Gemeenteblad van De Fryske Marren

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
De Fryske MarrenGemeenteblad 2020, 343970Verordeningen



Verordening op de heffing en de invordering van precariorechten 2021

De raad van de gemeente De Fryske Marren;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2020, nummer 2020/118;

gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet;

 

besluit

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening op de heffing en de invordering van precariorechten 2021

Artikel 1 Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 00.00 uur, of een gedeelte daarvan;

  • b.

    week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen;

  • c.

    maand: een kalendermaand;

  • d.

    jaar: een kalenderjaar

  • e.

    vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.

 

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam ‘precariorechten’ worden rechten geheven ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

 

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De precariorechten worden geheven van degene die het in artikel 2 bedoelde gebruik heeft.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

 

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De precariorechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

 

Artikel 5 Berekening van de precariorechten

  • 1.

    Voor de berekening van de precariorechten wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2.

    Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, worden de precariorechten berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4.

    Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, wordt voor de berekening van het precariorecht aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 5.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn opgenomen, worden de precariorechten berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariorechten:

    • a.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

    • b.

      indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

 

Artikel 6 Belastingtijdvak

  • 1.

    In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, is het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

 

Artikel 7 Wijze van heffing

  • 1.

    De precariorechten worden bij wege van aanslag geheven.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kunnen de precariorechten ook worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld.

 

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    In de gevallen bedoeld in artikel 6, eerste lid, zijn de precariorechten verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven geheven precariorechten verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde rechten als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariorechten voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariorechten als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij blijkt dat het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00.

  • 4.

    Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven.

 

Artikel 9 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid geldt ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, minder is dan € 50,- de aanslagen moeten worden betaald uiterlijk één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 4.

    De algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 10 Kwijtschelding

Bij de invordering van de precariorechten wordt geen kwijtschelding verleend.

 

Artikel 11 Overgangsrecht

De Verordening precariorechten 2020 van de gemeente De Fryske Marren, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 13 november 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

 

Artikel 12 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021.

 

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening precariorechten 2021.

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2020.

De griffier, De voorzitter,

H.A. van Dijk-Beekman F. Veenstra

Tarieventabel

 

Behorende bij de Verordening precariorechten 2021

 

 

Hoofdstuk 1 Standplaatsen

 

 

1.1

Het tarief bedraagt per jaar (tenzij anders vermeld) voor kramen, tenten, voertuigen, wagens, manden of dergelijke voorwerpen voor de verkoop van waren, voor zover dit niet geschiedt op marktplaatsen gedurende de aangewezen marktdagen:

 

 

1.1.1

op een locatie in de gemeente per ingenomen oppervlakte van 10 m2:

 

 

1.1.1.1

gedurende 1 dag per week

 

€ 60,00

1.1.1.2

gedurende 2 dag per week

 

€ 120,00

1.1.1.3

gedurende 3 dag per week

 

€ 180,00

1.1.1.4

zonder beperking van gebruik

 

€ 240,00

1.2

in afwijking van artikel 1.1.1 bedraagt het maandtarief één achtste deel van het jaartarief.

 

 

1.3

Het tarief bedraagt per dag, of gedeelte daarvan, voor voorwerpen als bedoeld in dit hoofdstuk waarvoor geen afzonderlijk tarief is opgenomen per ingenomen oppervlakte van 10 m2

 

€ 10,00

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 2 Terrassen

 

 

2.1

Het tarief bedraagt per jaar voor voorwerpen onder, op of boven een terras, per m2 ingenomen oppervlakte:

 

€ 27,50

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 3 Installaties voor het al dan niet automatisch aftappen van motorbrandstoffen, olie, lucht of water

 

 

3.1

Het tarief bedraagt per jaar:

 

 

3.1.1

voor een aftappunt met toebehoren voor motorbrandstof of olie

 

€ 120,00

3.1.2

voor een verplaatsbaar aftappunt met toebehoren voor motorbrandstof of olie

 

€ 30,00

3.1.3

voor een aftappunt met toebehoren voor lucht en water

 

€ 25,00

3.1.4

voor een vulput

 

€ 12,00

3.1.5

voor een tank voor motorbrandstof, olie, lucht of water

 

€ 60,00

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 4 Overige voorwerpen

 

 

4.1

Het tarief bedraagt voor een uitstalling per m2

 

€ 2,50

4.1.1

met een minimum van

 

€ 10,00

4.1.2

met een maximum van

 

€ 500,00

 

Behorende bij raadsbesluit van 16 december 2020 tot vaststelling van de Verordening precariorechten 2021.

 

De griffier, De voorzitter,

 

H.A. van Dijk-Beekman F. Veenstra