Gemeenteblad van Best

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
BestGemeenteblad 2020, 342126Beleidsregels



Nadere APV-regels voorwerpen op of aan de weg

Overweging

Artikel 2:10 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Best (APV) regelt de plaatsing van voorwerpen op of aan de weg. Onder wegen wordt verstaan alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Korgezegd gaat het dus om het gebruik van de openbare ruimte. Dat is dus meer dan de rijweg.

De insteek van artikel 2:10 van de APV is, dat het in beginsel is toegestaan de openbare ruimte zonder vergunning/ontheffing te gebruiken, mits:

  • geen schade wordt toegebracht aan de openbare ruimte;

  • de bruikbaarheid van de openbare ruimte niet wordt belemmerd;

  • er voldoende vrije doorgang is voor voetgangers, fietsers of gemotoriseerd verkeer;

  • het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving niet wordt geschaad.

Om de hiervoor genoemde belangen te beschermen stelt het college deze nadere regels vast.

 

Wat betekent dit in de praktijk?

Als een inwoner of ondernemer objecten/voorwerpen in de openbare ruimte wil plaatsen (of hangen) kijkt hij in deze regels. Voldoet dat wat hij wil aan de regels, dan mag hij zijn activiteit ondernemen zonder vergunning/ontheffing. In een enkel geval moet hij wel een kennisgeving doen aan de gemeente.

Voldoet de activiteit niet aan de regels, dan is het in principe verboden. Wil de inwoner/ondernemer de activiteit toch doorzetten, dan dient hij (op grond van artikel 2:10, lid 4 van de APV) een ontheffing aan te vragen.

 

Regels gelden niet voor plangebied HSL

Voor de wijken Hoge Akker, Speelheide en De Leeuwerik (HSL) geldt het Omgevingsplan HSL. Voor dit plangebied gelden andere regels voor objecten/voorwerpen in de openbare ruimte. De volgende nadere regels gelden dus niet voor het plangebied HSL.

Burgemeester en wethouders besluiten:

de hierna volgende regels als bedoeld in artikel 2:10, derde lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Best vast te stellen.

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regels wordt verstaan onder:

  • a.

    APV: de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Best;

  • b.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best;

  • c.

    de (openbare) weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, een gedeelte aan of boven die weg alsmede de al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, waaronder in ieder geval worden begrepen de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

  • d.

    openbaar groen: al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijke parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen;

  • e.

    de gebruiker: degene die een voorwerp op de weg plaatst of heeft geplaatst;

  • f.

    uitstalling: een losstaand voorwerp, dat op de weg voor een pand is geplaatst met als kennelijke doel verfraaiing, reclame of aandachtstrekker van een winkel of horecagelegenheid;

  • g.

    aankondiging: elke fysieke uiting die de bedoeling heeft de aandacht te vestigen op een bepaald evenement of een bepaalde activiteit of op een bedrijf, instelling of organisatie;

  • h.

    bouwmaterieel: materieel dat noodzakelijk en gebruikelijk is voor werkzaamheden aan een bouwwerk of gebouw, zoals een hijskraan, speciemolen, heistelling, container, toiletwagen en bouwkeet, alsmede een tijdelijke constructie ten behoeve van bouwwerkzaamheden, zoals een steiger en afschermhekken;

  • i.

    bouwmateriaal: materiaal, waar een bouwwerk of gebouw mee wordt gebouwd;

  • j.

    reclamebord: driehoeksborden of sandwichborden die om lantaarnpalen worden bevestigd, waarmee reclame wordt gemaakt voor evenementen en activiteiten in Best en aangrenzende gemeenten.

Artikel 2 Algemene regels voor plaatsen van voorwerpen op de weg

  • 1.

    Het plaatsen van voorwerpen op de weg dient zodanig te gebeuren dat in alle gevallen een vrije doorgang van minimaal 3,50 meter breed ten behoeve van hulpdiensten (politie, brandweer en ambulance) en een vrije doorgang van 1,50 meter breed voor voetgangers en/of gebruikers van gehandicaptenvoertuigen gewaarborgd blijft. De brandweer dient een object te kunnen benaderen op 40 meter vanaf de ingang.

  • 2.

    Het is niet toegestaan voorwerpen op de voor het verkeer bestemde rijbaan te plaatsen. Indien plaatsing op de rijbaan toch wenselijk/noodzakelijk is, dan is artikel 14 van toepassing (ontheffingsplicht).

  • 3.

    Voor het plaatsen van voorwerpen in de berm dient een afstand tot de weg bewaard te worden van:

    • 1 meter binnen de bebouwde kom;

    • 1,5 meter buiten de bebouwde kom.

  • 4.

    De gebruiker dient de eventueel door de politie, brandweer en door de gemeente te geven aanwijzingen of bevelen strikt op te volgen.

  • 5.

    Er mogen geen voorwerpen geplaatst worden op blindegeleidestroken en binnen een afstand van 0,70 meter aan weerszijden daarvan of op gehandicaptenparkeerplaatsen.

  • 6.

    Het is niet toegestaan voorwerpen te plaatsen op in- en uitritten van hulpdiensten.

  • 7.

    Het is niet toegestaan voorwerpen te plaatsen binnen een straal van 0,50 meter van een brandkraan of een andere aansluitpunt voor brandblusapparaten.

  • 8.

    Op dagen of uren, waarop de gemeente in verband met wegwerkzaamheden of bijzondere gebeurtenissen (zoals evenementen en/of calamiteiten) over het desbetreffende deel van de openbare ruimte moet kunnen beschikken, is het niet toegestaan voorwerpen daarop te plaatsen.

  • 9.

    Het is niet toegestaan openbaar groen als opslagterrein te gebruiken.

  • 10.

    In de kroonprojectie van bomen zijn de hiernavolgende bewerkingen niet toegestaan:

    • opslag van bouwmateriaal en plaatsen van keten;

    • manoeuvreren met en parkeren van voertuigen;

    • bevestigen van voorwerpen aan en om stam of takken;

    • machinale bewerking van grond;

    • ontgravingen en ophogingen.

    De kroon van een boom is het bovenste gedeelte van een boom; dus de takken met daaraan de bladeren. Die kroon rondom op de grond geprojecteerd heet de kroonprojectie.

  • 11.

    Een tijdelijke (hulp)constructie zoals een steiger moet op een degelijke manier worden geplaatst, waarbij ermee rekening wordt gehouden dat deze niet mag omvallen, omwaaien, of ander gevaar kan opleveren. Daarnaast moet op de veilige (hulp)constructie op een correcte en veilige manier worden gewerkt.

  • 12.

    Voor de uitvoering van werken en de plaatsing of verwijdering van bouwmaterieel en bouwmateriaal op de openbare ruimte dienen in overleg met de gemeente passende voorzieningen voor het verkeer te worden getroffen. Hieronder wordt verstaan het plaatsen, onderhouden, verplaatsen en verwijderen van benodigde verkeers-, waarschuwings- en richtingsborden, hekken, geleidebakens, omleidingsborden e.d. ten behoeve van de veiligheid van het werk en de geleiding van het verkeer. Verkeersmaatregelen dienen te voldoen aan het CROW handboek wegafzettingen 96a/96b "Werk in Uitvoering”. Uiterlijk vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden dienen de voorgenomen verkeersmaatregen en voorzieningen te worden gemeld bij de gemeente via vergunningen@gembest.nl.

  • 13.

    Voor uitstallingen, aankondigingen, bouwmaterieel en bouwmateriaal gelden, naast de algemene bepalingen uit dit hoofdstuk en uit hoofdstuk 5, de volgende bepalingen:

    • voor uitstallingen: de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 2;

    • voor aankondigingen: de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 3;

    • voor bouwmaterieel en bouwmateriaal: de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 4.

Artikel 3 Aansprakelijkheid

  • 1.

    Door het gebruik mag geen schade worden toegebracht aan de openbare ruimte.

  • 2.

    De gemeente Best aanvaardt geen aansprakelijkheid als voorbijgangers of omwonenden door het in gebruik nemen van de openbare ruimte letsel oplopen of als er daardoor schade wordt toegebracht aan derden (zowel particulieren als bedrijven). De gebruiker vrijwaart de gemeente Best tegen aanspraken van derden tot vergoeding van dergelijke schade.

  • 3.

    De gebruiker dient, na afloop van het gebruik, de desbetreffende openbare ruimte en de directe omgeving daarvan schadevrij en opgeruimd achter te laten. Doet de gebruiker dit niet, dan zal het terrein op zijn kosten door de gemeente worden opgeruimd en/of hersteld.

HOOFDSTUK 2 UITSTALLINGEN

Artikel 4 Regels voor het plaatsen van uitstallingen

  • 1.

    Het is alleen toegestaan uitstallingen te plaatsen voor het eigen winkelpand. Uitstallingen dienen binnen het (denkbeeldige) verlengde van de zijgevels van het desbetreffende perceel te blijven.

  • 2.

    Een uitstalling dient zodanig te worden geplaatst dat dit geen gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid.

  • 3.

    Voor het exploiteren van een terras is op grond van artikel 2:28 van de APV een vergunning van de burgemeester vereist.

  • 4.

    Een uitstalling mag maximaal 1,20 meter diep zijn. Tot 1 meter uit de gevel mag een uitstalling, inclusief de daarop gestalde waren, maximaal 2 meter hoog zijn. Vanaf 1 meter uit de gevel mag een uitstalling, inclusief de daarop gestalde waren, maximaal 1,50 meter hoog zijn.

  • 5.

    Er mogen geen materialen aan luifels, zonweringen e.d. worden bevestigd, tenzij deze op een minimale hoogte van 2,20 meter zijn aangebracht.

  • 6.

    Er dient een afstand van tenminste 2 meter te worden vrijgehouden tot de hoek van de straat, gemeten vanaf het kruisingsvlak (bij een ronde straathoek is dat het punt waar de denkbeeldige rechte trottoirbanden bij elkaar komen).

  • 7.

    Er moet een strook van minimaal 1,50 meter breed (parallel aan de gevel) op het trottoir obstakelvrij worden gehouden voor voetgangers en/of gebruikers van gehandicaptenvoertuigen.

  • 8.

    Uitstallingen mogen de doorgang naar een pand of naar brandgangen niet belemmeren.

  • 9.

    Uitstallingen moeten zodanig geplaatst en ingericht worden dat deze niet onbedoeld kunnen wegrijden of verschuiven, dat er geen materialen kunnen vallen en dat er geen scherpe punten uitsteken.

  • 10.

    Per winkel/bedrijf mogen hoogstens twee reclameborden op de openbare ruimte geplaatst worden met een maximale hoogte van 1,80 meter en een maximale breedte van 1 meter; de reclame moet betrekking hebben op het branchepatroon van de winkel/bedrijf.

  • 11.

    De winkeluitstalling met inbegrip van materialen ten behoeve van de uitstalling mag alleen op de openbare ruimte worden gezet tijdens de uren waarop de winkel voor het publiek geopend mag zijn.

  • 12.

    Als een kraam of tafel met zaken wordt uitgestald voor de winkel, dan dient de verkoop van die zaken plaats te vinden vanuit de winkel.

  • 13.

    De ondernemer dient te waarborgen dat de bewoners van eventueel bovengelegen woningen in geval van calamiteiten de betreffende woningen kunnen ontvluchten.

HOOFDSTUK 3 AANKONDIGINGEN EN (RECLAME)UITINGEN

Artikel 5 Aankondigingsborden

Aankondigingsborden (dit zijn borden waarop een aankondiging als bedoeld in artikel 1 sub g wordt gedaan) mogen uitsluitend op, aan of boven de weg geplaatst worden door of namens de gemeente. Het is ieder ander verboden aankondigingsborden te plaatsen.

Artikel 6 Reclameborden (driehoeksborden, sandwichborden)

  • 1.

    Uitsluitend reclameborden worden toegestaan voor acties en evenementen welke plaatsvinden in Best en/of de aangrenzende gemeenten.

  • 2.

    Maximaal 20 reclameborden mogen worden geplaatst, uitsluitend langs wegen binnen de bebouwde kom. De reclameborden mogen maximaal 14 dagen worden geplaatst.

  • 3.

    De aan te brengen ondergrond en tekst op de reclameborden dienen niet van een fel reflecterend materiaal te zijn vervaardigd.

  • 4.

    De reclameborden dienen op een deugdelijke wijze te worden bevestigd aan een lichtmast. Een reclamebord mag niet aan een boom worden bevestigd.

  • 5.

    Plaatsing is niet toegestaan binnen een afstand van 50 meter van een rotonde, kruising of voetgangersoversteekplaats.

  • 6.

    De reclameborden dienen tenminste 15 meter uit de straathoek geplaatst te worden.

  • 7.

    De afstand tussen de kant weg en het reclamebord dient minimaal 1 meter te bedragen.

  • 8.

    Minimaal 4 weken voor plaatsing dient de gebruiker kennisgeving te doen aan de gemeente via vergunningen@gembest.nl onder vermelding van:

    • Contactgegevens aanvrager (naw-gegevens, telefoonnummer en emailadres);

    • Voor welke actie of evenement het is bedoeld;

    • Het aantal te plaatsen borden (maximaal 20);

    • Voor welke periode (maximaal 14 dagen).

  • 9.

    De reclameborden dienen uiterlijk één werkdag na de in de kennisgeving aangegeven periode te zijn verwijderd.

  • 10.

    Voor de plaatsing is per bord precario verschuldigd.

Artikel 7 Permanente verwijsborden

  • 1.

    Het plaatsen van permanente verwijsborden is alleen door of in opdracht van de Gemeente Best toegestaan.

  • 2.

    Alleen de volgende locaties en/of functies komen in aanmerking voor permanente verwijsborden:

    • a.

      Hotel

    • b.

      Dierenpark

    • c.

      Museum

    • d.

      Evenemententerrein

    • e.

      Wandel- en recreatiebosgebied

    • f.

      Bezoekerscentrum

    • g.

      Gedenkteken

    • h.

      Monument

    • i.

      Natuurreservaat

    • j.

      Sportpark

    • k.

      Sporthal

    • l.

      Zwembad

    • m.

      Golfbaan

    • n.

      P+R terrein

    • o.

      Gemeentehuis

    • p.

      Politiebureau

  • 3.

    Voor permanente verwijsborden dient de locatie en/of functie binnen de gemeente Best gevestigd te zijn en een (boven)regionale toeristische en/of recreatieve functie te hebben.

  • 4.

    Verwijsborden naar locaties en/of functies anders dan benoemd in lid 2 worden alleen toegestaan als dit vanuit verkeerstechnisch oogpunt een belangrijke toegevoegde waarde heeft. Het gaat dan bijvoorbeeld over de situatie dat een relatief slecht bereikbaar bedrijf in de bebouwde kom veel vrachtverkeer krijgt. Het kan dan wenselijk zijn om, teneinde het vrachtverkeer uit (bepaalde) woonbuurten te houden, een routing aan te geven. Dit wordt beoordeeld door de verkeerskundige en wegbeheerder van de Gemeente Best.

Artikel 8 Tijdelijke verwijsborden

  • 1.

    Het plaatsen van tijdelijke verwijsborden is slechts toegestaan ten behoeve van een niet-commercieel evenement. De verwijsborden mogen in dat geval niet eerder dan vijf dagen voor aanvang van het evenement worden geplaatst en dienen uiterlijk één werkdag na het plaatsvinden het evenement te zijn verwijderd.

  • 2.

    De aan te brengen ondergrond en tekst op de verwijsborden dienen niet van een fel reflecterend materiaal te zijn vervaardigd.

  • 3.

    De verwijsborden dienen op een deugdelijke wijze te worden bevestigd aan enig onroerend goed, één en ander met toestemming van de rechthebbende.

  • 4.

    De verwijsborden dienen ten minste vijftig meter voor een kruising(en) of kruispunt te worden neergezet om de verkeersveiligheid niet negatief te beïnvloeden.

  • 5.

    Binnen de bebouwde kom dient de afstand tussen de kant weg en het verwijsbord minimaal 1 meter te bedragen.

  • 6.

    Buiten de bebouwde kom dient de afstand tussen de kant weg en het verwijsbord minimaal 1,50 meter te bedragen.

Artikel 9 Spandoeken, versieringen en vlaggen

  • 1.

    Het is slechts toegestaan om spandoeken boven de weg op te hangen dan wel om versieringen (zoals vlaggetjes en verlichtingen) op, aan of boven de weg aan te brengen als wordt voldaan aan de hieronder genoemde voorwaarden:

    • a.

      het spandoek of de versiering dient op een deugdelijke wijze te worden bevestigd aan enig onroerend goed, een en ander met toestemming van de rechthebbende;

    • b.

      de onderzijde van het spandoek of de versiering ligt tenminste 5,00 meter boven het wegdek;

    • c.

      bij eventuele bevestiging van een versiering aan bomen mag er geen gebruik worden gemaakt van schroeven, spijkers en dergelijke. Een spandoek mag alleen aan bomen bevestigd worden door middel van touw of binddraad, dat tegelijkertijd met het spandoek dient te worden verwijderd;

    • d.

      het spandoek of de versiering moet zodanig zijn aangebracht dat het niet in aanraking kan komen met niet-geïsoleerde stroomtoevoerende draden;

    • e.

      het spandoek of de versiering is niet opgehangen aan een of meerdere lichtmasten;

    • f.

      het spandoek of de versiering schermt geen lichtbronnen af;

    • g.

      het spandoek moet bestand zijn tegen zware windstoten, bijvoorbeeld doordat het winddoorlatend is.

  • 2.

    Een spandoek moet verband houden met een uiting of activiteit met een ideëel karakter binnen de gemeente Best van een overheidsinstelling of van een charitatieve instelling. Dit kunnen ook activiteiten zijn die een regionaal of landelijk karakter hebben, maar met een lokaal effect zoals bijvoorbeeld landelijke campagnes over verkeersveiligheid en collectes. Een versiering moet verband houden met speciale gelegenheden, zoals Carnaval, Koningsdag, Sinterklaas, Kerst, EK’s of WK’s.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid is het toegestaan een spandoek op te hangen of versiering aan te brengen in verband met een activiteit of evenement dat op de openbare weg plaatsvindt, gedurende dat evenement of die activiteit.

  • 4.

    Vlaggen, wimpels en vlaggenstokken zijn toegestaan mits deze op een deugdelijke wijze zijn bevestigd aan enig onroerend goed, een en ander met toestemming van de rechthebbende en mits geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven voetgangersruimte of minder dan 5 meter boven de rijweg bevindt.

HOOFDSTUK 4 BOUWMATERIEEL EN BOUWMATERIAAL

Artikel 10 Het plaatsen van bouwmaterieel en bouwmateriaal op de weg

  • 1.

    Het is slechts toegestaan om bouwmaterieel en bouwmateriaal op openbare ruimte te plaatsen als wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 11 tot en met 13. Bouwmaterieel en bouwmateriaal mogen in geen geval langer dan 31 dagen op de openbare ruimte worden geplaatst.

  • 2.

    Als bouwmaterieel en bouwmateriaal wordt geplaatst in het kader van een werk waarvoor bouwvergunning is verleend, kan het zijn dat een bouwveiligheidsplan wordt voorgeschreven. Voor zover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan afwijken van de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 11 tot en met 13, gaan de bepalingen van het bouwveiligheidsplan voor.

Artikel 11 Inrichting bouwplaats

  • 1.

    Bouwmaterieel en bouwmateriaal benodigd voor het verrichten van werkzaamheden aan het bouwwerk moet zoveel mogelijk eerst op het beschikbare eigen terrein worden geplaatst of opgeslagen.

  • 2.

    Bouwmaterieel en bouwmateriaal dat niet in gebruik is voor het uitvoeren van werkzaamheden, moet tenminste tot de volgende afstand buiten de verharding van een rijbaan, fietspad of voetpad worden geplaatst of opgeslagen:

    • rijbaan: 1,50 m

    • fietspad en voetpad: 1,00 m

    met dien verstande dat het zicht op eventueel aanwezige verkeersborden en andere voor de weggebruiker bedoelde signaalgevers en/of aanduidingen niet wordt belemmerd.

  • 3.

    Uitsluitend in het geval dat het eigen terrein niet toereikend is kan de openbare ruimte gedeeltelijk worden gebruikt.

  • 4.

    Bouwmaterieel en bouwmateriaal mogen niet op een rijweg of rijweghelft worden geplaatst.

  • 5.

    Door het plaatsen van bouwmaterieel en bouwmateriaal op de openbare ruimte mag de toegang tot aangrenzende percelen niet worden ontnomen of belemmerd.

  • 6.

    Omwonenden dienen op de hoogte gesteld te worden van de werkzaamheden. Voorts dienen zodanige maatregelen genomen te worden dat het woon- en leefmilieu zo min mogelijk wordt geschaad door de activiteiten.

  • 7.

    De in-/uitrit of rijbaan van bouwplaats naar de openbare weg moet voorzien zijn van rijplaten.

  • 8.

    Wordt bij het transport of de verwerking van bouwmaterieel en bouwmateriaal de weg of een weggedeelte verontreinigd, dan moet op eerste aanzegging van de politie of een toezichthouder deze verontreiniging worden verwijderd. Wordt hieraan niet voldaan, dan zullen zonder dat een ingebrekestelling is vereist de werkzaamheden op kosten van de verontreiniger door derden worden uitgevoerd.

Artikel 12 Veiligheid

  • 1.

    Indien bestrating is verwijderd en er vinden geen werkzaamheden plaats, dienen rijplaten en/of schotten te worden toegepast ten behoeve van de bereikbaarheid van woningen en bedrijven. Tevens dienen deze maatregelen er voor te zorgen dat voetgangers op een deugdelijke manier gebruik kunnen maken van de openbare weg.

  • 2.

    De toegang tot het bouw- en opslagterrein moet met bouwhekken afgesloten worden. Bij het verlaten van het bouw- en opslagterrein moeten zodanige maatregelen worden getroffen, dat het opslag- en bouwterrein niet door andere personen kan worden betreden. Aan de buitenzijde bij het toegangshek moet worden aangeven:

    • de naam, het adres en het telefoonnummer van directie en aannemer;

    • het verbod voor het betreden van het terrein door onbevoegden (art. 461 Wetboek van Strafrecht).

  • 3.

    De indeling van het werkterrein, de werkmethode, werkvolgorde en het materieel moet zodanig worden gekozen, dat hinder door stofvorming, verstuiving of geurhinder zo veel mogelijk wordt beperkt.

  • 4.

    Als gebruik wordt gemaakt van de openbare weg of een gedeelte hiervan, moeten de nodige borden en/of markeringen worden geplaatst voor de veiligheid van het verkeer. Wordt (met ontheffing van het college) een gedeelte van de weg afgesloten, dan moet worden gezorgd voor duidelijke bebording en pijlen om de afsluiting en omleiding aan te duiden. Tevens moeten er maatregelen worden genomen om te zorgen dat voetgangers op een deugdelijke manier gebruik kunnen maken van de openbare weg, conform het Handboek CROW wegafzettingen 96b.

  • 5.

    Bouwhekken die op of tegen de openbare ruimte zijn geplaatst, moeten worden voorzien van lichtmasten of lampen en retro-reflecterende verkeersborden, conform de CROW richtlijn publicatie 130 voor het markeren van onverlichte obstakels.

  • 6.

    Het is verboden om buiten de bouwhekken na werktijd, bouwmiddelen of bouwmaterialen te plaatsen. Deze moeten op een zodanige manier worden opgeslagen dat ze geen gevaar of hinder opleveren voor de omgeving.

  • 7.

    Zowel vóór (nulmeting) als na uitvoering van werkzaamheden op een perceel zal, in het bijzijn van de eigenaar of grondgebruiker, een technische opneming worden gehouden waarbij wordt vastgesteld of de werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de afspraken zoals is vastgesteld in het bestek, recht van opstal of werkbezoeken. Van deze technische opname dient een schriftelijk bezoekrapport te worden overlegd.

Artikel 13 Tijdsduur

  • 1.

    Bouwmaterieel en bouwmateriaal zijn slechts tijdelijk op de openbare ruimte toelaatbaar, zolang deze - binnen de reguliere werktijden - functioneel zijn voor de uitvoering van een bouwactiviteit.

  • 2.

    Na gebruik en uiterlijk 14 dagen na oplevering van het bouwwerk moeten zowel het bouwterrein en opslagterrein, schoon en vrij van bouwmaterieel en bouwmateriaal worden opgeleverd. Is dit niet het geval, en het betreft gemeentelijk grond, dan zal de grond op kosten van de overtreder worden opgeruimd en/of hersteld.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 14 Ontheffing

  • 1.

    Als het niet mogelijk is een voorwerp op de openbare weg te plaatsen op grond van onderhavige Regels, is artikel 2:10, eerste lid, van de APV van toepassing (verbod tot plaatsing). In dat geval kan op grond van artikel 2:10, vierde lid, van de APV een ontheffing aangevraagd worden voor het plaatsen van het voorwerp op de openbare weg.

  • 2.

    Bij de aanvraag voor een ontheffing van het bepaalde in de artikelen 11 t/m 13 moet een plan van aanpak worden overgelegd dat tenminste:

    • a.

      inzicht geeft in de wijze van uitvoering;

    • b.

      een omschrijving bevat van het voor de uitvoering te gebruiken bouwmaterieel en bouwmateriaal;

    • c.

      de volgorde en planning van werkzaamheden aangeeft;

    • d.

      een berekening bevat met betrekking tot de schatting van de omvang en aard van de af te voeren hoeveelheid onbruikbare deelstromen.

Artikel 15 Aanspreekpunt gemeente

Ten behoeve van overleg dan wel het aanvragen van een ontheffing als bedoeld in artikel 14 van deze regels, dient de gebruiker contact op te nemen met de gemeente via vergunningen@gembest.nl

Artikel 16 Overgangsbepaling

Ontheffingen die op grond van artikel 2:10 van de Algemeen Plaatselijke Verordening zijn verleend vóór inwerkingtreding van deze regels worden geacht daarmee in overeenstemming te zijn.

Artikel 17 Slotbepalingen

  • 1.

    Deze regels kunnen worden aangehaald als ‘Nadere APV-regels voorwerpen op of aan de weg’.

  • 2.

    De ‘Nadere regels voorwerpen op of aan de weg’, vastgesteld op 17 december 2018, vervallen.

  • 3.

    Deze regels treden in werking op de dag van bekendmaking.

 

15-12-2020,

burgemeester en wethouders van Best,

Hans Ubachs

Burgemeester

Nicole van Hooy

Secretaris