Gemeenteblad van Katwijk

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
KatwijkGemeenteblad 2020, 347168Verordeningen



Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2021

De raad van de gemeente Katwijk;

gelezen het voorstel van het college van 10 november 2020;

gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN PRECARIOBELASTING 2021

(Verordening precariobelasting 2021)

Artikel 1 Definities

In deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:

  • -

    dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 00.00 uur, of een gedeelte daarvan;

  • -

    jaar: een kalenderjaar;

  • -

    maand: een kalendermaand;

  • -

    vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben;

  • -

    week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen.

  • -

    badseizoen: de maanden april tot en met september;

  • -

    centrum: het gedeelte ten oosten van de Boulevard, begrensd door het Andreasplein, Princestraat, Voorstraat, Noordeinde, Tramstraat en Koningin Wilhelminastraat, inclusief het gebied omvattende de Tramstraat, J. v.d. Vegtstraat (het gedeelte tussen de Tramstraat en de v.d. Hoevenstraat), de v.d. Hoevenstraat, de Prins Hendrikkade, de Zwaaikom en de Haven.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven terzake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de één of meer voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen

De precariobelasting wordt niet geheven terzake van het hebben van:

  • 1.

    wegwijzers en verkeersaanwijzingen van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond, ANWB en andere overeenkomstige instellingen;

  • 2.

    brievenbussen en telefooncellen;

  • 3.

    halteborden, wachthuisjes en dergelijke ten dienste van openbare middelen van vervoer;

  • 4.

    borden, masten, palen en dergelijke die in verband met verkiezingen van publiekrechtelijke lichamen zijn aangebracht;

  • 5.

    voorwerpen die gedurende minder dan 14 al of niet achtereenvolgende dagen per jaar aanwezig zijn, in die gevallen, waarin in deze verordening alleen een heffingstarief per jaar is aangegeven;

  • 6.

    buizen tot lozing van fecaliën, van huishoud- of hemelwater, welke rechtstreeks aansluiten op de gemeentelijke riolering;

  • 7.

    pilasters, plinten, kozijndorpels, gevelversieringen, goten, puilijsten, goot- of kroonlijsten, spionnen, bloembakken, klokken, vlaggenstokken, gevelautomaten en dergelijke voorwerpen;

  • 8.

    kelderingangen, licht- en luchtopeningen, rijwieltegels, stoeptreden, overstekken, luifels, erkers, balkons, uitbouwen, overbouwingen en dergelijke onderdelen van bouwwerken;

  • 9.

    een open laadbak gedurende minder dan 2 dagen;

  • 10.

    voorwerpen welke nagenoeg uitsluitend strekken tot een liefdadig of godsdienstig of een ander levensbeschouwelijk doel of tot bevordering van onderwijs, wetenschappen of kunst;

  • 11.

    voorwerpen, indien de gemeente terzake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;

  • 12.

    voorwerpen, waarvan de gemeente de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven aan de hand van en naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting

  • 1.

    Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2.

    Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4.

    Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 5.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting:

    • a.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

    • b.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1.

    In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1.

    De precariobelasting wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    In de gevallen bedoeld in artikel 7, tweede lid, is de precariobelasting verschuldigd bij het einde van het belastingtijdvak.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 5.

    Belastingaanslagen van € 5,00 of minder worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één aanslag verschuldigde bedragen voor belastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

Artikel 10 Ontstaan van de belastingschuld voor de niet in artikel 9 genoemde gevallen

Andere precariobelasting dan die bedoeld in artikel 9 is verschuldigd bij de aanvraag van het belastbare feit, tenzij deze over een belastingtijdvak wordt geheven.

Artikel 11 Termijnen van betaling

  • 1.

    De aanslag moet worden betaald binnen één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de precariobelasting worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending ervan, binnen 15 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 3.

    Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

  • 4.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 12 Kwijtschelding

Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 13 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel

  • 1.

    De “Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2020” van 19 december 2019 van de Gemeente Katwijk wordt ingetrokken met ingang van het in het vierde lid genoemde datum van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    In afwijking in zoverre van het in de voorgaande leden bepaalde, blijft, indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, de ingetrokken verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voor zover ter zake daarvan de heffing van de precariobelasting in die periode plaatsvindt.

  • 4.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

  • 5.

    Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening Precariobelasting 2021”.

     

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2020.

De raad voornoemd,

De griffier,

De voorzitter,

TARIEVENTABEL

als bedoeld in artikel 5 van de verordening Precariobelasting 2021

 

Hoofdstuk

Omschrijving van de voorwerpen

Tarief

II

terrassen en rijwielrekken

 

 

 

het hebben van voorwerpen onder, op of boven: een terras voor cafés, restaurants, lunchrooms en dergelijke inrichtingen per m²:

 

 

 

gedurende het badseizoen:

 

 

 

-

voor de Boulevard, Strandweg en het Centrum 

21,03

 

-

voor het overige gedeelte van de gemeente

€ 

21,03

 

gedurende de overige maanden van het jaar, voor de gehele gemeente 

7,38

 

III

kramen, wagens, tenten enz.

 

 

 

het hebben van kramen, wagens, tenten of dergelijke voorwerpen, alsmede het hebben van waren op een standplaats tot verkoop of tentoonstelling, uitgezonderd de plaatsing daarvan op de marktplaats gedurende de aangewezen marktdagen per m²:

 

 

 

-

voor de Boulevard, Strandweg en het Centrum:

 

 

 

 

per dag

€ 

3,08

 

 

per week 

8,80

 

 

per maand 

18,33

 

 

per jaar 

140,35

 

 

met een minimum per aanslag van 

10,00

 

-

voor het overige gedeelte van de gemeente:

 

 

 

 

per dag 

1,85

 

 

per week 

5,54

 

 

per maand 

11,32

 

 

per jaar 

89,67

 

 

met een minimum per aanslag van

10,00

 

Indien binnen de kramen enz. geen gelegenheid bestaat de aangeboden waren te consumeren, wordt voor de berekening van de belasting het tarief met 25% verhoogd.

 

 

 

V

leidingen, kabels, buizen en draden

 

 

 

het hebben van leidingen, buizen, kabels, draden boven, op of onder gemeentegrond voor de eerste 20 meter:

 

 

 

per strekkende meter, per jaar 

5,87

 

voor elke volgende strekkende meter, per jaar 

3,15

 

VI

tanks, putten enz.

 

 

 

het hebben van een vulput, kraanput, vetafscheider en dergelijke per jaar, per voorwerp 

13,17

 

Deze tarieventabel behoort bij de 'Verordening Precariobelasting 2021'.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2020.

De raad voornoemd,

De griffier,

De voorzitter,