan de gemeente beter grip krijgen op het weren van malafide huisjesmelkers. Deze groep wordt namelijk in verband gebracht met mensenhandel en/of arbeidsuitbuiting.

 

 

Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden

 

Artikel 2:30 Definities

Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.

 

Definities die voorheen in de Apv 2017 stonden en ook in de Wet op de kansspelen staan zijn nu niet meer opgenomen. Nu wordt rechtstreeks verwezen naar de Wet op de Kansspelen.

 

Artikel 2:30a Speelgelegenheden

 

Speelautomatenhallen

Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is mogelijk in een speelautomatenhallenverordening te bepalen dat bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal rekening wordt gehouden met de woon en leefsituatie.

 

Derde en vierde lid

Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het zou hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.

 

Artikel 2:30b Kansspelautomaten

Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). De wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen. Deze opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen. De vraag was met name of een horeca inrichting als “hoogdrempelig” of “laagdrempelig”, wat van belang was voor de vraag of er gokautomaten aanwezig mochten zijn. Er ontstond een uitvoerige en gedetailleerde jurisprudentie. Zie hieronder voor een aantal voorbeelden.

Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook omdat een aanwezigheidsvergunning voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen op het risico van gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een vergelijkbaar risico op verslaving oplevert als een fruitautomaat. Dat nog los van de vele verslavende spelen die op het internet gespeeld kunnen worden, al dan niet gratis.

Voor de Apv 2020 betekent dit dat in artikel 2:30 tweede en derde lid de term “speelautomaten”, die ook behendigheidsautomaten zoals flipperkasten omvat, wordt vervangen door “kansspelautomaten”, waarmee gokkasten worden aangeduid waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.

 

 

Afdeling 8 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade

 

Artikel 2:31 Betreden gesloten woning of lokaal

Eerste lid

De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de Apv te regelen.

 

Tweede lid

Het tweede lid van artikel 2:31 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen.

 

Derde lid

Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:31 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.

 

Artikel 2:32 Plakken en kladden

De bepalingen die privaatrechtelijk door de rechthebbende kan worden aangepakt zijn uit dit artikel verwijderd.

 

Artikel 2:33 Vervoer inbrekerswerktuigen

Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.

 

Artikel 2:34 Vervoer geprepareerde voorwerpen

Het gaat hierbij om een verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde tassen dan wel andere voorwerpen op de weg of in de nabijheid van winkels. Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 2 opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan plegen.

 

Artikel 2:35 Rijden over bermen e.d.

Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden.

De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden.

Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:10 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen).

 

Artikel 2:36 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

Op basis van artikel 2:36 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.

 

Afbakening

Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling in de Apv vormt hierop een aanvulling.

Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:36 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1:1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:36 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.

 

Artikel 2:37 Verboden drankgebruik

In dit artikel is een verbod opgenomen om in de genoemde locaties en een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.

 

Op grond van dit artikel heeft het college op basis van de oude APV in 2011 gebieden aangewezen waar het verboden is op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Om het voor de burgers makkelijker en overzichtelijker te maken, maar ook vanwege efficiency redenen, zijn in de Apv de destijds aangewezen locaties opgenomen. Voor het college geldt ook nog de mogelijkheid om nieuwe gebieden aan te wijzen.

 

Omvang gebied

Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.

Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou het college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg en op openbare plaatsen, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.

Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn, omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een aanwijzingsbesluit nemen.

 

Verstoring openbare orde

Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven.

Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.

 

Artikel 2:38 Verboden gedrag bij of in gebouwen

Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:36 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).

 

Artikel 2:38a Gedragsaanwijzing

Per 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden.

 

Deze wet behelst het opnemen van een nieuw artikel 151d in de Gemeentewet.

 

Artikel 151d Gemeentewet

1. De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2. De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.

3. Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.

 

Ultimum remedium

Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Het tweede lid van het wetsartikel regelt dat het instrument van de bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat.

Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als er sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat.

 

Eerste lid, artikel 2:38a Apv

Dit lid is geformuleerd als een zorgplichtbepaling. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken.

 

Tweede lid, artikel 2:38a Apv

Als last onder bestuursdwang of dwangsom kan de burgemeester gedragsaanwijzingen opleggen aan de overtreder. Het tweede lid schrijft ook voor dat de burgemeester in beleidsregels vastlegt hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid.

 

Derde lid, artikel 2:38a Apv

In het derde lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester toepassing kan geven aan deze bevoegdheid. Wij hebben overwogen om daarbij ook ernstige “vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf” op te nemen. Daarbij is het punt dat artikel 7:21 van het Bouwbesluit de facto hetzelfde regelt, ook met het tegengaan van overlast als motief. Dit artikel zal naar verwachting met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen, maar daar zal nog wel de nodige tijd over heen gaan.

Het gedrag van verwarde personen kan ook onder dit artikel vallen. Naast de bekende overlast (geluid, afval, vervuiling) kan ook intimidatie (lastig vallen) onder dit artikel vallen. Het nieuwe artikel kan ook gebruikt worden voor het tegengaan van overlast vanuit woningen die aan toeristen verhuurd worden via websites zoals Airbnb. Wanneer de gasten voor overlast zorgen, biedt dit artikel de mogelijkheid om de verhuurder aan te pakken.

 

Artikel 2:39 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de Apv voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.

Het orde verstorende element ten slotte wordt door de zinsnede “zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze” in de bepaling tot uitdrukking gebracht.

Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of orde verstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.

 

Artikel 2:40 Plaatsen van fietsen e.d.

Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast.

Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden, terwijl de eigenaar heeft aangegeven dat dit niet wordt gewenst, of waardoor de toegang tot het gebouw wordt gehinderd, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:40 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.

 

Artikel 2:41 Bespieden van personen

Deze bepaling is facultatief omdat deze zeer weinig wordt toegepast en, zoals de toelichting hieronder al aangeeft, is gericht op excessieve situaties. Anders dan bij het delict belaging (“stalking”) uit artikel 285b WvS is geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te jagen . Dit artikel is daar dus een aanvulling op.

Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig.

Let wel: nu dit artikel in de Apv is opgenomen, kan de gemeente er ook op aangesproken worden.

 

Artikel 2:42 Verblijven honden en loslopende honden

Artikel 2:42 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.

In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:

- de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;

- het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;

- het voorkomen van hinder voor voetgangers;

- het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.);

- het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.

Artikel 2:47 had eerst geen uitzonderingsbepaling. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie is in het vierde lid een voorziening getroffen.

Verder is in het eerste lid, aanhef, onderdeel c de mogelijkheid opgenomen om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar honden moeten worden aangelijnd. Verder zijn locaties opgenomen die voorheen in een uitvoeringsbesluit stonden. Zie voor een verdere toelichting de onderstaande paragraaf (Aangewezen locaties van oude aanwijzingsbesluit opgenomen in artikel 2:42).

Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.

 

Aangewezen locaties in oude aanwijzingsbesluit opgenomen in artikel 2:42

Op grond van de oude APV heeft het college op 3 maart 2009 plaatsen aangewezen waar het de eigenaar of houder van een hond verboden was binnen en buiten de bebouwde kom een hond te laten verblijven of te laten lopen zonder dat de hond is aangelijnd. Om het voor de burgers makkelijker en overzichtelijker te maken, maar ook vanwege efficiency redenen, zijn in artikel 2:42 Apv de destijds aangewezen locaties opgenomen. Het oude aanwijzingsbesluit is daarom door het college ingetrokken.

 

Artikel 2:43 Verontreiniging door honden

Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken.

Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.

 

Aangewezen locaties in oude aanwijzingsbesluit opgenomen in artikel 2:43

Op grond van de oude APV heeft het college op 14 april 2009 plaatsen aangewezen waar de eigenaar of houder van een hond geen verplichting geldt om hondenpoep op te ruimen. Het betreft de zogenaamde losloopgebieden en uitlaatplaatsen. Vanwege verduidelijking zijn in artikel 2:43 Apv de destijds aangewezen locaties opgenomen. Het oude aanwijzingsbesluit is daarom door het college ingetrokken.

 

Artikel 2:44 Gevaarlijke honden

Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.

Omdat een dergelijk besluit een sterk openbare orde-karakter heeft en daarbij vaak een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, is besloten om deze bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen (was voorheen het college).

 

Derde lid

Het is niet eenvoudig aan te geven wanneer en waarom, als er eenmaal eisen en beperkingen zijn gesteld, daar met een ontheffing weer van zou worden afgeweken. Doorgaans zal vrij snel (en dan naar alle waarschijnlijkheid negatief) op een aanvraag om deze ontheffing kunnen worden beschikt. Toch is hier van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen leeft over de in de buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goed

 

 

Artikel 2:44a Gevaarlijke honden op eigen terrein

Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander, is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze maatregel is geregeld in artikel 2:44 Apv 2020. Deze regeling voorkomt niet dat mensen worden geconfronteerd met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een huishouden. Om hier aan tegemoet te komen is artikel 2:44a Apv 2020 opgenomen. In dit artikel is geregeld dat het de eigenaar of de houder van een hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als in de bepaling genoemde voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. Dit artikel is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen doordat ze van het terrein ontsnappen.

 

Artikel 2:45 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen.

Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.

 

Artikel 2:46 Loslopend vee

Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.

Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.

Verder is hier een aanpassing gedaan in de eerste zin: ‘en’ is vervangen door ‘of’. Sommige dieren, zoals paarden, zijn wel eenhoevig, maar niet herkauwend. Daarvoor vielen ze – i.v.m. het cumulatieve vereiste – onbedoeld niet onder de bepaling. Door ‘en’ te vervangen door ‘of’ – dat in wetgevingstechnische zin ‘en/of’ betekent – is dit hersteld in dit facultatieve artikel.

 

Artikel 2:47 Bijen

Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de “aanvliegbanen” hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren.

Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het zal echter kunnen voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn.

Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand “op de openbare weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats” valt aan te wijzen, kan men toch van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op “openbare belangen”.

Zesde lid: Voor de ontheffing van het vijfde lid is gekozen voor een lex silencio positivo. Overwegingen daarbij zijn dat, hoewel overlast mogelijk is, het artikel al bepaalde eisen aan de bijenhouder stelt, waaraan in het gros van de gevallen wordt voldaan. De enkele keer dat van die eisen ontheffing wordt gevraagd zal daar tijdig op kunnen worden beslist. Ook het belang van de bijenhouderij en de moeilijke situatie waarin zij verkeert zijn een afweging.

 

Artikel 2:48 Bedelarij

Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.

Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.

Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod, maar onder de regeling van artikel 2:4. Ook de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.

 

Artikel 2:48a en artikel 2:48b Kouderegeling en slaapverblijf op de weg

Uit een evaluatie van de Veiligheidsregio is naar voren gekomen dat het wenselijk is dat iedere gemeente binnen de regio Limburg dezelfde bepaling in de Apv hanteert voor slapen in de openbare ruimte, net als het hebben van een eenduidige definitie van extreme koude. Vandaar dat deze bepalingen zijn opgenomen.

 

In de artikelen 2:48a en 2:48b worden de verschillende begrippen ‘slapen’ en de ‘nacht doorbrengen’ gebruikt. Beide artikelen hebben duidelijk andere intenties. De nacht doorbrengen als bedoeld in artikel 2:28a is ruimer als slapen als bedoeld in artikel 2:48b. Een chauffeur kan bijvoorbeeld tijdens een pauze de nacht doorbrengen in zijn vrachtauto zonder te slapen.

 

 

Afdeling 9 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

 

Artikel 2:49 Definities

Handelaar

Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992).

Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.

 

Artikel 2:50 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn.

In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister.

Bij besluit van 6 oktober 2014 is door de burgemeester besloten dat het landelijk werkend digitaal opkopersregister (DOR), naast het papieren register, wordt aangemerkt als een gewaarmerkt register als bedoeld in artikel 2:50.

 

Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.

Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.

 

Eerste lid

Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.

 

Derde lid

Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.

 

Artikel 2:51 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.

 

Onder a

Ten eerste

Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.

Ten tweede en derde

Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren up to date houden.

 

Ten vierde

Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.

 

Onder b

In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de Apv noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.

Onder d

Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:51, onder d, voorziet hierin.

De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr.

Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.

 

 

 

Afdeling 10 Vuurwerk

 

Artikel 2:52 Definities

Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en het bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Vuurwerkbesluit.

Het Vuurwerkbesluit beoogt de hele keten rond vuurwerk te regelen. Van het invoeren of produceren, tot transport, handel, opslag, bewerken en afsteken. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).

Het Vuurwerkbesluit kent regels voor zowel consumentenvuurwerk als professioneel vuurwerk. De regels voor professioneel vuurwerk zijn voor deze afdeling niet relevant.

 

Definitie consumentenvuurwerk

Voor de omschrijving van het begrip ‘consumentenvuurwerk’ is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit artikel 1.1.1, eerste lid, omschreven als: vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F1, F2 of F3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Vuurwerk in algemene zin is daar omschreven als: pyrotechnische artikelen ter vermaak. En pyrotechnisch artikel als: artikel dat explosieve stoffen of een explosief mengsel van stoffen bevat die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties.

Het vuurwerk dat krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als consumentenvuurwerk is aangewezen in de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk.

De begripsomschrijving van consumentenvuurwerk in artikel 1.1.1 van het Besluit is een andere definitie dan in het Vuurwerkbesluit voor 2010. Daar was in het inmiddels vervallen artikel 1.1.2 alle vuurwerk dat door een particulier werd afgestoken, te koop werd aangeboden aan een particulier, werd aangetroffen bij een particulier, werd geïmporteerd of bewaard met de bedoeling het aan particulier ter beschikking te stellen, of was voorzien van de aanduiding “geschikt voor particulier gebruik” aangemerkt als consumentenvuurwerk.

 

Dezelfde opsomming is nu opgenomen in artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit. Artikel 1.2.2 regelt een verbod aan handelaren om professioneel en theatervuurwerk aan particulieren ter beschikking te stellen, en aan particulieren om zulk vuurwerk op te slaan, voor handen te hebben of af te steken.

In de praktijk is het verschil dat iemand die buiten de tijden waarop rond oud en nieuw vuurwerk mag worden afgestoken wordt betrapt op het afsteken van professioneel of theatervuurwerk, niet zoals voor 2010 strafbaar is voor het overtreden van zowel de APV als het Vuurwerkbesluit, maar alleen voor overtreding van het Vuurwerkbesluit. Het is van belang dat er op de juiste basis wordt beboet.

 

Fop- en schertsvuurwerk

Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in bijlage II van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk. Het gaat hierbij onder meer om sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1 van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing indien er binnen de inrichting niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.

 

Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en het afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:

- een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een particulier (artikel 2.3.2, eerste lid);

- dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2, tweede lid);

- een verbod per levering meer dan vijfentwintig kilogram consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);

- een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4);

- een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan personen die jonger zijn dan twaalf (vuurwerk categorie F1) , zestien (vuurwerk categorie F2), of achttien jaar (vuurwerk categorie F3) (artikel 2.3.5);

- een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop volgende jaar (artikel 2.3.6).

 

Artikel 2:53 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen

Op basis van dit artikel kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Artikel 1:7 bepaalt verder dat (ook) deze vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd. Zie voor meer informatie de toelichting bij de betreffende artikelen.

Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare orde, en het tegengaan van hinder en overlast. De vergunning kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen, bejaardentehuizen en dierenasiels. Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden indien dit nodig is wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Zie daarvoor artikel 1:4 en de toelichting daarbij.

 

Koopzondag

In de nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.

 

Tweede lid

Gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te voeren.

 

Artikel 2:54 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

In het Vuurwerkbesluit (artikel 2.3.6) is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.

Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet wenselijk moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.

Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.

 

Afdeling 10A Carbidschieten

Artikel 2:54a Carbidschieten, het vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen

Ofschoon wij hebben overwogen om het carbidschieten vanaf 1 januari 2021 op Oudejaarsdag van 10.00 tot 18.00 uur te legaliseren hebben onderstaande argumenten de doorslag gegeven om met deze wijziging van de Algemene plaatselijke verordening het vervoeren of bij zich hebben van carbid of soortgelijke stoffen strafbaar te stellen:

  • carbidschieten heeft evenals het afsteken van vuurwerk een groot risico op (ernstig) letsel en daarmee extra druk op de gezondheidszorg. Met deze maatregelen beogen wij juist de gezondheidszorg te ontlasten;

  • wij verwachten dat het carbidschieten, mede vanwege het landelijk vuurwerkverbod, een aantrekkingskracht op publiek zal hebben.

  • het toestaan van carbidschieten zou als neveneffect kunnen hebben dat het een aanzuigende werking krijgt voor inwoners van gemeenten waar het carbidschieten wordt verboden (het waterbedeffect), met gevolgen voor verstoring van de openbare orde en de gezondheid;

  • het voorstel om zowel het vervoeren en bij zich hebben van carbid strafbaar te stellen leidt tot duidelijkheid voor zowel de burger als voor handhavers.

Afdeling 11 Drugsoverlast en gebruik lachgas

 

Artikel 2:55 en 2:55a Drugshandel en drugsgebruik op straat

Afbakening met de Opiumwet

Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel en drugsgebruik op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de Apv een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.

 

Drugshandel en drugsgebruik op straat

Artikel 2:55 en 2:55a zijn opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in, en het gebruik van, drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de Apv een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs, maar onderhavig verbod ziet ook op softdrugs.

In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”) alsook gebruikers strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.

 

Artikel 2:55b gebruik van lachgas

Lachgas (N2O) is een kleurloos, niet-irriterend, zoet geurend en zoet smakend gas. Het product kent verschillende toepassingen. Het wordt in de zorg gebruikt als anestheticum en kortwerkende pijnstiller (medisch lachgas), in de voedingsmiddelenindustrie en in de horeca om bijvoorbeeld slagroom op te spuiten (food grade lachgas) en in verschillende technologische industrieën zoals de auto-industrie (technisch lachgas). Naast de oorspronkelijke toepassingsvormen wordt lachgas ook steeds

vaker oneigenlijk als recreatief roesmiddel gebruikt. Het geeft een kortdurende roes en een ontspannen gevoel.

Het oneigenlijk gebruik van lachgas als recreatief roesmiddel is de laatste jaren enorm toegenomen, met name onder jongeren en jongvolwassen. Het is een risico voor de gezondheid van de gebruiker en leidt bovendien tot een aanzienlijke vervuiling van de openbare ruimte. Daarnaast kan het gebruik van lachgas tot ongewenst en onberekenbaar gedrag leiden, waardoor een gevaar ontstaat voor de openbare orde en veiligheid. Vooral in groepsverband zorgt het vaak voor uitbundig en niet aanspreekbaar gedrag waardoor anderen zich onveilig voelen. Om dit tegen te gaan is het noodzakelijk om in de Apv een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het gebruik van lachgas te verbieden.

 

 

Afdeling 12 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester

 

Artikel 2:56 Bestuurlijke ophouding

Artikel 2:56 is gebaseerd op artikel 154a Van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:56 voorziet hierin.

De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor beschreven.

De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester] aangewezen groepen”. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...”. Verder kan de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen die de leden van de groep op dat moment verrichtten de grootte van de groep of door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de groep.

De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding lenen.

 

Artikel 2:57 Veiligheidsrisicogebieden

Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:

- vervoermiddelen te onderzoeken;

- een ieders kleding te onderzoeken;

- te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.

De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:

- feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;

- zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy);

- subsidiariteit en proportionaliteit;

- breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid.

 

Artikel 2:58 Cameratoezicht op openbare plaatsen

Eerste lid

Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de inzet van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot de inzet van camera’s met democratische waarborgen omkleed.

Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Awb voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.

Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn.

Per 1 juli 2016 is artikel 151c van de Gemeentewet gewijzigd, waardoor niet alleen toezicht met vaste camera’s mogelijk is, maar ook met mobiele camera’s. De reden is met name dat vaste camera’s in de praktijk vaak niet adequaat bleven bij het bestrijden van zich snel en gemakkelijk verplaatsende criminaliteit, hinder en vandalisme.

In de memorie van toelichting bij deze wijziging (Kamerstukken 33 582, nr. 3) geeft de regering aan dat uit gesprekken met vertegenwoordigers uit de bestuurlijke, justitiële en politiële praktijk, waaronder gemeenten, bleek dat toezicht met vaste camera’s soms tekort schiet: “Bij aanhoudende en zich verplaatsende overlast kan gedacht worden aan overlast veroorzaakt door hangjongeren, door drugsgebruikers en drugsdealers, door straatrovers en zakkenrollers en door personen die vernielingen aanrichten in de publieke ruimte. (…) Diverse recentelijk verschenen gemeentelijke evaluatierapporten over cameratoezicht in de publieke ruimte erkennen de tendens dat overlast zich verplaatst en dat bij verplaatsingseffecten vast cameratoezicht als toezichtinstrument tekort schiet”.

De regering benadrukt verder dat camera’s alleen kunnen worden ingezet ter handhaving van de openbare orde, maar dat dit niet wil zeggen dat er op voorhand al sprake moet zijn van een verstoring van de openbare orde of een concrete dreiging daarvan: “Onder handhaving van de openbare orde door de burgemeester valt immers ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving”.

 

Doel van het cameratoezicht

Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.

 

Kenbaarheid

In artikel 151c, vierde lid, van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden gesteld van de precieze opnametijden.

In artikel 441b van het WvSr is de niet-kenbare toepassing van cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete van € 4.500.

 

Tweede lid

De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid, van de Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wom vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde.

 

 

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

 

Vanwege de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche die waarschijnlijk op korte termijn in werking zal treden komt de regio Limburg Noord met een voorstel om Hoofdstuk 3 in de Apv aan te passen. Gezien de verwachte wijziging is over hoofdstuk 3 geen toelichting in de Apv opgenomen. Zodra de regio komt met een voorstel zal hoofdstuk 3 in de Apv worden aangepast en een toelichting worden geschreven.

 

 

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

 

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

 

Artikel 4:1 Definities

Activiteitenbesluit milieubeheer

Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

 

 

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Eerste lid

De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties.

 

Op grond van artikel 4:2 Apv 2013 werd door het college collectieve festiviteiten aangewezen waar een hoger geluidsniveau was toegestaan binnen een inrichting voor bepaalde perioden. Omdat al sinds 2010 dezelfde festiviteiten met de daarbij behorende perioden zijn aangewezen, zijn in artikel 4:2 Apv 2017 deze collectieve festiviteiten opgenomen. Op deze manier ontstaat meer duidelijkheid voor de burger, de ondernemer, maar ook voor een toezichthouder. Daarnaast hoeft niet meer ieder jaar door het college een nieuw aanwijzingsbesluit te worden genomen.

 

Derde tot en met het zevende lid

In tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel a. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder.

De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau, het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften. De keuze om bepaalde voorschriften wel of juist niet op te nemen in de Apv is afhankelijk van de lokale situatie en bestuurlijke prioriteiten. Wanneer er veel (horeca- of andere) inrichtingen dicht bij geluidgevoelige bestemmingen zoals woonwijken liggen kan het wenselijk zijn om beperkende voorwaarden op te nemen. Anderzijds kan ook gekozen worden om bedrijven meer geluidsruimte te geven en (net als onder het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer) geen voorwaarden in de Apv op te nemen. Daarbij is het wel zo dat voortaan de regeling voor collectieve festiviteiten geldt voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit en niet alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen.

In het derde lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.

Voor de hoogte van het geluidsniveau in het vijfde lid wordt bij het Besluit een suggestie gedaan van 10 of 20 dB(A) hoger dan de reguliere norm.

In het zesde lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn. Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm geldt. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan te passen (zie ook artikel 4:4). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de geluidsnorm.

Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zesde lid de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continubedrijven. Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode. Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid niet toegestaan.

 

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

Eerste lid

De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. Op grond van het onderhavige artikel heeft de gemeenteraad bepaald dat er 6 incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van 12 incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met de vorige regeling voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Wat wel verandert is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).

 

Tweede lid

Voor het buitenpodium in Thorn zijn maximaal 12 incidentele festiviteiten toegestaan. Verder is een regel opgenomen om “rustige weekenden” voor de omgeving van het buitenpodium Thorn in te lassen.

 

Derde lid

Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.

Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113 tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.

 

Vierde tot en met het elfde lid

In tegenstelling tot het oude besluit horeca-. sport en recreatie-inrichtingen biedt het Besluit gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2 APV, zesde tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit in plaats van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder het oude besluit.

 

Artikel 4:4 Onversterkte muziek

Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de Apv. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald.

Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften vaststellen. Er kan op basis van artikel 2.20 en 2.17 (en dus indirect artikel 2.18) voor gekozen worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek. Deze kunnen dan mogelijk wel afwijken van hetgeen in de Apv wordt gesteld. Dit kan verwarrend zijn voor bedrijven die meer of minder geluid mogen produceren bij versterkte (maatwerkvoorschriften) dan bij onversterkte muziek (Apv). Om de geluidsnormen voor versterkte muziek gelijk te kunnen maken aan onversterkte muziek, is dit artikel op genomen.

 

Derde lid

De regels over onversterkte muziek zijn bij het “buitenpodium Thorn” alleen van toepassing op maximaal 14 dagen of dagdelen per kalenderjaar. Als geen gebruik wordt gemaakt van het aantal maximale incidentele dagen, zoals bedoeld in artikel 4:3, tweede lid, dan mag dit worden aangevuld met activiteiten van onversterkte muziek zoals bedoeld in dit artikel. Het totaal van deze dagen of dagdelen mag echter niet meer bedragen dan 26. Het maximum van 26 is gebaseerd op het evenementenbeleid van de gemeente Maasgouw van d.d. 22 augustus 2013. In dit beleid is vastgelegd dat het aantal evenementendagen bij het “buitenpodium Thorn” niet meer dan 26 mag bedragen. De collectieve dagen zoals genoemd in artikel 4:2 vallen hier buiten.

 

Artikel 4:5 Overige geluidhinder

Eerste lid

Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.

 

Artikel 4:5 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien.

Onder andere valt te denken aan:

  • een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;

  • het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen;

  • het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;

  • het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;

  • het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen;

  • het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz;

  • overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.

Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.

 

Tweede lid

Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk.

 

Derde lid

In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3.

De Omgevingsverordening Limburg is toegevoegd in dit lid. In een Omgevingsverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij de Omgevingsverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De Omgevingsverordening Limburg gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.

Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de Apv van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.

 

 

Artikel 4:6 (Geluid)hinder door dieren

Zie de toelichting bij artikel 4:5.

 

 

Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

 

Artikel 4:7 Natuurlijke behoefte doen

Doorgaans beter bekend onder de naam “wildplassen”. De mogelijkheid bestaat om in de Apv op te nemen om ook buiten de bebouwde kom plaatsen aan te wijzen waar wildplassen is verboden, bijvoorbeeld bij veelbezochte parkeerterreinen en picknickplaatsen, vanwege de daar ondervonden overlast. Binnen de gemeente Maasgouw is hiervoor niet gekozen.

 

Artikel 4:8 Toestand van sloten, andere wateren, niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de Apv besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt. mr. J.M.H.F. Teunissen.

 

Artikel 4:8a Verbod oplaten ballonnen

Het oplaten van ballonnen staat maatschappelijk al enige jaren ter discussie. Met name het oplaten van grote aantallen ballonnen bij publieke bijeenkomsten en feestelijkheden. De ballonnen en bijbehorende restanten (linten, ijzerdraad, touwtjes , et cetera) komen onvermijdelijk, op enig moment, weer naar beneden met als gevolg: zwerfvuil, overlast, milieuverontreiniging, dierenleed en brandgevaar. Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in het water zwerfafval en schade aan het milieu. Het richt bovendien schade aan bij verschillende dieren, zoals vogels en vissen. Dieren raken erin verstrikt of zien de ballonnen aan voor voedsel en stikken erin. Daarnaast zorgen sommige ballonnen (ook wel Thaise ballon, gelukballon of sky lantern genoemd), die met een brandstofbron zijn uitgerust, een veiligheidsrisico wegens brandgevaar.

 

Met dit verbod willen de gemeente Maasgouw bewustwording creëren over dat het oplaten van ballonnen voor de leefomgeving een negatief effect kan hebben. Het duurt bijvoorbeeld jaren voordat neergekomen ballonnen vergaan, plastic ventieltjes en lintjes, vergaan niet, dieren kunnen verstrikt raken en/of eten soms ballonresten op. Dit geldt ook voor de zogenaamde 100 procent biologisch afbreekbare ballonnen, omdat de gunstige condities van afbraak vrijwel niet aanwezig zijn.

 

 

Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

 

Artikel 4:9 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.

Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.

 

Binnen de gemeente Maasgouw bestond behoefte om duidelijke regels te hanteren bij het opslaan, plaatsen of aanwezig hebben van landbouwplastic op locaties buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen.

 

Gezien het bovenstaande is in artikel 4:9, eerste lid aanhef en onder b Apv 2020 toegevoegd dat:

 

“het verboden is buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel het voorkomen van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen dan wel aanwezig te hebben:

  • landbouwplastic op alle percelen, zowel binnen als buiten de bebouwde kom”.

 

Op grond van artikel 4:9, derde lid Apv 2020 heeft het college de bevoegdheid om in nadere regels te bepalen wanneer het bovengenoemde verbod niet geldt. Op grond hiervan is in de “Nadere regels landbouwplastic Maasgouw 2020” geregeld in welke gevallen het verbod niet geldt. In deze regels is dus opgenomen waaraan moet worden voldaan bij het opslaan, plaatsen of aanwezig hebben van landbouwplastic buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen.

 

 

Artikel 4:10 Reclameverbod en nadere regels

Het oude vergunningsplichtige 4:14 APV 2013 is geschrapt. In dit artikel was o. a. geregeld dat: “het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is”. In de plaats daarvoor is in artikel 4:10 Apv een verbodsbepaling voor het maken van reclame opgenomen. Op grond van dit artikel heeft het college de bevoegdheid om in nadere regels vast te stellen wanneer dit verbod niet geldt. Dit betreft de “Nadere regels reclame” Door de “Nadere regels reclame” is er geen Apv vergunning meer nodig voor het maken van reclame.

Ook is het oude artikel 4:11 Apv 2016 (handhaving reclame) verwijderd. De bevoegdheid om handhavend op te treden vloeit namelijk al voort uit de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht.

Verder is het oude artikel 5:7 APV 2013 (parkeren reclamevoertuigen) verwijderd. Dit is nu geregeld in de “Nadere regels reclame”.

 

Artikel 4:11 Handhaving reclame

Vervallen.

Zie de toelichting bij artikel 4:10.

 

 

Afdeling 4 Kamperen buiten kampeerterreinen

 

Algemene toelichting

Met de intrekking van de Wet op de openluchtrecreatie (WOR) per 1 januari 2008 heeft de Rijksoverheid bedoeld een nogal omslachtig stuk regelgeving te dereguleren. De VNG heeft daarop geadviseerd in de Apv drie artikelen op te nemen. Daarmee wordt de ruimte die gemeenten met de intrekking van de wet is geboden op een lastenarme manier ingevuld. Zie voor verdere informatie Ledenbrief Lbr. 05/128 en Ledenbrief Lbr.07/125. Voor de manier waarop een gemeente haar kampeer- en recreatiebeleid kan vormgeven zie de VNG-publicatie in de groene reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.

 

Artikel 4:12 Definities

In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.

 

Artikel 4:13 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.

 

Om het vissend overnachten aan het water, waarbij gebruik wordt gemaakt van visparaplu’s of karpertentjes, duidelijk en uniform te regelen is dit artikel gewijzigd. Door deze wijziging hoeft geen een ontheffing meer te worden verleend.

 

 

Artikel 4:14 Aanwijzing kampeerplaatsen

Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.

 

Afdeling 5 Bescherming van flora en fauna

 

Artikel 4:15 Bescherming paddenstoelen

Paddenstoelen worden niet beschermd door de Flora- en Faunawet. Om te voorkomen dat in natuurgebieden diverse, veelal eetbare, paddenstoelen worden geplukt is in de bescherming hiervan in de Apv 2020 voorzien.

 

 

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

 

Afdeling 1 Parkeerexcessen

 

Artikel 5:1 Definities

Vervallen. Dit is nu opgenomen in artikel 1:1.

 

Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke

Eerste lid

Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.

 

Tweede lid

Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.

 

Derde lid, onder a

Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).

Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.

De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen. De gemeente Maasgouw hanteert hierbij een straal van 25 meter.

 

Derde lid, onder b

Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.

 

Vierde lid

Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.

 

Vijfde lid

Gezien de mogelijke milieugevolgen lijkt een lex silencio positivo hier niet bijzonder wenselijk. Daarom is in het vijfde lid opgenomen dat een lex silencio positivo hier niet van toepassing is.

 

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.

Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd.

 

Derde lid

Dit artikel dient om te kunnen optreden tegen geïmproviseerde kleine automarkten op de openbare weg. Gezien de overlast die daarmee gepaard kan gaan is het niet wenselijk om hier een lex silencio positivo toe te passen.

 

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen.

 

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers.

Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.

 

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen

Eerste lid, onder a

Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.

Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg, vaak juist ook in woonwijken, is ervoor gekozen om de redactie van de bepaling in het eerste lid onder a stringenter te redigeren en direct voor de gehele gemeente van toepassing te verklaren.

 

Eerste lid, onder b

Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994).

Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.

 

Derde lid

Het motief voor een aanwijzingsbesluit is doorgaans dat een toch al beperkte parkeerruimte door caravans e.d. overbelast zou raken. In die situatie zou het onwenselijk zijn dat een ontheffing zou ontstaan als er een beslistermijn wordt overschreden. Om die reden is van een lex silencio positivo afgezien.

 

Artikel 5:7 Grote voertuigen

Algemeen

In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd.

 

Eerste lid

Door deze bepaling wordt aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen gegaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.

Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van een “parkeerexces”.

Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.

Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.

 

Tweede lid

In het tweede lid zijn de wegen en weggedeelten opgenomen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet van toepassing is.

 

Derde lid

Dit lid kent aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste lid omschreven verboden een ontheffing te verlenen.

Aldus kan worden voorkomen dat de werking van dit verbod zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.

Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.

Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik dienen te worden gemaakt:

  • voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk worden geparkeerd;

Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het gaat om bij voorbeeld:

  • rijdende winkels;

  • wagens van kermisexploitanten;

  • wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het wegverkeer terstond moeten kunnen “uitrukken” (sleepwagens e.d.);

  • voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de parkeerplaats moeten worden gesteld.

Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.

 

Vierde lid

In dit geval is ervoor gekozen geen lex silencio positivo op te nemen.

 

Artikel 5:8 Uitzicht belemmerende voertuigen

Eerste lid

Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.

Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.

 

Tweede lid

De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van) "hoogwerkers", meetwagens e.d.

Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren.

 

Artikel 5:9 Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen

Vervallen

 

Artikel 5:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Eerste lid

Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.

Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.

Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk” parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare beplantingen enz. wordt verboden.

Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990 met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm. Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de berm wel is toegestaan.

Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in artikel 5:10 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2:35.

Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.

Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen.

Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid veroorzaakt.

Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht met zich mee brengen.

 

Tweede lid

Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.

 

 

Artikel 5:11 Overlast van fietsen of bromfietsen

In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.

Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.

Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.

Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.

 

 

Afdeling 2. Collecteren

 

Artikel 5:12 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

In artikel 5:12 Apv 2016 was opgenomen dat het verboden was om te collecteren zonder vergunning van het college. Om de burger, ondernemer en de ambtelijke organisatie te ontlasten is deze vergunningplicht in de Apv vervangen door nadere regels. Door gebruik te maken van de “Nadere regels collecteren” vervalt de vergunningplicht. Daarnaast zijn de regels over collecteren nu zodanig geformuleerd zodat daar ook huis- aan huis acties en leden- of donateur wervingsacties onder vallen.

 

Afdeling 3. Venten

 

Artikel 5:13 Definities

Omschreven is wat onder venten wordt verstaan. Dit is van belang omdat het uitoefenen van de ambulante handel (het venten) onderscheiden moet worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.

Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt

Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.

 

Artikel 5:14 Ventverbod

Bij eerdere deregulering is de ventvergunning geschrapt en vervangen door een algemene regel op grond waarvan het verboden is om te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de

volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. In het tweede lid is vervolgens opgenomen op welke dagen en tijdstippen niet mag worden gevent. Het afschaffen van de vergunningplicht en het vervangen door een algemene regel is destijds mede opgenomen met het oog op de invoering van de Europese Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet.

 

Artikel 5:15 Vrijheid van meningsuiting

Vervallen

In dit artikel werd een uitzondering gemaakt voor het venten met gedrukte stukken. Bij een stelsel met een ventvergunning is dat noodzakelijk, omdat op grond van artikel 7 van de Grondwet geen vergunning mag worden geëist voor het gebruik maken van een zelfstandig middel van bekendmaking. Bij de huidige redactie van artikel 5:14 is zo’n artikel overbodig.

 

Afdeling 4. Standplaatsen

 

Artikel 5:16 Definities

Artikel 5:16 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen. Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet.

 

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze zijn in de Marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is ook opgenomen, omdat er binnen de gemeente Maasgouw ook snuffelmarkten worden gehouden in de open lucht.

Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:12 en 2:13 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.

 

Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

Algemeen

De gemeente Maasgouw acht een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5).

 

Vergunningsvoorschriften

Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel.

Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:

  • het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode geen standplaats is ingenomen;

  • de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen zijn;

  • de grootte van de standplaats;

  • de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden;

  • het uiterlijk aanzien van de standplaats; tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats; eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid; opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie.

 

 

Tweede lid Bestemmingsplan

De bepalingen in Apv met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien.

Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.

 

Derde lid, onder a Redelijke eisen van welstand

De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.

 

Derde lid onder b Redelijk verzorgingsniveau

In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.

De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.

 

Vierde lid Nadere regels door het college

In 2008 is door de gemeenteraad het vent- en standplaatsenbeleid vastgesteld. In het kader van de deregulering werd de standplaatsvergunning in beginsel voor onbepaalde tijd verleend op grond van artikel 1:7 Apv. Als er toch een termijn aan een standplaatsvergunning werd verbonden moest dit met motivering geschieden, in het belang van onder meer de openbare orde, overlast, verkeersveiligheid en milieu. Op basis van het standplaatsenbeleid Maasgouw 2008 was het uitgangspunt dat een standplaatsvergunning in beginsel voor één jaar werd verleend met een mogelijkheid tot verlenging. Bij de wijziging van de Apv in 2016 is door het college met instemming van de gemeenteraad besloten om de standplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd te verlenen.

 

Vanwege recente ontwikkelingen en omdat in het vent- en standplaatsenbeleid uit 2008 nog wordt verwezen naar oude bepalingen is het oude beleid geactualiseerd. Hierbij is het oude beleid omgeschreven naar nadere regels. Hierbij zijn de volgende ontwikkelingen van belang:

 

geen vergunningen meer voor onbepaalde tijd

De standplaatsvergunningen vallen onder de Europese Dienstenrichtlijn, een richtlijn die er op gericht is dat ondernemers makkelijker hun diensten kunnen aanbieden in Europa. Volgens deze Dienstenrichtlijn worden standplaatsvergunningen gezien als schaarse besluiten/vergunningen. Deze schaarse besluiten/vergunningen mogen niet meer voor onbepaalde tijd worden verleend.

Schaarse besluiten/vergunningen sluiten bij de vergunningverlening namelijk degenen uit aan wie daardoor geen vergunning kan worden verleend. Hierdoor worden de onderlinge kansen van (potentiële) aanvragers om een vergunningplichtige activiteit te verrichten beperkt. Het speelveld van de mededinging komt dan aan de orde. Volgens de Dienstenrichtlijn mag de looptijd van een vergunning niet meer buitensporig lang zijn. De duur zou volgens de overwegingen in deze Dienstenrichtlijn niet langer mogen zijn dan nodig is met het oog op de afschrijving van investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal. Vandaar dat een termijn van vijf jaar wordt gehanteerd vanaf de inwerkingtreding van de nadere regels. Dit betekent dus dat voor standplaatsen waarvoor vanaf inwerkingtreding van de nadere regels een standplaatsvergunning wordt verleend, vijf jaar geldig zijn.

 

hanteren duidelijke toebedelingsprocedure

Volgens Europese en landelijke juridische uitspraken dient de gemeente transparante regels te hebben waaraan de gemeente bij de verdeling van schaarse vergunningen voldoet. Het gaat vooral om transparantieverplichtingen bij de verdeling en verlening van schaarse vergunningen, die waarborgen dat de aanvragers gelijke kansen hebben om mee te dingen naar schaarse vergunningen. Deze vereiste transparantie is nog geen vaste praktijk.

Volgens het standplaatsenbeleid 2008 werd uitgegaan van een verdeelsysteem op grond van aanvraag en op grond van een eventuele wachtlijst. Na de inwerkingtreding van de nadere regels werden standplaatsvergunningen die in 2017 eindigden niet meer automatisch via aanvraag of via een wachtlijst afgegeven. De vrijgekomen vergunningen worden openbaar kenbaar gemaakt via een advertentie in het plaatselijke huis-aan-huis blad en in het Gemeenteblad. Liefhebbers voor de standplaats kunnen zich vervolgens inschrijven voor de vrijkomende standplaats(en) voor een bij publicatie nader te bepalen datum. Bij meer dan een gegadigde voor een standplaatsvergunning op een bepaalde locatie wordt via loting door aanwezigheid van minimaal twee ambtenaren, de standplaats toegewezen. Van de loting wordt achteraf een verslag gemaakt.

 

Gezien het bovenstaande zijn de regels voor het innemen van een standplaats zodanig gewijzigd, zodat er geen standplaatsvergunningen meer voor onbepaalde tijd worden verleend en een duidelijke toebedelingsprocedure wordt gehanteerd.

 

Venten

In de nadere regels is overigens niets meer opgenomen over venten. In de artikelen 5:13 en 5:14 Apv is dit namelijk afdoende geregeld.

 

Artikel 5:18 Toestemming rechthebbende

Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.

 

Artikel 5:19 Afbakeningsbepalingen

Wet milieubeheer

In de Wet milieubeheer wordt onder andere een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang is de Afvalstoffenverordening.

 

 

Afdeling 5. Snuffelmarkten

 

Artikel 5:20 Definities

Vervallen. Snuffelmarkt valt nu onder het begrip evenement. Zie artikel 2:12.

 

Artikel 5:21 Organiseren van een snuffelmarkt

 

Dit artikel is vervallen. Dit valt nu onder het begrip evenement. Zie artikel 2:12. In de Apv 2017 was een apart artikel opgenomen voor het organiseren van een snuffelmarkt. Op grond van de APV 2017 kon worden volstaan met een melding. De snuffelmarkt is nu ondergebracht bij het artikel over evenementen zodat geen onnodige tekst in de Apv 2020 is opgenomen.

 

 

Afdeling 6 Openbaar water

 

Artikel 5:22 tot en met 5:46

Deze afdeling is in 2017 geactualiseerd en meer afgestemd op de situatie in Maasgouw. Zo zijn de begripsomschrijvingen verbeterd, is er een logische indeling gemaakt en zijn de bepalingen afgestemd op overige lokale regelgeving. Er is onder andere bekeken of de Apv en de Woonschepenverordening elkaar niet “bijten”. Ook zijn oude aanwijzingsbesluiten opgenomen in de afdeling. Een voorbeeld hiervan is het oude aanwijzingsbesluit waarin steigers werden aangewezen waar rondvaartboten mochten aanmeren. Om het voor de burgers makkelijker en overzichtelijker te maken, maar ook vanwege efficiency redenen, zijn in artikel 5:36, tweede lid Apv de destijds aangewezen locaties opgenomen. Om het voor feestboten en riviercruises ook mogelijk te maken om aan te meren zijn in de Apv niet alleen de locaties aangewezen voor rondvaartboten, maar ook voor overige passagiersvaartuigen.

 

 

Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

 

Artikel 5:47 Definities

Deze bepaling spreekt voor zich.

 

Artikel 5:48 Crossterreinen

De regeling in de Apv is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.

In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn afgebakend.

Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of de deelnemers.

In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekert tegen ongevallen c.q. aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging er - ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.

 

Artikel 5:49 Beperking verkeer in natuurgebieden

Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder, schade aan de flora, verstoring van wild e.d.

Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.

Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe speciaal gebruikte motorterreinen.

Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:49 Apv van toepassing.

De redactie van artikel 5:49 is aangepast overeenkomstig het systeem van artikel 5:48. Op grond van het eerste lid van artikel 5:49 geldt een algeheel verbod om zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze terreinen.

 

 

Afdeling 8. Vuurverbod

 

Artikel 5:50 Verbod verbranden afvalstoffen buiten inrichtingen of anderszins vuur stoken

De aanvullende werking van artikel 5:50

Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische argumenten.

Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het belang van het milieu. Artikel 5:50 vult daarom voor wat betreft deze aspecten de Wet milieubeheer aan.

Voor artikel 5:50 Apv betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:50, tweede lid, Apv biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de Apv dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in vierde lid.

 

Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en de ontheffing op grond van artikel 5:50, tweede lid, Apv worden gecombineerd tot één te verlenen ontheffing?

Er is een aantal redenen om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders. Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag in hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt, indien bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar daarmee impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is ook de strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (Wed), terwijl overtreding van artikel 5:50 strafbaar wordt gesteld op grond van artikel 154 Gemeentewet.

Het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet) pleit ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.

 

Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op grond van artikel 5:50 Apv ?

Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel 5:50 Apv . Dit volgt uit het systeem van de wet. Een ontheffing op grond van artikel 5:50 Apv kan in dit geval namelijk nooit worden verleend wegens strijd met de Wet milieubeheer. De aanvraag voor een ontheffing op grond van artikel 5:50 Apv hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen. De grondslag hiervoor is artikel 4:5 Awb.

 

Uitzonderingen artikel 5:50 Apv

In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De aanhef van het tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.

De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1 regelt namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).

Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wet milieubeheer en de Apv helder, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Daar waar de Wet milieubeheer of hierop gebaseerde regels of voorschriften in een onderwerp voorzien, is geen ruimte voor de Apv.

Aan het tweede lid is tevens onderdeel d toegevoegd. Hierdoor wordt geregeld dat het verbod in het eerste lid niet van toepassing is op “Sint Maartensvuren, mits wordt voldaan aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals opgenomen in de “Nadere regels evenementen” en de voorschriften zoals opgenomen in de verleende ontheffing op grond van artikel 10.2 en 10.63 Wet Milieubeheer”. Hierdoor is er geen Apv- ontheffing meer nodig voor Sint Maartensvuren.

 

 

Afdeling 9 Verstrooiing van as

 

Artikel 5:51 Definities

Volgens de Wet op de lijkbezorging kunnen verstrooiingen door of op last van de houder van een crematorium of de houder van een plaats van bijzetting alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd. Ook blijft de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt. Zie verder voor een uitgebreide toelichting Ledenbrief 97/232 omtrent het verstrooien van crematie as.

 

Artikel 5:52 Verboden plaatsen

As verstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die as verstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.

Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent voor as verstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor as verstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.

De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder “volgende plaatsen” kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen het openbare water of delen daarvan.

Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.

 

Vierde lid

Dit soort ontheffingen zijn zeldzaam en er zijn doorgaans emoties van nabestaanden in het geding. Het is daarom mogelijk en wenselijk dat er snel en tijdig wordt beslist. Om die reden is ervoor gekozen hier wel een lex silencio positivo op te nemen.

 

Artikel 5:53 Hinder of overlast

Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten.

Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.

Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.

Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging van 26 maart 1998 af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van as verstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.

 

 

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

 

Artikel 6:1 Strafbepaling

Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel 23, tweede lid, WvSr).

De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de Apv ook worden gekozen voor een enkele strafmaat. Deze keuze is binnen de gemeente Maasgouw gemaakt.

 

Artikel 6:2 Toezichthouders

In de oude APV was opgenomen dat met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van ons dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Op grond van deze regeling moesten bij elke wijziging en bij het verlopen van een aanwijzingsbesluit de toezichthouders opnieuw worden aangewezen. Om te voorkomen dat telkens nieuwe aanwijzingsbesluiten moeten worden genomen zijn de toezichthouders in de Apv aangewezen. In de Apv zijn niet alleen de boa’s en de handhavers van de MER Omgevingsdienst aangewezen, maar bijvoorbeeld ook de medewerkers van de groene brigade en de toezichthouders van de provincie. Het voordeel is tevens dat in geval van samenwerking alle partijen bevoegd zijn om handhavend op te treden.

 

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Algemeen

Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de Apv bepaalde plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Algemene wet bestuursrecht is deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend voor alle plaatsen, met uitzondering van het binnen treden van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde ‘huisrecht’ regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel de, zij het wat beperktere, vormvoorschriften van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi).

 

De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie elementen:

1. de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn verleend;

2. de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet te worden aangewezen, en

3. er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.

 

Wettelijke grondslag bevoegdheid

Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In dit artikel wordt gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.

Voor enkele bepalingen in de Apv wordt de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Het betreft artikel 2:67 en 2:68 en de op artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht gebaseerde gemeentelijke helingvoorschriften. Artikel 552 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren en de ambtenaren die krachtens artikel 142 zijn belast met de opsporing van de bij de artikelen 437, 437bis of 437ter van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde feiten, toegang hebben tot elke plaats hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij wordt gebruikt door een handelaar als bedoeld in laatstgenoemde artikelen. Artikel 90bis van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.

 

Vormvoorschriften

In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning wil betreden in acht moet nemen. Hij dient:

- zich te legitimeren (artikel 1);

- mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1);

- te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2);

- verslag te maken van het binnentreden (artikel 10).

De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner. De artikelen 2 tot en met 11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming van de bewoner wordt binnengetreden.

Degene die binnentreedt, dient te beschikken over een machtiging. In deze machtiging is aangegeven in welke woning binnengetreden kan worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een machtiging voor één woning. Zo nodig kunnen in de machtiging echter maximaal drie andere afzonderlijk te noemen woningen worden opgenomen (zie de Regeling vaststelling model machtiging tot binnentreden (http://wetten.overheid.nl/BWBR0018484), voor een model voor de machtiging).

In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld bij woningontruimingen). De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden gemandateerd.

In artikel 5:27 van de Algemene wet bestuursrecht is voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar, naast de in de Awbi genoemde functionarissen, bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een college dat bestuursdwang wil uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet afgeven.

Artikel 2, derde lid, van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te treden. Dit is het geval in situaties waarbij ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik zou kunnen maken. Men kan ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden aangetast, zoals bij de ontdekking op heterdaad van een inbraak in de woning. Als de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen, is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond op te treden en is binnentreden zonder toestemming én zonder machtiging gerechtvaardigd.

 

Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft ook bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden.

Van binnentreden zonder toestemming van de bewoner dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10 van de Awbi, zie de circulaire van het Ministerie van Justitie van 15 augustus 1994, 452425/294 voor een voorbeeldverslag).

 

Artikel 6:4 Intrekking oude verordening

In artikel 6:4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt.

 

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening.

Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc).

Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).

 

Artikel 6:6 Inwerkingtreding

Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is aangewezen. In de Apv 2020 is gekozen om een met name genoemde datum te kiezen, in dit geval 1 januari 2021. Dit met uitzondering van artikel 2:54a dat de dag na bekendmaking in werking treedt.

De Apv is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet).

 

Artikel 6:7 Citeertitel

Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig aanbeveling 75 van de “100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever” (VNG, tweede, uitgebreide editie 2015 – bewerking april 2016). In het geval van Maasgouw is ook nog de gemeentenaam en het jaartal toegevoegd.

 

 

Bijlage 1 Coffeeshopbeleid Maasgouw 2012

 

Samenvatting 

Deze notitie gaat in op het beleid zoals dat wordt gevoerd door het Openbaar Ministerie (OM) en de politie, en geeft weer welk beleid ten aanzien van vestiging van coffeeshops in de gemeente Maasgouw wordt gevoerd.

   

Te benoemen als aanleiding voor deze nota zijn:

 

  • 1.

    Binnen Maasgouw is de exploitatie van een coffeeshop niet toegestaan. Het onderliggende (nul)beleid ontbreekt echter. Handhavend optreden is eenvoudiger wanneer beleidsregels zijn opgesteld;

  • 2.

    Indien de ‘Wietpas’ of ‘clubpas’ wordt geïntroduceerd dan zijn de gevolgen voor de omliggende gemeenten moeilijk in te schatten. Met de vaststelling van het voorliggende nulbeleid kan in voorkomende gevallen duidelijker op een aanvraag worden gereageerd;

  • 3.

    Het nulbeleid voor coffeeshops sluit aan bij het preventief alcohol- en drugsbeleid van de gemeente Maasgouw.  

In deze nota wordt de koers van het huidige coffeeshopbeleid in Maasgouw niet gewijzigd: het exploiteren van een coffeeshop is en blijft in Maasgouw niet mogelijk. Dit standpunt is bij besluit van 27 mei 2008 overgenomen van de voormalige gemeenten Thorn, Heel en Maasbracht. Tot op heden is deze afspraak echter nog niet in een beleid vastgelegd. Wanneer een dergelijke afspraak wel in beleid wordt omgevormd, wordt dit nulbeleid genoemd.

 

Met een nulbeleid is de vestiging van een coffeeshop in Maasgouw onder geen enkele voorwaarde mogelijk. Wanneer zich in de gemeente tóch een verkooppunt van cannabis wil vestigen kan er eenvoudiger handhavend worden opgetreden. Deze nota beperkt zich tot de exploitatie van coffeeshops en daarmee samenhangend beleid. Deze nota gaat niet in op de teelt van hennep.

 

Het voornaamste doel van het nulbeleid voor coffeeshops is de bescherming van de openbare orde en veiligheid, leefbaarheid en publieke gezondheid. Het nulbeleid past bij het karakter en het beleid van de gemeente Maasgouw.

 

Inleiding 

In feite is het in Nederland wettelijk niet toegestaan om softdrugs te produceren of te verhandelen. De wet verbiedt het nog steeds. Er bestaan echter landelijke richtlijnen (uitgevaardigd door het College van Procureurs-generaal) over de wijze waarop de wet dient te worden nageleefd.

   

Het huidige kabinet wil een strenger gedoogbeleid: coffeeshops moeten besloten clubs worden, die alleen toegankelijk zijn met een clubpas. Binnen een afstand van 350 meter van scholen mogen zich geen coffeeshops bevinden. Handel in drugs zal zwaarder bestraft worden. Ook wil het kabinet wiet met een gehalte van 15% THC of meer op de lijst van de harddrugs plaatsen.

   

In een brief van 26 oktober 2011 gaat de minister van Veiligheid en Justitie, mede namens de minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport, nader in op de voorgenomen aanscherping van de landelijke kaders van het nieuwe coffeeshopbeleid en de bijbehorende verantwoordelijkheden.

 

In deze brief is opgenomen dat:

 

  • 1.

    het kabinet staat voor een daadkrachtige aanpak van drugsgerelateerde overlast en (georganiseerde) criminaliteit;

  • 2.

    Er zal een einde worden gemaakt aan het huidige “open-deur-beleid”;

  • 3.

    Coffeeshops moeten kleiner en meer beheersbaar worden gemaakt;

  • 4.

    De aantrekkingskracht van het Nederlandse drugsbeleid op gebruikers uit het buitenland moet worden teruggedrongen;

  • 5.

    Middelengebruik van minderjarigen wordt sterk tegengegaan en met name kwetsbare jongeren worden beschermd tegen drugsgebruik.  

De handhaving van het aangescherpte beleid zal gefaseerd van kracht worden. De data worden bepaald door de noodzakelijkheid om gemeenten en coffeeshopexploitanten in staat te stellen zich voor te bereiden.

 

  • 1.

    Per 1 mei 2012 zullen in de gemeenten van de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland het Besloten-club- en het Ingezetenencriterium worden ingevoerd, met uitzondering van het maximumaantal leden van 2000. Het staat de gemeenten in de andere provincies vrij deze criteria ook al toe te passen;

  • 2.

    Per 1 januari 2013 wordt het maximumaantal van 2000 leden van kracht;

  • 3.

    Per 1 januari 2013 zullen het B- en I-criterium volledig in het hele land gelden;

  • 4.

    Per 1 januari 2014 wordt het Afstandscriterium van kracht.  

Met het oog op bovengenoemde aanscherping van het coffeeshopbeleid is de Aanwijzing Opiumwet per 1 januari 2012 gewijzigd. Het kabinet heeft aangegeven de lokale, regionale en landelijke (neven)effecten van het nieuwe coffeeshopbeleid scherp te zullen volgen.

   

Binnen Maasgouw zijn de ontwikkelingen nauwgezet gevolgd wat uiteindelijk heeft geleid tot het opstellen van het voorliggend coffeeshopbeleid.

 

Hoofdstuk 1. Nederlands drugsbeleid 

Ongeveer zeventig procent van de gemeenten in Nederland heeft een nulbeleid en gedoogt dus geen coffeeshops. In Nederland staat het drugsbeleid sterk in de maatschappelijke belangstelling. Het Nederlandse drugsbeleid steunt op drie pijlers:

  • 1.

    Bescherming van de (volks)gezondheid;

  • 2.

    Tegengaan van overlast;

  • 3.

    Bestrijding van de (drugs)criminaliteit.

 

Begripsomschrijving:

Een ‘coffeeshop’ is een alcoholvrije horecagelegenheid waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt.

    

Het drugsbeleid in Nederland richt zich op het voorkomen en beperken van de risico's van drugsgebruik voor de gebruiker, voor zijn directe omgeving en voor de samenleving. Vanuit deze benadering is een onderscheid gemaakt tussen drugs met onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid en drugs waarvan de risico’s minder groot worden geacht, kortweg het onderscheid in harddrugs en softdrugs.

 

De scheiding in beleid op inhoudelijke gronden tussen soft- en harddrugs beoogt tevens de markten te scheiden. De Opiumwet richt zich op de bescherming van de volksgezondheid en verbiedt het bezit, de handel, de verkoop, het vervoer en het vervaardigen van de onder deze wet vallende middelen.

   

Onder deze middelen vallen:

 

  • harddrugs (Lijst I: o.a. cocaïne, heroïne, LSD en amfetaminen). Voor harddrugs worden landelijk, door middel van een krachtige strafrechtelijke aanpak van de handel, de drempels voor het gebruik van harddrugs zo hoog mogelijk gehouden;

  • softdrugs (Lijst II: o.a. de cannabisproducten als hasj en marihuana).Toezicht en handhaving van de Opiumwet is primair een zaak van politie en justitie. Doelstelling van dit beleid van het OM is het aantal gelegenheden van waaruit softdrugs worden verkocht, te beperken. Verkoop van softdrugs in winkels, afhaalcentra, via koeriersbedrijven en 06-lijnen is niet toegestaan.  

AHOJG-BIA criteria

 

Ten aanzien van de softdrugs wordt een landelijk gedoogbeleid gevoerd. Dat wil zeggen dat coffeeshops weliswaar illegaal zijn, maar oogluikend worden toegestaan. Uit richtlijnen van de Procureurs-Generaal blijkt dat er tegen coffeeshops niet strafrechtelijk wordt opgetreden als er geen gecombineerde verkoop van alcohol en softdrugs plaatsvindt. Daarnaast moeten de zogenaamde AHOJG-BIA criteria worden nageleefd. Deze criteria staan voor:

  • A: geen affichering. Dit betekent geen reclame anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit;

  • H: geen harddrugs. Dit betekent dat geen harddrugs voorhanden mogen zijn en/of verkocht worden;

  • O: geen overlast. Onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast rond de coffeeshop, geluidshinder, vervuiling en/of voor nabij de coffeeshop rondhangende klanten;

  • J: geen verkoop aan en toegang van jeugdigen tot een coffeeshop. Gelet op de toename van het cannabisgebruik onder jongeren is gekozen voor een strikte handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar;

  • G: geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie, dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder ‘transactie’ wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op een zelfde dag door een zelfde koper. Daarnaast mag de handelsvoorraad in een coffeeshop niet groter zijn dan 500 gram;

  • B: Besloten club; toegang kan uitsluitend worden verleend en verkocht mag worden aan leden van de coffeeshop, waarbij bepaald is dat de coffeeshop in één kalenderjaar maximaal tweeduizend lidmaatschappen mag uitgeven en dit documenteert in de vorm van een controleerbare ledenlijst. De coffeeshop mag ten allen tijde maximaal 2000 leden hebben. Per 1 januari 2013 wordt dit maximum aantal van kracht;

  • I: Ingezetenen; lidmaatschap voor de coffeeshop is uitsluitend toegankelijk voor ingezetenen van Nederland van achttien jaar of ouder. Onder ingezetene wordt verstaan een persoon die zijn adres heeft in een gemeente van Nederland. Het ingezetenschap wordt aangetoond middels een uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie van de woonplaats dat bij het aangaan van het lidmaatschap niet ouder is dan vier weken. Per 1 januari 2013 geldt deze maatregel volledig over het hele land;

  • A: afstandcriterium; dit houdt in dat de minimale afstand tussen een coffeeshop en een school voor voortgezet of beroepsonderwijs voor scholieren jonger dan 18 jaar 350 meter moet zijn. Toevoeging per 1 januari 2014.

Strafrechtelijk/justitieel gedoogbeleid in relatie tot nulbeleid

De AHOJG-BIA-criteria hebben tot gevolg dat in coffeeshops de verkoop van softdrugs, onder bepaalde voorwaarden, niet strafrechtelijk wordt vervolgd: het gedoogbeleid. Het vaststellen van een nulbeleid heeft tot gevolg dat wanneer zich een coffeeshop binnen de grenzen van de gemeente vestigt, politie en justitie kunnen optreden, ook als de AHOJG-BIA criteria niet worden overtreden. Het strafrechtelijk gedoogbeleid is dan niet van toepassing. Door in beperkte mate de verkoop van softdrugs voor eigen gebruik te gedogen wordt beoogd de markten van softdrugs en harddrugs te scheiden teneinde te voorkomen dat softdruggebruikers gemakkelijk in aanraking met het criminele milieu en van harddrugs komen.

 

Hoofdstuk 2. Vormen van beleid 2.1 Beleid in de regio 

 

2.1 Beleid in de regio

In het politiedistrict Midden-Limburg waar Maasgouw onderdeel van uitmaakt, is in het verleden afgesproken dat enkel de centrumgemeenten Weert en Roermond een maximumbeleid hanteren en hiermee voorzien in de regionale vraag. Dit heeft tot gevolg dat in de overige vijf gemeenten in ons district de exploitatie van een coffeeshop niet is toegestaan.

In onderhavige nota is het voeren van een dergelijk (nul)beleid ook als het gewenste beleid voor Maasgouw neergelegd. Bovenstaande geschetste situatie komt overeen met het landelijk beeld dat de gemeenten met een centrumfunctie in de regio de vestiging van één of meer coffeeshops toestaan en de omliggende gemeenten nulbeleid voeren. In heel Nederland heeft ongeveer 70% van de gemeenten een nulbeleid vastgesteld. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op het beleid van Maasgouw.

 

 2.2 Lokaal beleid 

Als het gaat om het aantal toegestane coffeeshops in een gemeente, kunnen drie vormen van beleid worden onderscheiden.

  • 1.

    Beleid zonder maximum

    Bij dit beleid is geen maximum aantal toegestane coffeeshops vastgesteld. Exploitanten bepalen dan of en hoeveel coffeeshops er komen. Gelet op het marktmechanisme zal het aantal coffeeshops vermoedelijk aansluiten bij de vraag naar softdrugs. Dit betekent dat het risico van verplaatsing van handel in softdrugs elders in principe gering is. Anderzijds kan bij dit stelsel wildgroei van het aantal coffeeshops ontstaan.

    Een groot aanbod kan bovendien de vraag doen toenemen en drempelverlagend werken. Verder wordt het overlast probleem moeilijker beheersbaar en controleerbaar;

  • 2.

    Maximumbeleid

    In dit beleid is er ruimte voor het toelaten van coffeeshops. De burgemeester stelt echter een maximum vast om onaanvaardbare aantasting van het woon-en leefklimaat te voorkomen. Door het opnemen van een maximum in het beleid kan wildgroei worden voorkomen en tegen nieuwe coffeeshops kan worden opgetreden. Het strafrechtelijke gedoogbeleid is niet meer van toepassing ten aanzien van andere, nieuwe, extra coffeeshops. Politie en justitie kunnen optreden tegen die coffeeshops, ook als de AHOJG-BIA criteria niet worden overtreden. Het maximumstelsel geeft tevens voor alle betrokkenen duidelijkheid over het aantal in de gemeente toegestane coffeeshops;

  • 3.

    Nulbeleid

    Het nulbeleid is eigenlijk een bijzondere vorm van het maximumbeleid. Ook hier bestaat er voor alle betrokkenen duidelijkheid. Er is geen enkele coffeeshop in de gemeente toegestaan. Het OM kan dan overgaan tot vervolging van elke vorm van handel in softdrugs en de burgemeester kan toestemming voor de vestiging van coffeeshops weigeren en overgaan tot sluiting van illegale coffeeshops. Het al dan niet voldoen aan de AHOJG-BIA criteria doet hier niets aan af. Nulbeleid zou er mogelijk toe kunnen leiden dat de aanpak van straathandel prominenter in beeld komt, dat er meer illegale verkooppunten ontstaan en meer illegale handel plaatsvindt dan wanneer één of meer coffeeshops zijn toegestaan. Aan de andere kant sluit een maximumbeleid of een beleid zonder maximum dit ook niet helemaal uit.

Hoofdstuk 3. Juridisch kader 3.1 Rechtmatigheid vaststelling Nulbeleid 

 

3.1 Rechtmatigheid vaststelling Nulbeleid

Sinds de invoering van artikel 13b Opiumwet (april 1999) moet het lokale coffeeshopbeleid (mede) worden gebaseerd op dit artikel. Op grond van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet is het bereiden, bewerken, verkopen en aanwezig hebben van zowel harddrugs als softdrugs verboden. Op grond van het zogenaamde opportuniteitsbeginsel kan het Openbaar Ministerie een gedoogbeleid voeren; dit is aldus verwoord dat aan de opsporing van de verkoop van softdrugs een lage prioriteit wordt toegekend 1 .

   

Volgens de richtlijnen van het Openbaar Ministerie (OM) moet de lokale driehoek het coffeeshopbeleid bespreken. Het coffeeshopbeleid wordt uitgewerkt en neergelegd in gemeentelijk beleid. Het OM werkt bij de totstandkoming en handhaving van lokaal coffeeshopbeleid samen met de lokale autoriteiten. De in de lokale driehoek vertegenwoordigde partijen dragen elk met hun eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid bij aan een samenhangend en effectief beleid. In dit beleid worden de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bevoegdheden op elkaar afgestemd.

Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter de aanwezigheid van een heldere, goed beargumenteerde beleidskeuze laat meespelen in de overwegingen.

   

Elk van de partijen zorgt voor een deel van de handhaving: de officier van justitie kan vervolgen, maar kan een coffeeshop niet sluiten. De burgemeester kan wel sluiten, maar niet strafrechtelijk vervolgen. De politie kan pas effectief optreden als duidelijkheid bestaat over de capaciteit die vereist is voor de bestuursrechtelijke handhaving en de opsporing van strafbare feiten.

 

De burgemeester is op grond van de artikelen 172 en 174 van de Gemeentewet en artikel 13b van de Opiumwet bevoegd het beleid ten aanzien van coffeeshops vast te stellen.

 

In artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is opgenomen dat beleidsregels worden vastgesteld door het bevoegde bestuursorgaan zelf. Dit neemt niet weg dat de burgemeester de raad op basis van artikel 180 van de Gemeentewet wel verantwoording verschuldigd is ten aanzien van het gevoerde beleid.

 

3.2 Reikwijdte andere weigeringsgronden

  • Algemene Plaatselijk Verordening

    Ingevolge de jurisprudentie (RvS, AB 12 augustus 1999, nr. H01.99.0260) is het bevoegd gezag niet toegestaan een wettelijk vergunningstelsel te hanteren voor coffeeshops, omdat de handel in softdrugs expliciet wordt verboden in de hogere regeling, zelfs al zou de gemeentelijke verordening, zoals de APV (woon- en leefsituatie omgeving, openbare orde) een ander belang beogen te beschermen dan de Opiumwet (volksgezondheid);

  • Bestemmingsplan

    Indien een coffeeshop zich vestigt in een pand in strijd met de geldende bestemming, kan ook op grond van het bestemmingsplan hiertegen opgetreden worden. Een coffeeshop wordt in het kader van de AHOJG-BIA richtlijnen als een horecabedrijf beschouwd. Dit betekent dat coffeeshops zich alleen kunnen vestigen in panden met een horecabestemming of panden met een meer algemene bestemming waaronder horeca;

  • Activiteitenbesluit

    Een coffeeshop valt als horeca-inrichting onder het Activiteitenbesluit. Dit besluit bevat rechtstreekse voorschriften ter voorkoming van hinder waaraan een horecabedrijf en dus ook coffeeshops moeten voldoen. Het Besluit biedt evenwel geen specifieke mogelijkheden om de vestiging van coffeeshops tegen te gaan.

Hoofdstuk 4. Argumenten voor- en tegen coffeeshops

Mede uit de landelijke en regionale berichtgeving over de coffeeshops blijkt dat het onderwerp ‘coffeeshops’ voor de nodige onrust kan zorgen binnen de (lokale)samenleving. Om een bijdrage te kunnen leveren aan een goede beeldvorming en een goede afweging te kunnen maken in het besluitvormingsproces om een coffeeshop al dan niet toe te staan, zijn navolgend de argumenten voor- en tegen de exploitatie van coffeeshops in kaart gebracht.

Valide argumenten voor het toestaan van de exploitatie van een coffeeshop:

  • 1.

    Betere beheersbaarheid doordat vraag en aanbod gedeeltelijk worden gekanaliseerd via een bekend en gecontroleerd verkooppunt;

  • 2.

    Betere controle op bestuursrechtelijke (vergunning) en strafrechtelijke (AHOJG-BIA) voorschriften mogelijk;

  • 3.

    Met de vergunning kunnen voorwaarden worden gesteld in het belang van de publieke gezondheid;

  • 4.

    Met de vergunning kunnen eisen worden gesteld aan de bedrijfsvoering;

  • 5.

    Beter zicht op doelgroep/gebruikers. Biedt de mogelijkheid tot vroegtijdige interventie, gerichte voorlichting en preventie op individuele basis;

  • 6.

    Mogelijkheid tot screening van de exploitanten (antecedententoets en BIBOB);

  • 7.

    Behoefte aan illegale verkooppunten vermindert;

  • 8.

    Komt tegemoet aan het regeerakkoord dat voorziet in verkooppunten voor de lokale gebruikers. Een coffeeshop per 15.000-25.000 inwoners;

  • 9.

    Beter toezicht op de kwaliteit van de softdrugs;

  • 10.

    Gebruikers komen minder snel in aanraking met andere drugs;

  • 11

    Aard en omvang van overlast is beter stuurbaar;

  • 12

    Positief effect op de weerbaarheid van de jeugd.

Aannemelijke argumenten tegen het toestaan van de exploitatie van een coffeeshop in Maasgouw:

  • 1.

    Veroorzaakt overlast (verkeer, afval, rondhangen) in de directe omgeving;

  • 2.

    Aanzuigende werking voor (jeugdige) softdrugsgebruikers (en mogelijk harddrugsdealers);

  • 3.

    De aanwezigheid van een coffeeshop in de directe nabijheid werkt drempelverlagend bij de gebruikers. Bij de jongeren < 18 jaar zal eerder het beeld ontstaan dat softdrugs maatschappelijk zijn geaccepteerd waardoor de verleiding groter is om vanaf 18 jaar te gaan gebruiken;

  • 4.

    Omdat verkoop vanaf 18 jaar in een coffeeshop wordt gedoogd, zal met name de meest kwetsbare doelgroep, jeugdigen tot 18 jaar ‘genoodzaakt’ zijn om drugs te blijven kopen in het illegale circuit;

  • 5.

    Sluit het bestaan van het ondergrondse (illegale) circuit niet uit;

  • 6.

    Tast het woon- en leefklimaat aan in de directe omgeving;

  • 7.

    Tast het veiligheidsgevoel aan in de directe omgeving;

  • 8.

    Op redelijke rijafstand zijn coffeeshops aanwezig;

  • 9.

    In de visie van de gemeente Maasgouw is vermeld dat bij de aanpak van onveiligheid de gemeente een actieve rol speelt waarbij krachtig wordt ingezet op preventie én handhaving. Daarnaast is vermeld dat de burgers zich in veel gevallen identificeren met de dorpskern waarin zij wonen waarbij het van belang is dat de identiteit en leefbaarheid in de dorpskernen bewaard blijft. Een vestiging van een coffeeshop sluit niet aan bij deze visie;

  • 10.

    Tot op heden nog geen aanvraag voor de exploitatie ontvangen. Hieruit mag worden verondersteld dat er tot op heden geen of onvoldoende markt voor verkoop van softdrugs is;

  • 11

    Het toestaan van een coffeeshop frustreert het preventief drugs- en alcoholbeleid;

  • 12

    De aanwezigheid van een coffeeshop is een legitimatie om eerder te (gaan) gebruiken;

Hoofdstuk 5. Beleid gemeente Maasgouw

In het vorige hoofdstuk zijn de voor- en tegenargumenten van de exploitatie van een coffeeshop binnen Maasgouw genoemd. In dit hoofdstuk wordt, met inachtneming van deze argumenten, de afweging gemaakt of dat dit gevolgen heeft voor de huidige koers.

Deze nota houdt geen koerswijziging van het coffeeshopbeleid in Maasgouw in. De exploitatie van een coffeeshop binnen Maasgouw is en blijft niet toegestaan. Bij besluit van 27 mei 2008 is het beleid van de voormalige gemeenten Thorn, Heel en Maasbracht overgenomen.

Tot op heden is deze afspraak nog niet in beleid vastgelegd. Wanneer een dergelijke afspraak wel in beleid wordt omgevormd, wordt dit nulbeleid genoemd.

 

 

Voordelen van nulbeleid:

1. Op een aanvraag tot exploitatie van een coffeeshop kan direct afwijzend worden gereageerd;

2. Bij (illegale) exploitatie van een coffeeshop kan direct handhavend worden opgetreden.

 

Dat het voeren van nulbeleid is toegestaan blijkt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van de sluiting van een coffeeshop door de burgemeester van Naaldwijk wegens strijd met het nulbeleid (RvS, AB 22 mei 1997, H01.96.0825). In deze uitspraak overweegt de Afdeling dat aan de burgemeester in beginsel de vrijheid toekomt om ter bescherming van het woon- en leefklimaat dan wel de openbare orde geen enkele coffeeshop toe te staan. Dit kan echter alleen wanneer deugdelijk wordt gemotiveerd waarom een dergelijk beleid redelijk en wenselijk is.

In het voorgaande hoofdstuk is al vermeld dat conform de richtlijnen van het OM een nulbeleid in een beleidsnota moet worden vastgelegd. In dat geval kan de burgemeester onder verwijzing naar het in de gemeente van kracht zijnde nulbeleid op grond van artikel 13b van de Opiumwet (‘Wet Damocles’) tot sluiting van een coffeeshop overgaan. Met deze vorm van handhaving hoeft de concrete overlast niet (meer) te worden aangetoond. Dat aantonen van de concrete overlast moet wel in het kader van het weigeren of intrekken van een vergunning op grond van de APV.

 

Het beleid binnen de gemeente Maasgouw is, dat geen verkooppunt voor softdrugs wordt toegestaan.

 

Aan dit nulbeleid liggen de volgende overwegingen ten grondslag:

 

1. Aantasting van de woon- en leefomgeving

In de visie van Maasgouw is het volgende vermeld: “als gemeente spelen we bij de aanpak van onveiligheid een actieve rol. We zetten krachtig in op preventie én handhaving”.

Ervaringen van andere gemeenten binnen Nederland hebben aangetoond dat een verkooppunt van softdrugs in de omgeving de nodige overlast door lawaai en rondslingerende afvalresten kan veroorzaken. Dit geldt niet voor iedere coffeeshop zo blijkt uit ervaringen van de gemeente Weert. In deze gemeente worden twee coffeeshops geëxploiteerd waarbij de overlast en verstoring van het woon- en leefklimaat als beheersbaar wordt ervaren.

 

Het CBS telde in 2010 in Nederland 650 coffeeshops. In 2000 waren dit er nog 813. Volgens het bureau Intraval hadden in 2009 77% van de gemeenten geen coffeeshop en 23% van de gemeenten wel.

Bovenstaande trend is mede te verklaren uit de aanscherping van de regelgeving en uit het feit dat uit landelijke ervaringscijfers blijkt dat de aanwezigheid van een coffeeshop een zware wissel trekt op het sociale leven in de buurt en een negatieve invloed heeft op het veiligheidgevoel en de leefbaarheid.

 

Uit een van de onderzoeken die zijn verricht door de Universiteit van Tilburg wordt echter gemeld dat spreiding van de coffeeshops een goed alternatief is om de overlast te verminderen. Om een completer beeld te krijgen over de aanpak van de overlast rond coffeeshops heeft de regering in het najaar van 2010 €3,3 miljoen beschikbaar gesteld voor een proefproject. In de proefprojecten wordt bekeken welke nieuwe maatregelen effectief zijn om overlast rond coffeeshops te bestrijden, zodat succesvolle maatregelen ook door andere gemeenten ingezet kunnen worden. Een greep uit de maatregelen: het stimuleren van kleinschaligheid en spreiding, meer vernieuwend toezicht en handhaving door de gemeente, invoeren van een pasjessysteem, extra eisen aan exploitanten, verkeersmaatregelen, de aanpak van illegale verkooppunten en communicatie met buitenlandse drugstoeristen. De projecten hebben een looptijd van twee jaar. Al met al vormt de aanwezigheid van een coffeeshop, gelet de aard en omvang van de gemeente, een aantasting van de woon- en leefomgeving, respectievelijk de openbare orde.

 

2. Beperkte lokale markt

Tot op heden is onvoldoende in beeld wat de aard en omvang is van de lokale markt voor softdrugs. Een regionaal beeld is er wel. Uit de ‘Jongerenmonitor 2009’, opgesteld door de GGD Limburg-Noord blijkt dat de lokale markt in plattelandsgemeenten beperkt is. De gebruikers die binnen onze gemeentegrenzen wonen, kunnen op vrij eenvoudige wijze gebruik maken van het aanbod van coffeeshops in de dichtbij gelegen gemeenten Weert, Roermond en eventueel Sittard. Het vorenstaande sluit overigens niet uit dat er ook binnen Maasgouw sprake is van illegale straathandel, waarbij het woord illegaal al aangeeft dat de aard en omvang moeilijk in kaart te brengen is. Indien er een causaal verband is tussen vraag en aanbod, kan ook de voorzichtige conclusie worden getrokken dat de lokale vraag beperkt is aangezien er tot op heden nog geen aanvraag voor exploitatie van een coffeeshop is ontvangen. Uit onderzoek door onderzoeksbureau Intraval is gebleken dat naar schatting 70 % van de cannabis verkocht wordt via coffeeshops en circa 30% via de niet gedoogde punten.

 

3. Aanzuigende werking

Verondersteld mag worden dat er een beperkte vraag is naar softdrugs op de lokale markt (zie ad. 2). Bij vestiging zal een coffeeshop, om de zaak financieel rond te kunnen krijgen, een markt moeten aanboren die zich buiten onze gemeentegrenzen uitstrekt. Uit ervaringen van andere gemeenten blijkt dat deze markt, bestaande uit potentiële klanten, een vorm drugstoerisme met zich meebrengt, met alle overlast van dien.

De aard van de overlast, waardoor het woon- en leefklimaat in de gemeente wordt aangetast, is onder ad. 1 al aangegeven. Daar kan de verkeersoverlast expliciet aan toegevoegd worden. Te denken valt hierbij aan het aantal verkeersbewegingen (aan- en afrijden van auto’s), parkeeroverlast, overstekende voetgangers en draaiende motoren. Door de nuloptie komen met name de jongeren minder in de verleiding om op lokaal niveau met softdrugs in aanraking te komen.

 

4. Ontbreken draagvlak binnen de gemeente

In de visie is het volgende vermeld: “we moeten de toeristische infrastructuur verbeteren c.q optimaliseren. Burgers identificeren zich in veel gevallen met de dorpskern waarin zij wonen. Het is van belang dat de identiteit en leefbaarheid in de dorpskernen bewaard blijft”. De gemeente Maasgouw ligt in Midden-Limburg en kan worden getypeerd als een gemeente met een identiteit van historische stadjes en met een landschappelijk karakter2 .

 

Per 1 januari 2012 had Maasgouw 24099 inwoners verdeeld over acht kernen.

 

Beegden

1767

Ohé en Laak

827

Heel

4454

Stevensweert

1658

Thorn

2424

Linne

3658

Wessem

2134

Maasbracht

7177

 

Maasgouw maakt onderdeel uit van het politiedistrict3 Midden-Limburg waarvan Roermond en Weert als centrumgemeenten worden aangemerkt. Aangrenzende gemeenten van Maasgouw zijn Leudal, Roermond, Roerdalen en Echt-Susteren. Daarnaast grenst Maasgouw aan Belgie. Er zijn geen grote uitgaanslocaties binnen de gemeentegrenzen aanwezig. Jongeren trekken voornamelijk naar de omliggende gemeenten, Weert, Roermond en Echt-Susteren en naar het aangrenzende België toe om uit te gaan. Onder de aanwezige horecalocaties bevinden zich geen coffeeshops.

In de gemeente Maasgouw zijn in iedere kern, een of meerdere, uitsluitend basisscholen gevestigd. Voor het volgen van voortgezet onderwijs is men aangewezen op de gemeenten Weert, Roermond, Leudal en Echt-Susteren. Daarnaast volgen er ook nog jongeren onderwijs in België. Uit de basisvoorziening handhaving (BVH) gegevens blijkt dat het aantal politiemeldingen van drank- en drugsoverlast in 2010 25 bedraagt.

Zolang de burger het idee heeft dat het gebruik van drugs de criminaliteit verhoogt (heeft een aanzuigende werking voor ander crimineel gedrag in de beleving van de burger; hoe komen ze anders aan hun geld, zo vraagt de burger zich af) zullen de inwoners het gebruik blijven melden. In de huidige aanpak reageert de politie op betreffende meldingen door ter plekke te gaan.

Mede vanwege de al eerder aangevoerde aanzuigende werking van criminaliteit, is snel sprake van gevoelens van sociale onveiligheid. Ook als deze gevoelens een subjectief karakter hebben, blijkt hieruit een aantasting van het woon- en leefklimaat. Met in achtneming van de visie en afgezien van de beperkte lokale vraag naar softdrugs is het aannemelijk dat er niet snel maatschappelijk draagvlak te vinden is voor de vestiging van een coffeeshop.

 

5. Preventief drugs- en alcoholbeleid en nazorg

Het nulbeleid voor coffeeshops in Maasgouw is mede gebaseerd op het preventieve drugs- en alcoholbeleid van onze gemeente. De exploitatie van een coffeeshop in de gemeente zou de effecten van het preventiebeleid teniet doen. Het is weliswaar aannemelijk dat met een coffeeshop in de (nabije) omgeving van de gebruikers, het gebruik en de verkoop beter gereguleerd (minder verkoop op straat) en gecontroleerd kunnen worden (preventie van risico’s). Maar deze voordelen vallen grotendeels weg tegen de drempelverlagende werking, het aanjagen van drugsgebruik en de andere hierboven genoemde negatieve effecten van een coffeeshop in de gemeente. Naast een proactieve benadering van het onderwerp coffeeshop (het weren van een coffeeshop) wordt in het navolgende een toelichting gegeven op de preventie en de (na)zorg. Twee belangrijke onderdelen van de veiligheidsketen. In het onderdeel preventie wordt een beeld geschetst van betreffende activiteiten binnen Maasgouw. Omdat we niet onze ogen sluiten voor het feit dat ook binnen Maasgouw (soft)drugs worden gebruikt wordt ook in praktische zin aandacht geïnvesteerd in de (na)zorg voor (ex)gebruikers.

 

De preventieketen: een sluitende en integrale aanpak

Uit onderzoek is gebleken dat blowen voor jongeren aanzienlijk ongezonder is dan lang werd aangenomen. Bij jongeren ‘in de groei’ kunnen depressies, angstbeelden en blijvende schade het gevolg zijn van regelmatig drugsgebruik. Daarnaast wordt een vroege startleeftijd van cannabisgebruik in verband gebracht met verhoogd risico4 op later ontwikkelen van psychische stoornissen, afhankelijkheid, gebruik van harddrugs en mogelijk cognitieve stoornissen.

Daarom is het in het belang van de gezonde ontwikkeling van onze (kwetsbare) jongeren de verkoop en het gebruik van cannabis te beperken. Het weren van coffeeshops uit onze gemeente is een van de middelen om dat te bereiken. Een praktisch argument is dat de gemeente met een gedoogde coffeeshop ook niet zou kunnen voorkomen dat drugs worden verkocht aan en drugs worden gebruikt door jongeren onder de 18 jaar. Een coffeeshop die zich aan de regels houdt, verkoopt niet aan jongeren onder de 18 jaar. Een groot deel van de jeugdige gebruikers, blijft dus altijd aangewezen op de illegale straathandel. De illegale straathandel zal met name plaatsvinden in de omgeving van de coffeeshops. Jongeren ouder dan 18 jaar komen immers in de verleiding om hun cannabis (tegen een meerprijs) te verkopen aan de 18-minners.

 

Het vorenstaande houdt in dat een coffeeshop het probleem van jeugdige drugsgebruikers niet oplost. Alcohol- en drugsgebruik kunnen negatieve gevolgen hebben voor de openbare orde en veiligheid, de leefbaarheid, de gezondheid, het maatschappelijk functioneren en persoonlijke relaties, het gezinsleven, de ontwikkeling en onderwijsprestaties van jongeren, de arbeidsomstandigheden en de financieel-economische positie van inwoners. Uit algemene bevolkingsonderzoeken, uit peilingen bij de doelgroep jeugd, uit rapportages van diverse instanties en instellingen blijkt nog steeds de noodzaak tot preventie, signalering, toezicht, handhaving en, op casusniveau, het bieden van hulp en, zo nodig, zorg.

 

Ook inwoners van Maasgouw hebben problemen of veroorzaken problemen in hun omgeving door overmatig drugs- of alcoholgebruik. Daarbij blijkt de situatie in Maasgouw niet af te wijken van landelijke trends en ontwikkelingen. De risico’s dat onze inwoners deze problemen krijgen of veroorzaken, zijn het grootst voor de leeftijdscategorie 12- tot 23-jaar. Daarom zijn jongeren en jongvolwassenen de voornaamste doelgroep van preventief alcohol- en drugsbeleid waarbij het nulbeleid voor coffeeshops een bijdrage moet leveren aan de vermindering van het drugsgebruik van jongeren. De aanpak van alcohol- en drugsproblemen moet integraal en sluitend zijn om negatieve ontwikkelingen te kunnen voorkomen, om te buigen en positieve ontwikkelingen effectief te bevorderen. Preventief drugsbeleid wordt uitgevoerd binnen de preventieketen, in samenhang met de ketens van toezicht en handhaving, zorg en herstel.

 

Doelen van preventie:

  • 1.

    Problemen worden vroegtijdig gesignaleerd en integraal aangepakt. Daardoor worden grotere problemen op termijn voorkomen. De gemeente Maasgouw en andere betrokken instanties en instellingen stemmen hun preventie-activiteiten integraal af. Binnen de preventieketen vindt overdracht/toeleiding plaats;

  • 2.

    Er is een gericht aanbod voor de jeugd met specifieke expertise verslavingspreventie en –zorg;

  • 3.

    De doelgroepen van alcohol- en drugspreventie worden bereikt en zij nemen deel aan de voor hen bedoelde activiteiten en projecten;

  • 4.

    De inwoners in het algemeen en risicogroepen in het bijzonder herkennen en erkennen problemen in verband met alcohol- en drugsgebruik;

  • 5.

    Doelgroepen veranderen hun gedrag/leefstijl om uit de risico- of probleemloze van alcohol- of drugsgebruik te komen en te blijven;

  • 6.

    Inwoners met verslavingsproblemen maken gebruik van de geboden zorg en rehabilitatiemogelijkheden. Daardoor verbetert hun levenskwaliteit en het vermogen voor zichzelf te zorgen;

  • 7.

    De schadelijke gevolgen van alcohol- en drugsgebruik zijn verminderd op de terreinen gezondheid, relatie en gezin, openbare orde en veiligheid, persoonlijke ontwikkeling en onderwijs;

  • 8.

    Er is een sluitende keten van opvang, zorg en uitstroom naar een zo zelfstandig mogelijk maatschappelijk functioneren. Terugval wordt voorkomen door hulp- en ondersteuning vanuit netwerken rond inwoners met drugs- of alcoholproblemen. Daarvoor moet gezamenlijk met de centrumgemeente Venlo, de regiogemeenten, regionale opvang- en zorgorganisaties, de OGGZ en de GGD worden gekomen tot een afstemming van lokale en regionale activiteiten en voorzieningen.

Bij de integrale aanpak zijn verschillende afdelingen en teams van onze gemeente betrokken, maar ook externe partners in de regio.

In de praktijk zoekt de preventiewerker van GGZ Vincent van Gogh op eigen initiatief of op aangeven van een van de ketenpartners (gemeente, politie, MensWel jongerenwerk, BJZ, AMW) contact met jongeren die risicogedrag vertonen als gevolg van drank- of drugsgebruik. De preventiewerker, jongerenwerkers en de politie houden ook contact met jongeren in een ‘risico-omgeving’ (dancefestivals, feesten, hangplekken). De GGZ biedt diverse (individuele) programma’s aan voor preventie, behandeling en begeleiding, die afzonderlijk en gecombineerd ingezet kunnen worden. Het aanbod is zowel ambulant (op afspraak), in deeltijd (enkele dagdelen per week) als ook klinisch (opname).

 

Jaarwerkplannen GGD Limburg Noord

De GGD voert thema- en doelgroepgerichte activiteiten uit. Deze activiteiten zijn opgenomen in de jaarwerkplannen volksgezondheid. Die werkplannen zijn gebaseerd op de speerpunten en prioriteiten van volksgezondheidsbeleid. De gekozen speerpunten schadelijk alcoholgebruik, drugsgebruik en leefstijl zijn relevant voor het IVP. In Maasgouw biedt de GGD aan/voert de GGD uit:

  • Individueel Advies Op Maat over alcoholgebruik, roken, voeding en bewegen;

  • De gezonde en veilige school Het project ‘De gezonde en veilige school’ is een integraal preventieprogramma voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs dat effectief is gebleken. Centraal staan de onderwerpen alcohol, roken en drugs. Lessen vormen een belangrijk onderdeel, maar er wordt ook aandacht besteed aan ouderactiviteiten, het opstellen van een genotmiddelenreglement en het signaleren en begeleiden van leerlingen met problematisch middelengebruik. Bij dit programma worden het Bureau HALT en de outreachende preventiemedewerker van GGZ Vincent van Gogh ingeschakeld;

  • Extra zorg op indicatie voor 4-19 jarigen. Extra aanvullend individueel onderzoek op verzoek van ouders, school of hulpverleners, maar ook door bespreking in zorg adviesteams (ZAT’s) op scholen of het Preventieoverleg Jeugd Maasgouw.

Betaal de boete of neem een kanskaart

De GGZ Vincent van Gogh Verslavingspreventie, HALT en de politie voeren het project “Betaal de boete of neem een kanskaart” uit. Deze activiteit bestaat uit voorlichting en training van jongeren die naar HALT zijn verwezen vanwege hun overmatig alcoholgebruik.

 

Jongerenwerk MensWel

Jongerenwerkers van MensWel fungeren als contactpersoon tussen jongerengroepen, de melders van overlast en de gemeente. Zij nemen deel aan het preventieoverleg jeugd en bemiddelen of begeleiden de aanpak van overlast en andere problemen als gevolg van drank- en drugsgebruik door jongeren. In samenhang met preventie, biedt MensWel-jongerenwerk jongeren tot 16 jaar de gelegenheid deel te nemen aan activiteiten open jeugdwerk die “alcohol- en rookvrij” zijn.

 

Samenwerking gemeenten Echt-Susteren, Maasgouw, Roerdalen en Roermond

De gemeenten Echt-Susteren, Maasgouw, Roerdalen en Roermond vormen een van de vier samenwerkingsverbanden jeugd(gezondheids)zorg in Noord- en Midden-Limburg. Die samenwerking en afstemming zijn vastgelegd in:

  • De regionale jaarwerkplannen voor de uitvoering van het gezondheidsbeleid (werkplannen GGD Limburg Noord);

  • De Agenda Jeugd(zorg) OOGO Oostelijk Midden-Limburg;

  • Het Plan van aanpak gezamenlijke noemers in ontwikkeling en invulling van Centra voor Jeugd en Gezin in de OOGO-Jeugdregio Oostelijk Midden-Limburg.

Integraal alcohol- en drugsbeleid, onder meer gericht op jeugdigen, is onderdeel van deze samenwerking.

Het onderdeel ‘integraal alcohol- en drugsbeleid’ van het ‘Integraal VeiligheidsPlan 2011 – 2014’ is de Maasgouwse input voor de afstemming van alcoholpreventie- en drugspreventiebeleid van de gemeenten in Oostelijk Midden-Limburg.

 

(Na)zorg

Bemoeizorg

Het Dokus Bemoeizorgteam ML zoekt en benadert mensen met verslavingsproblemen die zorg nodig hebben, maar die geen gebruik maken van de geboden hulp en zorg. Het bemoeizorgteam streeft, na aanpak van de acute noodsituatie, naar een overdracht aan de reguliere zorg- en hulpverlening. Hulp en begeleiding worden niet alleen geboden aan de verslaafden, maar ook aan de omgeving van de verslaafde. Zo wordt, onder meer, een preventienetwerk van professionele en informele zorg rond de verslaafde gecreëerd.

 

Maatschappelijke opvang/Verslaafdenzorg/Vrouwenopvang/Openbare Geestelijke Gezondheidszorg 5

Venlo is de regionale centrumgemeente op het Wmo-prestatieveld “Verslavingsbeleid” en de daarmee samenhangende prestatievelden “Maatschappelijke opvang”en “Openbare geestelijke gezondheidszorg”. Tot die Wmo-prestatievelden behoort het alcohol- en drugsbeleid. Venlo heeft de centrale regie op deze terreinen, maar moet beleid en uitvoering afstemmen met de regiogemeenten en hun lokale regievoering. In die rol is Venlo ook de trekker van het regionale project ‘keerpunt ketenzorg’. Het doel van dit project is een extra inzet te plegen om de ketenzorg te verbeteren voor kwetsbare mensen. Dat zou ook voor verslaafden een volledig en samenhangend aanbod van opvang, zorg, hulpverlening en rehabilitatie moeten opleveren. Het project ‘keerpunt ketenzorg’ wordt geleid en aangestuurd door een ‘Leidende Coalitie’ van portefeuillehouders MO/VZ/VO/OGGZ van de gemeenten Venlo, Venray, Roermond, Weert, Maasgouw, en Peel en Maas.

 

Hoofdstuk 6. Handhaving

 

Juridische vertaling beleidsafweging

De belangrijkste beperking is dat het op basis van het strafrecht niet mogelijk is een coffeeshop te sluiten. De ongewenste vestiging van een coffeeshop kan daardoor op basis van het strafrecht nauwelijks worden voorkomen, of effectief worden bestreden. Het toegevoegde artikel 13b Opiumwet6 geeft de burgemeester nu de bevoegdheid bestuursdwang uit te oefenen tegen coffeeshops, cafés en andere voor het publiek toegankelijke lokalen indien hard- of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig zijn. Tot bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen, terreinen en wat zich daarin of daarop bevindt. Inbeslagname van de handelsvoorraad kan eveneens. Ook een dwangsom in plaats van bestuursdwang is mogelijk. Met voor publiek toegankelijke lokalen is gedoeld op alle gelegenheden die, al dan niet met enige beperking, zoals entreegeld- vrijelijk toegankelijk zijn. Het gaat om inpandige gelegenheden en de daarbij behorende erven. Door het opnemen van een bestuursdwangbevoegdheid in de Opiumwet wordt duidelijk dat handhaving niet uitsluitend afhankelijk is van strafrechtelijk optreden. Bovendien is de sluitingsbevoegdheid niet afhankelijk van het zich voor doen van een al dan niet verstoring van de openbare orde.

De lokale driehoek is de plaats waar afspraken over het lokale coffeeshopbeleid worden gemaakt. Dit is echter een afstemmingsoverleg, geen bevoegd gezag. De driehoek vervolgt niet, sluit niet, verstrekt geen exploitatievergunningen of gedoogverklaringen. De handhaving van een strafrechtelijk/justitieel gedoogbeleid in de vorm van een nul-optie is redelijk simpel. Bij een nuloptie wordt opgetreden tegen elke coffeeshop. De politie controleert, maakt bij overtreding proces-verbaal op en justitie vervolgt. De burgemeester is verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid. De burgemeester is het bevoegd gezag om het beleid ten aanzien van coffeeshops vast te stellen. Op basis van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op openbare gebouwen en met de uitvoering van verordeningen die betrekking hebben op dat toezicht.

 

 

Coffeeshops zijn "voor het publiek openstaande gebouwen" zoals bedoeld in artikel 174 Gemeentewet. Ook 174a Gemeentewet, 13b Opiumwet en APV-bepalingen over drugsoverlast, wijzen de burgemeester aan als bevoegd gezag. Handhaven wordt eenvoudiger wanneer beleidsregels zijn vastgesteld.

 

Voor de handhaving van het nulbeleid zijn twee handhavingsmethoden toepasbaar:

  • 1.

    Strafrechtelijke handhaving

    Uit de richtlijnen van het OM blijkt dat als in de lokale driehoek is afgesproken tot het voeren van nulbeleid het OM kan overgaan tot vervolging van elke vorm van handel in cannabis, ook als het verkooppunt voldoet aan de AHOJG-BIA criteria7 .

  • 2.

    Bestuursrechtelijke handhaving

    Ook bestuursrechtelijk kan op basis van een vastgesteld nulbeleid worden opgetreden. Hier zijn een aantal verschillende situaties van optreden mogelijk:

    • Weigeren van een verzoek tot openen coffeeshop

      De burgemeester kan op basis van het nulbeleid de toestemming tot vestiging van een coffeeshop weigeren of een bestaand verkooppunt sluiten. De burgemeester beroept zich bij zijn besluit op de weigeringgronden die in het nulbeleid staan gemotiveerd;

    • Optreden tegen drugsverkoop vanuit een lokaal of woning

      Wanneer dit verkooppunt zich bevindt in een lokaal of woning, gebruikt de burgemeester hiervoor artikel 13b van de Opiumwet. Dit artikel geeft de mogelijkheid om een pand waar drugshandel plaatsvindt voor (on)bepaalde tijd te sluiten;

    • Ook in het geval dat het verkooppunt zich houdt aan de AHOJG-BIA criteria kan de burgemeester van een gemeente waar een nulbeleid geldt overgaan tot sluiting. Artikel 13b Opiumwet staat bekend als de Wet Damocles en wordt ook gebruikt bij de handhaving van het cannabisbeleid in gemeenten waar wél coffeeshops zijn toegestaan. De burgemeester kan artikel 13b Opiumwet gebruiken wanneer coffeeshops de AHOJG-BIA criteria of aanvullende criteria overtreden.

Het maken van afspraken met de verschillende partners is belangrijk voor een goede handhaving van het nulbeleid. Dit kan middels een handhavingsarrangement. Voor de gemeente Maasgouw staat een zodanig vergaande uitwerking op dit moment niet in verhouding tot bestaande problematiek.

Daarom wordt volstaan met het uitgangspunt dat het voorgestane nulbeleid streng gehandhaafd zal worden door toepassing van artikel 13b Opiumwet. Zolang in een horeca-inrichting softdrugs worden verkocht geldt immers dat elke overtreding tevens een overtreding van de Opiumwet inhoudt. In geval van repressief optreden zal steeds overleg plaatsvinden met politie en OM.

 

Hoofdstuk 7. Conclusie

Gegeven de plaatselijke omstandigheden wordt besloten om in de gemeente Maasgouw nulbeleid op het gebied van coffeeshops te voeren. De plaatselijke omstandigheden zijn:

  • 1.

    Een landschappelijk karakter en met de identiteit van historische stadjes;

  • 2.

    Het vastgestelde Integraal VeiligheidsPlan 2011-2014 ter preventie van drugsgebruik;

  • 3.

    Ontbreken van behoefte omdat tot op heden nog geen aanvraag is ontvangen;

  • 4.

    Ontbreken van maatschappelijk draagvlak omdat het van belang is dat de identiteit en leefbaarheid in de dorpskernen bewaard blijft;

  • 5.

    Aanwezige coffeeshops in omringende gemeenten.

Het doel van het nulbeleid is het voorkomen van drugsgebruik en het beperken van de risico’s van drugsgebruik, voor de gebruiker zelf, de directe omgeving en voor de samenleving. Hierbij geldt als belangrijkste doelstelling de vraag naar drugs te ontmoedigen door voor goede preventie, hulpverlening en repressie te zorgen.

 

 

Het nulbeleid zal stringent worden gehandhaafd. Daarbij wordt een integrale aanpak voorgestaan. Dit betekent: een combinatie van preventief beleid en optreden achteraf.

 

De argumenten voor het nulbeleid van de gemeente Maasgouw zijn:

  • 1.

    Aantasting van de woon- en leefomgeving

  • 2.

    Beperkte lokale markt

  • 3.

    Aanzuigende werking

  • 4.

    Ontbreken van draagvlak binnen de gemeente

  • 5.

    Lokaal alcohol- en drugsbeleid

Het opstellen van onderhavige nota is afgestemd met het Openbaar Ministerie en de politie.

 

Hoofdstuk 8. Procedure 

In de gemeentelijke Inspraakverordening is opgenomen dat ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen geen inspraak wordt verleend. Met de vaststelling van het coffeeshopbeleid vindt feitelijk geen wijziging plaats van het eerder ingenomen standpunt. Dit houdt in dat geen inspraak wordt verleend.

 

Inwerkingtreding en bekendmaking.

De beleidsregel dient, gelet op het bepaalde in afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht, bekend gemaakt te worden. De onderhavige beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag volgend op die van de bekendmaking en ligt vanaf XX-XX-2012 gedurende zes weken ter inzage. Tegen de vaststelling van deze beleidsregel staan geen rechtsmiddelen open.

 

Citeertitel.

Deze beleidslijn kan worden aangehaald als “Coffeeshopbeleid Maasgouw 2012”.

 

Aldus vastgesteld op 1 februari 2012

 

De burgemeester,

 

S.H.M. Strous

   

    

 

Bijlage 2 Situatietekening verboden alcoholgebruik

Bijlage 3 Situatietekeningen aanlijngebod honden

 

A

 

 

B

 

 

Bijlage 4 Sitiatietekeningen parkeren grote voertuigen

 

A

 

B

 

 

C

 

 

D

 

 

E

 

 

F

 

 

G

 

 

H

 

 

I

 

Bijlage 5 Situatietekeningen afmeren aanlegsteigers

 

A

 

 

B

 

 

C