Gemeenteblad van Stein

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
SteinGemeenteblad 2020, 343387Beleidsregels



Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Stein 2021

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Stein,

 

  • -

    gelet op het bepaalde in artikel 35 van de Participatiewet;

  • -

    gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

 

Besluit:

vast te stellen de ‘Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Stein 2021’.

 

overwegende dat :

het college gebruik maakt van zijn bevoegdheid om aanvullende regels te stellen voor de verstrekking van bijzonder bijstand.

HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      de wet: de Participatiewet;

    • b.

      algemene bijstand: bijstand, die wordt verstrekt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals kosten van levensonderhoud, die uit het inkomen moeten worden voldaan;

    • c.

      bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in artikel 35 lid 1 van de wet die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan;

    • d.

      bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de wet;

    • e.

      belanghebbende: de alleenstaande die of het gezin dat in aanmerking wenst te komen voor bijzondere bijstand;

    • f.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein;

    • g.

      draagkracht: het gedeelte van het inkomen en/ of vermogen dat aangewend dient te worden voor financiering van de bijzondere kosten;

    • h.

      draagkrachtperiode: de periode waarover de draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld;

    • i.

      inkomen: het inkomen zoals bedoeld in artikel 31 tot en met 33 van de wet;

    • j.

      kostendelersnorm: de norm als bedoeld in artikel 22a van de wet;

    • k.

      middelen: alle vermogens- en inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid van de wet;

    • l.

      peildatum: de datum waarop belanghebbende de aanvraag voor bijzondere bijstand heeft ingediend;

    • m.

      vermogen: het in aanmerking te nemen vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet;

    • n.

      voorliggende voorziening: elke voorziening, zoals bedoeld in artikel 15 van de wet, waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken dan wel een beroep kan doen ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;

    • o.

      drempelbedrag: het bedrag onder artikel 35 lid 2 van de wet op grond waarvan het college bijzondere bijstand kan weigeren.

Artikel 2. De aanvraag en vaststelling van bijzondere bijstand

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van het bepaalde in de wet.

  • 2.

    Het recht op bijzondere bijstand wordt op aanvraag vastgesteld (artikel 43 lid 1 van de wet).

  • 3.

    Bijzondere bijstand kan met terugwerkende kracht worden verleend voor kosten die maximaal 6 maanden voor de aanvraagdatum zijn opgekomen (gemaakt). Hiervan uitgezonderd zijn de woonkostentoeslag en kosten voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 12 van de wet.

  • 4.

    Bijzondere bijstand kan zowel voor betaalde als voor onbetaalde kosten worden verstrekt.

  • 5.

    De kosten voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 12 van de wet zijn uitgesloten van het bepaalde in het derde en vierde lid.

Artikel 3 Drempelbedrag

Het college hanteert geen drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 van de wet.

HOOFDSTUK 2: DRAAGKRACHT EN DRAAGKRACHTPERIODE

Artikel 4. Draagkracht uit inkomen

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht uit het inkomen incl. vt van de belanghebbende. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet.

  • 2.

    Er is sprake van draagkracht als belanghebbende op de peildatum een inkomen heeft hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm incl. vt.

  • 3.

    Indien het inkomen hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt 25% daarvan als draagkracht aangemerkt.

  • 4.

    In afwijking van het derde lid betreft de inkomensgrens 100% van de toepasselijke bijstandsnorm als er sprake is van woonkostentoeslag en kosten voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 12 van de wet. Al het meerdere inkomen wordt aangemerkt als draagkracht.

Artikel 5. Berekening draagkracht uit inkomen

  • 1.

    Voor berekening van de draagkracht uit inkomen worden de volgende middelen niet tot het in aanmerking te nemen inkomen gerekend:

    • a.

      de middelen als bedoeld in artikel 31 lid 2 van de wet. Voor de jonggehandicaptenkorting geldt dat deze, in afwijking van het gestelde onder artikel 31 lid 5 van de wet, nooit aangemerkt wordt als inkomen;

    • b.

      de individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag zoals bedoeld in de artikelen 36 en 36b van de wet;

    • c.

      de voor de algemene bijstand vrijgelaten particuliere oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lid 5 van de wet;

    • d.

      gedurende de draagkrachtperiode eerder toegekende of nog toe te kennen bijzondere bijstand;

    • e.

      het inkomen dat wordt afgedragen aan de boedel indien op belanghebbende de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of een traject minnelijke schuldhulpverlening (MSNP) van toepassing is;

    • f.

      het deel van het inkomen waarop executoriaal beslag is gelegd.

  • 2.

    De volgende buitengewone uitgaven worden op het inkomen van belanghebbende in mindering gebracht:

    • a.

      het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen huur- en zorgtoeslag en de betreffende toeslagen die zouden zijn ontvangen bij een inkomen op bijstandsniveau (het zogenaamde huur- en zorgtoeslagnadeel);

    • b.

      de netto kosten van alimentatieverplichtingen;

    • c.

      de eigen bijdrage die wordt opgelegd (door het CAK) bij een opname in een WLZ-instelling.

  • 3.

    Bij stabiele inkomsten wordt voor de berekening van de draagkracht uitgegaan van het inkomen in de peilmaand. Bij wisselende inkomsten gaan we uit van het inkomen in de peilmaand en de drie daaraan voorafgaande maanden. In beide gevallen wordt rekening gehouden met het inkomen op jaarbasis.

Artikel 6. Draagkracht uit vermogen

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht uit het vermogen van de belanghebbende.

  • 2.

    Er is sprake van draagkracht uit vermogen als belanghebbende op de peildatum beschikt over een in aanmerking te nemen vermogen hoger dan de toepasselijke grens als in artikel 34 van de wet.

  • 3.

    Alle vermogen boven de gestelde vermogensgrens onder het tweede lid wordt aangemerkt als draagkracht.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid blijft het vermogen buiten beschouwing bij de berekening van de draagkracht in het kader van een aanvraag voor de collectieve ziektekostenverzekering.

Artikel 7. Berekening draagkracht uit vermogen

  • 1.

    Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand.

  • 2.

    Voor berekening van de draagkracht uit vermogen worden de volgende middelen niet tot het in aanmerking te nemen vermogen gerekend:

    • a.

      de middelen als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de wet, met uitzondering van lid c;

    • b.

      gedurende de draagkrachtperiode eerder toegekende of nog toe te kennen bijzondere bijstand;

    • c.

      het deel van het vermogen waarop executoriaal beslag is gelegd.

Artikel 8. Draagkrachtperiode

  • 1.

    Draagkrachtperiode bij incidentele kosten

    a. Bij incidentele kosten wordt de draagkracht uit inkomen vastgesteld voor 12 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn opgekomen (of gemaakt), rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 lid 3 van deze beleidsregels;

    b. De vastgestelde draagkracht wordt in één keer in mindering gebracht op de verstrekking.

  • 2.

    Draagkrachtperiode bij periodieke kosten

    • a.

      Bij periodieke kosten wordt de maandelijkse draagkracht uit inkomen vastgesteld voor onbepaalde tijd te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn opgekomen (of gemaakt), rekening houdend met het bepaalde in artikel 2 lid 3 van deze beleidsregels;

    • b.

      De vastgestelde draagkracht wordt naar evenredigheid maandelijks in mindering gebracht op de verstrekking.

  • 3.

    Als vooraf duidelijk is dat een wijziging in de situatie van belanghebbende zal optreden die van invloed kan zijn op de draagkracht dan wordt de draagkrachtperiode afwijkend vastgesteld.

Artikel 9. Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode

  • 1.

    Eenmaal vastgestelde draagkracht wordt in beginsel niet gewijzigd tijdens de draagkrachtperiode.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kunnen wijziging in de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende van invloed zijn op de vastgestelde draagkracht. Conform artikel 17 van de wet heeft belanghebbende de plicht het college hier direct en uit eigen beweging over te informeren. In beginsel gaat het om de volgende situaties:

    • a.

      een wijziging in de woon- en leefsituatie;

    • b.

      een wijziging van het vermogen waardoor de vermogensgrens, zoals opgenomen in artikel 34 lid 3 van de wet, wordt overschreden;

    • c.

      een wijziging van het inkomen van 10% of meer.

Artikel 10. Toekenningsperiode

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor incidentele kosten wordt toegekend in de vorm van een eenmalige verstrekking.

  • 2.

    Bijzondere bijstand voor periodieke kosten wordt toegekend voor de duur waarover de kosten zich voordoen of voor onbepaalde tijd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid wordt periodieke bijzondere bijstand toegekend voor een bepaalde periode indien er een afwijkende draagkrachtperiode is vastgesteld. De periode van toekenning van bijzondere bijstand is dan gelijk aan die van de vastgestelde draagkrachtperiode.

  • 4.

    Periodiek kan het college controles instellen naar wijzigingen in de kosten waarvoor bijzondere bijstand is toegekend. Wijzigingen hierin kunnen aanleiding geven voor een aanpassing in de bijzondere bijstand.

HOOFDSTUK 3: CATEGORIALE BIJZONDERE BIJSTAND

Artikel 11. Collectieve zorgverzekering

  • 1.

    Het college verstrekt categoriale bijzondere bijstand in de vorm van een collectieve zorgverzekering (artikel 35 lid 3 van de wet) aan inwoners met een laag inkomen.

  • 2.

    In aanmerking voor deze verzekering komt de inwoner van Stein die:

    • a.

      minimaal 18 jaar is;

    • b.

      een inkomen heeft gelijk aan of lager dan 150% van de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de wet, waarbij geen rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet en/of het vermogen van belanghebbende.

HOOFDSTUK 4: SLOTBEPALINGEN

Artikel 12. Overgangsrecht

  • 1.

    Indien een draagkrachtperiode, die doorloopt tot na 1 januari 2021, reeds is vastgesteld, blijft de toegepaste draagkrachtberekening van toepassing, tenzij het een nieuwe aanvraag betreft die op of na 1 januari 2021 is ingediend.

Artikel 13. Inwerkingtreding

De beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Stein 2021 treden in werking op 1 januari 2021.

Artikel 14. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Stein 2021’.

 

Aldus besloten door het college van de gemeente Stein in zijn vergadering van 15 december 2020

De Burgemeester De Secretaris

Toelichting ‘Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Stein 2021’

ALGEMENE TOELICHTING

In deze beleidsregels is vastgesteld welke aanvullende regels gelden voor de beoordeling van het recht op individuele bijzondere bijstand. De beoordeling van het recht op bijzondere bijstand betreft een maatwerkbeoordeling. Deze maatwerkbeoordeling betekent dat uit de bijzondere individuele omstandigheden, de noodzaak van de kosten moet blijken en dat bij elke aanvraag om bijzondere bijstand een afweging plaatsvindt op basis van de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een belanghebbende. Juist vanwege deze maatwerkbeoordeling kiest het college er voor om het beleid in algemene uitgangspunten te formuleren. Binnen deze uitgangspunten (kaders) dient de bovenstaande afweging plaats te vinden. Daarbij geldt dat het college geen vrije bevoegdheid heeft om wel of niet bijzondere bijstand te verstrekken. Als eenmaal aan de voorwaarden uit de wet wordt voldaan, dan geldt de verplichting om bijzondere bijstand te verstrekken (gebonden bevoegdheid).

Het wettelijk kader is geregeld in artikel 35 Participatiewet.

 

Er kan zowel door bijstandsgerechtigden als niet-bijstandsgerechtigden bijzondere bijstand worden aangevraagd.

 

Wettelijk kader

Deze beleidsregels scheppen een kader voor de uitoefening van de in artikel 35 lid 1 Participatiewet neergelegde bevoegdheid tot het verstrekken van bijzondere bijstand:

‘Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.’

 

De beoordeling van het recht op bijzondere bijstand vindt plaats aan de hand van vier hoofdvragen. Deze hoofdvragen zijn de kaders waarbinnen de maatwerkbeoordeling plaatsvindt. Zie hiervoor de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van deze beleidsregels.

Voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand gelden voorts ook de algemene voorwaarden onder artikel 11 t/m 16 van de Participatiewet die voor het recht op algemene bijstand van toepassing zijn. Alvorens inhoudelijk een beoordeling voor het recht op bijzondere bijstand plaatsvindt als bedoeld in artikel 35 lid 1 Participatiewet, wordt dan ook beoordeeld of aan de voorwaarden onder artikel 11 t/m 16 wordt voldaan. Een belangrijke algemene voorwaarde is dat geen recht op bijstand bestaat als belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 Participatiewet). Een voorliggende voorziening is elke voorziening buiten de Participatiewet waarop de belanghebbende een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

 

Inherente afwijkingsbevoegdheid

Het college handelt overeenkomstig de beleidsregel(s), tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel(s) te dienen doelen. De grondslag hiervoor is artikel 4:84 Awb.

 

ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING

In onderstaande tekst zijn slechts de artikelen of delen hiervan opgenomen die een toelichting behoeven.

 

Artikel 2. De aanvraag en vaststelling van bijzondere bijstand

Lid 1:

Het eerste lid sluit direct aan op de Participatiewet en is, gezien het belang van deze handelswijze, in ons beleid opgenomen. Het betreft hier dus geen gemeentelijk beleid. Ter beoordeling van het recht op bijzondere bijstand dient allereerst aan de algemene voorwaarden voor bijstandsverlening onder artikel 11 t/m 16 van de Participatiewet te zijn voldaan. Vervolgens vindt beoordeling plaats op grond van artikel 35 lid 1 van de Participatiewet. Hierbij worden vier hoofdvragen in een dwingende volgorde afgehandeld. Pas bij een positieve beantwoording van de eerste drie vragen kan worden overgegaan tot beantwoording van vraag vier. Als hieruit blijkt dat er geen middelen zijn om de kosten te voldoen kan er worden overgegaan tot verstrekking van bijzondere bijstand.

 

De vier hoofdvragen zijn niet van toepassing op de categoriale bijzondere bijstand voor de collectieve zorgverzekering als bedoeld in artikel 11 van deze beleidsregels. Ten aanzien van die kosten vindt namelijk geen beoordeling plaats, omdat de noodzakelijkheid van de kosten komt door het behoren tot de doelgroep en niet uit de individuele situatie.

 

Vraag 1: doen de kosten zich voor?

Bijzondere bijstand is maatwerk. Vanuit die gedachte wordt bijzondere bijstand alleen verstrekt voor kosten die werkelijk gemaakt (zullen) worden of gemaakt zijn. Als de kosten achteraf lager zijn dan het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand, dan bestaat er slechts aanspraak op de werkelijk gemaakte kosten (artikel 13 en 35 van de Participatiewet).

 

Vraag 2: zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?

Welke kosten in aanmerking komen voor bijzondere bijstand hangt af van de omstandigheden in het individuele geval. Bepalend is dat er kosten zijn die als noodzakelijk worden aangemerkt. Of de kosten noodzakelijk zijn en of er sprake is van bijzondere omstandigheden, hangt nauw met elkaar samen. In sommige gevallen moet de noodzaak van de kosten worden vastgesteld door middel van een huisbezoek.

 

De wetgever heeft een aantal kosten genoemd die in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten van bestaan worden gerekend (artikel 14 van de Participatiewet). Voor deze kosten kan in beginsel geen bijzondere bijstand worden verstrekt. Het gaat om

  • -

    de voldoening aan alimentatieverplichtingen;

  • -

    de betaling van een boete;

  • -

    geleden of toegebrachte schade;

  • -

    vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering;

  • -

    kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet op bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden.

 

Vraag 3: vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?

Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Welke kosten in aanmerking komen voor bijzondere bijstand hangt af van de omstandigheden in het individuele geval. Wederom: het is maatwerk bij uitstek. Omstandigheden zijn bijzonder als er kosten gemaakt worden die niet in de bijstandsnorm begrepen zijn. Voor kosten die uit de bijstandsnorm betaald horen te worden, kan in principe geen bijzondere bijstand worden gegeven. Denk hierbij aan de kosten voor levensonderhoud, vervoer, reservering voor duurzame gebruiksgoederen en de verschillende algemeen gebruikelijke verzekeringen.

Zoals hierboven aangegeven dient bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere omstandigheden rekening te worden gehouden met de vraag of de aanvrager had kunnen reserveren voor die kosten. Reserveren kan zowel vooraf (sparen), als achteraf (afsluiten van een lening). Bij het beoordelen van de reserveringsmogelijkheden wordt rekening gehouden met de tijd die iemand daarvoor had. Als voorbeeld: Van een bevalling weet iemand (in de regel) ruim van tevoren dat die gaat plaatsvinden en diegene heeft dan dus de tijd om te reserveren voor bijvoorbeeld de inrichting van de babykamer.

 

In de volgende situaties kan een uitzondering worden gemaakt:

  • 1.

    Iemand beschikt niet over spaargeld en heeft niet kunnen reserveren voor de bijzondere kosten omdat hij recent bijstand heeft verkregen (bijv. 2 a 3 maanden) en over de voorafgaande periode beschikte over inkomsten op of lager dan bijstandsniveau;

  • 2.

    De kosten waren niet te voorzien, denk aan een wasmachine van één jaar oud die kapot gaat en niet meer te repareren is. Let wel, dit hoeft nog niet te betekenen dat je daadwerkelijk bijstand 'om niet' verstrekt. De aanvrager kan ook een lening krijgen;

  • 3.

    Als iemand niet over een inkomen beschikt dat voorziet in deze algemene kosten. Denk hierbij onder meer aan mensen die opgenomen zijn in een inrichting of aan de jongmeerderjarige die buitenshuis woont.

 

Vraag 4: kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige middelen?

Hier wordt beoordeeld of de kosten kunnen worden voldaan uit: de individuele inkomenstoeslag of individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Bij deze beoordeling is van belang dat alleen bijzondere bijstand mogelijk is voor kosten die niet in de algemene bijstand begrepen zijn. Zie de artikelen 4 tot en met 6 van deze beleidsregels voor de beoordeling of de kosten voldaan kunnen worden uit het inkomen, vermogen, de individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag.

 

Lid 3:

Uitgangspunt van de wet is dat bijstand niet tegen een eerdere datum dan de datum waarop belanghebbende zich heeft gemeld wordt verstrekt (artikel 44 lid 1 van de Participatiewet). Desondanks is het gelet op de doelstelling van de bijzondere bijstand (armoedebestrijding) niet in strijd met de bedoeling van de wetgever om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. In het derde lid is dan ook geregeld dat het college de verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht toestaat. Het aanvragen met terugwerkende kracht is mogelijk als de kosten niet langer dan zes maanden voor de aanvraagdatum zijn opgekomen (gemaakt). Het college maakt geheel in lijn met het “coalitieakkoord Samen Duurzaam” gebruik van zijn bevoegdheid begunstigend beleid op dit onderwerp te voeren. Stein staat namelijk voor een gezonde stad waarin zijn inwoners worden bewogen tot zelfredzaamheid.

 

Lid 4:

Uitgangspunt van de wet is dat bijzondere bijstand alleen wordt verstrekt als de aangevraagde kosten nog niet zijn voldaan (artikel 35 lid 1 Participatiewet). Dit levert in de praktijk geregeld onwenselijke situaties op waarin de aanvragende partij die aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan geen recht meer heeft op bijzondere bijstand. Denk hierbij aan kosten voor rechtsbijstand of bewindvoering. Het college maakt ook in deze bepaling geheel in lijn met het “coalitieakkoord Samen Duurzaam” gebruik van zijn bevoegdheid begunstigend beleid op dit onderwerp te voeren.

 

Lid 5:

De kosten voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 12 zijn uitgesloten van het bepaalde in het derde en vierde lid. Op dergelijke situaties past het college de regels toe die gelden voor de algemene bijstand.

 

Artikel 4. Draagkracht uit inkomen

Lid 1:

Het college kiest uitdrukkelijk om de kostendelersnorm niet toe te passen bij de bepaling van het draagkrachtinkomen om de hoofdreden dat bijzondere kosten zich ten aanzien van een individuele belanghebbende voordoen. Het betreffen namelijk individuele bijzondere kosten, die niet met andere medebewoners gedeeld worden. De doelstelling waarop de kostendelersnorm is gebaseerd (stapeling van uitkeringen voorkomen en het hebben van schaalvoordelen in de woonkosten), ziet niet toe op het tevens delen van bijzondere individuele noodzakelijke kosten. De kostendelersnorm wordt daarmee uitgezonderd van de definitiebepaling als bedoeld in artikel 5 sub c van de Participatiewet. Dit betekent dat ter bepaling van de draagkracht de bijstandsnorm wordt gehanteerd die van toepassing zou zijn als er geen sprake is van de kostendelersnorm.

 

Lid 2:

Hier is bepaald dat er geen draagkracht aanwezig is bij een inkomen op of lager dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Voor de bepaling van de bijstandsnorm wordt aangesloten bij de begripsbepaling uit artikel 5 onderdeel c van de Participatiewet. Voor de bepaling van het inkomen wordt (indien van toepassing) uitgegaan van het inkomen inclusief vakantietoeslag. De berekening van de vakantietoeslag over het netto-inkomen vindt plaats naar analogie van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.

 

Bij inkomsten waarbij geen sprake is van vakantietoeslag zoals alimentatie wordt uitgegaan van de feitelijk ontvangen gelden deze worden afgezet tegen de bijstandsnorm incl. vakantietoeslag.

 

Lid 4:

Het vierde lid bepaalt dat als sprake is van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag of bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 van de Participatiewet, alle inkomen boven de 100% als draagkracht geldt.

 

Artikel 5. Berekening draagkracht uit inkomen

Lid 1:

  • a:

    In tegenstelling tot de wettelijke bepaling voor algemene bijstand regelt deze bepaling dat dit middel nooit als inkomen wordt aangemerkt ter bepaling van de draagkracht uit inkomen bij bijzondere bijstand. Ook niet als het een persoon betreft < dan 27 jaar.

  • c:

    Op grond van artikel 33 lid 5 van de Participatiewet is voor de algemene bijstand de vrijlating oudedagsvoorziening van toepassing. Voor de vaststelling van het inkomen wordt bij de bijzondere bijstand aansluiting gezocht bij de algemene bijstand. De vrijlating wordt hier dus ook toegepast.

  • e:

    Als WSNP of MSNP van toepassing is, wordt alleen met het deel van het inkomen rekening gehouden waar feitelijk over kan worden beschikt. Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het college enkel de draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft (zie CRvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW). Het college kiest ervoor om indien sprake is van minnelijke schuldhulpverlening (MSNP) hier aansluiting bij te zoeken. Het deel dat aan de boedel afgedragen wordt in het kader van WSNP of MSNP, wordt dan ook niet meegeteld. Concreet betekent dit dat er geen sprake is van draagkracht indien WSNP of MSNP van toepassing is op belanghebbende.

  • f:

    Ditzelfde geldt als sprake is van executoriaal beslag op het inkomen. Bij de berekening van de draagkracht wordt alleen rekening gehouden met het deel van het inkomen waarover feitelijk wordt beschikt (zie CRvB 28-03-2006, nr. 04/5465 NABW).

 

Lid 2:

  • b:

    Hiermee bedoelen we de netto betalingsverplichting na aftrek van de daarvoor geldende belastingen.

  • c:

    Er wordt rekening gehouden met de eigen bijdrage CAK wegens verblijf in de WLZ-inrichting. Hiermee wordt voorkomen dat er ten onrechte draagkracht aanwezig wordt geacht bij personen met een eigen inkomen die in een inrichting verblijven. Door het verblijf in de inrichting wordt het inkomen namelijk afgezet tegen de toepasselijk bijstandsnorm voor zak- en kleedgeld.

 

Lid 3:

De draagkrachtberekening is gebaseerd op het inkomen op jaarbasis. Dit wordt teruggerekend naar maandbasis. Hierbij wordt (indien van toepassing) ook rekening gehouden met de inkomenscomponenten vakantiegeld en eindejaarsuitkering.

 

Artikel 7. Berekening draagkracht uit vermogen

Lid 2:

  • a:

    Voor de vaststelling van het vermogen bij bijzondere bijstand wordt aansluiting gezocht bij de bepalingen voor algemene bijstand als opgenomen in artikel 34 lid 2 van de wet. Uitgezonderd van deze regel is het bepaalde in artikel 34 lid 2 sub sub c.

 

Artikel 8. Draagkrachtperiode

Lid 1:

  • a:

    De vastgestelde draagkrachtperiode van 12 maanden blijft van toepassing als in het betreffend tijdvak een nieuwe aanvraag voor bijzondere kosten wordt ingediend. In voorkomende gevallen zal dan met de eventueel nog resterende draagkracht rekening worden gehouden.

  • b:

    Bij incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht ineens in mindering gebracht op de verstrekking van de bijzondere bijstand.

 

Lid 2:

  • a:

    De vastgestelde draagkrachtperiode voor onbepaalde tijd blijft van toepassing als in het betreffend tijdvak een nieuwe aanvraag voor bijzondere kosten wordt ingediend. In voorkomende gevallen zal dan met de eventueel nog resterende draagkracht rekening worden gehouden.

  • b:

    Bij de verstrekking van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht naar evenredigheid maandelijks in mindering gebracht.

 

Lid 4:

Deze bepaling gaat over verwachtte wijzigingen in het inkomen en vermogen, maar ook in de woon- en leefsituatie van de belanghebbende die van invloed kunnen zijn op de draagkracht. Meer specifiek gaat het om de wijzigingen zoals vermeld onder artikel 9 lid 2 van deze beleidsregel.

 

Artikel 9. Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode

Lid 1:

Als uitgangspunt geldt dat een eenmaal vastgestelde draagkracht niet wordt gewijzigd. Dit laat onverlet dat de belanghebbende op grond van artikel 17 lid 1 Participatiewet de inlichtingenplicht heeft om onverwijld uit eigen beweging wijzigingen te melden. Wijzigingen van draagkracht kan plaatsvinden door wijzigingen in inkomen en vermogen, maar ook in de woon- en leefsituatie van de belanghebbende.

 

Lid 2:

Het tweede lid bepaalt dat een wijziging van de draagkracht plaatsvindt als de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven. Het is aan belanghebbende zelf om een wijziging in zijn persoonlijke situatie en individuele omstandigheden door te geven (artikel 17 lid 1 van de Participatiewet). Hierbij geldt onverkort dat signalen worden onderzocht die tot een draagkrachtwijziging kunnen leiden.

De beoordeling naar de wijziging in de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden is een maatwerkbeoordeling. Denk bijvoorbeeld aan wijzigingen in het inkomen of vermogen. Bijvoorbeeld als tijdens de draagkrachtperiode een traject schuldhulpverlening van toepassing wordt of beslag wordt gelegd. Er kan ook sprake zijn van een vermogensaanwas of bijvoorbeeld wijzigingen in de woon- en leefsituatie van de belanghebbende.

 

Let op: bovenstaande geldt niet bij wijzigingen in verband met de inwoning van kostendelers. Voor de bijzondere bijstand wordt namelijk geen rekening gehouden met de kostendelersnorm. Zie ook de toelichting bij artikel 4 lid 1 van deze beleidsregels.

 

 

Artikel 11. Collectieve zorgverzekering

Lid 2:

Deze verzekering is toegankelijk voor inwoners van Stein, ouder dan 18 jaar, die een inkomen hebben dat niet hoger is dan 150% van de op hen van toepassing zijnde bijstandsnorm. Voor de bepaling van de bijstandsnorm wordt aangesloten bij de begripsbepaling uit artikel 5 onderdeel c Participatiewet. Daarbij is uitdrukkelijk gekozen om de kostendelersnorm niet toe te passen. Zie hiervoor verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4 lid 1 van deze beleidsregels.