Gemeenteblad van Oostzaan

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
OostzaanGemeenteblad 2020, 344263Verordeningen



Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Oostzaan houdende regels omtrent de heffing en de invordering van rioolheffing (Verordening rioolheffing 2021)

De Raad van de gemeente Oostzaan;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 november 2020.

 

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

 

Besluit:

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2021

(Verordening rioolheffing 2021)

ARTIKEL 1 DEFINITIES

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente.

  • b.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

  • c.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

ARTIKEL 2 AARD VAN DE BELASTING

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

ARTIKEL 3 BELASTBAAR FEIT EN BELASTINGPLICHT

  • 1.

    De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, dan wel dat belang heeft bij nakoming van de gemeentelijke zorgplichten.

  • 2.

    Ingeval het perceel een onroerende zaak is, wordt als genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van die onroerende zaak is. Ingeval het perceel een roerende zaak is, wordt naar omstandigheden beoordeeld wie als genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht moet worden beschouwd.

ARTIKEL 4 VOORWERP VAN DE BELASTING

  • 1.

    Voorwerp van de belasting is een perceel.

  • 2.

    Als perceel wordt aangemerkt:

    • a.

      de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III Wet waardering onroerende zaken;

    • b.

      de roerende zaak welke duurzaam aan een plaats is gebonden;

    • c.

      een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak, dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • d.

      een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

    • e.

      het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

ARTIKEL 5 MAATSTAF VAN HEFFING EN BELASTINGTARIEVEN

De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

  • 3.

    De belasting bedraagt:

    • a.

      per perceel: € 325,00

    • b.

      in afwijking van het bovenstaande bedraagt de belasting voor elk perceel dat niet direct of indirect is aangesloten op het waterleidingstelsel en van waaruit geen water via het rioleringsstelsel wordt afgevoerd dat is verkregen door middel van een eigen pompinstallatie: € 118,15

  • 2.

    Voor belastingbedragen tot € 10,- vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

ARTIKEL 6 ONTSTAAN VAN DE BELASTINGSCHULD

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.

ARTIKEL 7 BELASTINGJAAR

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

ARTIKEL 8 WIJZE VAN HEFFING

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

ARTIKEL 9 TERMIJNEN VAN BETALING

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 100,00 en minder is dan € 5.000,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, moeten de aanslagen worden betaald in negen gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.

  • 3.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

ARTIKEL 10 INWERKINGTREDING, OVERGANGSBEPALING EN CITEERTITEL

  • 1.

    De "Verordening Rioolheffing 2020 van 16 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening rioolheffing 2021."

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december 2020

De Raad voornoemd,

de raadsgriffier,

Dhr. M.W. Bosma

de voorzitter,

R. Meerhof